202204719/1/A2. Datum uitspraak: 31 januari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: 1. [appellant A], wonend te [woonplaats], 2. [appellant B], wonend te [woonplaats], 3. [appellant C], wonend te [woonplaats], 4. [appellant D], wonend te [woonplaats], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2022 in zaak nrs. 20/6062, 20/6064, 20/5979 en 20/6063 in het geding tussen: [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 19 december 2019 heeft het college aan [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] gezamenlijk een boete van € 20.500,- opgelegd vanwege de onttrekking van de woning aan de [locatie] in Amsterdam aan de woningvoorraad. Bij onderscheiden besluiten van 13 oktober 2020 heeft het college het door [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 14 april 2022 heeft het college de besluiten van 13 oktober 2020 herzien en de aan [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] gezamenlijk opgelegde boete verlaagd naar € 11.600,-. Bij uitspraak van 5 juli 2022 heeft de rechtbank het beroep van [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] gezamenlijk hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2024, waar [appellant D], bijgestaan door mr. I.S. El Boutaibi, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.L. Brinks, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] huurden ten tijde van belang de woning aan de [locatie 1](hierna: de woning). Zij stonden toen ook op het adres ingeschreven in de basisregistratie personen (hierna: de brp). 2. Naar aanleiding van een ‘melding woonfraude’ op 19 juli 2019 dat de woning aan toeristen zou worden verhuurd, hebben toezichthouders op 20 juli 2019 een bezoek aan de woning gebracht. Uit het rapport van bevindingen dat van dat bezoek is opgemaakt blijkt dat de toezichthouders tien toeristen in de woning hebben aangetroffen. De toeristen hadden voor twee nachten geboekt en hadden de gehele woning gehuurd. Bestreden besluitvorming en aangevallen uitspraak 3. Aan [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] is gezamenlijk een boete van - aanvankelijk - € 20.500,- opgelegd, omdat de woning volgens het college hotelmatig werd geëxploiteerd en die exploitatie niet onder een legale vorm van toeristische verhuur kan worden geschaard. Zo is niet voldaan aan de voorwaarden van het gemeentelijk beleid dat de vakantieverhuur moet worden gemeld en dat aan maximaal vier toeristen mag worden verhuurd. Hiermee is de woning zonder de daartoe vereiste vergunning aan de woonruimtevoorraad onttrokken, aldus het college. 4. Bij besluit van 14 april 2022 heeft het college uiteengezet dat het feit dat de woning is verhuurd aan meer dan vier personen een ernstige overtreding is, maar minder ernstig is dan overtredingen waarbij woningen ongecontroleerd uit de woningvoorraad verdwijnen. Niet is gebleken dat de woning niet permanent werd bewoond. Gelet hierop heeft het college aanleiding gezien de boete te matigen. In de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 zijn de boetetabellen gewijzigd en is de hoogte van de boete voor overschrijding van het aantal personen vastgesteld op een bedrag van € 11.600,-. Volgens het college zijn er geen andere bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot verdere matiging van de boete en blijven de besluiten van 13 oktober 2020 voor het overige in stand. 5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de boete niet verdergaand heeft hoeven matigen. Hoger beroep 6. [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] kunnen zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en hebben hoger beroep ingesteld. Partijen zijn het erover eens dat [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] de woning zonder vergunning hebben onttrokken aan de bestemming tot bewoning. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de opgelegde boete van € 11.600,- verder moet worden gematigd. Verder betogen [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de door hen gemaakte kosten van het beroep. Matiging boete 7. [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat er bijzondere omstandigheden bestaan op grond waarvan de boete verder had moeten worden gematigd. Zo is de woning slechts voor een korte periode (vijf dagen) verhuurd, waarmee de impact van de verhuur op de leefbaarheid van de stad zeer beperkt is gebleven. Ten tijde van de verhuur was het ook toegestaan om een woning gedurende zestig dagen per jaar aan toeristen te verhuren. Verder is de woning uitsluitend verhuurd gedurende de periode dat [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] zelf met vakantie waren. Er is daarom geen sprake van een situatie waarin de woning voor langere duur niet voor bewoning werd gebruikt. Het gaat verder om een koopwoning, en niet om een sociale huurwoning. De verhuur had daarom geen negatief effect op de doorstroming op de woningmarkt. [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] hadden voorts hoofdverblijf in de woning en stonden op het adres van de woning geregistreerd in de brp. De woning bevindt zich ook niet in een verbodswijk voor toeristenverhuur. Ten slotte is er tijdens de verhuur geen overlast veroorzaakt. Doordat de omwonenden geen geluidsoverlast of privacy schendingen hebben ondervonden door de verhuur, is de impact van die verhuur op de leefbaarheid van de stad zeer beperkt gebleven. [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] betogen voorts dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel wordt gehandeld. In dit kader verwijzen zij naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:7839, die later is bevestigd door de Afdeling in haar uitspraak van 2 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2850, en waarin de boete is gematigd naar € 10.000,-. In die zaak was de woning ook kort verhuurd en uitsluitend gedurende de periode dat de overtreders met vakantie waren, stonden de overtreders ingeschreven op het adres in de brp en hadden zij hoofdverblijf in de woning. In zoverre is de zaak dus vergelijkbaar. Weliswaar hadden de appellanten in de zaak die heeft geleid tot voormelde uitspraak van de Afdeling van 2 december 2020 de woning aan zes toeristen verhuurd, en niet aan tien, maar daar staat tegenover dat die zes toeristen overlast hadden veroorzaakt voor de omwonenden, terwijl de tien toeristen in de onderhavige zaak geen overlast hebben veroorzaakt. Dat er geen overlast is veroorzaakt, dient zwaarder te wegen dan dat de woning niet aan zes, maar aan tien personen is verhuurd. Gelet hierop had de boete gematigd moeten worden naar (maximaal) € 10.000,-, aldus [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D]. 7.1. In de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020, zoals deze luidde met ingang van 1 april 2022, is in tabel 4 in bijlage 3 voor de hoogte van de boete die wordt opgelegd bij overtredingen in het kader van vakantieverhuur onderscheid gemaakt tussen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.