(2007)genoemde bedrijven, met inachtneming van de volgende zonering. - voor zover aangegeven met milieucategorie 3.1: grootste afstand 50 m; - voor zover aangegeven met milieucategorie 3.2: grootste afstand 100 m. In de bestemming zijn geluidzoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen niet begrepen. Ter plaatse van de gronden aangeduid met 'ontsluiting' zal de ontsluiting van de gronden binnen deze bestemming plaatsvinden." 15.
- Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet bij het onderzoek dat ertoe dient te beoordelen of ter plaatse van een in een bestemmingsplan voorziene woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd in verband met mogelijke milieuhinder van een nabijgelegen bedrijf worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden op het perceel van dat bedrijf. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 29 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2177, onder 3.
- 15.
- In hoofdstuk 1 van het akoestisch onderzoek van 5 januari 2022 staat dat het onderzoek onder andere inzicht geeft in de geluidniveaus van het loonbedrijf op basis van de feitelijke activiteiten en op basis van de representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het loonbedrijf, als wordt uitgegaan van de mogelijkheden en beperkingen die het vigerende bestemmingsplan ter plekke met zich meebrengt. In paragraaf 2.3 van het akoestisch onderzoek van 5 januari 2022 staat dat voor de beschouwde gemiddelde ‘representatieve’ bedrijfssituatie is uitgegaan van de huidige situatie waarbij [loonbedrijf] volledig in bedrijf is. Daar staat dat zich op het perceel een werkplaats voor het verrichten van reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan het eigen materieel van het loonbedrijf bevindt. Verder volgt uit paragraaf 2.4 dat naast de reguliere bedrijfssituatie ook een incidentele situatie te onderscheiden is die maar enkele dagen per jaar voorkomt. Het gaat om het versnipperen van snoeihout met een mechanische versnipperaar aan het einde van het snoeiseizoen en het zeven van de grond met een grotere grondzeef. De uitgangspunten voor de representatieve bedrijfssituatie zijn gelijk aan de huidige situatie, aangevuld met een zuiveringsinstallatie ten behoeve van het reinigen van materieel dat is ingezet bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen, zo staat in paragraaf 2.5 van het akoestisch onderzoek van 5 januari
- In die paragraaf staat dat naast de huidige bedrijfssituatie inzichtelijk is gemaakt hoe de bedrijfssituatie er zou uitzien als wordt uitgegaan van de mogelijkheden en beperkingen die het vigerende bestemmingsplan ter plekke met zich meebrengt. Op de zitting heeft de raad op een vraag van de Afdeling bevestigd dat bedrijvigheid in milieucategorie 3.1 en 3.2 niet zonder meer is toegestaan op grond van artikel 5.I van het bestemmingsplan "[locatie C] en [locatie B]", omdat aan de richtafstand van 50 respectievelijk 100 m voldaan moet worden. 15.
- In wat het loonbedrijf heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de geluidhinder van het loonbedrijf te laag is ingeschat of niet representatief is. Het loonbedrijf heeft namelijk niet concreet gemaakt welke planologisch toegestane activiteiten niet zijn meegenomen in de onderzoeken. Zoals hiervoor onder 15.3 uiteen is gezet, is in het akoestisch onderzoek niet uitgegaan van de feitelijk bestaande situatie, maar van een representatieve invulling van de planologisch mogelijke situatie. Het betoog slaagt niet. Conclusie akoestische onderzoeken
- Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat het loonbedrijf heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat aan de akoestische onderzoeken zulke gebreken kleven of dat deze leemten in kennis bevatten dat de raad deze onderzoeken niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het plan. Beperking bedrijfsvoering en gevolgen woon- en leefklimaat
- Het loonbedrijf betoogt dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen en de gevolgen van haar bedrijfsvoering voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen. Volgens het loonbedrijf zullen de bewoners van de voorziene woningen geluid-, geur- en stofhinder ondervinden als gevolg van de verkeersbewegingen met zwaar materieel over de Schapendijk. 17.
- De raad stelt zich, onder verwijzing naar paragraaf 5.2 van het geluidonderzoek van 5 januari 2022, op het standpunt dat de etmaalwaarde en de cumulatieve geluidbelasting het maximale geluidniveau van 60 dB(A) uit artikel 45, eerste lid, van de Wgh niet overschrijdt en dat daarom sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat de bedrijfsvoering van het loonbedrijf niet onevenredig wordt beperkt. Volgens de raad worden de in het Activiteitenbesluit gestelde grenswaarden voor de maximale geluidniveaus in de avond- en nachtperiode weliswaar overschreden, maar in de bestaande situatie bevinden zich al op kortere afstand van het perceel van het loonbedrijf woningen. Deze woningen zijn maatgevend voor de bedrijfsactiviteiten van het loonbedrijf. De raad wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5899, onder 3.3, en de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2903, onder 5.
- Er is volgens de raad dan ook geen aanleiding om ter plaatse van de verder weg te realiseren woningen een strenger akoestisch leefklimaat te realiseren. 17.
- Ten aanzien van het betoog dat ter plaatse van de voorziene woningen geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, overweegt de Afdeling als volgt. Over de mogelijke geluidhinder heeft de raad toegelicht dat de etmaalwaarde en de cumulatieve geluidbelasting het maximale geluidniveau van 60 dB(A) uit artikel 45, eerste lid, van de Wgh ter plaatse van de nieuwe woningen niet zal overschrijden. De Afdeling stelt vast dat uit paragraaf 5.2.1 van het akoestisch onderzoek van 5 januari 2022 blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting 56 tot 59 dB(A) bedraagt. Zoals hiervoor onder 14.3 is geconcludeerd, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling aansluiting kunnen zoeken bij de norm van 60 dB(A). De raad heeft zich dan ook redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen, aangezien de cumulatieve geluidbelasting de gehanteerde norm van 60 dB(A) uit artikel 45, eerste lid, van de Wgh niet overschrijdt. 17.
- Wat betreft het betoog dat het plan leidt tot een beperking van de bedrijfsvoering van het loonbedrijf, overweegt de Afdeling als volgt. In paragraaf 4.3.2 van het akoestisch onderzoek van 5 januari 2022 staat dat de richt- en grenswaarden van het Activiteitenbesluit in de avondperiode ter plaatse van de kavels 24, 59, 60, 61, 62 en 63 worden overschreden. Daarin staat ook dat op kortere afstand van het loonbedrijf al bestaande woningen aanwezig zijn die maatgevend zijn. De Afdeling stelt vast dat de woning op het perceel [locatie D] in Den Ham inderdaad op een kortere afstand ligt dan de voorziene woningen op de kavels 24, 59, 60, 61, 62 en
- De raad heeft zich onder deze omstandigheden naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de voorziene woningen geen belemmeringen opleveren voor de bedrijfsvoering van het loonbedrijf wat betreft het aspect geluid. De woning op het perceel [locatie D] in Den Ham is daarvoor al een meer belemmerende factor dan de voorziene woningen zullen zijn. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:842, onder 21.
- In zoverre slaagt het betoog niet. 17.
- De Afdeling overweegt tot slot dat het loonbedrijf met de enkele niet onderbouwde stelling dat bewoners van de voorziene woningen geur- en stofhinder ondervinden als gevolg van de verkeersbewegingen met zwaar materiaal over de Schapendijk, dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Het betoog slaagt in zoverre ook niet. Conclusie
- De beroepen van [appellant sub 1] en het loonbedrijf zijn ongegrond.
- De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier. w.g. Gundelach lid van de enkelvoudige kamer w.g. Wolvers-Poppelaars griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2024 780-1091