202405233/1/A2 en 202405233/2/A2. Datum uitspraak: 18 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: [appellant], te Amsterdam, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2024 in zaak nr. 23/5719 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 13 maart 2023 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. Bij besluit van 25 augustus 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Ook heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college en [appellant] hebben ieder een nader stuk overgelegd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 3 oktober 2024, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Blanckenburg, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door F. Schuttenhelm, zijn verschenen. Overwegingen 1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Inleiding 2. [appellant] heeft op 25 januari 2023 een urgentieverklaring aangevraagd. In zijn aanvraag heeft hij uiteengezet dat hij op 22 augustus 2020 het slachtoffer is geweest van een liquidatiepoging voor de woning van zijn ouders. In de avond van 13 juli 2022 is voor deze woning een explosief ontploft nadat hij was opgeroepen om een getuigenverklaring bij de rechtbank af te leggen over de liquidatiepoging van 2020. Volgens [appellant] is het voor hem en zijn ouders niet veilig dat hij bij zijn ouders woont, hij is daarom dakloos. Door zijn dakloosheid voelt hij zich extra kwetsbaar. Wettelijk kader 3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Besluitvorming 4. Bij besluit van 13 maart 2023 heeft het college de aanvraag van [appellant] afgewezen op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de Huisvestingsverordening 2020 (hierna: de verordening). Volgens het college gaat het om een veiligheidsprobleem in het kader van de openbare orde en veiligheid, waardoor dit een aangelegenheid is voor de politie en justitie. Een zelfstandige woning is in deze situatie geen substantieel deel van de oplossing voor het probleem. 5. Bij besluit van 25 augustus 2023 heeft het college de afwijzing gehandhaafd. Het is ook bij een zelfstandige woning in Amsterdam volgens het college maar de vraag of [appellant] zijn adres geheim zou kunnen houden. Hierdoor is een zelfstandige woning geen substantieel deel van de oplossing voor het probleem. Het college stelt dat het in soortgelijke situaties doorgaans adviseert om te proberen het woonprobleem ergens anders in Nederland op te lossen en beschouwt dit als een voorliggende voorziening in dit geval. Daarnaast komt [appellant] ook niet in aanmerking voor een urgentieverklaring vanwege sociale redenen als bedoeld in artikel 2.10.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de verordening. Op grond van deze bepaling kan urgentie worden verleend als het huisvestingsprobleem is ontstaan door geweld of ernstige bedreiging. [appellant] voldoet echter niet aan de voorwaarden voor deze urgentiecategorie. Er is namelijk geen sprake van stelselmatig geweld en de levensbedreigende situatie is niet gebleken uit de beschikbare politiestukken. Ook is er geen verklaring van de politie overgelegd waaruit blijkt dat [appellant] uit veiligheidsredenen niet langer in de eigen woning kan verblijven. Aangevallen uitspraak 6. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de urgentieverklaring mocht afwijzen. Het is aannemelijk dat het nieuwe adres van [appellant] spoedig achterhaald zou worden. Het college heeft daarom mogen overwegen dat verhuizen naar een locatie buiten Amsterdam een voorliggende voorziening is, zoals bedoeld in de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (hierna: de nadere regels). [appellant] voldoet daarnaast ook niet aan de voorwaarden voor urgentie vanwege ernstige bedreiging of geweld. Uit de gegevens van de basisregistratie personen (BRP) blijkt dat hij in 2017 is uitgeschreven van het adres van zijn ouders, en dat hij sinds 2018 dakloos is en een postadres heeft. Volgens het proces-verbaal van de aangifte van de poging tot liquidatie slaapt [appellant] in het weekend meestal bij zijn ouders. Uit deze gegevens heeft de rechtbank opgemaakt dat [appellant], ook voorafgaand aan de poging tot liquidatie en de aanslag op 13 juli 2022, zijn hoofdverblijf niet meer bij zijn ouders had. Hij heeft dus niet acuut zijn woning hoeven te verlaten, aldus de rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep 7. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Zijn hogerberoepsgronden komen er in de kern op neer dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat verhuizing buiten Amsterdam een voorliggende voorziening is en dat hij niet aan de voorwaarden voor een sociale urgentie voldoet. Daarnaast is de rechtbank buiten de grenzen van het geschil getreden met haar beoordeling van de grondslag van de afwijzing op sociale gronden. Algemene weigeringsgrond: voorliggende voorziening 7.1. De rechtbank heeft overwogen dat het college de algemene weigeringsgrond van artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de verordening mocht tegenwerpen omdat [appellant] beschikt over een andere voorliggende voorziening, te weten de optie om te verhuizen naar een locatie buiten Amsterdam. Deze redenering is niet dragend en, zoals ook op de zitting bij de voorzieningenrechter is gebleken, niet zo door het college bedoeld. Het college heeft toegelicht dat het enkele gegeven dat [appellant] zijn huisvestingsprobleem mogelijk ook buiten Amsterdam kan oplossen, geen voorliggende voorziening is. Dit betekent dat de rechtbankuitspraak in zoverre niet in stand kan blijven. Het betoog slaagt. Sociale urgentie: omvang van het geding 7.2. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de voorzieningenrechter is dat van oordeel, dat de rechtbank buiten de grenzen van de omvang van het geding is getreden door [appellant] tegen te werpen dat hij ten tijde van de liquidatiepoging en de aanslag met een explosief zijn hoofdverblijf niet bij zijn ouders had. Het college heeft dit en het feit dat [appellant] ten tijde van de liquidatiepoging in 2020 en de explosie in 2022 niet stond ingeschreven op het adres van zijn ouders, niet ten grondslag gelegd aan de besluitvorming. Ook in beroep is dit niet door het college naar voren gebracht. Door de BRP-inschrijving ten grondslag te leggen aan haar oordeel, heeft de rechtbank een andere feitelijke grondslag gehanteerd dan het college heeft gedaan of beoogd. Hiermee is zij buiten de grenzen van het geding getreden. Dit betekent dat de rechtbankuitspraak ook in zoverre niet in stand kan blijven. Het betoog slaagt. Tussenconclusie 7.3. Gelet op wat de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen is het hoger beroep van [appellant] gegrond. Dit betekent dat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De voorzieningenrechter beoordeelt hierna de gronden die [appellant] in beroep heeft aangevoerd. Beoordeling van het beroep Kon het college een algemene weigeringsgrond tegenwerpen? 8. Op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de verordening weigert het college de aanvraag als het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem niet of in onvoldoende mate opgelost kan worden met verhuizing naar een (andere) zelfstandige woonruimte. Het college heeft deze weigeringsgrond nader uitgewerkt in paragraaf 3, van hoofdstuk 1 van de nadere regels. Hieruit volgt dat deze weigeringsgrond van toepassing is wanneer de aanvrager meer gebaat is bij medische zorg of gebruik kan maken van een voorliggende voorziening. Een voorliggende voorziening is op grond van paragraaf 3 onder d, bijvoorbeeld een publieke voorziening op het gebied van zorg, hulp en ondersteuning, het ondernemen van eigen juridische stappen of andere voorzieningen en maatregelen. 8.1. Op de zitting bij de voorzieningenrechter heeft het college toegelicht dat het heeft bedoeld aan te geven dat het hier gaat om een kwestie van openbare orde en veiligheid. De oplossing voor het huisvestingsprobleem moet daarom worden gezocht via een traject bij de directie Openbare Orde en Veiligheid (hierna: de OOV). Met behulp van de OOV zou [appellant] mogelijk een woning buiten Amsterdam kunnen krijgen. Vanwege deze voorliggende voorziening stelt het college dat het de aangevraagde urgentieverklaring heeft moeten afwijzen. 8.2. Nog daargelaten of de OOV een voorliggende voorziening is, heeft het college dit niet als zodanig gemotiveerd in het besluit van 25 augustus 2023. Het college heeft in dit besluit enkel aangegeven dat [appellant] zijn huisvestingsprobleem niet kan oplossen binnen Amsterdam en een woonruimte buiten Amsterdam daarom een voorliggende voorziening is. Gelet hierop moet het besluit van 25 augustus 2023 in zoverre worden vernietigd vanwege een motiveringsgebrek. 8.3. De op de zitting gegeven onderbouwing is overigens ook onvoldoende om de afwijzing op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de verordening te kunnen dragen. [appellant] heeft gemotiveerd uiteengezet waarom de OOV voor hem geen voorliggende voorziening is. Het is volgens [appellant] niet mogelijk om je als burger rechtstreeks te wenden tot de OOV, dit kan enkel intern bij de gemeente in werking worden gezet indien daarvoor op ambtelijk niveau om redenen van openbare orde of veiligheid aanleiding wordt gezien. Het college heeft dit op de zitting bevestigd. Dit betekent dat [appellant] zelf geen invloed kan uitoefenen op de inzet of uitkomst van deze route naar andere woonruimte binnen of buiten Amsterdam. Van een voorliggende voorziening waarvan [appellant] gebruik kan maken is dan ook geen sprake. Hangende beroep heeft de OOV op verzoek van het college alsnog onderzocht of [appellant] in aanmerking moet komen voor een andere woning. Uit de terugkoppeling van de OOV blijkt volgens het college dat zij daarvoor op dat moment onvoldoende aanleiding zag en [appellant] geen voorziening hebben aangeboden. Dit onderstreept dat dit voor hem geen voorliggende voorziening is. Van andere voorliggende voorzieningen is niet gebleken. Dit betekent dat het college de urgentieaanvraag niet op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de verordening mocht afwijzen. 8.4. Het college heeft in het besluit ook uiteengezet dat [appellant] niet in aanmerking komt voor urgentie vanwege sociale gronden. De voorzieningenrechter zal hierna beoordelen of deze afwijzingsgrond het besluit kan dragen. Mocht het college de aanvraag om urgentie op sociale gronden afwijzen? 9. Het college heeft zich in het besluit van 25 augustus 2023 op het standpunt gesteld dat [appellant] niet in aanmerking komt voor urgentie vanwege ernstige bedreiging of geweld. Er is namelijk geen sprake van stelselmatig geweld en de levensbedreigende situatie is niet gebleken uit de beschikbare politiestukken. Ook is er geen verklaring van de politie overgelegd waaruit blijkt dat [appellant] uit veiligheidsredenen niet langer in de eigen woning kan verblijven. 9.1. Het college heeft in het besluit van 25 augustus 2023 enkel de voorwaarden voor de onderhavige urgentiecategorie opgesomd en geconcludeerd dat [appellant] niet aan deze voorwaarden voldoet. Gelet op wat [appellant] in zijn aanvraag en in bezwaar naar voren heeft gebracht, was de summiere onderbouwing die het college daaraan in het besluit van 25 augustus 2023 gegeven heeft, en die hiervoor is weergegeven onder 9, ontoereikend en in zoverre dus niet deugdelijk gemotiveerd. Op dit punt is dus sprake van een motiveringsgebrek, dat ook aanleiding is voor vernietiging van het besluit van 25 augustus 2023. 10. Met het oog op de definitieve beslechting van het geschil ziet de voorzieningenrechter aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Zij licht dit hieronder nader toe. 10.1. Op grond van paragraaf 10.2 van hoofdstuk 1 van de nadere regels kan een urgentieverklaring op sociale gronden worden verkregen als de aanvrager wordt geconfronteerd met geweld of ernstige bedreiging. Dit criterium is nader uitgewerkt in paragraaf 13 (Aanvullende voorwaarden ernstige bedreiging of geweld bij regel 10.2, lid a II). Voor zover hier van belang, moet de aanvrager zijn woning als gevolg van een levensbedreigende situatie door stelselmatig geweld of bedreiging acuut hebben verlaten (sub a), de levensbedreigende situatie moet blijken uit een proces-verbaal van de politie (sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.