202404995/1/V
- Datum uitspraak: 26 augustus 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 augustus 2024 in zaak nr. NL24.29336 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 23 juli 2024 heeft de minister de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 6 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.S.S. de Kok, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen
- De rechtbank heeft geoordeeld dat de vreemdeling niet op de juiste grondslag is opgehouden. Hiermee heeft de rechtbank een gebrek vastgesteld in de direct aan de bewaring voorafgaande ophouding. De vreemdeling klaagt daarom in de eerste grief terecht dat de rechtbank de minister had moeten veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft dat namelijk niet gedaan, terwijl zij dat volgens de rechtspraak van de Afdeling wel had moeten doen (onder meer de uitspraak van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2723, onder 1). De grief slaagt.
- Wat de vreemdeling in de overige grieven heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
- Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister tot vergoeding van de bij de vreemdeling in beroep opgekomen proceskosten te veroordelen en wordt voor het overige bevestigd. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 augustus 2024 in zaak nr. NL24.29336, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de bij de vreemdeling opgekomen proceskosten te veroordelen; III. bevestigt de uitspraak voor het overige; IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Bekhoven griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2024 959
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.