(23)parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte inclusief deelmobiliteit is daarmee volgens de notitie 559,4 parkeerplaatsen voor bewoners en 137 parkeerplaatsen voor bezoekers. Daar worden 111,9 parkeerplaatsen van afgetrokken als gevolg van deelauto’s en 22,4 parkeerplaatsen voor deelauto’s bij opgeteld. Dat maakt het totaal aan benodigde parkeerplaatsen 606,6 = 606 parkeerplaatsen. Zienswijzen
- [appellant sub 1] heeft in haar zienswijze naar voren gebracht dat de bij besluit van 25 januari 2024 doorgevoerde wijziging van de parkeernorm nog steeds maakt dat er niet in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien. Verder stelt zij zich op het standpunt dat de parkeernormen niet bindend zijn en de wijzigingen dus ook niet. De druk op de omliggende aan- en afvoerwegen zal alleen maar toenemen en dat is alleen in algemene zin in het herstelbesluit betrokken, aldus [appellant sub 1]. In dat verband stelt zij ook aan de orde dat er geen rekening is gehouden met autoverkeerbeperkende maatregelen op omliggende wegen. [appellant sub 1] is er van overtuigd dat nieuwe en huidige bewoners gebruik zullen (blijven) maken van een auto. De nieuwe plannen maken dat de parkeerdruk in de binnenstad toeneemt en dat wordt uitgeweken naar parkeermogelijkheden in aangrenzende wijken waar de parkeerdruk al hoog is.
- [appellant sub 2] heeft in haar zienswijze naar voren gebracht dat met het in werking treden van de Omgevingswet op 1 januari 2024 de raad niet langer het bestemmingsplan kon vaststellen, dan wel wijzigen, maar de procedure had dienen te volgen van het wijzigen van het omgevingsplan. Verder voert zij aan dat de in het herstelbesluit opgenomen parkeernorm nog steeds niet in overeenstemming is met de parkeernorm in de Gebiedsopgave
- Ze stelt zich voorts op het standpunt dat in het herstelbesluit van de parkeernormen in het koersdocument wordt afgeweken. Volgens haar is dit niet toegestaan, omdat in het koersdocument staat wanneer er sprake is van onenigheid tussen belanghebbenden voor het bepalen van de parkeernormen moet worden teruggevallen op het koersdocument en de daarin opgenomen parkeernormen. Zij voert tevens aan dat de vraag of een woning een koop- of huurwoning is ruimtelijk niet relevant is en dat het besluit geen normen bevat om te bepalen welke woningen goedkoop, middelduur of duur zijn. Beoordeling
- De Afdeling is van oordeel dat de raad de met het herstelbesluit gewijzigde parkeernormen voldoende heeft onderbouwd aan de hand van de notitie "Onderbouwing parkeernorm Nieuwegein Centrum" van Goudappel van 16 november 2023 en dat de raad daarmee heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak. Het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in hun zienswijzen naar voren gebrachte geeft geen grond voor een ander oordeel. Zoals aan het begin van deze uitspraak staat was het herstelbesluit nodig omdat de Afdeling in haar tussenuitspraak had geoordeeld dat, kortgezegd, niet deugdelijk was gemotiveerd dat de parkeernormen voldoende waren. In het plan dat toen ter beoordeling stond, kwam het totaal aantal bewonersplekken in de berekening neer op 411, waarbij rekening was gehouden met deelauto’s. In het herstelbesluit is dat 469, ook rekening houdend met deelauto’s. De raad heeft dus niet ervoor gekozen om alleen de motivering te verbeteren, maar ook het aantal bewonersplekken met 58 verhoogd. Het aantal bezoekersplekken waarmee is gerekend is in het oorspronkelijke plan en in het herstelbesluit gelijk. Voor de verdere inhoudelijke overwegingen en een beoordeling van deze zienswijzen wordt verwezen naar de overwegingen 11 tot en met 14 van deze uitspraak.
- De raad heeft de parkeernormen niet langer alleen onderbouwd aan de hand van beleidsvoornemens, omdat in het onderzoek het feitelijke personenautobezit in de binnenstad onder andere aan de hand van de microdata van het CBS als uitgangspunt wordt genomen. Verder heeft de raad voor de onderbouwing van de gehanteerde parkeernormen voor bewoners aangesloten bij de parkeerkencijfers uit CROW-publicatie
- De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling gelet op de gegeven motivering mogen aansluiten bij de minimale parkeerkencijfers voor bewoners en heeft daarbij uit mogen gaan van de gebiedsindeling sterk stedelijk, binnen de bebouwde kom en centrum. Uit tabel 3.1 van die publicatie blijkt dat het CROW per woningtype minimale bewonersparkeernormen hanteert die oplopen van 0,3 tot 0,
- In artikel 24.8 van de planregels heeft de raad dezelfde getallen gehanteerd en alleen aan de omschrijvingen van de typen woningen oppervlaktematen toegevoegd. Hij heeft bij zijn motivering voorts mogen betrekken dat het vanuit de gewenste mobiliteitstransitie voor de gemeente Nieuwegein onwenselijk is om de huidige parkeerbehoefte te volgen en dat het een sturend parkeerbeleid wil volgen, zodat het personenautobezit in de binnenstad beperkt wordt en andere vervoerswijzen als de fiets en het openbaar vervoer prioriteit krijgen. De raad heeft onder andere om die reden een strengere parkeernorm dan de standaardparkeernorm uit het koersdocument mogen hanteren. De raad heeft hier verder bij mogen betrekken dat er in de binnenstad betaald parkeren geldt en bewoners niet gratis gebruik kunnen maken van de parkeerruimte, waardoor het eigen autobezit zal worden ontmoedigd. Verder heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling een parkeernorm voor bezoekers van 0,1 parkeerplaats per woning mogen hanteren. De in dat verband door de raad gegeven motivering, weergegeven in overweging 7 van deze uitspraak, is voldoende. Het is realistisch dat als parkeren in de omgeving duur is, terwijl de bereikbaarheid per openbaar vervoer en fiets heel goed is, juist het effect op de behoefte aan bezoekersplekken groot zal zijn. De raad heeft overtuigend betoogd dat die situatie zich voordoet in dit deel van Nieuwegein, met zijn OV-knooppunt en sneltramverbinding met Utrecht. Ten slotte heeft de raad voldoende gemotiveerd dat de parkeerbehoefte met maximaal 20% gereduceerd kan worden door het gebruik van deelauto’s. Bij haar oordeel over het percentage van maximaal 20% van de behoefte betrekt de Afdeling dat in de planregels nu niet zonder meer wordt uitgegaan van een reductie van de behoefte aan parkeerplaatsen door het gebruik van deelauto’s. Pas als die plekken zijn opgenomen in een bouwplan, mag de initiatiefnemer rekening houden met, kort gezegd, een vijfde van het aantal dat anders uit artikel 24.8, aanhef en onder b, zou volgen. De reductie is dus niet op voorhand in de parkeernormen ingeboekt, los van de ontwikkelingen in de werkelijkheid. De raad heeft in dit verband zich bovendien mogen baseren op CROW-publicatie 381 waarin staat dat één deelauto 4 tot 8 gewone auto’s vervangt. Met de keuze voor 5 auto’s kiest de raad daarmee voor een behoedzaam uitgangspunt.
- De Afdeling zal hierna ingaan op de zienswijzen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].
- [appellant sub 1] heeft alleen gesteld, maar niet aan de hand van bijvoorbeeld een tegenrapport onderbouwd, dat de door de raad gehanteerde parkeernorm nog steeds te laag is. Het door [appellant sub 1] op dit punt aangevoerde treft daarom geen doel. Verder wordt [appellant sub 1] niet gevolgd in haar betoog dat de gewijzigde parkeernormen niet bindend zouden zijn. De parkeernormen zijn vastgelegd in de planregels en dienen daarmee als toetsingskader voor aanvragen om een omgevingsvergunning en zijn in zoverre bindend. Zoals hiervoor is overwogen is de Afdeling van oordeel dat de raad de gewijzigde parkeernormen in het hiervoor genoemde artikel voldoende heeft onderbouwd. Ook in het overige door [appellant sub 1] aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het herstelbesluit onvoldoende is gemotiveerd.
- [appellant sub 2] wordt niet gevolgd in haar betoog, dat de raad vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet geen bestemmingsplan meer kon vaststellen. In dat verband wordt verwezen naar overweging 2 van deze uitspraak. Het door [appellant sub 2] aangevoerde over de Gebiedsopgave 2019 treft geen doel. De Afdeling stelt vast dat de Gebiedsopgave 2019 niet langer als onderbouwing van de parkeernormen voor de woonfuncties in het bestemmingsplan geldt, maar dat gebruik is gemaakt van de maatwerkmogelijkheden die het koersdocument kent. In de notitie van Goudappel is de maatwerkoplossing voor de woonfuncties in het bestemmingsplan onderbouwd. Voor de overige functies gelden de standaard parkeernormen die zijn opgenomen in het koersdocument. Dat [appellant sub 2] zich niet kan vinden in deze maatwerkoplossing betekent niet dat die maatwerkoplossing in strijd is met het koersdocument. Uit het koersdocument volgt dat de raad er voor heeft gekozen dat het parkeerbeleid een onderdeel wordt in een integrale benadering waarin de diverse belangen in onderlinge samenhang worden beschouwd en dat rekening wordt gehouden met de balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving met het oog op een duurzame ontwikkeling. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad met de mogelijkheid om tot een maatwerkoplossing te komen niet beoogd om bij onenigheid tussen belanghebbenden altijd terug te vallen op de standaardparkeernormen. Uit het koersdocument volgt immers ook dat belangen zo breed mogelijk in samenhang met elkaar worden gedeeld en op waarde worden gewogen. De raad heeft in dit geval aan de hand van de notitie van Goudappel voldoende gemotiveerd waarom deze maatwerkwerkoplossing in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zie in dat verband overweging 10 en 11 van deze uitspraak. Dat onder andere [appellant sub 2] zich op het standpunt stelt dat de gehanteerde parkeernormen van de maatwerkoplossing onvoldoende is, leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat de raad niet in overeenstemming met het koersdocument heeft gehandeld. Wat betreft het door [appellant sub 2] naar voren gebrachte, dat het niet ruimtelijk relevant is of een woning wordt gekocht of gehuurd en dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt of dat van invloed is op de parkeerbehoefte, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft mogen aansluiten bij CROW publicatie 381, waarin ook een onderscheid wordt gemaakt tussen (sociale) huur- en koopappartementen en tussen goedkope en dure appartementen. De Afdeling is van oordeel dat de raad door te verwijzen naar de parkeernormen in de CROW-publicatie de gekozen parkeernormen voldoende heeft onderbouwd. [appellant sub 2] heeft op dit punt alleen gesteld dat de door de raad gehanteerde differentiatie in parkeernormen onvoldoende onderbouwd is, maar heeft niet zelf aan de hand van bijvoorbeeld een deskundigenadvies gemotiveerd waarom deze parkeernormen voor bewoners niet zouden voldoen. [appellant sub 2] wordt ook niet gevolgd in haar betoog dat het besluit geen normen bevat om te bepalen of een woning goedkoop, middelduur of duur is. In de planregels is dit namelijk aan de hand van de gebruiksoppervlakte van de appartementen gedifferentieerd. Over het door [appellant sub 2] aangevoerde over de vrees voor een toename van de parkeeroverlast door de te hanteren parkeernormen, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft toegelicht dat er jaarlijks een parkeeronderzoek zal worden uitgevoerd in de gebieden waar betaald parkeren van kracht is en in de omgeving grenzend aan deze gebieden. Waar nodig zullen er maatregelen getroffen worden om, indien daar sprake van is, de parkeerdruk op bepaalde locaties te reguleren, zo heeft de raad toegelicht. Daarbij kan volgens de raad onder meer worden gedacht aan de invoering van parkeren met een parkeervergunning, alsook een uitbreiding van betaald-parkerenzones. De raad heeft verder toegelicht dat het college op 14 mei 2024 het Wijzigingsbesluit Besluit uitgifte parkeervergunningen 2024 heeft genomen, waarin is bepaald dat aan bewoners van nieuwbouwwoningen in parkeerzone C1 die worden (of zijn) opgeleverd na 1 juni 2024 geen parkeervergunning voor bewoners wordt verstrekt. Hiermee heeft de raad volgens de Afdeling voldoende aannemelijk gemaakt dat de parkeeroverlast tot een minimum zal worden beperkt. Het door [appellant sub 2] naar voren gebrachte leidt dus niet tot het oordeel dat het herstelbesluit onvoldoende is gemotiveerd. Conclusie en slot
- De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad 14 juli 2021 zijn gegrond. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, behalve voor zover het artikel 24.8 van de planregels betreft. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van 25 januari 2024 zijn ongegrond. Het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van het college van 1 september 2021 is ongegrond.
- De raad moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Nieuwegein van 14 juli 2021 gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Nieuwegein van 14 juli 2021, kenmerk 2021-226 en NL.IMR0.0356.BPBI2017-VA02; III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, behalve voor zover het artikel 24.8 van de planregels betreft; IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Nieuwegein van 25 januari 2024 ongegrond; V. verklaart het beroep van [appellant sub 1], gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein van 1 september 2021 ongegrond; VI. veroordeelt de raad van de gemeente Nieuwegein tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.312,50; VII. gelast dat de raad van de gemeente Nieuwegein aan [appellant sub 1] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 vergoedt; VIII. gelast dat de raad van de gemeente Nieuwegein aan [appellant sub 2] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. Kamphorst-Timmer griffier Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2024 776