202403328/1/A2 Datum uitspraak: 21 augustus 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, en het college van bestuur van Hogeschool Inholland (hierna: het CvB), verweerder. Procesverloop Bij beslissing van 15 januari 2024 heeft de directeur van de vestiging Hogeschool Inholland Rotterdam & Dordrecht (hierna: de directeur) namens het CvB aan [appellante] een schriftelijke waarschuwing opgelegd. Bij beslissing van 22 april 2024 heeft het CvB het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld. Het CvB heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 juli 2024, waar [appellante], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat te Den Haag, en het CvB, vertegenwoordigd door mr. P. de Vries, zijn verschenen. Ook zijn namens het CvB [gemachtigden] verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellante] is een studente aan de Inholland Hogeschool. Het CvB heeft haar vanwege ongepast gedrag binnen het gebouw van de Hogeschool een schriftelijke waarschuwing gegeven. Beslissing van het CvB 2. Het CvB heeft zich, met overneming van het advies van de adviescommissie Bezwaarschriften van de Hogeschool Inholland van 22 april 2024, op het standpunt gesteld dat de beslissing zorgvuldig tot stand is gekomen en is gebaseerd op een volledige beoordeling van de feiten. De gedragingen van [appellante], namelijk het in de publieke ruimte schreeuwen, schelden en het doen van dreigende uitspraken richting een medestudent, zijn in strijd met hoofdstuk 3, paragraaf 3.1, Huisregels, Onderdeel A, artikel 1, eerste lid, van de Onderwijsgids 2023-2024. Er ontstond hierdoor een situatie waarmee [appellante] afbreuk heeft gedaan aan een veilige en respectvolle leeromgeving. Het CvB heeft geconcludeerd dat de directeur de in de Huisregels, Onderdeel C, artikel 3, derde lid, onder b, van de Onderwijsgids 2023-2024 als ordemaatregel genoemde schriftelijke waarschuwing mocht opleggen. Van noodweer was volgens het CvB geen sprake. [appellante] had ook anders kunnen handelen, zoals weglopen uit het conflict. Ook is de maatregel volgens het CvB niet onevenredig. [appellante] heeft namelijk geen feitelijk nadeel ondervonden, terwijl het voor de onderwijsinstelling noodzakelijk was om aan [appellante] en medestudenten duidelijk te maken dat haar gedrag ongepast en ontoelaatbaar is. 2.1. Het CvB heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:598, onder 7.1, op het standpunt gesteld dat de schriftelijke waarschuwing een aanmaning is als bedoeld in artikel 7:57h, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) en dat daarom sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In de schriftelijke waarschuwing heeft de directeur namelijk ook vermeld dat bij herhaling van het beschreven onwenselijke gedrag een schorsing kan worden opgelegd of een definitieve verwijdering kan volgen. Beoordeling van het beroep Is de schriftelijke waarschuwing een besluit? 3. [appellante] betoogt dat het CvB ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de schriftelijke waarschuwing een aanmaning is als bedoeld in artikel 7.57h, tweede lid, van de WHW. De schriftelijke waarschuwing is namelijk niet gericht op rechtsgevolg. In dit verband voert zij ook aan dat de directeur, als hij een aanmaning als bedoeld in artikel 7.57h, tweede lid, van de WHW had willen geven, daarvoor een berisping op had moeten leggen. Het CvB had haar bezwaar daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. In dit verband stelt [appellante] verder dat zij door de beslissing van het CvB in een slechtere positie is gekomen. 3.1. De artikelen die in deze zaak van toepassing zijn, luiden als volgt: Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb: "Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling." Artikel 7.57h van de WHW: "1. Het instellingsbestuur kan voorschriften geven en maatregelen nemen met betrekking tot de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de instelling. […] 2. Als de persoon die de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, overtreedt, ernstige overlast binnen de gebouwen en terreinen van de instelling heeft veroorzaakt en deze overlast ook na aanmaning door of vanwege het instellingsbestuur niet heeft gestaakt, kan het instellingsbestuur die student de toegang tot de instelling definitief ontzeggen of zijn inschrijving beëindigen." Huisregels, Onderdeel C, artikel 3 van de Onderwijsgids 2023-2024: "[…] 3. Is de overtreder een student dan kunnen - afhankelijk van de aard van de overtreding - de in dit lid genoemde maatregelen worden opgelegd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.