(2009)313 definitief). Daarin wordt de bevoegdheid van de lidstaten om in individuele gevallen onderzoek te doen afhankelijk gesteld van een gegrond vermoeden van misbruik. Dit volgt ook uit paragraaf 16 van de Mededeling van de Commissie van 22 december 2023 met richtsnoeren betreffende het recht van vrij verkeer van Unieburgers en hun familieleden (C/2023/1392), die de richtsnoeren van 2 juli 2009 vervangt. Bij het antwoord op de vraag wanneer de minister een vermoeden van misbruik mag aannemen, heeft hij beoordelingsruimte. De in de richtsnoeren opgenomen lijst met concrete aanwijzingen die kunnen leiden tot het instellen van een onderzoek naar eventueel misbruik, is niet-limitatief. Het staat de minister vrij om andere omstandigheden bij de beoordeling te betrekken. Dit laat onverlet dat de bestuursrechter kan toetsen, zij het met enige terughoudendheid, of de door de minister in aanmerking genomen concrete aanwijzingen het instellen van een onderzoek rechtvaardigen. 4.
- De minister heeft in het besluit van 17 juni 2022 zeven op de persoon van de vreemdeling toegespitste indicatoren genoemd die hem aanleiding hebben gegeven tot het instellen van een nader onderzoek naar het huwelijk van referent en de vreemdeling. De minister heeft zich in zijn uitgebreid gemotiveerde verweerschrift van 14 maart 2023 niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij alleen al nader onderzoek heeft mogen doen naar de vreemdeling en referent door hen afzonderlijk te horen, omdat de vreemdeling in beroep twee van de indicatoren in het geheel niet heeft betwist. Hij heeft niet betwist dat referent op 6 april 2020 een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor een andere persoon dan de vreemdeling heeft ingediend, terwijl zij tijdens de behandeling van die aanvraag, gelet op de reisstempels in haar paspoort, in Turkije verbleef. Verder heeft de vreemdeling niet betwist dat bij de aanvraag niet alleen salarisstroken van referent zijn bijgevoegd, maar ook een salarisstrook van een andere, onbekende persoon. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze omstandigheden vragen oproepen. De beroepsgrond faalt.
- De vreemdeling heeft ten tweede tevergeefs betoogd dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zich een schijnhuwelijk voordoet. De minister heeft in het besluit van 17 juni 2022 vermeld dat de vreemdeling en referent in de gehoren een groot aantal tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. De vreemdeling en referent hebben bijvoorbeeld tegenstrijdig verklaard over de omstandigheden waaronder zij elkaar voor het eerst hebben ontmoet, de omstandigheden rond het huwelijk in Turkije, de komst van de vreemdeling naar Nederland, diverse aspecten van de samenwoning en een uitstapje naar Parijs. De vreemdeling heeft in beroep slechts de tegenstrijdigheid bestreden van twee details van zijn verklaringen. Op basis van de overige tegenstrijdige verklaringen heeft de minister zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met referent een huwelijk is aangegaan met als enig doel het in de Verblijfsrichtlijn neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten, waarop hij anders geen aanspraak zou kunnen maken. De beroepsgrond faalt.
- Het beroep is ongegrond.
- De minister moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden. De griffier van de Raad van State zal aan de vreemdeling met toepassing van artikel 8:114 van de Awb het door hem betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep terugbetalen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 juli 2023 in zaak nr. NL22.22410; III. verklaart het beroep ongegrond; IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.312,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier. w.g. Van Breda voorzitter w.g. Van Goeverden-Clarenbeek griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2024 488-1097