202205863/1/R1 Datum uitspraak: 23 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak, tevens tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in het geding tussen:
- B.V. Grondbezit aan de Schelde, gevestigd in Ossendrecht, en [appellante sub 1A], gevestigd te Hoogerheide, beide gemeente Woensdrecht (hierna tezamen en in enkelvoud: B.V. Grondbezit aan de Schelde)
- [appellant sub 2], wonend in Standdaarbuiten, gemeente Moerdijk,
- [appellante sub 3A], gevestigd in Klundert, en [appellant sub 3B], wonend in Klundert, gemeente Moerdijk (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]),
- [appellante sub 4], gevestigd in Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 4]),
- [appellante sub 5], gevestigd in Made, gemeente Drimmelen, en andere (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 5]),
- [appellante sub 6A], gevestigd in Lage Zwaluwe, en [appellant sub 6B], wonend in Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 6]),
- [appellante sub 7], gevestigd in Oud Gastel, gemeente Halderberge,
- [appellante sub 8A] en [appellante sub 8B], wonend in Loon op Zand,
- [appellante sub 9], gevestigd in Noordhoek, gemeente Moerdijk, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 9]),
- [appellante sub 10A] en [appellante 10B], beide gevestigd in Woensdrecht (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 10A]),
- [appellante sub 11], gevestigd in Hooge Zwaluwe, gemeente Drimmelen,
- [appellant sub 12], wonend in Zeist, en anderen,
- [appellant sub 13], wonend in Loon op Zand,
- [appellant sub 14], wonend in Loon op Zand,
- [appellant sub 15], wonend in De Moer, gemeente Loon op Zand,
- [appellant sub 16], wonend in Loon op Zand,
- [appellant sub 17], wonend in Loon op Zand,
- [appellant sub 18], wonend in Loon op Zand,
- [appellante sub 19], gevestigd in Geertruidenberg,
- [appellant sub 20A], wonend in Waspik, en [appellant sub 20B], gevestigd in Waspik, gemeente Waalwijk (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 20]),
- Betoncentrale West-Brabant B.V., gevestigd in Oud en Nieuw Gastel, gemeente Halderberge, en Betonmortel West Brabant De Hoop B.V., gevestigd in Terneuzen (hierna tezamen en in enkelvoud: de betonmortelcentrale),
- W.E.M. Exploitatie B.V., handelend onder de naam Experience Island, gevestigd in Loon op Zand, en [appellant sub 22], wonend in Buren (hierna tezamen en in enkelvoud: Experience Island),
- [appellant sub 23A] en [appellant sub 23B], wonend in Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk,
- [appellante sub 24], gevestigd in Made, gemeente Drimmelen,
- [appellante sub 25], gevestigd in Wouwse Plantage, gemeente Roosendaal,
- [appellante sub 26], gevestigd in Roosendaal, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 26]),
- VaPe Holding B.V., gevestigd in Oosteind, gemeente Oosterhout, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: VaPe Holding),
- [appellant sub 28], wonend in Oosteind, gemeente Oosterhout,
- [appellant sub 29] en anderen, wonend in Roosendaal,
- [appellante sub 30], gevestigd in Wouw, gemeente Roosendaal, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 30]),
- [appellante sub 31A], gevestigd in Ossendrecht, en [appellant sub 31B], wonend in Ossendrecht, gemeente Woensdrecht (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 31A]),
- [appellante sub 32], gevestigd in Roosendaal, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 32]),
- NaGa Solar Holding B.V., gevestigd in Maastricht, en [appellanten sub 33], wonend in Wagenberg, gemeente Drimmelen,
- [appellant sub 34], wonend in Roosendaal,
- [appellant sub 35], wonend in Loon op Zand,
- [appellant sub 36], wonend in Loon op Zand,
- [appellant sub 37], wonend in Loon op Zand,
- [appellant sub 38], wonend in Loon op Zand,
- Stichting Dorpsraad ’s Gravenmoer, gevestigd in ’s Gravenmoer, gemeente Dongen, en Bewonersgroep Hoogspanningsverbinding 380kV ’s Gravenmoer,
- [appellante sub 40A], gevestigd in Hooge Zwaluwe, en [appellant sub 40B], wonend in Hooge Zwaluwe, gemeente Drimmelen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 40]),
- [appellante sub 41A], gevestigd in Rilland, en [appellant sub 41B], wonend in Rilland, gemeente Reimerswaal (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 41]),
- [appellante sub 42], gevestigd in Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 42],
- [appellante sub 43A], gevestigd in Heerle, en [appellant sub 43B], wonend in Heerle, gemeente Roosendaal (hierna tezamen en in enkelvoud: Potters-[appellant sub 35]),
- [appellant sub 44] en anderen, wonend in Moerdijk,
- Fun-Skillz Entertainment B.V., gevestigd in Roosendaal, en anderen,
- [appellant sub 46A] en [appellant sub 46B], wonend in Loon op Zand,
- [appellant sub 47], wonend in Roosendaal,
- [appellant sub 48], wonend in Dongen,
- [appellant sub 49A] en [appellant sub 49B], wonend in Hooge Zwaluwe, gemeente Drimmelen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 49]),
- Akkerbouwbedrijf De Reevliet, gevestigd in Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: De Reevliet),
- [appellante sub 51], gevestigd in Dongen, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 51]),
- [appellant sub 52], wonend in Roosendaal, appellanten, en de minister voor Klimaat en Energie, thans: de minister van Klimaat en Groene Groei, en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, thans: de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (hierna: de ministers), verweerders. Procesverloop Bij besluit van 12 juli 2022 hebben de ministers het inpassingsplan "Zuid-West 380 kV Oost" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben appellanten, behoudens [appellant sub 47] en B.V. Grondbezit aan de Schelde, beroep ingesteld. De ministers hebben verweerschriften ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de STAB) heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal appellanten en de ministers hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht. Een aantal appellanten heeft nadere stukken ingediend. Bij besluit van 4 april 2024 hebben de ministers het inpassingsplan gewijzigd. Een aantal appellanten heeft een schriftelijke reactie gegeven op dit besluit. [appellant sub 47] en B.V. Grondbezit aan de Schelde hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 4 april
- De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zittingen van 10, 11, 12 en 13 juni 2024, waar appellanten zijn verschenen of zich hebben laten vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich ook niet laten vertegenwoordigen. Ook de ministers hebben zich laten vertegenwoordigen. Verder is TenneT TSO B.V. als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
- Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een inpassingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het inpassingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 17 december 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven. Inleiding
- Het inpassingsplan maakt de aanleg van een nieuwe 380 kV-verbinding tussen Rilland en Tilburg mogelijk. Deze verbinding loopt van Rilland via Bergen op Zoom, Roosendaal, Oud Gastel, Standdaarbuiten, Zevenbergen, Zevenbergschen Hoek, Hooge Zwaluwe, Geertruidenberg, Oosterhout en 's Gravenmoer naar Tilburg. De verbinding is onderdeel van een nieuw aan te leggen tracé tussen Borssele en de landelijke ring bij Tilburg. Dat tracé is in totaal ongeveer 78 km lang. De aanleg van het westelijk gedeelte van de verbinding tussen Borssele en Rilland is mogelijk gemaakt met het rijksinpassingsplan "Zuid-West 380 kV West". Bij uitspraak van 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2672, heeft de Afdeling dat inpassingsplan grotendeels in stand gelaten. De voor de uitvoering van het inpassingsplan benodigde uitvoeringsbesluiten liggen in deze procedure niet voor. De nieuwe hoogspanningsverbinding zal worden geëxploiteerd door TenneT.
- Bij besluit van 4 april 2024 hebben de ministers het vaststellingsbesluit van 12 juli 2022 gewijzigd, omdat zij in de verbeelding en de regels een aantal omissies en onduidelijkheden hebben geconstateerd. Ten opzichte van het besluit van 12 juli 2022 zijn onder meer enkele artikelen uit de planregels gewijzigd, de twee bijlages bij de planregels vervangen en is de aanduiding van de maximum bouwhoogte voor een aantal locaties op de verbeelding toegevoegd. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb tegen het wijzigingsbesluit beroepen van rechtswege zijn ontstaan. Appellanten kunnen zich niet verenigen met dit besluit, omdat dit niet (volledig) tegemoet komt aan hun bezwaren tegen het besluit van 12 juli
- Het besluit maakt daarmee onderdeel uit van deze procedure. [appellant sub 47] en B.V. Grondbezit aan de Schelde hebben alleen beroep ingesteld tegen het wijzigingsbesluit.
- De aanleg van een hoogspanningsverbinding op grond van een inpassingsplan valt onder de in de bijlage I, onderdeel 2, onder 2.1, van de Chw genoemde gevallen. Als gevolg daarvan is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing.
- Bij de vaststelling van een inpassingsplan moeten de ministers bestemmingen aanwijzen en regels geven die de ministers uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. De ministers hebben daarbij beleidsruimte en moeten de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Leeswijzer
- Tegen het inpassingsplan is een groot aantal beroepsgronden naar voren gebracht. Deze beroepsgronden worden in de uitspraak per onderwerp behandeld en daarbij wordt de onderstaande volgorde aangehouden, waarbij de nummers van de desbetreffende rechtsoverwegingen zijn vermeld: - Ontvankelijkheid beroep [appellant sub 47] (8 - 8.1) - Goede procesorde
(9)- Participatie (10 - 10.4) - Nut en noodzaak (11 - 11.2) - Strijd met regelingen en beleid (12 - 13.2) - Wijze van bestemmen (14 - 18.2) - Ondergrondse aanleg/verkabeling (19 - 19.4) - Combineren en bundelen van verbindingen (20 - 20.3) - Tracé en alternatieven (21 - 40.1) - Gezondheid en magneetvelden (41 - 61.2) - Externe veiligheid (62 - 62.3) - Geluid (63 - 64) - Gevolgen voor agrarische en andere bedrijfsbelangen (65 - 78.2) - Schade (79 - 80) - Overige beroepsgronden (81 - 82.1) - Conclusie en proceskosten (83 - 89) Ingetrokken beroepsgronden
- De appellanten die hebben betoogd dat het inpassingsplan in strijd is met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: het Barro) en de Nationale Omgevingsvisie (hierna: de NOVI), hebben die betogen op de zitting ingetrokken. Op de zitting hebben [appellant sub 44] en anderen hun beroepsgrond over de beoogde mastlocatie op het betonnen pad op hun perceel ingetrokken. Ontvankelijkheid beroep [appellant sub 47]
- [appellant sub 47] heeft beroep ingesteld tegen het wijzigingsbesluit van 4 april
- Hij had geen beroep ingesteld tegen het bij besluit van 12 juli 2022 vastgestelde inpassingsplan en geen zienswijze naar voren gebracht over het ontwerp-inpassingsplan. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De Afdeling stelt vast dat de afstand van het in het beroepschrift vermelde woonadres van [appellant sub 47] tot het tracé van de hoogspanningsverbinding hemelsbreed ruim 2 km is. Hij heeft vanuit zijn woning in de bebouwde kom van Roosendaal geen zicht op de hoogspanningsverbinding en zal dan ook niet rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van de in het inpassingsplan mogelijk gemaakte hoogspanningsverbinding. Hoewel de Afdeling aan [appellant sub 47] heeft laten weten dat de vraag over het belang bij het besluit op de zitting aan de orde zou komen, is [appellant sub 47] daar niet verschenen om toe te lichten waarom hij, ondanks de afstand tussen zijn woning en het tracé, een belang heeft bij het inpassingsplan. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 47] een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft. 8.
- Het beroep van [appellant sub 47] is daarom niet-ontvankelijk. Goede procesorde
- Tennet heeft op 30 mei 2024 een geluidrapport van Peutz ingediend. In het rapport wordt gereageerd op kritische kanttekeningen van de STAB bij de geluidbeoordeling in de plantoelichting en het daarbij behorende akoestische onderzoek. Het rapport bevat berekeningen van geluidniveaus en conclusies over de aanvaardbaarheid van die niveaus. Zoals op de zitting is meegedeeld, laat de Afdeling het rapport van Peutz buiten beschouwing. Het rapport is in strijd met de goede procesorde pas ingediend op de elfde dag voor de eerste zittingsdag in deze zaak. Dit is zo laat dat andere partijen, gelet op de aard van het rapport, daarop niet adequaat hebben kunnen reageren voorafgaand aan de zitting of tijdens de zitting. Daar komt bij dat Tennet op de zitting niet heeft kunnen uitleggen waarom een dergelijke reactie op het deskundigenbericht van de STAB niet eerder kon worden ingediend. Participatie
- Een aantal appellanten betoogt dat het besluitvormingsproces niet zorgvuldig is geweest, omdat zij onvoldoende zijn betrokken bij de keuze voor het uiteindelijke tracé van de hoogspanningsverbinding. Appellanten die in buurtschap Kraanven wonen, alsmede [appellant sub 14] en [appellant sub 38], voeren hierover in nagenoeg gelijkluidende beroepschriften aan dat de ministers hen niet over de voorgenomen ontwikkeling en de gevolgen daarvan hebben geïnformeerd en dat zij niet betrokken zijn in de besluitvorming. Zij stellen te zijn overvallen door de vaststelling van het inpassingsplan. Ook [appellante sub 51] en Experience Island stellen in 2021 te zijn verrast door de gemaakte tracékeuze. Zij stellen dat zij geen nieuwsbrieven hebben ontvangen en dat zij ook niet hebben kunnen deelnemen aan de zogenoemde werkateliers. Dat er informatieavonden zijn gehouden, betekent volgens Experience Island nog niet dat er rekening is gehouden met haar wensen. Volgens haar is er van een goede omgevingsdialoog geen sprake geweest. [appellanten sub 8] hebben aangevoerd dat zij aanvankelijk ten onrechte geen nieuwsbrieven hebben ontvangen en ook niet zijn betrokken bij de werkateliers. [appellanten sub 8A] stelt dat zij pas in maart 2020 telefonisch is benaderd door TenneT met de mededeling dat het tracé van variant Oranje over hun percelen [locatie 1] en [locatie 2] zou komen. Op de door TenneT op 19 januari 2021 georganiseerde bijeenkomst voor bewoners van het gebied Kraanven heeft TenneT vervolgens verschillende mogelijke varianten gepresenteerd, zonder dat er gelegenheid was voor dialoog. De variant Bruin Plus is daar niet aan de orde geweest. Dat TenneT daarna op 8 februari 2021 aan de toenmalige minister van Economische Zaken en Klimaat heeft geadviseerd om niet te kiezen voor de variant Oranje, maar voor de niet met hen of andere omwonenden besproken variant Bruin Plus, kwam dan ook onverwacht. De toenmalige minister heeft vervolgens bij brief van 26 februari 2021 ingestemd met variant Bruin Plus, maar heeft daarbij hun brief van 24 februari 2021, waarin zij hebben gewezen op de onjuistheden in het advies van TenneT, niet betrokken. Ook na hun brief van 14 juni 2021, waarin zij gemotiveerd hebben verzocht om heroverweging van de variant Bruin Plus, heeft de toenmalige minister vastgehouden aan variant Bruin Plus. [appellante sub 10A] betoogt dat zij ten onrechte niet is betrokken bij de wijziging van de plannen voor haar percelen en dat zij daarover te laat is geïnformeerd. In juli 2017 was ervoor gekozen om de verbinding elders ondergronds te laten gaan en onder haar percelen te laten lopen. De in 2019 gemaakte keuze om de hoogspanningsverbinding op haar percelen bovengronds en met een opstijgpunt aan te leggen, moest [appellante sub 10A] in 2021 uit de krant vernemen. [appellant sub 29] en anderen betogen dat de ministers hen geen reële mogelijkheid tot inspraak hebben geboden. Zij zijn niet gehoord of geraadpleegd over de gekozen variant Grijsblauw aan de westzijde van de A
- Tot begin 2018 wisten zij niet beter dan dat de keuze voor variant Rood definitief was. De bijeenkomst van 28 januari 2019, waar de keuze voor variant Grijsblauw eenzijdig is meegedeeld, mag volgens hen niet worden aangemerkt als participatie van de bewoners. 10.
- De Afdeling stelt vast dat het inpassingsplan in overeenstemming met de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Uit deze regelingen volgt niet de verplichting om de omgeving in de fase voorafgaand aan de procedure van afdeling 3.4 van de Awb actief te betrekken bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1445, en 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1252). Hoewel het voor de Afdeling duidelijk is dat appellanten om verschillende redenen vinden dat zij in die fase onvoldoende zijn betrokken bij het maken van keuzes en liever meer inspraak en invloed hadden willen hebben, kan dit dus geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan. 10.
- In Staatscourant 2021, nr. 49684, is kennisgegeven van het ontwerpplan en de terinzagelegging daarvan. Daarmee is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de kennisgeving. Er is geen wettelijk voorschrift op grond waarvan de ministers in een geval als hier aan de orde verplicht zijn eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van een ontwerpplan of de terinzagelegging daarvan. Voor zover de appellanten bedoelen te betogen dat de ministers hen persoonlijk hadden moeten informeren over het ontwerpplan, slagen die betogen dus niet. 10.
- Appellanten zijn in overeenstemming met afdeling 3.4 van de Awb in de gelegenheid gesteld om zienswijzen over het ontwerpplan naar voren te brengen. Van die gelegenheid hebben zij gebruik gemaakt. In de Antwoordnota zijn de ministers ingegaan op hun zienswijzen, ook op de zienswijzen over de participatiemogelijkheden en de gemaakte ruimtelijke keuzes in de fase voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan. Dat de ministers daarbij geen gehoor hebben gegeven aan de in de zienswijzen geuite bezwaren tegen specifieke tracévarianten of de locatie van een opstijgpunt, maakt niet dat de besluitvormingsprocedure onzorgvuldig is verlopen. 10.
- De betogen slagen niet. Nut en noodzaak
- De betonmortelcentrale betoogt dat de ministers het nut en de noodzaak van de voorziene hoogspanningsverbinding onvoldoende hebben onderbouwd. Volgens de betonmortelcentrale lijkt de uitbreiding van het 380 kV-net tussen Rilland, Geertruidenberg en Tilburg alleen ingegeven te zijn door onderhoudsoverwegingen en is ten onrechte niet onderzocht of onderhoud op een andere manier kan worden uitgevoerd, bijvoorbeeld met tijdelijke verbindingen. 11.
- De ministers stellen zich op het standpunt dat de voorziene hoogspanningsverbinding niet alleen nodig is om knelpunten in het onderhoud op te lossen, maar ook om de leveringszekerheid van elektriciteit blijvend te kunnen garanderen en een toename in de transportbehoefte door de aanleg van windparken op zee te kunnen faciliteren. De nieuwe hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost wordt aangelegd om het overschot aan elektriciteit in Zeeland te kunnen transporteren naar de landelijke 380 kV-ring. In hoofdstuk 2 van de toelichting op het inpassingsplan en in de verweerschriften is gemotiveerd ingegaan op nut en noodzaak van de nieuwe hoogspanningsverbinding. Daarin is vermeld dat de huidige hoogspanningsverbinding tussen Rilland en Geertruidenberg een knelpunt vormt in het transport van de opgewekte elektriciteit vanuit Zeeland naar Brabant en de rest van Nederland, omdat de transportcapaciteit van het bestaande 150 kV-net daarvoor ontoereikend is. Daarnaast ontstaat er bij het uitvoeren van onderhoud aan één van de 380 kV-circuits van de bestaande 380 kV-verbinding Rilland-Geertruidenberg ook een knelpunt, omdat rekening moet worden gehouden met uitval van het andere circuit tijdens het onderhoud. Als dit gebeurt, is het 150 kV-net tussen Zeeland en Brabant niet in staat de opgewekte elektriciteit af te voeren, omdat het overbelast raakt. De gewenste leveringszekerheid komt dan in gevaar. In de plantoelichting is verder uiteengezet dat er geen andere adequate oplossingen zijn voor deze knelpunten. Over de door de betonmortelcentrale in de zienswijze geopperde tijdelijke verbindingen, die ook bij de bouwwerkzaamheden worden ingezet, staat in de Antwoordnota verder dat dit geen toekomstvaste en realistische oplossing is voor een onderhoudssituatie. Deze oplossing staat wat betreft kosten en doorlooptijd namelijk niet in verhouding tot het type onderhoud dat regulier moet worden uitgevoerd. De betonmortelcentrale heeft deze uitleg in beroep niet bestreden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat de betonmortelcentrale naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers het nut en de noodzaak van de nieuwe 380 kV-verbinding onvoldoende hebben gemotiveerd. 11.
- Het betoog slaagt niet. Regelingen en beleid Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro)
- Een groot aantal appellanten heeft aangevoerd dat de wijze van beschikbaarstelling van het inpassingsplan op www.ruimtelijkeplannen.nl in strijd is met artikel 1.2.1 van het Bro en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat belanghebbenden op het verkeerde been zijn gezet. 12.
- In het aangevoerde ziet de Afdeling daarvoor geen grond. Artikel 1.2.1, tweede lid, van het Bro luidt als volgt: "Er is een landelijke voorziening waar de visies, plannen, besluiten en verordeningen, bedoeld in het eerste lid, raadpleegbaar zijn." Artikel 1.2.
- van het Bro heeft betrekking op de beschikbaarheid en raadpleegbaarheid van onder meer inpassingsplannen. Dat het vastgestelde inpassingsplan niet goed raadpleegbaar zou zijn, betreft een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan al om die reden de rechtmatigheid van het besluit zelf niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan dan ook geen grond vormen voor de vernietiging van het inpassingsplan. Voor zover het betoog van appellanten zo moet worden begrepen dat zij door de wijze van raadpleging op www.ruimtelijkeplannen.nl zijn belemmerd bij het indienen van hun zienswijzen of beroepsgronden, ziet de Afdeling daarvoor geen grond. Zowel het ontwerp-inpassingsplan als het inpassingsplan zijn elektronisch beschikbaar gesteld op www.ruimtelijkeplannen.nl. Zoals de ministers hebben toegelicht, wordt bij het zoeken op adres het inpassingsplan alleen getoond als de rode locatiepin die het adres aanduidt, zich binnen het plangebied bevindt. Als eerst wordt gezocht op (een deel van) de naam van het inpassingsplan en vervolgens links in het zoekmenu het adres wordt ingevoerd, wordt het (ontwerp)inpassingsplan wel getoond, ook als de rode locatiepin zich buiten het plangebied bevindt. Op de zitting is ook gebleken dat appellanten bij raadpleging van www.ruimtelijkeplannen.nl het (ontwerp)inpassingsplan hebben gevonden. 12.
- De betogen slagen niet. Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III)
- Een groot aantal appellanten betoogt dat het inpassingsplan ten onrechte niet is getoetst aan het SEV III. Hoewel in de NOVI staat dat het SEV III is komen te vervallen, blijkt daaruit volgens hen ook dat het SEV III nog steeds als beleid wordt gezien. 13.
- In het SEV III staat dat dit tot doel heeft om voldoende ruimte voor grootschalige productie en transport van elektriciteit te waarborgen. In het SEV III zijn onder meer globale ruimtereserveringen vastgelegd voor globale trajecten van mogelijke hoogspanningsverbindingen van 220 kV en meer. De bestaande en mogelijke nieuwe hoogspanningsverbindingen zijn vermeld in tabel 2 en weergegeven op kaart 1 van het SEV III. In het SEV III is aangekondigd dat in een algemene maatregel van bestuur regels zullen worden gesteld over de uitvoering. Titel 2.8 van het Barro is met het oog daarop vastgesteld. Daarin zijn bestaande hoogspanningsverbindingen opgenomen. In het SEV III zijn verder uitgangspunten vermeld die zullen worden gehanteerd bij de aanleg van nieuwe hoogspanningsverbindingen. Het SEV III bepaalt dat het geldt tot
- De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld. In de toelichting bij de NOVI zijn onder meer de hiervoor bedoelde uitgangspunten uit het SEV III verwoord. Dat deel van het beleid gaat volgens de toelichting op in de NOVI en daarmee vervalt het SEV III. In de toelichting staat ook dat het in ontwikkeling zijnde Programma Energiehoofdstructuur (hierna: het PEH) kan worden gezien als opvolger van, onder meer, het SEV III. De ministers stellen dat dit niet betekent dat het SEV III nog steeds geldend beleid is. De Afdeling heeft geen aanleiding om te oordelen dat die stelling onjuist is. Uit de NOVI kan worden opgemaakt dat het PEH wordt opgesteld om beleidskeuze 1.3 van de NOVI uit te werken. Die beleidskeuze houdt in dat de energie-infrastructuur geschikt wordt gemaakt voor duurzame energiebronnen en dat daarvoor ruimte wordt gereserveerd. Daarmee bouwt het, ten tijde van het bestreden besluit nog op te stellen, PEH dus voort op het SEV III, voor zover dat betrekking had op de reservering van ruimte voor hoogspanningsverbindingen. Na het verstrijken van de looptijd van het SEV III in 2020, zijn de ministers echter niet langer gebonden aan de reserveringen in het SEV III. De NOVI maakt op dit punt een nieuwe afweging mogelijk. 13.
- De betogen slagen niet. Wijze van bestemmen Vastlegging tracé en locatie masten
- Een groot aantal appellanten voert aan dat het tracé van de hoogspanningsverbinding en de locatie van de masten van de bovengrondse verbinding op dat tracé ten onrechte niet op de verbeelding zijn vastgelegd. Als gevolg daarvan is ook onduidelijk waar de magneetveldzone precies zal komen te liggen. Appellanten weten zo niet waar zij aan toe zijn. Het inpassingsplan is volgens hen daarom in strijd met de rechtszekerheid. 14.
- De ministers brengen naar voren dat uit de verbeelding kan worden afgeleid op welke locaties hoekmasten zullen worden geplaatst. Dit is het geval op elk punt waarop de verbinding een verandering van richting kent. De locaties van de opstijgpunten van ondergrondse naar bovengrondse verbindingen zijn op de verbeelding vastgelegd door middel van de bestemming "Bedrijf - Opstijgpunt". Daarnaast zijn de minimale en maximale veldlengtes tussen de masten vastgelegd in artikel 8.2, onder b, sub 3, en artikel 9.2, onder b, sub 3, van de planregels. De ministers stellen zich op het standpunt dat de overige mastposities niet zijn vastgelegd om enige flexibiliteit te hebben bij het definitief positioneren van die masten. De keuze om de mastlocaties, met uitzondering van hoekmasten, niet vast te leggen, is gemaakt om onder meer bij het afsluiten van de zakelijk recht-overeenkomsten de mogelijkheid open te houden om voor individuele gevallen de mastposities enkele meters in de lijn te kunnen opschuiven. Hierdoor kan volgens de ministers worden ingespeeld op de specifieke situatie ter plaatse om daarmee het bouwplan te kunnen optimaliseren, waarbij ook de belangen van de grondeigenaren worden meegewogen. De onderzoeken die zijn uitgevoerd naar bijvoorbeeld de magneetveldzone, gaan, aldus de ministers, uit van de aanleg binnen de bestemming zoals opgenomen op de verbeelding bij het inpassingsplan. Voor de magneetveldzone kan het echter wel gevolgen hebben als een mast binnen de bestemming wordt "verschoven". Om te voorkomen dat dit leidt tot meer of andere gevoelige bestemmingen binnen de magneetveldzone, is in de planregels opgenomen dat een dergelijke verschuiving niet is toegestaan. 14.
- Artikel 1.7 van de planregels luidt: "1.7 belemmeringenstrook een strook grond ter plaatse van en aan weerszijden van de hoogspanningsverbinding of -kabel die dient om de veiligheid en het ongestoord functioneren van de leiding te kunnen garanderen." Artikel 1.24 luidt: "1.24 specifieke magneetveldzone de strook grond die zich aan beide zijden langs de hoogspanningsverbinding uitstrekt en waarbinnen het magneetveld gemiddeld over een jaar hoger dan 0,4 microtesla is of in de toekomst kan worden, berekend overeenkomstig de handreiking." Artikel 2.3 luidt: "2.3 veldlengte de afstand tussen twee mastlocaties, uitgaande van de denkbeeldige lijn door het hart van de mast op een bepaalde mastlocatie." Artikel 8.1 luidt: "8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 150/380 kV' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: een gecombineerde bovengrondse 150 kV/380 kV-hoogspanningsverbinding, met de daarbij behorende belemmeringenstrook;" Artikel 9.1 luidt: "9.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 380 kV' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: een bovengrondse 380 kV-hoogspanningsverbinding, met de daarbij behorende belemmeringenstrook;" Artikel 8.2, onder b, sub 5 luidt: "Voor het bouwen gelden de volgende regels: […] b. op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van de hoogspanningsverbinding die voldoen aan de volgende criteria: […]
- de veldlengte tussen twee mastlocaties bedraagt ten minste 180m en ten hoogste 400 m; […]
- uit een rapport met de weergave van de berekende specifieke magneetveldzone conform de handreiking als bedoeld in 1.18 blijkt dat na ingebruikname van de hoogspanningsverbinding er geen gevoelige bestemmingen zijn gelegen binnen de specifieke magneetveldzone anders dan de gevoelige bestemmingen die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regels; […] Artikel 9.2, onder b, sub 5, luidt: "Voor het bouwen gelden de volgende regels: […] b. op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van de hoogspanningsverbinding die voldoen aan de volgende criteria: […]
- de veldlengte tussen twee mastlocaties bedraagt ten minste 180 m en ten hoogste 400 m; […]
- uit een rapport met de weergave van de berekende specifieke magneetveldzone conform de handreiking als bedoeld in 1.18 blijkt dat na ingebruikname van de hoogspanningsverbinding er geen gevoelige bestemmingen zijn gelegen binnen de specifieke magneetveldzone anders dan de gevoelige bestemmingen die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regels; […]" 14.
- In haar uitspraak van 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9217, heeft de Afdeling overwogen dat er geen wettelijke verplichting bestaat om de magneetveldzone op te nemen op de verbeelding. De Afdeling ziet geen aanleiding om in voorliggende zaak daarover anders te oordelen. Er bestaat ook geen wettelijke verplichting om de exacte locatie van het tracé van de hoogspanningsverbinding op de verbeelding op te nemen. De lijn waarlangs de hoogspanningsverbinding wordt opgericht kan op zichzelf overal binnen het bestemmingsvlak worden getrokken. Wel dient er ruimte te zijn binnen de bestemming voor een strook grond aan weerszijden van de hoogspanningsverbinding voor de zogeheten belemmeringenstrook als bedoeld in artikel 1.7 van de planregels. Deze eis beperkt de mogelijkheden voor het binnen de bestemming realiseren van de hoogspanningsverbinding. Naar het oordeel van de Afdeling doet zich geen strijd met het beginsel van de rechtszekerheid voor. De ministers hebben aan het belang van flexibiliteit een groter gewicht mogen toekennen dan aan de belangen die zijn gediend met het vastleggen van het exacte traject van de hoogspanningsverbinding. Er is ook wat de magneetveldzone betreft geen sprake van strijd met het beginsel van de rechtszekerheid. De magneetveldzone wordt gebruikt om bij de tracering zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te voorkomen dat er nieuwe gebieden ontstaan waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Uit de bij het inpassingsplan gevoegde magneetveldzonerapporten is te herleiden welke woningen desondanks toch in de magneetveldzone liggen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat in artikel 8.2, onder b, sub 5, en in artikel 9.2, onder b, sub 5, van de planregels is vastgelegd dat er geen gevoelige bestemmingen bij mogen komen. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2050, en van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465, overwogen dat de ministers de exacte situering van de hoogspanningsmasten - afgezien van de hoekmasten - niet in de destijds aan de orde zijnde inpassingsplannen behoefden vast te leggen. Volgens die uitspraken hebben de ministers aan het belang van flexibiliteit een groter gewicht mogen toekennen dan aan de belangen die zijn gediend met het vastleggen van de exacte locaties. De Afdeling ziet geen aanleiding om in de voorliggende zaak een andere conclusie te trekken. Bij de vaststelling van de minimale en maximale veldlengte tussen twee mastlocaties, zoals neergelegd in artikel 8.2, onder b, sub 3, en 9.2, onder b, sub 3, van de planregels, hebben de technische eisen die aan de verbinding worden gesteld een rol gespeeld en de omstandigheid dat rekening moet worden gehouden met verschillen in de situatie ter plaatse van de op te richten masten, zoals de gesteldheid van het terrein. Voor een nadere specificering per trajectdeel hebben de ministers geen aanleiding hoeven zien. Naar het oordeel van de Afdeling doet zich dan ook bij de situering van de hoogspanningsmasten geen strijd met het beginsel van rechtszekerheid voor. Overigens hebben de ministers er bij de behandeling van de beroepen met juistheid op gewezen dat de exacte locaties van de masten wel zijn of worden vastgelegd in de voor de uitvoering van inpassingsplan benodigde omgevingsvergunningen. 14.
- De betogen slagen niet. Aanduiding maximale hoogte
- Het betoog van [appellant sub 12] en anderen dat op de verbeelding, zoals opgenomen op de landelijke voorziening, ter hoogte van het perceel van [appellant sub 12] en anderen met de dubbelbestemming "Leiding-Hoogspanningsverbinding 150-380 kV" een aanduiding ontbreekt voor de maximale bouwhoogte kan buiten inhoudelijke bespreking blijven. Bij het wijzigingsbesluit is onder meer de omissie hersteld dat op een aantal locaties binnen de dubbelbestemming de aanduiding "maatvoering - maximum bouwhoogte: […] m" niet op de verbeelding op de landelijke voorziening was opgenomen. Met dit besluit zijn de ministers hen in zoverre tegemoet gekomen. Landschapsplan
- Een groot aantal appellanten betogen dat de algemene gebruiksregels over het landschapsplan, neergelegd in artikel 11.1 van de planregels, in strijd zijn met de rechtszekerheid. Het is onvoldoende duidelijk wat de woorden "zo snel mogelijk na inwerkingtreding van het inpassingsplan" betekenen waar het gaat om het begin van de werkzaamheden. Ook is de periode van 10 jaar voor de uitvoering van de landschaps- en compensatiemaatregelen te lang. Zij betogen voorts dat het landschapsplan onvoldoende in het inpassingsplan is geborgd. 16.
- Artikel 11.1 van de planregels luidt: "Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, wordt in ieder geval gerekend: […] b. het bouwen, in gebruik nemen en in gebruik houden van de ondergrondse en bovengrondse hoogspanningsverbindingen en de daarbij behorende bouwwerken als bedoeld in artikel 3 tot en met 9 van de regels zonder te voorzien in de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing van de verbinding, conform het als bijlage 2 bij de regels van dit plan opgenomen landschapsplan, met dien verstande dat deze landschappelijke inpassing zo snel mogelijk na inwerkingtreding van het inpassingsplan dient te starten en uiterlijk 10 jaar na onherroepelijk worden van dit inpassingsplan gereed dient te zijn; c. het bouwen, in gebruik nemen en in gebruik houden van de ondergrondse en bovengrondse hoogspanningsverbindingen als bedoeld in artikel 3 tot en met 9 van de regels zonder te voorzien in de aanleg en instandhouding van de natuurcompensatie van de verbinding, conform het als bijlage 2 bij deze regels opgenomen landschapsplan, met dien verstande dat de aanleg zo snel mogelijk na inwerkingtreding van het inpassingsplan moet starten en uiterlijk 10 jaar na onherroepelijk worden van dit inpassingsplan afgerond dient te zijn;" 16.
- De toevoeging "zo snel mogelijk na inwerkingtreding van het inpassingsplan" is volgens de ministers in de planregel opgenomen om aan te geven dat het uitvoeren van de landschappelijke inpassingsmaatregelen niet hoeft te wachten op de aanvang van de werkzaamheden voor de hoogspanningsverbinding. De maatregelen kunnen uitgevoerd worden als aan alle omstandigheden die nodig zijn voor het kunnen uitvoeren van het landschapsplan is voldaan. Daarbij wijzen de ministers op het verkrijgen van mogelijke vergunningen, de afhankelijkheid van andere werkzaamheden, seizoensgebonden werkzaamheden en dergelijke. Om te borgen dat het landschapsplan daadwerkelijk wordt gerealiseerd, is in de planregels niet alleen opgenomen dat zo snel mogelijk na inwerkingtreding moet worden gestart met de uitvoering, maar ook dat binnen 10 jaar na het onherroepelijk zijn van het inpassingsplan de landschappelijke inpassing gereed en de natuurcompensatie afgerond dient te zijn. Voor strijd van artikel 11.1, onder b en c, van de planregels met het beginsel van de rechtszekerheid ziet de Afdeling geen aanleiding. De zinsnede "zo snel mogelijk" is, gezien de aard en de omvang van het inpassingsplan, voldoende duidelijk en bepaald. De ministers hebben zich in dit verband op het standpunt mogen stellen dat de aard van de werkzaamheden en de daarbij van belang zijnde factoren zoals de gesteldheid van het terrein en de weersomstandigheden het niet mogelijk maken om in de planregels specifieker te zijn over het beginmoment van de aanleg van de landschappelijke inpassing en de natuurcompensatie. Ter zitting hebben de ministers overigens gesteld dat 23 van de 60 maatregelen al zijn genomen. Wat betreft de periode van 10 jaar, hebben de ministers zich op het standpunt mogen stellen dat dit een aanvaardbare periode is. Daarbij hebben zij betrokken dat, gelet op de te verwachten duur van de werkzaamheden om de verbinding tot stand te brengen, een kortere periode dan 10 jaar niet reëel is. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval een periode van 5 jaar zou kunnen volstaan. 16.
- Met het landschapsplan worden maatregelen vastgelegd die volgens de ministers noodzakelijk zijn voor een goede ruimtelijke inpassing. De maatregelen zijn op hoofdlijnen beschreven. Deze kunnen zo worden ingevuld dat deze recht doen aan de landschappelijke inpassing van de hoogspanningsverbinding of de benodigde compensatie, in samenspraak met de grondeigenaar. De aard, de omvang, het doel en de locatie van de maatregelen zijn in het landschapsplan opgenomen. Daarmee bevat het landschapsplan volgens de ministers voldoende concrete handvatten voor de verdere uitvoering van de landschappelijke maatregelen. De Afdeling overweegt dat wat appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het als bijlage bij de planregels opgenomen landschapsplan, met de regeling in artikel 11.1 van de planregels, onvoldoende is geborgd. 16.
- De betogen slagen niet. Werkterreinen en werkwegen
- Een groot aantal appellanten betoogt dat in de planregels nergens is bepaald hoe lang de als tijdelijke voorzieningen bedoelde werkterreinen en werkwegen aanwezig zullen zijn. Deze werkterreinen en werkwegen worden aangelegd binnen de bestemmingen voor de hoogspanningsverbinding en kunnen op basis van de planregels zonder vergunning worden gerealiseerd. Het kan volgens deze appellanten zo zijn dat werkwegen en -terreinen, hoewel nu gepresenteerd als tijdelijk, op basis van het inpassingsplan permanent worden aangelegd en dat dit op elke locatie binnen het bestemmingsvlak kan gebeuren. Dit leidt tot rechtsonzekerheid. Het verwijderen van deze voorzieningen binnen een zo kort mogelijke termijn moet in de planregels worden geborgd. Zij beroepen zich daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
- Met de wijzigingen in het wijzigingsbesluit is de tijdelijkheid van deze voorzieningen volgens hen nog steeds niet gegarandeerd. Enkele appellanten voeren in dit verband ook aan dat de keuze voor de locatie van de werkwegen en werkterreinen niet mag worden doorgeschoven naar de fase van de vergunningverlening. 17.
- Het inpassingsplan is volgens de ministers niet het juiste instrument voor het vastleggen van uitvoeringshandelingen. Het inpassingsplan geeft het kader van alle zaken die van belang zijn bij de realisering van een hoogspanningsverbinding. De concrete invulling van de realisering van de nieuwe hoogspanningsverbinding wordt los van het inpassingsplan via een aparte procedure geregeld. In de planregels is vastgelegd dat werkterreinen en bouwwegen onder deze bestemming vallen. Werkwegen en werkterreinen zijn er alleen ten behoeve van de aanleg en dus tijdelijk. Vanwege de tijdelijkheid zijn deze niet opgenomen op de verbeelding, maar zullen zij onderdeel uitmaken van te verlenen omgevingsvergunningen. Daarnaast zal TenneT iedere appellant zo nodig een zakelijk recht-overeenkomst dan wel een tijdelijke gebruiksovereenkomst aanbieden. Onderdeel van deze overeenkomsten is de ligging van de werkwegen en werkterreinen. De uitvoeringsplanning was ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan nog niet in detail bekend. In de contacten tussen TenneT en appellanten voorafgaand aan en tijdens de aanleg van de hoogspanningsverbinding kan meer duidelijkheid gegeven worden over de duur van de werkzaamheden. 17.
- Artikel 1.31 van de planregels, zoals gewijzigd bij het wijzigingsbesluit, luidt: "tijdelijke werkterreinen en bouwwegen: tijdelijke werkterreinen en bouwwegen ten behoeve van de realisering van de in het inpassingsplan Zuid-West 380kV Oost en het inpassingsplan Zuid-West 380 kV Oost - Wijzigingsbesluit opgenomen bestemmingen, die na de werkzaamheden op het betreffende terrein worden verwijderd en waarbij het terrein voor zover redelijkerwijs mogelijk weer in oorspronkelijke staat worden teruggebracht." Artikel 8.1, zoals gewijzigd bij het wijzigingsbesluit, luidt: "De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 150/380 kV' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: een gecombineerde bovengrondse 150 kV/380 kV-hoogspanningsverbinding, met de daarbij behorende belemmeringenstrook; met de daarbij behorende: […] e. werkterreinen en bouwwegen; […]" Artikel 9.1, zoals gewijzigd bij het wijzigingsbesluit, luidt: "De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 380 kV' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: een bovengrondse 380 kV-hoogspanningsverbinding, met de daarbij behorende belemmeringenstrook; met de daarbij behorende: […] e. werkterreinen en bouwwegen; […]" Artikel 8.4.1 van de planregels luidt: "Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 150/380 kV' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: […] e. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; […]" Artikel 8.4.2 luidt: "Het bepaalde in lid 8.4.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die: a. verband houden met de aanleg van de desbetreffende bovengrondse gecombineerde 150/380 kV-hoogspanningsverbinding en de daarbij horende voorzieningen; […]" Artikel 9.4.1 luidt: "Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 380 kV' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: [….] e. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; Artikel 9.4.2 luidt: "Het bepaalde in lid 9.4.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die: a. verband houden met de aanleg van de desbetreffende bovengrondse 380 kV-hoogspanningsverbinding en de daarbij horende voorzieningen; […]" 17.
- De ministers hebben aanleiding gezien om in het wijzigingsbesluit de planregels te wijzigen door daarin op te nemen wat onder tijdelijke werkterreinen en bouwwegen wordt verstaan en dat de desbetreffende gronden ook bestemd zijn voor werkterreinen en bouwwegen. Door het vervangen van het begrip "toegangswegen" beogen de ministers te voorkomen dat de indruk ontstaat dat er permanente toegangswegen naar mastlocaties of ondergrondse hoogspanningstracés zullen worden aangelegd. 17.
- De Afdeling overweegt dat de planregeling voor werkterreinen en werkwegen niet in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid is. Er is in de planregels met de opneming van een definitiebepaling in artikel 1.31 voldoende geborgd dat de werkwegen en werkterreinen na aanleg zullen worden verwijderd. De duur van de werkzaamheden kan niet op voorhand worden vastgelegd. De ministers hebben ter zake toegelicht dat in de praktijk zo snel mogelijk na beëindiging van de werkzaamheden wordt begonnen met opruimen, maar dat dit in onderling overleg zal gebeuren, waarbij rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld de toestand van het terrein als het veel geregend heeft. Bij het voorgaande betrekt de Afdeling dat er voor TenneT ook een financiële prikkel is voor het zo snel mogelijk verwijderen van de werkterreinen en werkwegen, omdat de eigenaar, zo lang dat niet is gebeurd, het terrein niet volledig kan gebruiken en TenneT daarvoor een vergoeding betaalt. Anders dan de appellanten betogen, kan uit de uitspraak van 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:507, niet worden afgeleid dat het niet opnemen van de tijdelijke werkwegen en werkterreinen op de verbeelding zou leiden tot rechtsonzekerheid. De exacte locatie van de werkterreinen en werkwegen betreft een uitvoeringsaspect. Dit behoeft niet in het inpassingsplan geregeld te worden. 17.
- De betogen slagen niet. Weergave tracévariant op de verbeelding
- [appellante sub 4] betoogt dat de verbeelding afwijkt van de gekozen variant. Uit de toelichting bij het inpassingsplan blijkt dat de minister voor de variant donkerblauw heeft gekozen en dat is ook de voorkeur van [appellante sub 4]. Echter, op de verbeelding is het tracé niet precies conform deze gekozen variant ingetekend. Het inpassingsplan is in zoverre niet zorgvuldig voorbereid. 18.
- Volgens de ministers baseert [appellante sub 4] zich op afbeeldingen van mastlocaties zoals deze in het verslag van het Werkatelier Hooge Zwaluwe staan. Deze weergave van mastlocaties is indicatief en bedoeld om een beeld te geven van verschillende tracévarianten. Het tracé zoals is vastgelegd op de verbeelding komt volgens hen overeen met de gekozen variant. In het niet nader onderbouwde betoog van [appellante sub 4] ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het inpassingsplan in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. 18.
- Het betoog slaagt niet. Ondergrondse aanleg/verkabelen
- Een aantal appellanten betoogt dat het tracé, voor zover dat over of in de buurt van hun percelen loopt, ondergronds moet worden aangelegd. Enkele appellanten betogen dat de hoogspanningsverbinding bij hun gronden in een al dan niet aanwezige buisleidingenstraat had kunnen worden ingepast. Zij voeren aan dat de motivering om zo min mogelijk ondergronds aan te leggen, namelijk omdat er onvoldoende ervaring mee is en reparatie van een ondergrondse kabel langer duurt, ondeugdelijk is. Zij wijzen er op dat al meer dan 10 jaar geleden elders een tracé ondergronds is aangelegd en dat in het buitenland ook 380- en 400 kV-verbindingen ondergronds zijn aangelegd. Bovendien zijn er volgens TenneT nooit problemen met kabels die ondergronds worden aangelegd. Tot slot wijzen enkele appellanten erop dat wel is gekozen voor ondergrondse aanleg bij het tracédeel dat door het Natura 2000-gebied Brabantse Wal voert. Het standpunt van de ministers 19.
- De ministers stellen dat voor de ontwikkeling van het voorliggende hoogspanningstracé de principes uit het SEV III (thans het NOVI) zijn toegepast. Uitgangspunt is dat een nieuwe hoogspanningsverbinding met een spanning van 220 kV of meer in beginsel bovengronds wordt aangelegd. De reden hiervoor is dat een storing in een bovengrondse verbinding sneller kan worden verholpen dan in een ondergrondse verbinding. Een langere periode van storing leidt tot grotere en ongewenste leveringszekerheidsrisico’s. Ook is een ondergrondse verbinding gevoeliger voor risicovolle overspanningen en storingen. Tot slot kost de aanleg van een ondergrondse 380 kV-verbinding ongeveer € 11,5 miljoen per kilometer terwijl een bovengrondse aanleg ongeveer € 5 miljoen per kilometer kost. Een ondergrondse verbinding wordt daarom alleen aangelegd als de maatschappelijke meerwaarde evident is, in geval van een knelpunt. Ook bij het Natura 2000-gebied was ondergrondse aanleg niet zonder meer gewenst, maar omdat zich enkele zwaarwegende knelpunten voordeden, is daar gekozen voor ondergrondse aanleg. 19.
- De toenmalige minister van Economische Zaken heeft in april 2015 aan TenneT gevraagd om te onderzoeken of het technisch mogelijk zou zijn om delen van het tracé Rilland-Tilburg ondergronds aan te leggen - ook wel verkabelen genoemd - en of dit verantwoord zou zijn voor de leveringszekerheid. De inzet van een ondergrondse verbinding zou daarbij kunnen worden gebruikt om (ruimtelijke) knelpunten in de verschillende tracé-varianten op te lossen, mits er geen andere oplossing is. In een rapport van 18 november 2015 van TenneT is vermeld dat het toepassen van 380 kV-kabel in gedeelten van de 380 kV-verbinding tussen Rilland en Tilburg realistisch werd geacht en dat dit niet zou leiden tot een toename van de kans op uitval. Het toepassen van 380 kV-kabel over een lengte van 10 km om knelpunten op te lossen in de 380 kV-verbinding bleek op zichzelf mogelijk. Het werd wenselijk geacht om dit zoveel mogelijk in grotere stukken toe te passen (tracélengte van minimaal 3 km). Korte stukken kabel zijn nettechnisch minder gunstig en duurder. Ook vanuit het oogpunt van landschappelijke inpassing heeft het volgens het rapport van 18 november 2015 de voorkeur om aaneengesloten stukken geheel te verkabelen, in plaats van meerdere korte ondergrondse tracés. De ministers hebben gesteld dat de enkele mogelijkheid om verkabeling in te zetten geen directe reden is om dit ook te doen. Alleen waar de maatschappelijke meerwaarde van ondergrondse aanleg evident is, ligt ondergrondse aanleg voor de hand. Die maatschappelijke meerwaarde bestaat als er een knelpunt is op het gebied van milieu, vergunbaarheid en/of technische uitvoerbaarheid. Als bij de uitwerking van de tracé-alternatieven een knelpunt wordt geconstateerd, dan wordt - in het kader van de invulling van het principe 'bovengronds, tenzij...' - een stappenplan doorlopen. Dit stappenplan bestaat volgens de ministers uit de volgende (combinatie van) maatregelen die kunnen worden toegepast om knelpunten op te lossen: • Optimalisatie van de ligging van het bovengronds tracé (tracéwijziging of wijziging van één of meerdere mastlocaties); • Toepassing van technische maatregelen (zoals toepassen hogere masten bij waterkruisingen); • Aanpassen/uitkopen van bestaande elementen/functies (bijvoorbeeld buisleiding verleggen, windturbine uitkopen); • Ondergrondse aanleg. Op de zitting hebben de ministers toegelicht dat (bedrijfs)economische belangen bij het doorlopen van dit stappenschema geen rol spelen. Verder hebben zij op de zitting toegelicht dat bij vrijwel alle knelpunten in het hele tracé een bovengrondse oplossing kon worden gevonden. 19.
- De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de ministers deze uitgangspunten redelijkerwijs niet hebben kunnen hanteren. Geen van de appellanten heeft inzichtelijk gemaakt dat zich een (evidente) maatschappelijke meerwaarde voordoet zoals bedoeld in het uitgangspunt van de ministers. Gelet hierop hebben de ministers ervoor mogen kiezen om de hoogspanningsverbinding bovengronds mogelijk te maken op of bij hun percelen. Voor zover sommige appellanten hebben aangevoerd dat op enkele punten in het tracé kabels in de bestaande buisleiding worden gelegd, hebben de ministers toegelicht dat in die gevallen geen andere tracékeuze voorhanden is. Voor zover enkele appellanten hebben gewezen op ondergrondse verbindingen in het buitenland, overweegt de Afdeling dat appellanten niet duidelijk hebben gemaakt om welke verbindingen dit gaat en of die vergelijkbaar zijn met de verbinding die dit plan mogelijk maakt. 19.
- De betogen slagen niet. Combineren en bundelen van verbindingen
- Fun Skillz en anderen, [appellante sub 26], [appellant sub 28] en VaPe Holding betogen dat het tracé van de bestaande 150 kV-verbinding moet worden gehandhaafd en opgewaardeerd naar 380 kV. Volgens hen is de afweging voor het tijdelijk reconstrueren van bestaande leidingen gemaakt voor de korte termijn en is geen rekening gehouden met de impact op lange termijn. 20.
- De ministers stellen dat de nieuwe 380 kV-verbinding, waar mogelijk en zinvol, in één mast wordt gecombineerd met 150 kV-verbindingen. Het gaat dan wel om de combinatie van deze verbindingen in de masten van de nieuwe 380 kV-verbinding. De door appellanten bedoelde combinatie in de bestaande 150 kV-masten is echter niet mogelijk. De bestaande 150 kV-masten zijn niet geschikt voor de voorgestelde combinatie. Zo hebben 380 kV- en 150 kV-verbindingen verschillende diameters van geleiders. De 150 kV-masten zijn daarnaast niet geschikt om te gebruiken voor een 380 kV-verbinding. De spanningsafstanden voor een 380 kV-verbinding zijn namelijk groter dan bij een 150 kV-verbinding. Dat betekent dat de 380 kV-geleiders verder van de mast moeten hangen. Ook de onderlinge afstand tussen geleiders moet groter zijn. Ten slotte is de veiligheidsafstand tussen 380 kV-geleiders tot het maaiveld en aanwezige bebouwing en beplanting groter dan bij een 150 kV-verbinding. Als de 150 kV-draden dus vervangen worden door 380 kV-draden, komen deze te dicht op elkaar, te dicht bij de mast en te laag te hangen. De bestaande 150 kV-masten zouden dan ook eerst gesloopt en vervangen moeten worden door nieuwe masten. Het realiseren van de nieuwe hoogspanningsverbinding op de locatie van de te verwijderen 150 kV-verbinding is ook niet realistisch omdat de bestaande 150 kV-verbinding in bepaalde gevallen nagenoeg tegen de beheergrens van de buisleidingenstraat staat. Verder stellen de ministers dat als de nieuwe masten al op de locatie van de bestaande 150 kV-verbinding zouden kunnen komen, er over de volledige lengte aan de oostzijde van de buisleidingenstraat een tijdelijke 150 kV-verbinding nodig is, omdat de 150 kV-verbinding in bedrijf moet blijven tijdens de bouw van de nieuwe verbinding. Het uitgangspunt is geweest om zo min mogelijk tijdelijke verbindingen te realiseren vanwege de kosten, de tijd en het ruimtebeslag die daarmee gemoeid zijn. In dit geval is er een alternatief voorhanden, waarbij een tijdelijke verbinding niet nodig is. Tot slot stellen de ministers dat de tracékeuze voor de 380 kV-verbinding niet is ingegeven door de wens om de bestaande 150 kV-verbindingen te vervangen. De bestaande 150 kV-verbindingen blijven in stand. Er komt een nieuwe 380 kV-verbinding bij. De bestaande 150 kV-verbinding wordt, gelet op het principe uit de NOVI dat gestreefd moet worden naar het combineren in één mast, in de nieuwe mast gehangen. 20.
- Appellanten hebben het standpunt van de ministers op dit punt onvoldoende overtuigend bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ministers de bestaande 150 kV-verbindingen hadden moeten handhaven en opwaarderen. 20.
- De betogen slagen niet. Tracé en alternatieven
- Een aantal appellanten kan zich niet verenigen met (de variant van) het gekozen tracé van de hoogspanningsverbinding. 21.
- In paragraaf 4.2 van de plantoelichting is beschreven welke principes uit het SEV III/NOVI zijn toegepast bij de keuze voor het nieuwe tracé. Deze principes luiden: "
- De nieuwe verbinding combineert waar mogelijk en zinvol met een bestaande 150 kV-verbinding. Dat wil zeggen dat de nieuwe verbinding samen met de bestaande verbinding in één nieuwe mast wordt gehangen. De bestaande 150 kV-verbinding wordt na realisatie van de nieuwe verbinding verwijderd. Hierbij zijn een tweetal mogelijkheden: a. de nieuwe verbinding volgt het tracé van de verbinding waarmee wordt gecombineerd. In dat geval wordt de nieuwe verbinding gebouwd naast een bestaande verbinding die vervolgens wordt verwijderd. In een enkel geval gaat een alternatief deels uit van het volgende: eerst wordt een bestaande verbinding weggehaald en vervolgens wordt in de vrijgekomen ruimte een nieuwe gecombineerde verbinding gebouwd; b. de nieuwe gecombineerde verbinding bundelt waar mogelijk en zinvol met een bestaande verbinding en/of bovenregionale infrastructuur, zie onder 2 en
- De nieuwe verbinding bundelt waar mogelijk en zinvol met een bestaande verbinding (een 380 kV-verbinding of een 150 kV-verbinding). De bestaande verbinding blijft hierbij staan. De nieuwe (gecombineerde) verbinding wordt gebouwd naast een bestaande hoogspanningsverbinding die blijft staan. In dat geval wordt de nieuwe verbinding naast en parallel aan de bestaande verbinding gebouwd. Waar mogelijk worden de masten van de nieuwe verbinding 'in de pas' geplaatst, dat wil zeggen naast de masten van de bestaande verbinding. De veldlengte (afstand tussen twee masten) van de nieuwe verbinding is dan nagenoeg gelijk aan die van de bestaande verbinding.
- De nieuwe verbinding bundelt waar mogelijk en zinvol met bovenregionale infrastructuur. De nieuwe (gecombineerde) verbinding wordt hierbij bijvoorbeeld parallel aan een snelweg gebouwd." Verder worden volgens paragraaf 2.1 van de integrale effectanalyse van TenneT, die als bijlage 2 bij het MER is gevoegd, de principes van een goede landschappelijke inpassing (zoals zo veel mogelijk rechtstanden) en het voorkomen van nieuwe doorsnijdingen van het landschap gehanteerd. In de plantoelichting is vermeld dat het tracé uiteenvalt in vier delen: - Rilland - Roosendaal; - Roosendaal - Moerdijk; - Moerdijk – Geertruidenberg - Geertruidenberg - Tilburg. Binnen deze vier delen zijn op enkele plekken uitwerkingsgebieden aangewezen. Die zijn in Projectboek versie 3, gedateerd maart 2019, nader omschreven. De gronden van één appellant liggen niet binnen die uitwerkingsgebieden. Zijn betoog over de tracékeuze bespreekt de Afdeling hieronder als eerste. Daarna bespreekt de Afdeling de beroepsgronden over de tracékeuze van appellanten met percelen binnen de uitwerkingsgebieden. Het beroep van [appellante sub 9]
- [appellante sub 9] woont aan de [locatie 3] in Noordhoek en exploiteert vanuit daar een akkerbouwbedrijf. Het inpassingsplan maakt het mogelijk dat op de landbouwgronden van [appellante sub 9] drie masten komen te staan. Voor zover [appellante sub 9] heeft aangevoerd dat niet is geborgd dat het tracé zo wordt vastgesteld dat de op zijn perceel mogelijk gemaakte hoekmast 1086 overeenkomstig de toezegging in de Antwoordnota ongeveer 17 m in oostelijke richting zal opschuiven, overweegt de Afdeling het volgende. In zijn zienswijze over het ontwerp-inpassingsplan heeft [appellante sub 9] verzocht om het tracé zo vast te stellen dat hoekmast 1086 zo veel mogelijk oostelijk aan de rand van zijn perceel zal komen te staan. In reactie op dit verzoek hebben de ministers in de Antwoordnota uiteengezet dat de voorgestelde verschuiving mogelijk is en dat dit zal worden verwerkt in de verbeelding bij het inpassingsplan. De ministers hebben in het aanvullend verweerschrift verder toegelicht dat de wijziging van de mastlocatie en het tracé wel in het inpassingsplan is verwerkt, maar dat deze wijziging niet goed zichtbaar is op de verbeelding, vanwege de beperkte omvang van de wijziging in relatie tot de schaal van de verbeelding. Ter verduidelijking hebben de ministers in het aanvullend verweerschrift een afbeelding opgenomen waarop is te zien dat de knik in het tracé en dus ook de positie van de hoekmast is verschoven. Zoals op de zitting is besproken, is inmiddels ook een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van de drie masten. Niet in geschil is dat hoekmast 1086 op basis van de verleende omgevingsvergunning overeenkomstig de afbeelding in het aanvullend verweerschrift zal worden geplaatst aan de rand van het perceel van [appellante sub 9]. De ministers hebben aldus gehandeld overeenkomstig de toezegging in de Antwoordnota. 22.
- Het betoog slaagt niet. Uitwerkingsgebied 1: Rilland - Markiezaat
- [appellante sub 31A] exploiteert onder andere op een perceel, kadastraal bekend Sectie N, nummer 24, aan de Vierlingweg te Rilland, een akkerbouwbedrijf. [appellante sub 31A] kan zich niet verenigen met het tracé voor zover dat over dat perceel loopt. Zij voert aan dat het tracé zo had moeten worden vastgesteld dat mast 1008, die nu op het perceel is geprojecteerd, niet op haar perceel komt te staan. Daartoe had het tracé in de richting van een parkeerplaats naast de autoweg moeten worden opgeschoven. De argumentatie van de ministers dat de hoogspanningsmasten op enige afstand van snelwegen moeten worden gebouwd en dat dit ook geldt voor de parkeerplaats, is volgens haar niet steekhoudend. Zij stelt dat veelvuldig masten op parkeerplaatsen langs autowegen staan. Ook het argument dat verlaagde masten moeten worden gebruikt vanwege de aanwezigheid van vliegbasis Woensdrecht , is niet steekhoudend. Zij wijst er op dat er dichter bij de vliegbasis hogere masten staan, om snelwegknooppunt De Markiezaat te kruisen, terwijl dit kennelijk geen belemmering voor de vliegbasis vormt. 23.
- De ministers stellen dat een verplaatsing van het tracé naar het noorden in de richting van de parkeerplaats niet aan de orde is, omdat mast 1008 daarmee binnen de beheergrens van de rijksweg A58 zou kunnen komen te staan. Omdat het mogelijk is om de mast buiten de beheergrens van rijksweg A58 te plaatsen, gaat de voorkeur daar naar uit. In wat [appellante sub 31A] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ministers zich niet op dit standpunt hebben mogen stellen. 23.
- Het betoog slaagt niet. Uitwerkingsgebied 4: Roosendaal - Halderberge Het beroep van Fun Skillz en anderen
- Fun Skillz en anderen exploiteren aan de Wouwbaan 143-143a te Roosendaal, onder meer, een bedrijf voor recreatieve binnen- en buitenactiviteiten zoals kinderfeestjes met kampeermogelijkheid. De dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding 150/380 kV" loopt over hun perceel. De hoogspanningsleiding is voorzien over de gronden waar de buitenactiviteiten plaatsvinden en op korte afstand van het gebouw waarin de recreatieve binnenactiviteiten plaatsvinden en waarin volgens Fun Skillz een ‘informele’ kinderopvang is ondergebracht. Fun Skillz en anderen betogen dat het tracé in oostelijke richting moet worden verplaatst, op een afstand van 75 m van de buisleidingenstraat. Zij voeren aan dat de argumentatie van de ministers over de interferentie en het principe van rechtstand niet valide is, nu elders ook wordt afgeweken van dat principe. Zo staat mast 1046 bijvoorbeeld op 75 meter van de buisleidingenstraat. Verder voeren zij aan dat de 380 kV-lijn kan worden gebundeld met de bestaande 150 kV-lijn. Verder kan volgens Fun Skillz en anderen mast 1045 naar het oosten verplaatst worden, zonder daarbij veel afbreuk te doen aan het uitgangspunt van rechtstand. 24.
- De ministers stellen dat de bestaande 150 kV-verbinding nagenoeg tegen de beheergrens van de buisleidingenstraat aan staat. Met de nieuwe 380 kV-verbinding wordt onder meer vanwege het beperken van interferentie met de leidingen in de buisleidingenstraat een afstand van 55 meter tussen de buisleidingenstraat en mastonderdelen aangehouden. De afstand van 55 meter tot mastonderdelen (bijvoorbeeld de bliksemdraad) vertaalt zich naar een afstand van 75 meter tussen de rand van de buisleidingenstraat en de hartlijn van de 380 kV-verbinding. Alleen al vanwege de aan te houden afstand tot de buisleidingenstraat is het niet mogelijk om de verbinding op de locatie van de 150 kV-verbinding aan de oostzijde van de buisleidingenstraat te combineren, omdat de 150 kV-verbinding niet op 55 meter tot mastonderdelen van de buisleidingenstraat staat. Verder zouden de bestaande 150 kV-masten gesloopt moeten worden en vervangen moeten worden door nieuwe masten. Als deze nieuwe masten op de locatie van de bestaande 150 kV-verbinding zouden komen, dan is over de volledige lengte aan de oostzijde van de buisleidingenstraat een tijdelijke 150 kV-verbinding nodig. De 150 kV-verbinding moet namelijk in bedrijf blijven tijdens de bouw van de nieuwe verbinding, maar staat dan in de weg. De 150 kV-verbinding zal dan tijdelijk verzet/verlegd moeten worden. In dit geval is er een alternatief voorhanden, waarbij een tijdelijke verbinding niet nodig is. Tot slot stellen de ministers dat het niet realistisch is om de verbinding op 75 meter afstand van de buisleidingenstraat te plaatsen. In dat geval ontstaan nieuwe knelpunten en beperkingen. Zo liggen aan de zuidoostzijde meerdere leidingen buiten de buisleidingenstraat. Er liggen meerdere gevoelige bestemmingen aan de oostzijde van de buisleidingenstraat, zoals de bebouwing van Rosada, meerdere bedrijfspanden, en recreatieve bestemmingen. Tot slot is aan de Potendreef een vuilverbranding- en recyclingbedrijf gevestigd met een hoge schoorsteen. Er is volgens de ministers geen ruimte om deze bedrijvigheden en knelpunten te vermijden. Over de rechtstand stellen de ministers dat dit uitgangspunt bij het traceren zoveel mogelijk is aangehouden om tot een goede landschappelijke inpassing te komen. Ook al liggen de mastlocaties niet vast in het inpassingsplan, rechtstand is wel als traceringsuitgangspunt betrokken bij de totstandkoming van het gehele tracé. In dit geval kent het tracé een rechtstand tussen mast 1037 (knik ten zuiden van de A58 nabij afrit 25 - Wouwse Plantage) en mast 1044 (ten zuiden van de Wouwbaan - Roosendaal, en een rechtstand tussen mast 1044 en mast 1052 (nabij de Noordstraat - Roosendaal). Als mast 1045 oostelijker geplaatst zou moeten worden, dan geeft dit een extra knik in het tracé. Tot slot is verschuiving van de hartlijn tussen de masten 1037 en 1044 naar het oosten niet realistisch omdat de locatie van mast 1037 een gegeven is, gelet op de nagenoeg maximale afstand tussen de masten 1036 en 1037 (ongeveer 395 meter) en de hoogte die moet worden aangehouden tussen de geleiders en het maaiveld bij de kruising van de Plantagebaan. 24.
- De Afdeling overweegt dat de ministers een groter gewicht konden toekennen aan de bescherming van de buisleiding dan aan de bedrijfsbelangen van Fun Skillz en anderen. Verder hebben Fun Skillz en anderen geen overtuigende argumenten aangedragen op grond waarvan de ministers van hun uitgangspunt om zoveel mogelijk rechtstand te bewerkstelligen zouden moeten afwijken. Daarbij wijst de Afdeling er nog op dat op het perceel van Fun Skillz en anderen geen gevoelige bestemming in de magneetveldzone ligt, zodat er ook daarom voor de ministers geen aanleiding was het tracé te verplaatsen op de door Fun Skillz en anderen gewenste wijze. Voor zover Fun Skillz en anderen hebben betoogd dat de verbinding in de nabijgelegen buisleiding zou kunnen en moeten worden gelegd, verwijst de Afdeling naar wat zij hierna onder 19.3 heeft overwogen. 24.
- Het betoog slaagt niet. Het beroep van [appellant sub 29] en anderen en [appellant sub 34]
- [appellant sub 29] en anderen en [appellant sub 34] wonen aan de Vlietweg respectievelijk de Noordstraat in Roosendaal. Aan één van hun percelen, Vlietweg 1, is de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding 380 kV" toegekend. De rest van hun percelen ligt op korte afstand van gronden met die bestemming. [appellant sub 29] en anderen en [appellant sub 34] kunnen zich niet verenigen met het tracé voor zover dat nabij en over hun percelen ligt. De ministers hebben voor dit deel van het tracé variant Grijsblauw gekozen. Volgens appellanten is onvoldoende gemotiveerd dat variant Grijsblauw beter scoort dan variant Rood. Zij voeren in dit kader aan dat de ministers onjuist zijn geïnformeerd door de Samenwerkende Overheden in hun advies van 5 juni
- Zo vermeldt het advies van de Samenwerkende Overheden dat er geen nieuwe doorsnijdingen van het landschap zijn bij variant Grijsblauw. Variant Rood heeft echter net zomin als variant Grijsblauw nieuwe doorsnijdingen. Verder biedt variant Rood meer bundeling met het bestaande tracé, de buisleidingenstraat en de windmolens. Ook vermeldt het advies ten onrechte dat er geen doorsnijding is van een gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Brabant (hierna: NNB), terwijl er wel een doorsnijding is van de Nieuwe Roosendaalse Vliet. Verder is er in het advies geen rekening mee gehouden dat tracé Grijsblauw dichter bij de woningen aan de Vlietweg komt te liggen dan dat tracé Rood bij de bebouwingsconcentratie Den Wildenhoek zou komen te liggen. Verder voeren appellanten aan dat als gevolg van het inpassingsplan de zogenoemde Dow-leiding verlegd moet worden, wat een aanzienlijke kostenpost is. Ook komen er meer gevoelige en bijna gevoelige bestemmingen dichterbij het tracé te liggen. Tot slot wijzen zij op een alternatief, namelijk een variant "Geel", die langs het zuidelijk deel van de Rijksweg A17 loopt. Die variant leidt tot minder gevoelige bestemmingen in de nabijheid van het tracé. 25.
- De ministers stellen dat variant Rood de minste voorkeur genoot, omdat deze met vier grote knikken als een nieuwe doorsnijding door het landschap zou lopen. Die knikken zouden noodzakelijk zijn om het tracé veilig langs drie in de omgeving aanwezige windturbines heen te geleiden. Door deze richtingsveranderingen zou de verbinding prominenter aanwezig zijn in het landschap. Variant Paars en Grijsblauw hebben beide meer rechtstand, maar variant Grijsblauw heeft één gevoelige bestemming minder dan variant Paars en heeft daarmee de voorkeur. Daarnaast is gekozen voor variant Grijsblauw vanwege, onder meer, de bundeling met de A17 en het kunnen gebruiken van het vrijkomende tracé van de te verplaatsen Dow-leiding. De varianten Rood en Paars betekenen plaatsing van een nieuwe mast op een bedrijfskavel dat daardoor aanzienlijk zou worden belemmerd in de bebouwingsmogelijkheden. Variant Grijsblauw geeft geen belemmeringen voor de bedrijfsvoering van de aanwezige bedrijven. Verder erkennen de ministers dat de Nieuwe Roosendaalsche Vliet een NNB-gebied is en dat het advies van de Samenwerkende Overheden onjuist was op dit punt. Maar dit betekende volgens de ministers niet dat een andere variant moest worden gekozen, omdat alle varianten de Vliet kruisen. Varianten Rood en Paars kruisen echter ook nog drie andere kleine NNB-gebieden met bomen. Ook erkennen de ministers dat er ten opzichte van variant Rood een verbinding komt op korte afstand van de woningen. Maar gelet op de bundeling met de A17, het gebruik kunnen maken van de gronden van de te verplaatsen Dow-leiding, de belemmeringen van andere varianten voor kavels op het bedrijventerrein Borchwerf en het aantal gevoelige bestemmingen, hebben de ministers toch willen vasthouden aan variant Grijsblauw. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers niet een groter gewicht konden toekennen aan deze belangen dan aan de belangen van [appellant sub 29] en anderen. De ministers stellen dat de gele variant ten oosten van de A17 in hun afweging is betrokken. Gelet op de effectbeschrijving van TenneT van 3 juli 2020 en het advies van de Samenwerkende Overheden was er onvoldoende reden om het gekozen tracé aan te passen. Hierbij is vooral van belang geweest dat de voorgestelde variant twee keer de A17 kruist, dat er drie masten in de op-/afrit van de A17 zijn voorzien en een ventweg moet worden aangepast. Daarnaast kruist de gele tracévariant bij de zuidelijke kruising van de A17 een ecologische verbindingszone, die ook onderdeel is van het NNB. Voor deze kruising is bomenkap nodig in de verbindingszone. Variant Grijsblauw kruist weliswaar ook de ecologische verbindingszone, namelijk bij het kanaal Nieuwe Roosendaalsche Vliet, maar hierbij is in de verbindingszone geen bomenkap nodig. [appellant sub 29] en anderen en [appellant sub 34] hebben dit betoog niet gemotiveerd bestreden. Gelet hierop hebben de ministers niet hoeven kiezen voor variant Geel. Het voorgaande brengt de Afdeling tot de conclusie dat de ministers hebben mogen kiezen voor variant Grijsblauw. 25.
- Dit betoog slaagt niet. Het beroep van [appellante sub 30]
- [appellante sub 30] exploiteert een akkerbouwbedrijf aan de [locatie 4] te Wouw. Het tracé, voor zover het de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding 150 - 380 kV" betreft, doorkruist een deel van haar gronden. Zij betoogt dat ten onrechte het bestaande tracé niet wordt gevolgd ter plaatse van haar percelen. Zij voert aan dat dit te meer klemt, omdat het tracé nu midden over haar percelen komt te liggen. Het standpunt van de ministers dat het bestaande tracé niet kan worden gebruikt omdat 55 m tussen de buisleidingenstraat en mastonderdelen moet worden aangehouden acht zij niet nader onderbouwd. Op grond van de Structuurvisie Buisleidingen 2012 - 2035 is die afstand ook niet meer vereist. Bovendien zijn sommige interferenties te voorkomen op andere manieren. Omdat de 150 kV-verbinding ook tegen de buisleidingenstrook aan ligt, zou de nieuwe tracéverbinding ook tegen de buisleidingenstraat kunnen worden gesitueerd. 26.
- De ministers stellen dat onder meer vanwege het beperken van interferentie met de leidingen in de buisleidingenstraat een afstand van 55 m wordt aangehouden tussen de buisleidingenstraat en mastonderdelen van de nieuwe 380 kV-verbinding. Met die afstand van 55 m hoeven geen extra maatregelen te worden getroffen om interferentie met de leidingen in de buisleidingenstraat te voorkomen. Daarnaast is de afstand van 55 m gerelateerd aan de hoogte van de masten. Ook los van de Structuurvisie Buisleidingen 2012 - 2035 moet worden voorkomen dat de buisleiding geraakt wordt als een mast omvalt. Om die reden heeft het gekozen tracé de voorkeur boven een tracé op kortere afstand van de buisleidingenstraat. De Afdeling ziet in het betoog van [appellante sub 30] geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers zich niet op dit standpunt hebben mogen stellen. Verder hebben de ministers overtuigend gemotiveerd dat een 150 kV-verbinding op het punt van externe veiligheid en interferentie niet vergelijkbaar is met een 380 kV-verbinding. Het betoog van [appellante sub 30] dat een 380 kV-verbinding net zo dicht bij een buisleidingstraat mag staan als een 150 kV-verbinding kan daarom niet slagen. 26.
- Het betoog slaagt niet. Het beroep van [appellante sub 32]
- [appellante sub 32] exploiteert een melkveebedrijf aan de [locatie 5] en [locatie 6] te Roosendaal. Verder heeft zij daar enkele nevenactiviteiten zoals een gezinshuis, een kinderdagopvang en de verkoop van boerenijs. Zij kan zich niet verenigen met het tracé van de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding 150 - 380 kV" voor zover dat over een deel van haar percelen voert. Volgens haar had het tracé moeten worden opgeschoven naar de buisleidingenstraat, die ten zuidoosten van haar perceel ligt. Het tracé had ook ten zuiden van de buisleidingenstraat kunnen lopen. Zij wijst er op dat de hartlijn van het tracé op 115 m van de buitenzijde van de buisleidingenstraat ligt, terwijl op andere plaatsen in het tracé een afstand van ongeveer 80 m wordt gehanteerd. Het argument van rechtstand is volgens [appellante sub 32] niet overtuigend, aangezien masten altijd [appellante sub 11]lig in het landschap staan. 27.
- De ministers stellen dat onder meer vanwege het beperken van interferentie met de leidingen in de buisleidingenstraat en de valafstand een afstand van 55 m moet worden aangehouden tussen de buisleidingenstraat en mastonderdelen van de nieuwe 380 kV-verbinding. De afstand van 55 m tot mastonderdelen vertaalt zich naar een afstand van 75 meter tussen de rand van de buisleidingenstraat en de hartlijn van de 380 kV-verbinding. Verder is het uitgangspunt van rechtstand zo veel mogelijk aangehouden om tot een goede landschappelijke inpassing te komen, aldus de ministers. In dit geval is er rechtstand tussen mast 1037, die bij de afrit 25 van de A58 komt te staan, en mast 1044, ten zuiden van de Wouwbaan. Verschuiving van de hartlijn tussen de masten 1037 en 1044 naar het oosten is voorts niet realistisch omdat de locatie van mast 1037 een gegeven is, gelet op de nagenoeg maximale afstand tussen de masten 1036 en 1037 (ongeveer 395 meter) en de hoogte die moet worden aangehouden tussen de geleiders en het maaiveld bij de kruising van de Plantagebaan. Het gekozen tracé leidt bovendien niet tot een onevenredige belemmering van de gebruiksmogelijkheden van de gronden van appellante of tot meer gezondheidsrisico's dan wel een verminderd woon- en leefgenot. 27.
- [appellante sub 32] heeft het standpunt van de ministers dat interferentie met de buisleidingenstraat en risico’s van schade aan de buisleidingenstraat bij mastomval moet worden voorkomen en dat om die reden de afstand van 75 m is gekozen, niet overtuigend bestreden. Voor zover zij betoogt dat het tracé in ieder geval tot 75 m van de buisleidingenstraat kan worden opgeschoven, overweegt de Afdeling dat de ministers bij de keuze van het tracé een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het realiseren van zo veel mogelijk rechtstand dan aan de belangen van [appellante sub 32]. In het deskundigenbericht is vermeld dat als masten 1041 en 1042, die op de percelen van [appellante sub 32] zijn geprojecteerd, opschuiven naar het oosten, er twee knikken bijkomen in de lijn van de masten 1037 tot en met
- Nu het verplaatsen van de masten zou leiden tot twee extra knikken in het tracé, hebben de ministers niet hoeven kiezen voor het door [appellante sub 32] aangedragen alternatieve tracé. 27.
- Het betoog slaagt niet. Het beroep van [appellante sub 26]
- [appellante sub 26] is gevestigd aan de [locatie 7] in Roosendaal. Het inpassingsplan maakt het mogelijk dat er een opstijgpunt komt op zijn landbouwgronden, en wel op het perceel, kadastraal bekend sectie P, nummer
- [appellante sub 26] heeft aangevoerd dat het tracé zo had moeten worden vastgesteld dat het opstijgpunt, dat nu bij mast 1051 midden op zijn agrarisch perceel is geprojecteerd, niet langer op zijn perceel komt te staan. Volgens [appellante sub 26] is er een geschikter alternatief waarmee het opstijgpunt op zijn perceel kan vervallen. De bundeling van de 150 kV-verbinding met de 380 kV-verbinding kan namelijk verder in noordelijke richting worden doorgetrokken. Daarmee is de oversteek van de 150 kV-verbinding onder de buisleidingenstraat door veel korter of kan deze zelfs worden afgeschaald. [appellante sub 26] heeft verder gewezen op de mogelijkheid om de woning aan de [locatie 8], een gevoelige bestemming in de zin van het beleidsadvies, weg te bestemmen zodat het opstijgpunt op die locatie kan worden gebouwd. 28.
- De ministers hebben zich op het standpunt gesteld dat plaatsing van het opstijgpunt bij mastlocatie 1051 de voorkeur heeft boven de voorgestelde plaatsing bij de noordelijker gelegen mastlocatie
- Bij de keuze voor de locatie bij mast 1052 zijn namelijk mitigerende maatregelen nodig om te voorkomen dat de zogenoemde potentiaaltrechter over het noordelijk gelegen kassencomplex komt te liggen. De ministers hebben in reactie op het deskundigenbericht uiteengezet waaruit die mitigerende maatregelen kunnen bestaan. Daar komt volgens de ministers nog bij dat een opstijgpunt bij mast 1052 tot een veel grotere belemmering in het kunnen bewerken van de daar aanwezige akkerbouwpercelen zou leiden. Het opstijgpunt komt nu namelijk nagenoeg haaks op het (grasland)perceel met voldoende ruimte om daar om het opstijgpunt heen te manoeuvreren. De twee percelen bij mast 1052 zijn aanzienlijk kleiner. Daarnaast zou het opstijgpunt bij die twee percelen schuin de percelen in steken, met slecht te bewerken (over)hoeken tot gevolg. De ministers hebben verder over de voorgestelde verplaatsing van het opstijgpunt naar het perceel [locatie 8] uiteengezet dat dit niet mogelijk is, aangezien er bij de vaststelling van het inpassingsplan is geconcludeerd dat er geen reden is om de als gevoelige bestemming aangemerkte woning op dit perceel weg te bestemmen. De aan die conclusie ten grondslag liggende afweging is opgenomen in bijlage 10 bij de plantoelichting en deze is verder niet bestreden. De Afdeling is van oordeel dat de ministers hiermee voldoende hebben gemotiveerd waarom het op perceel P157 voorziene opstijgpunt bij mast 1051 de voorkeur heeft boven de door [appellante sub 26] aangedragen varianten. In wat [appellante sub 26] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat de ministers deze keuze niet redelijkerwijs hebben kunnen maken. 28.
- Het betoog slaagt niet. Uitwerkingsgebied 5: Oud Gastel - Standdaarbuiten Het beroep van de betonmortelcentrale
- Het terrein van de betonmortelcentrale ligt op het perceel St. Antoinedijk 7 te Oud-Gastel, ten zuidwesten van Standdaarbuiten. Het perceel ligt ten westen van de A17 en langs de Dintel. Ten zuidoosten van het bedrijfsterrein van de betonmortelcentrale loopt momenteel de bestaande 150 kV-verbinding Moerdijk - Roosendaal en de bestaande 380 kV-verbinding Rilland - Geertruidenberg. Met het plan wordt de bestaande 380 kV-verbinding verschoven. Daarvoor is het tracé van de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding 380 kV" over het centrale deel van het perceel van de betonmortelcentrale gelegd. De betonmortelcentrale betoogt dat een beter alternatief voor het tracé van de 380 kV-verbinding voorhanden is. Zij voert aan dat strakkere bundeling met de nieuwe verbinding en de rijksweg A17 een mogelijkheid is, onder andere door herbouw op de plek van de bestaande 380 kV-verbinding. Met dit alternatief behoeft de dubbelbestemming niet op haar perceel te rusten en wordt geen hinder ondervonden van deze bestemming en de magneetveldzone. Haar betonmortelcentrale is momenteel 30 m hoog en de havenkraan waarvan het bedrijf gebruik maakt is 34 m hoog. In de toekomst zal de betonmortelcentrale geheel vervangen moeten worden en als gevolg van het plan is niet meer zeker dat dit ter plaatse mogelijk zal zijn. Voor een moderne centrale is volgens haar een vrije hoogte van circa 70 m vereist. Ook zal regulier onderhoud van de centrale onder de hoogspanningsleiding volgens haar niet mogelijk zijn omdat daarbij hijskranen van 40 m hoog worden gebruikt. Zij wijst ook op de beperkingen voor haar bedrijfsvoering die uit de artikelen 9.2 en 9.4 van de planregels voortvloeien. Voor vrijwel elke activiteit op het bedrijfsterrein zal een omgevingsvergunning nodig zijn, terwijl niet zeker is dat die zal kunnen worden verleend. Zij wijst daarbij op een recent verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een kantoor binnen de bestaande loods en het vervangen van de constructie van de betonmortelcentrale. De aan die vergunning verbonden voorschriften ter bescherming van de belangen en de veiligheid van de hoogspanningsleiding zijn zodanig strikt dat haar bedrijfsvoering ernstig wordt belemmerd. 29.
- De ministers wijzen er op dat de bestaande 380 kV-verbinding tussen de A17 en de buisleidingenstraat staat en deels moet worden verplaatst naar de westzijde van de buisleidingenstraat om plaats te maken voor de nieuwe 380 kV-verbinding. Er is onderzocht hoe de te verplaatsen bestaande verbinding het best de betonmortelcentrale kan passeren. Er zijn drie varianten onderzocht: Wit-rood, Wit-geel en Wit-blauw. Omdat in de variant Wit-geel de nieuwe verbinding strakker bundelt met bestaande infrastructuur hebben de Samenwerkende Overheden een voorkeur voor die variant uitgesproken. De ministers hebben dit advies opgevolgd en variant Wit-geel opgenomen in het plan. Op de zitting is verder toegelicht dat het tracé niet verder oostwaarts kan worden gelegd, omdat dit dan te dicht bij de buisleidingstraat komt te liggen. Ook zou de 380 kV-verbinding te dicht komen te staan bij de bestaande 150 kV-verbinding, die zal moeten blijven staan tot de nieuwe 380 kV-verbinding is aangelegd. Weliswaar komt de nieuwe verbinding over het terrein van de betonmortelcentrale te lopen, maar de ministers achten dat niet onaanvaardbaar omdat er naar hun mening geen belemmeringen voor de bestaande bedrijfsvoering zullen zijn. Met de bedrijfsvoering van de betonmortelcentrale is rekening gehouden omdat in het inpassingsplan nabij het bedrijfsterrein verhoogde masten mogelijk zijn gemaakt, welke eveneens nodig zijn om een vrije doorvaarthoogte voor de Dintel te borgen. Met mogelijke toekomstige, niet concrete, uitbreidingsplannen van de betonmortelcentrale hoeft geen rekening te worden gehouden, aldus de ministers. 29.
- De Afdeling overweegt dat het bedrijfsterrein van de betonmortelcentrale een oppervlakte heeft van circa 22.000 m2 en dat in het inpassingsplan een strook met een oppervlakte van ca. 9.000 m2 over het centrale deel van het bedrijfsterrein is gelegd met de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding 380 kV". In die strook staan de silo’s en de loskraan. Voor de silo’s geldt een maximale bouwhoogte van 30 m en de kraan heeft een werkhoogte van 34 m. In het aanvullend verweerschrift hebben de ministers aangegeven dat, hoewel het plan ter plaatse hogere masten mogelijk maakt, naar aanleiding van de technische uitwerking van de verschillende masten een omgevingsvergunning is aangevraagd voor masten met een hoogte van 82,5 m bij de betonmortelcentrale. Op basis hiervan is volgens dat aanvullend verweerschrift bij de betonmortelcentrale een vrije hoogte voorzien van circa 38 meter ten opzichte van het maaiveld. In een reactie op het deskundigenverslag en ter zitting zijn door de ministers en TenneT andere afstanden genoemd, maar die zijn gebaseerd op de maximale bouwhoogte van de masten, terwijl die dus kennelijk niet wordt benut. Uitgaande van de in de praktijk voorziene vrije hoogte van circa 38 m tussen de draden van de hoogspanningsverbinding en het maaiveld ter plaatse van de betoncentrale blijft er bij de silo's een afstand over van 8 m tussen de toegestane maximum bouwhoogte van de silo’s en de bedrading van de hoogspanningsverbinding, en een afstand van 4 m tussen de maximale werkhoogte van de havenkraan en de bedrading van de hoogspanningsverbinding. Uit het deskundigenverslag van de STAB blijkt dat TenneT veiligheidsvoorschriften hanteert voor het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsverbindingen. Kranen of onderdelen daarvan mogen volgens deze voorschriften - die ook worden gehanteerd bij het verlenen van vergunningen voor andere activiteiten in de belemmerde strook - de draden van de een 380 kV-hoogspanningslijn, in verband met mogelijke overslag, niet dichter naderen dan 6 m. Dit betekent dus dat de havenkraan niet meer tot de volledige hoogte mag worden gebruikt. De betonmortelcentrale heeft er ook op gewezen dat bij onderhoud aan of vervanging van de filters op de silo’s gebruik moet worden gemaakt van een tijdelijke kraan, die dan boven de silo’s uitsteekt. Ook dat zal in de toekomst niet meer kunnen plaatsvinden. Verder geldt op grond van artikel 9.4 van de planregels een verbod om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden als het permanent opslaan van goederen uit te voeren. En uit de door de betonmortelcentrale overgelegde vergunning blijkt dat ook tijdelijke grond- en/of materiaalopslag niet mag plaatsvinden in de belemmerde strook. Ten slotte gelden op grond van artikel 9.2 van de planregels ook aanzienlijke beperkingen voor het bouwen binnen de belemmerde strook. Consequentie van die beperkingen is niet alleen dat de huidige bedrijfsvoering van de bestaande betoncentrale aanzienlijk wordt bemoeilijkt, maar ook dat aanpassingen van en vernieuwingen aan de centrale ter plaatse nog nauwelijks mogelijk zullen zijn, terwijl - naar ter zitting is gebleken - de betoncentrale feitelijk aan de bestaande locatie is gebonden omdat het gaat om een zoneringsplichtige inrichting, die watergebonden is, terwijl alternatieve gezoneerde terreinen in de regio schaars zijn. 29.
- Gelet op deze gevolgen van het plan hebben de ministers hun stelling dat voldoende rekening is gehouden met de belangen van de betonmortelcentrale niet toereikend gemotiveerd. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de ministers de belangen van de betonmortelcentrale onvoldoende onder ogen gezien bij de vaststelling van het plan en de daaruit voortvloeiende beperkingen. 29.
- In dit opzicht is het plan dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid, en berust het in zoverre niet op een draagkrachtige motivering. 29.
- Het betoog slaagt. Uitwerkingsgebied 6: Moerdijk - Zevenbergschen hoek Het beroep van [appellanten sub 23]
- [appellanten sub 23] wonen op het perceel [locatie 9] te Zevenbergschen Hoek. Hun hele woonperceel ligt binnen de grenzen van het inpassingsplan. Aan hun perceel is de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding 150 - 380 kV" toegekend. [appellanten sub 23] betogen dat de ministers hun belangen onvoldoende hebben meegewogen bij de keuze tussen de varianten Geel en Rood in dit tracédeel. Zo voldoet de gekozen variant Rood volgens hen niet aan de criteria van de Samenwerkende Overheden. Verder kan volgens hen waar het gaat om het stuk van het tracé vanaf de A16 tot Hooge Zwaluwe de 150 kV-verbinding gebundeld worden met de nieuwe 380 kV-verbinding en kan die laatste verbinding worden gerealiseerd op het bestaande tracé van de 150 kV-verbinding. Dit zal de criteria van de Samenwerkende Overheden volledig dekken, aldus [appellanten sub 23]. Er zal volgens hen geen nieuwe doorsnijding van het landschap optreden en geen negatieve aantasting van hun leefomgeving ontstaan. 30.
- De ministers stellen dat drie varianten zijn beschouwd: Rood, Geel en Groen. De Samenwerkende Overheden hebben een voorkeur voor variant Geel uitgesproken, omdat bij deze variant zeven gevoelige objecten minder in de omgeving aanwezig zijn. Variant Rood heeft desondanks de voorkeur gekregen omdat die geen knik heeft in het tracé en dus minder effecten heeft op het landschap. Ook is er minder tijdelijke overlast voor de bewoners en de omgeving, is de gekozen variant nettechnisch minder complex en zijn de kosten van variant Rood lager. Zij wijzen er verder op dat variant Geel op het aspect leefbaarheid niet aanzienlijk beter scoort dan de gekozen variant Rood. De ministers wijzen er verder op dat de Samenwerkende Overheden in hun advies van 5 juni 2019 hebben geconstateerd dat de door hen aangehouden criteria zijn meegenomen en gewogen in de uitwerkingsateliers. Omdat variant Geel niet aanzienlijk beter scoort dan Rood is er geen aanleiding geweest deze tracékeuze te herzien. Verder stellen de ministers dat het alternatief dat [appellanten sub 23] voorstellen technisch niet uitvoerbaar is, omdat de nieuwe 380 kV-verbinding de bestaande 380 kV-verbinding tussen Geertruidenberg en Rilland tweemaal zou moeten kruisen. Ook maken de nieuwe en bestaande 380 kV-verbinding deel uit van de landelijke ring en is het niet wenselijk dat 380 kV-verbindingen van de landelijke ring binnen valafstand van elkaar staan. Daarom wordt een afstand van minimaal 100 m tussen de hartlijnen van die verbindingen aangehouden. Als de nieuwe 380 kV-verbinding op de plek van de bestaande 150 kV-verbinding komt, dan komt deze verbinding op 50 m tot de hartlijn van de bestaande 380 kV-verbinding en daarmee te dichtbij te staan. 30.
- De Afdeling overweegt dat de enkele omstandigheid dat een tracékeuze niet overeenstemt met de wens van de Samenwerkende Overheden, nog niet maakt dat de ministers niet voor deze variant mogen kiezen. De ministers hebben gemotiveerd waarom in dit geval variant Rood de voorkeur geniet boven variant Geel. [appellanten sub 23] hebben de hiervoor weergegeven motivering van de ministers voor de tracékeuze tussen varianten Rood en Geel en de uiteenzetting om niet te kiezen voor een ander alternatief onvoldoende overtuigend bestreden. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat de ministers niet voor variant Rood hebben mogen kiezen. 30.
- Het betoog slaagt niet. Uitwerkingsgebied 7: Hooge Zwaluwe Het beroep van [appellant sub 40]
- [appellant sub 40] gebruikt percelen aan de Ruilverkavelingsweg in Hooge Zwaluwe voor haar agrarisch bedrijf. Het inpassingsplan voorziet op die percelen in een 150/380 kV-verbinding en een 380 kV-verbinding. Zij betoogt dat in het plan een mast, met het nummer 19N, is voorzien die onevenredig veel beperkingen voor de bedrijfsvoering met zich brengt. Zij voert aan dat geen mast nodig is op haar percelen als het tracé bij mast 17N iets minder knikt en de masten 18N en 19N in noordelijke richting worden verplaatst. Hierdoor worden meerdere percelen landbouwgrond tot aan de Zwaluwse Pootweg minder ongunstig geraakt. 31.
- De ministers stellen dat met een lichtere knik bij mast 17N de masten 20N en verder westwaarts daardoor noordwaarts verplaatst moeten worden, omdat volgens één van de traceringsprincipes zoveel mogelijk rechtstand moet worden aangehouden. De masten 20N en verder westwaarts zouden dan op percelen van anderen komen te staan, waardoor het probleem alleen verschoven wordt. Bovendien betekent het voorgestelde alternatief dat de gereconstrueerde bestaande 380 kV-lijn tussen de Zwaluwse Pootweg en de Ruilverkavelingsweg niet meer parallel loopt met de nieuwe lijn. Uit elkaar lopende lijnen zijn niet wenselijk uit landschappelijk oogpunt, aldus de ministers. Om die reden hebben de ministers niet voor het voorgestelde alternatief gekozen. De Afdeling is van oordeel dat de ministers in het aangevoerde geen grond hebben hoeven zien om een ander standpunt in te nemen. 31.
- Het betoog slaagt niet. Het beroep van [appellante sub 24A]
- [appellante sub 24A] exploiteert een melkvee- en akkerbouwbedrijf aan de [locatie 10] in Made. Het inpassingsplan voorziet in een gecombineerde 150/380 kV-hoogspanningsverbinding en een bovengrondse 380 kV-hoogspanningsverbinding op haar landbouwgronden aan de Ruilverkavelingsweg in Hooge Zwaluwe. Ook maakt het plan het mogelijk om op de toegangsweg naar deze landbouwpercelen een tijdelijke 150 of 380 kV-hoogspanningsverbinding te realiseren met bijbehorende werkwegen en werkterreinen. [appellante sub 24A] heeft in haar zienswijze en vervolgens in beroep uiteengezet dat zij vreest dat het agrarisch gebruik van haar gronden met het plan onmogelijk wordt gemaakt. 32.
- In de Antwoordnota zijn de ministers ingegaan op de zienswijze van [appellante sub 24A] en de daarin geuite vrees. De V.O.F. heeft in beroep geen redenen aangevoerd waarom die reactie niet juist zou zijn. Voor zover [appellante sub 24A] in beroep haar betoog met betrekking tot de onzekere positie van de masten, de belemmeringen van het plan voor haar bedrijfsvoering en de onduidelijkheid over de precieze locatie van tijdelijke werkwegen- en terreinen heeft herhaald, verwijst de Afdeling naar de thematische bespreking van deze onderwerpen. 32.
- [appellante sub 24A] heeft in beroep ook herhaald dat haar landbouwgronden niet meer bereikbaar zullen zijn omdat aan een gedeelte van de toegangsweg tot haar gronden de dubbelbestemming voor de tijdelijke hoogspanningsverbindingen is toegekend. In het STAB-verslag, p. 205, wordt bevestigd dat een voor [appellante sub 24A] meest ongunstige invulling van het plan tot een belemmering van de bereikbaarheid van haar landbouwgronden kan leiden. De Afdeling is van oordeel dat de ministers aan deze mogelijke beperking, gelet op de met het inpassingsplan betrokken belangen, geen doorslaggevend gewicht hebben hoeven toekennen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat dit zich alleen bij de meest ongunstige invulling van het plan zal voordoen, dat die beperking van tijdelijke aard zal zijn en dat er, zoals hiervoor onder 17.4 is overwogen, voor TenneT ook een financiële prikkel is om de lasten voor de eigenaar zoveel mogelijk te beperken, omdat Tennet, zo lang de eigenaar het terrein niet volledig kan gebruiken, daarvoor een vergoeding verschuldigd is. 32.
- Het betoog slaagt niet. Het beroep van [appellanten sub 33] en NaGa Solar Holding B.V.
- [appellanten sub 33] is eigenaar van een perceel kadastraal bekend gemeente Hooge en Lage Zwaluwe sectie L, nummers 13 en
- NaGa heeft in 2018 met [appellanten sub 33] een overeenkomst gesloten om op het perceel een zonnepanelenveld te ontwikkelen. Volgens [appellanten sub 33] en NaGa leidt een hoogspanningsverbinding over het perceel tot beperkingen voor de exploitatie van de zonnepanelen. Daarom zou de 380 kV-verbinding ter hoogte van de Horenhilsedijk in zuidelijke richting moeten worden verplaatst, zodat de plannen voor een zonnepanelenveld niet worden belemmerd. [appellanten sub 33] en NaGa wijzen er op dat TenneT in 2018 al bekend was met de plannen om het zonnepanelenveld aan te leggen. 33.
- In paragraaf 3.11.9 van de plantoelichting is vermeld dat voor dit uitwerkingsgebied vier varianten zijn uitgewerkt: Rood, Geel, Donkerblauw en Lichtblauw. Volgens de ministers hebben de varianten Rood en Geel meer invloed op het landschap dan de varianten Lichtblauw en Donkerblauw door de knikken in het tracé. Bij variant Donkerblauw zijn de knikken het flauwst en treedt het minste effect op het landschap op. De varianten Rood en Lichtblauw raken drie gevoelige bestemmingen, de varianten Geel en Donkerblauw raken er twee. Variant Rood ten slotte kruist een gebied met zeer hoge archeologische verwachtingswaarde. Verder hebben de Samenwerkende Overheden een voorkeur voor variant Donkerblauw omdat deze de minste gevoelige bestemmingen raakt en met deze variant een aantal scherpe hoeken in het tracé vervallen, wat een rustiger beeld in het landschap oplevert. Vanwege dat rustiger beeld en omdat er één gevoelige bestemming minder is, hebben de ministers variant Donkerblauw als voorkeursalternatief beschouwd. De Afdeling overweegt dat de hoogspanningsverbindingen beperkingen voor de aanleg en exploitatie van een zonnepanelenveld op de gronden van [appellanten sub 33] met zich kunnen brengen. Niet aannemelijk is echter gemaakt dat de aanleg en exploitatie hierdoor onmogelijk wordt. De Afdeling overweegt dat het zuidelijker leggen van dit stuk van het tracé leidt tot diepere knikken in het tracé. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de ministers een groter gewicht kunnen toekennen aan het realiseren van zoveel mogelijk rechtstand dan aan het belang van [appellanten sub 33] om gevrijwaard te blijven van de hoogspanningsverbinding over zijn perceel. De ministers hebben er daarom voor mogen kiezen om variant Donkerblauw planologisch vast te leggen en niet te voorzien in het alternatief dat [appellanten sub 33] en NaGa voorstellen. 33.
- Het betoog slaagt niet. Uitwerkingsgebied 8: Geertruidenberg Het beroep van [appellante sub 19]
- [appellante sub 19] exploiteert op verschillende adressen in Geertruidenberg een akkerbouwbedrijf. [appellante sub 19] heeft aangevoerd dat het tracé zo had moeten worden vastgesteld dat hoekmast 1152, die is geprojecteerd op haar agrarisch perceel, kadastraal genummerd C85, meer in noordelijke of westelijke richting komt te staan. Ook voor mast 1155 is volgens [appellante sub 19] een betere locatie beschikbaar, namelijk ten oosten van de watergang of het fietspad op het perceel met kadastraal nummer C
- Op dat perceel, dat ook in haar eigendom is, zal de mast aanzienlijk minder schade voor haar opleveren. 34.
- Over de voorgestelde verplaatsing van hoekmast 1152 op het westelijk gedeelte van het agrarisch perceel C85 hebben de ministers toegelicht dat bij de positionering van de beoogde hoekmast rekening is gehouden met een noordelijk en westelijk gelegen primaire waterkering van het Noordergat/de Donge. Mast 1152 en daarmee de knik in het tracé zijn zodanig gepositioneerd dat de mast niet in de waterkering of in de beschermingszone staat. De door [appellante sub 19] voorgestelde verplaatsing richting de noordelijke of westelijke perceelgrens zou volgens de ministers tot gevolg hebben dat de mast in de beschermingszone en mogelijk ook net in de keringszone komt. Omdat de ministers de voorkeur geven aan een locatie waarbij geen mast in de beschermingszone en keringszone hoeft te worden geplaatst, zien zij geen aanleiding om het tracé aan te passen. Mast 1155 is geen hoekmast en is dus niet vastgelegd in het inpassingsplan. Over de door [appellante sub 19] voorgestelde verplaatsing van mast 1155 in zuidoostelijke richting naar C145 hebben de ministers uitgelegd dat dit zou betekenen dat er een extra mast nodig is vanwege overschrijding van de maximale veldlengte tot het opstijgpunt en dat mast 1155 binnen de beschermingszone van 5 m van een A-waterloop en met de voor de mast vereiste heipalen in de beschermingszone van een compartimenteringskering komt. Omdat er een mastlocatie mogelijk is buiten die beschermingszone waarbij geen extra mast nodig is, vinden de ministers een verschuiving in zuidoostelijke richting niet wenselijk. De Afdeling is van oordeel dat de ministers hiermee voldoende hebben gemotiveerd waarom zij niet hebben gekozen voor de voorgestelde verplaatsingen. 34.
- Het betoog slaagt niet. Uitwerkingsgebied 9: ’s Gravenmoer Het beroep van de stichting Dorpsraad ’s Gravenmoer en bewonersgroep Hoogspanningsverbinding 380 kV ’s Gravenmoer
- De stichting en de bewonersgroep kunnen zich niet verenigen met de door de ministers gekozen variant Geel, die voor dit tracédeel is gekozen. Zij voeren aan dat, gelet op het voorzorgsbeginsel, de door hen voorgestelde knikvariant had moeten worden gekozen. In dat voorstel wordt een knik aangebracht daar waar de nieuwe en bestaande verbindingen dichter bij woningen zouden komen. Door de knik komt de verbinding verder van de woningen te liggen en wordt het gevoel van veiligheid vergroot. De stelling van de ministers dat die knik € 20 miljoen meer zou kosten, is volgens hen onvoldoende onderbouwd. 35.
- De ministers stellen dat de extra knik in het tracé, zoals appellanten hebben voorgesteld , in de afweging bij het kiezen voor variant Geel betrokken is. Bij brief van 4 november 2019 heeft de toenmalige minister van Economische Zaken en Klimaat aangegeven dat de verzochte extra knik niet leidt tot minder gevoelige bestemmingen en ook wat landschap, natuur en (net)techniek betreft niet leidt tot een betere score. De knik levert wel € 20 miljoen aan meerkosten op. Om de reden stellen de ministers dat die knik geen proportionele maatregel is. 35.
- In het deskundigenbericht is vermeld dat zich binnen de magneetveldzone van de bestaande en de nieuwe hoogspanningsverbinding ten noorden van de kern 's Gravenmoer geen burgerwoningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen bevinden. Wel ligt in deze magneetveldzone een agrarische bedrijfswoning, namelijk [locatie 11], maar in de knikvariant van appellanten is hiermee geen rekening gehouden. Appellanten hebben deze conclusie in het deskundigenbericht niet gemotiveerd bestreden. Evenmin hebben zij overtuigend onderbouwd dat het alternatieve tracé een verbetering zou zijn, behalve het gevoel van meer bescherming tegen de magneetvelden. Gelet op het voorgaande hebben de ministers, nog daargelaten de precieze meerkosten van de extra knik, er naar het oordeel van de Afdeling voor mogen kiezen het voorgestelde alternatieve tracé af te wijzen. 35.
- Het betoog slaagt niet. Uitwerkingsgebied 10: ’s Gravenmoer - Tilburg
- Dit stuk van het tracé loopt vanaf de noordoostzijde van 's Gravenmoer naar het zuidoosten richting Dongen en De Moer. Ten noorden van De Moer wordt de bestaande 380 kV-verbinding Geertruidenberg-Eindhoven over een lengte van ongeveer 7,5 km naar het oosten verplaatst en wordt de nieuwe verbinding met deze verplaatste verbinding gebundeld. De verbinding sluit aan op het nieuw te bouwen 380 kV-station Tilburg, het eindpunt van het tracé. De variant die de ministers hebben gekozen is Bruin Plus. Een groot deel van het tracé loopt door een bosrijk gebied, Huis ter Heide. Dat ligt iets ten westen van de buurtschap Kraanven in de gemeente Loon op Zand. Dit tracédeel wordt hierom ook wel de Bosroute genoemd. Het beroep van [appellant sub 48]
- [appellant sub 48] woont op het adres [locatie 12] te Dongen. Hij kan zich niet verenigen met de keuze voor variant Bruin Plus, voor zover die in het bosgebied Huis ter Heide ligt. Hij voert aan dat voor een noordelijke route had moeten worden gekozen om dit bosgebied te ontzien. Verder betoogt hij dat ondergronds verkabelen noodzakelijk is om zo de werkbreedte voor de aanleg te verkleinen van 170 m naar 70 m, zoals ook op de Brabantse Wal bij Bergen op Zoom gebeurt. 37.
- De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 48] woont op ongeveer 3,5 km van het dichtstbijgelegen tracédeel en op meer dan 5,8 km van het tracé bij Huis ter Heide. Gezien deze afstand van de woning van [appellant sub 48] tot het plangebied is het niet aannemelijk dat enige effecten van de voorziene hoogspanningsverbinding zullen optreden binnen de woon- en leefomgeving van [appellant sub 48]. Dit betekent dat de normen waarop [appellant sub 48] zich beroept, niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Het vorenstaande leidt ertoe dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een vernietiging van het besluit op basis van deze beroepsgrond, zodat de Afdeling niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling daarvan. De beroepen van [appellant sub 37], [appellant sub 36], [appellant sub 35], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 13], [appellant sub 16], [appellanten sub 46], [appellant sub 38], [appellant sub 14], [appellante sub 51] en [appellanten sub 8].
- Een aantal appellanten, dat in of bij het Kraanven woont en/of eigendommen heeft, betoogt dat de ministers niet voor de variant Bruin Plus hadden mogen kiezen. Zij voeren aan dat de variant Rood had moeten worden gekozen. Deze variant heeft de minste invloed op hun omgeving. Ook is de invloed van die tracévariant op de natuur het minst groot, omdat er minder bomen hoeven te worden gekapt. Appellanten voeren verder aan dat onduidelijk is hoe TenneT de beoordeling in de effectenanalyse voor de verschillende varianten heeft gemaakt. Het bestreden besluit is daarmee onzorgvuldig voorbereid. [appellanten sub 8] betogen dat naast en deels op hun percelen [locatie 1] en 24 cultuurhistorisch waardevolle stuifduinen aanwezig zijn. Die worden onvoldoende beschermd met variant Bruin Plus. Er is volgens hen onvoldoende kennis vergaard over de feiten en belangen om tot de keuze voor deze variant te kunnen komen. In de effectbeoordeling van TenneT voor dit tracédeel staan ook onjuistheden. Zo is ten onrechte vermeld dat bij variant Rood twee extreem verhoogde (reconstructie)masten nodig zijn om de stuifduinen te ontzien. Ook heeft variant Bruin Plus volgens deze appellanten veel meer nadelen dan blijkt uit de effectbeschrijving. Zij wijzen er daarnaast op dat TenneT in een notitie van 8 februari 2021 de minister van EZK heeft verzocht te kiezen voor variant Bruin Plus en dat TenneT toen nog niet beschikte over het rapport van Bureau Waardenburg van 10 februari
- In dat rapport zijn de effecten op de stuifduinen weergegeven. Ook voeren zij aan dat hun brief van 24 februari 2021 niet is betrokken bij de keuze voor variant Bruin Plus. In die brief hebben zij toegelicht dat er in de notitie van 8 februari 2021 onjuistheden over het stuifduingebied staan. Verder wijzen zij er op dat er geen rekening mee is gehouden dat de stuifduinen onderdeel zijn van een landschapsensemble. Zo liggen naast de stuifduinen in- en uitstuifgebieden en waardevolle akkers. Daarnaast voeren zij aan dat bij mastomval de waardevolle zomereiken in het stuifduingebied beschadigd kunnen raken. Tot slot voeren [appellanten sub 8] aan dat de ministers hadden moeten kiezen voor de door hen aangedragen variant Bruin Plus Plus. Daarmee wordt een knik in het tracé gemaakt in westelijke richting ter hoogte van de duinen. Met die variant kunnen de stuifduingebieden worden gespaard en kan worden voldaan aan de aanbevelingen uit het rapport van Waardenburg van 10 februari 2021 en de bijbehorende handreiking van 11 februari
- 38.
- Over variant Rood stellen de ministers dat TenneT een effectbeoordeling heeft uitgevoerd. Daarin komt variant Rood niet als substantieel beter naar voren dan Bruin Plus. Waar Rood beter scoort op het aspect "Investeringskosten", scoort Bruin Plus beter op het aspect "Effect op leefgebieden met bijzondere waarden". Verder stellen de ministers dat bij variant Bruin Plus ongeveer 3 ha minder van het Natuurnetwerk Brabant hoeft te worden doorkruist. Zij wijzen er op dat voor het Natuurnetwerk Brabant een nee-tenzij-principe geldt, waarbij alleen in uitzonderlijke gevallen en bij gebrek aan alternatieven nieuwe ontwikkelingen zijn toegestaan. Ook doet variant Rood meer afbreuk aan het half-open landschap. Omdat variant Rood leidt tot meer schade aan de natuur en niet tot minder gevoelige bestemmingen in de omgeving van het tracé dan variant Bruin Plus, heeft variant Rood niet de voorkeur. Over de extra bescherming voor de stuifduinen stellen de ministers dat in een brief van 6 augustus 2021 namens de toenmalige Staatssecretaris van EZK is aangegeven dat uit onderzoek van Bureau Waardenburg naar voren is gekomen dat de stuifduinen waarop zomereiken staan extra bescherming verdienen en moeten worden ontzien. TenneT heeft daartoe door Bureau Waardenburg de contour van de te beschermen stuifduinen laten bepalen. In de effectbeschrijving staat dat de zone van variant Bruin Plus de teen van de zuidelijke stuifduin schampt. Ten zuiden van de stuifduinen ligt een waardevol bosperceel van Natuurmonumenten. Bij variant Bruin Plus worden de masten in de omgeving van de stuifduinen op relatief korte afstand van elkaar geplaatst en met 10 meter voor de te reconstrueren 380 kV-verbinding Geertruidenberg-Rilland en met 9 meter voor de nieuwe 380 kV-verbinding verhoogd. Doordat de masten dichter op elkaar staan is de uitzwaai van de geleiders kleiner. De planzone kan daardoor bij de stuifduinen worden beperkt tot 31 meter uit het hart. De teen van de stuifduinen ligt op ongeveer 34 meter van de hartlijn van de verbinding en daardoor schampt de zone van variant Bruin Plus niet langer de teen van de zuidelijke stuifduin. Deze planzone is op de verbeelding van het inpassingsplan opgenomen. Gelet op het vorenstaande is de in de effectbeschrijving opgenomen informatie achterhaald, aldus de ministers. Over variant Bruin Plus Plus stellen de ministers dat variant Bruin Plus een open plek in het bos Huis ter Heide kruist die geen deel uitmaakt van het NNB-gebied. Een meer westelijk gelegen tracé zoals Bruin Plus Plus ligt verder het bos in en heeft dus een groter raakvlak met het NNB-gebied. Daarbij kent variant Bruin Plus Plus een grotere knik, wat vanuit landschappelijk oogpunt ongewenst is. Gelet daarop heeft deze variant niet de voorkeur boven variant Bruin Plus en is er geen aanleiding geweest deze variant verder te onderzoeken. Uitgangspunten 38.
- De Afdeling overweegt dat uit de Antwoordnota blijkt dat de ministers bij het bepalen van het tracé het rapport van Bureau Waardenburg en de effectbeoordeling van TenneT hebben betrokken. In de effectbeoordeling is omschreven welke feitelijke gevolgen de verschillende varianten, zoals Bruin Plus, hebben. De Afdeling ziet daarom in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers zich niet bewust zijn geweest van de cultuurhistorische waarden van de stuifduinen en zomereiken. De Afdeling ziet in het aangevoerde evenmin aanleiding voor het oordeel dat de weergave van de effecten die de ministers hebben beschouwd bij het bepalen van de tracé-variant, onduidelijk is. Over de extreem verhoogde masten hebben de ministers gesteld dat die vermelding betrekking had moeten hebben op variant Bruin. De varianten Rood en Bruin Plus hebben die extreem hoge masten niet. De Afdeling acht deze verschrijving niet dusdanig ernstig, dat de ministers zich niet hebben mogen baseren op de effectbeoordeling. Het voorgaande brengt de Afdeling tot de slotsom dat de ministers zich bij het voorbereiden van het bestreden besluit voldoende op de hoogte hebben gesteld van de relevante feiten en omstandigheden. 38.
- Het betoog slaagt niet. Variant Rood of Bruin Plus Plus had moeten worden gekozen 38.
- In de notitie van TenneT van 8 februari 2021 is een effectentabel opgenomen. Die tabel is op 29 april 2021 geactualiseerd en bij de Antwoordnota gevoegd. In de tabel is weergegeven dat Rood en Bruin Plus op vrijwel alle punten gelijk scoren, maar dat variant Bruin Plus beter scoort op het punt "Effect op leefgebieden met bijzondere waarden", terwijl variant Rood beter scoort op het punt "Investeringskosten". Verder is in de tabel vermeld dat bij variant Rood 56 ha van het Natuurnetwerk Brabant wordt aangetast, terwijl dat bij variant Bruin Plus 53 ha is. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ministers, gelet op deze verschillen in aantasting van het Natuurnetwerk Brabant, variant Rood boven variant Bruin Plus hadden moeten verkiezen. Over variant Bruin Plus Plus overweegt de Afdeling dat deze variant een extra knik kent en verder westwaarts door het bosgebied voert. De ministers hebben inzichtelijk gemaakt dat hierdoor meer natuurgebied wordt aangetast. De ministers hebben redelijkerwijs mogen stellen dat de aangedragen variant, gelet hierop, niet beduidend beter is dan variant Bruin Plus. Zij hebben er daarom voor mogen kiezen om de aangedragen variant niet nader te onderzoeken, dan wel vast te leggen in het plan. 38.
- Het betoog slaagt niet. Bescherming duinen en zomereiken 38.
- De ministers hebben onder meer naar aanleiding van de rapporten van Waardenburg van 10 en 11 februari 2021 beoordeeld of, en zo ja, in hoeverre, het stuifduinensemble en de zomereiken bescherming zouden moeten genieten en welke planregeling voor deze bescherming noodzakelijk is. De ministers hebben gesteld dat niet het hele ensemble gevrijwaard hoeft te blijven van de hoogspanningsverbinding. In wat daarover is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat de ministers zich niet op dit standpunt mochten stellen. Verder leidt de versmalling van de planzone ter plaatse van de stuifduinen met zomereiken er toe dat de masten niet op de stuifduinen zelf komen te staan. De ministers hebben zich verder op het standpunt mogen stellen dat de leidingen tussen de masten, voor zover die over of langs het stuifduingebied hangen, geen onaanvaardbare aantasting van de cultuurhistorische waarde van het stuifduincomplex en de zomereiken met zich brengen. Over het risico van mastomval en beschadiging van de bomen, hebben de ministers zich op het standpunt mogen stellen dat dit risico op beschadiging zo klein is, dat het plan niet om die reden anders had moeten worden vastgesteld. 38.
- Het betoog slaagt niet. Het beroep van [appellant sub 12] en anderen
- [appellant sub 12] en anderen zijn gezamenlijk eigenaar van twee percelen in Loon op Zand, met de kadastrale nummers K 2421 en
- Deze percelen liggen ten zuiden van het Kraanven. Het tracé met de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding 380 kV" loopt over deze percelen. Verder is aan een deel van de hoek van het perceel 2421 de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding 150 - 380 kV" toegekend. [appellant sub 12] en anderen kunnen zich niet verenigen met de in het plan neergelegde variant Bruin Plus, voor zover die over hun percelen voert. Zij betogen dat de bestaande bovengrondse verbinding had moeten worden gebruikt voor een bundeling van de oude met de nieuwe verbinding of dat het tracé parallel langs de N261 had moeten lopen. Het tracé zou dan niet over hun gronden liggen. Zij voeren verder aan dat de nieuwe verbinding, gelet op de traceringsprincipes, parallel aan de bestaande verbinding moet worden gerealiseerd. Zij stellen dat niet duidelijk is hoe De Moer dan ingesloten zou komen te raken, zoals de ministers stellen. [appellant sub 12] en anderen betogen dat de winst die behaald wordt met het 7,5 kilometer opschuiven van dit tracédeel ten opzichte van de bestaande situatie zeer beperkt is. Zo is er voor de inwoners van De Moer alleen een gevoelsmatig voordeel. Ook het lagere aantal gevoelige bestemmingen in de omgeving van het tracé is beperkt. Tot slot stellen zij dat het gaat om een bestaand tracé, waarbij de eerdere realisatie als aanvaardbaar is beschouwd. Voor zover de ministers verwijzen naar het rapport van Arcadis uit 2018, voeren [appellant sub 12] en anderen aan dat Arcadis adviseert om het tracé zoveel als mogelijk in het oosten te leggen vanwege het behoud van bomen, stuifduinen en een schuilkelder. Verder voeren zij aan dat het tracé in westelijke richting kan worden opgeschoven zodat het buiten hun percelen valt. Anders dan de ministers stellen, betekent dit niet dat er minder bomen behouden kunnen worden. Er is op dat tracédeel ook veel grasland en landbouwgrond aanwezig waar masten kunnen komen te staan. Zij wijzen op een notitie van Van Hoven en Oomen, gedateerd 7 juli 2023, waarin is beschreven dat het opwaarderen van de huidige verbinding in plaats van