(4)dat er, mogelijk met uitzondering van de kinderboerderij en andere kleine deelbronnen, geen andere ontwikkelingsbronnen in de omgeving van Heijplaat zijn. De STAB ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de rol van N+P als belangrijke bron van de vliegenoverlast. 8.3. De bestuursrechter mag in beginsel afgaan op de inhoud van het advies van een door hem benoemde deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat advies onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zulke gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. 8.4. Over het punt dat bij de STAB de juiste expertise voor dit advies ontbreekt, overweegt de Afdeling het volgende. De STAB is een onafhankelijke en onpartijdige gerechtelijke deskundige. De STAB heeft voldoende ervaring op het gebied van overlast en methodologie op het gebied van natuur en milieu en heeft al in uiteenlopende zaken geadviseerd over overlast. De STAB heeft aangegeven in het rapport dat het juist is dat de STAB geen gespecialiseerde entomoloog in dienst heeft, maar de STAB is gevraagd om onderzoek te doen naar de door het KAD gebruikte methodologie. De Afdeling volgt daarom niet het betoog van N+P dat de STAB geen expertise heeft op dit onderwerp. De volgende overwegingen gaan over de punten die N+P aanvoert over onderzoeksvragen 1 en 2, of de door het KAD gehanteerde methode afdoende was om de overlastgevende soort vast te stellen en of de onderzoeksmethode voldoende was om de populatie vliegen op Heijplaat vast te stellen. De STAB heeft zich naar aanleiding van de zienswijze van Sedgwick op het conceptrapport op het standpunt gesteld dat in dit geval van belang is dat zowel van kamervliegen als van aas- en vleesvliegen de ontwikkeling bij N+P is geconstateerd; zij verwijst in dat verband naar de onderzoeken van het KAD van 18 mei 2018, 6 november 2019 en 5 oktober 2021. Verder onderscheid naar soort is volgens de STAB daarom in dit geval van beperkte waarde. De STAB heeft er op gewezen dat de stelling van Sedgwick dat kamervliegen zich niet zouden voortplanten in afval, niet in overeenstemming is met de bevindingen van het KAD en volgens haar ook niet in overeenstemming is met de bestaande literatuur. Daaruit blijkt dat ook voedingsresten een mogelijke ontwikkelingsbron voor kamervliegen zijn. N+P heeft geen reactie gevraagd aan Sedgwick op de door de STAB gegeven reactie op haar zienswijze. De Afdeling ziet in wat N+P aanvoert tegen de reactie van de STAB geen reden om aan deze conclusies in het STAB-advies te twijfelen. De Afdeling ziet in wat N+P naar voren heeft gebracht tegen de conclusies in het STAB-advies bij onderzoeksvraag 3 ook geen reden om aan deze conclusie te twijfelen. De STAB heeft beoordeeld of de door het KAD gehanteerde methode afdoende is om vast te stellen of de populatie op Heijplaat groter is dan in andere wijken in Rotterdam. De STAB heeft geconcludeerd dat de gehanteerde methode afdoende was om op basis daarvan een vergelijking tussen de vliegenpopulaties op Heijplaat en andere wijken te maken. De STAB heeft daarbij toegelicht dat Sedgwick terecht heeft geconstateerd dat de vallen die buiten de woonwijk staan, zijn meegenomen in de vergelijking met de andere wijken, maar zij constateert ook dat de vallen die buiten de woonwijk staan niet bepalend zijn voor de verschillen tussen de woonwijken. De STAB wijst in dat verband op de conclusie in het KAD-onderzoek van 15 november 2023 waarin staat dat de activiteiten van N+P invloed hebben op de vliegenpopulaties binnen een straal van 925 m. Het effect is dus ook voor de vallen tussen de 350 m en 925 m vastgesteld. De Afdeling ziet ten slotte ook geen reden om aan het antwoord van de STAB op onderzoeksvraag 4 te twijfelen. Die vraag is of de gehanteerde methode afdoende was om de herkomst van de vliegenoverlast vast te stellen. Over het punt dat N+P aanvoert over de getroffen maatregelen heeft de STAB opgemerkt dat zij die maatregelen niet heeft beoordeeld, maar dat er in de KAD-onderzoeken van 6 december 2022 wel op de effecten van de maatregelen wordt ingegaan. De STAB heeft zich echter ook op het standpunt gesteld dat het feit dat er in 2022 en 2023 misschien effecten van de maatregelen zichtbaar waren niet afdoet aan de conclusie dat de door het KAD uitgevoerde onderzoeken sterke aanwijzingen bevatten dat N+P ten tijde van de ambtshalve wijziging van de vergunning een aanzienlijke bijdrage leverde aan de vliegenoverlast op Heijplaat. De volgende overwegingen gaan in op het standpunt van N+P dat niet uitgesloten is dat de vliegen hun herkomst hebben bij de kinderboerderij en naar N+P migreren. De STAB wijst er in dit verband op dat het KAD heeft geconstateerd dat het afval bij N+P een ontwikkelingsbron is voor kamervliegen en voor aas- en vleesvliegen, aangezien daarin ook poppen en larven zijn aangetroffen. Zij wijst in dat verband op de KAD-onderzoeken van 18 mei 2018, 6 november 2019 ('Duwbakken in het Hollandsch Diep') en 5 oktober 2021. Ook op dit punt is er voor de Afdeling geen aanleiding om aan het STAB-advies te twijfelen. Gelet op het bovenstaande gaat de Afdeling uit van de juistheid van het STAB-advies. Zoals uit het STAB-advies volgt, geven de door het KAD uitgevoerde onderzoeken sterke aanwijzingen dat N+P aanzienlijk bijdraagt aan de ernstige vliegenoverlast op Heijplaat. De STAB ziet daarbij geen aanwijzingen of omstandigheden die er op duiden dat N+P ten onrechte is aangewezen als belangrijkste bron. Omdat de STAB de vraag of de door het KAD gehanteerde methode om de herkomst van de vliegenoverlast vast te stellen afdoende is, bevestigend heeft beantwoord, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zijn standpunt over de bijdrage van N+P aan de ernstige vliegenoverlast op de onderzoeken van het KAD mocht baseren. 8.5. Het voorgaande maakt dat de Afdeling van oordeel is dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het college voorschriften op dit punt in het belang van de bescherming van het milieu nodig mocht achten en met toepassing van artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo aanvullende voorschriften aan de omgevingsvergunning mocht verbinden. Beoordeling van de afzonderlijke voorschriften 9. De Afdeling zal hierna, aan de hand van de betogen van N+P, de rechtmatigheid van de bij besluit van 11 februari 2021 aan de omgevingsvergunning van 16 juli 2009 verbonden voorschriften, in het bijzonder de voorschriften 1.1.2, 1.1.7 en 1.1.10, beoordelen. 9.1. De bij besluit van 11 februari 2021 aan de omgevingsvergunning van 16 juli 2009 toegevoegde voorschriften waarop het geschil zich toespitst, luiden als volgt: "1.1.2 Binnen de inrichting moet een actueel en door het bevoegd gezag goedgekeurd ongedierte-, knaagdieren- en insectenbestrijdings- en preventieplan aanwezig zijn. Dit plan dient elke twee jaar te worden geactualiseerd. Bij het opstellen van het plan moet gebruik worden gemaakt van een in insecten- en dierplaagbeheersing gespecialiseerd bedrijf. Een inhoudelijke bijdrage of beoordeling van dit bedrijf moet aantoonbaar in het plan zijn opgenomen. Ten aanzien van de bestrijding en preventie van ongedierte, knaagdieren en insecten moet het plan ten minste de volgende onderdelen bevatten: a, inventarisatie van alle mogelijke ontwikkelingsbronnen voor insecten binnen de inrichting; b, te nemen (bron)maatregelen ter voorkoming van de ontwikkeling van insecten. Hierbij moet in ieder geval worden ingegaan op: 1. de (on)haalbaarheid van het treffen van bronmaatregelen, bijvoorbeeld reiniging van het PMD voorafgaand of bij ontvangst binnen de inrichting; 2. het toepassen van gekoelde opslag van (een deel van) gesorteerd afval waaruit insecten kunnen voortkomen; 3. (logistieke) maatregelen voor een zo kort mogelijke verblijftijd binnen de inrichting van afval waaruit insecten kunnen voortkomen. Hierbij dient een verblijftijd te worden genoemd die onder normale bedrijfsvoering gerealiseerd kan worden en te worden ingegaan op de (on)mogelijkheden om piekaanvoer van PMD te voorkomen; 4. maatregelen die genomen worden bij stagnatie in verwerking en/of afvoer van afval waaruit insecten kunnen voortkomen, bijvoorbeeld het met folie omwikkelen of het met fijnmazig gaas afdekken van gesorteerd afval. c. te nemen maatregelen ter voorkoming/beperking van de verspreiding van ongedierte, knaagdieren en insecten vanuit de inrichting. Hierbij moet in ieder geval worden ingegaan op het treffen van maatregelen bij geopende deuren voor het doorlaten van transportvoertuigen (bijvoorbeeld door plaatsing van een sluis of luchtgordijn) en bij geopende dakluiken; d. het frequent opruimen van bij het sorteerproces en transport gemorst afval en het vrijgekomen organisch afval bij de balenpersmachine en langs de randen van de stuwmuren; e. te gebruiken bestrijdingsmiddel(
- en)volgens de geldende Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; f. te hanteren bestrijdingsmethode(n); g. te hanteren bestrijdingsfrequentie (frequentie afhankelijk van temperatuur, vaker bij temperaturen met kortere ontwikkelingstijd voor insecten bijvoorbeeld gedurende de zomermaanden of de frequentie baseren op een systeem, waarbij aantallen insecten in een hal wordt gemonitord met een monitoringssysteem dat een representatief beeld geeft, ondanks de concurrerende kracht van het aanwezige afval); h. bij het geheel aan te treffen maatregelen en bestrijding van ongedierte, knaagdieren en insecten als genoemd in dit voorschrift, dient tevens specifiek ingegaan te worden op hal 4; i. overzicht van maatregelen die getroffen zullen worden, inclusief per maatregel een implementatietermijn. Het niet doorvoeren van bepaalde maatregelen dient beargumenteerd te zijn." "1.1.7 Overslag van wal naar duwbak (v/
- v)van afval waaruit insecten kunnen voortkomen, is niet toegestaan in de periode van 1 april tot en met 30 september." "1.1.10 Containers met afval waaruit insecten kunnen voortkomen en die in de buitenlucht staan opgesteld, moeten volledig zijn afgedekt, zodanig dat de aantrekkende werking en bereikbaarheid van dit afval voor insecten zo veel mogelijk wordt beperkt, als ook de mogelijkheid van verspreiding van insecten uit dit afval." Voorschrift 1.1.2 10. N+P betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het college het belang van voorschrift 1.1.2 voldoende heeft gemotiveerd. Volgens N+P had de rechtbank moeten onderkennen dat, omdat er geen klachten zijn over ander ongedierte dan vliegen, dit voorschrift overbodig is. Daarnaast had de rechtbank moeten onderkennen dat het goedkeuringselement onredelijk bezwarend is voor N+P en rechtsonzeker is, omdat niet op voorhand duidelijk is wanneer een dergelijk plan op goedkeuring kan rekenen, aldus N+P. 10.1. Het college erkent dat het voorschrift een breder bereik heeft dan alleen vliegen, maar meent dat dat ook gerechtvaardigd is. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat het opnemen van alleen vliegen in het voorschrift te summier is. Het college heeft toegelicht dat het bekend is dat afval een aantrekkende werking heeft op allerlei soorten (plaag)dieren. Dit heeft, door de ligging van N+P in de dichte nabijheid van de woonwijk Heijplaat, tot gevolg dat ook andere insecten, ongedierte of knaagdieren op Heijplaat overlast kunnen veroorzaken. Aangezien het woongenot van de bewoners in het geding is, draagt een ruimer voorschrift bij aan de toekomstbestendigheid van de omgevingsvergunning om zo toekomstige geschillen te voorkomen, aldus het college. 10.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college gelet op deze motivering voorschrift 1.1.2 aan de omgevingsvergunning mogen verbinden. Dit voorschrift is in het belang van de bescherming van het milieu aan de omgevingsvergunning verbonden en draagt bij aan het voorkomen van overlast in de omgeving van het bedrijf. Om die reden heeft het college, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, het voorschrift ook mogen betrekken op andere (plaag)dieren. De Afdeling volgt het betoog van N+P dat het goedkeuringselement rechtsonzeker is niet. In het voorschrift staat namelijk omschreven waar het ongedierte bestrijdings- en preventieplan aan moet voldoen, zodat het voldoende duidelijk is wanneer het college zo’n plan kan goedkeuren. Tegen een besluit over goed- of afkeuring van het plan staan bovendien rechtsmiddelen open. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college het belang van het voorschrift voldoende heeft gemotiveerd. Het betoog slaagt niet. Voorschrift 1.1.7 11. N+P betoogt verder aan dat de rechtbank had moeten oordelen dat het college het belang van voorschrift 1.1.7 voldoende heeft gemotiveerd. De duwbakken hebben geen invloed op de vliegenoverlast, terwijl zij hoge kosten moet maken om aan dit voorschrift te voldoen. 11.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat duwbakken bijdragen aan de ontwikkeling en verspreiding van vliegen. Dat blijkt volgens het college ook uit observaties van het KAD uit 2019. De stelling van N+P dat duwbakken geen effect op de vliegenpopulatie zouden hebben, omdat er in 2019 nog wel duwbakken met PMD-afval bij N+P waren en in 2020 niet meer, terwijl de vliegenpopulaties volgens N+P in beide jaren vergelijkbaar waren, bewijst volgens het college niet dat duwbakken geen effect hebben op de vliegenpopulaties. 11.2. Het KAD heeft in haar onderzoeken grote aantallen larven, poppen en volwassen vliegen aangetroffen in de duwbakken. N+P heeft niet aannemelijk gemaakt dat de duwbakken desondanks niet bijdragen aan de vliegenoverlast. De Afdeling is daarom van oordeel dat het college het belang bij het beperken van de vliegenoverlast voldoende heeft gemotiveerd. Het betoog slaagt niet. Voorschrift 1.1.10 12. Ten slotte betoogt N+P dat de rechtbank had moeten oordelen dat het college het belang van voorschrift 1.1.10 voldoende heeft gemotiveerd. Dat voorschrift is volgens haar bovendien onduidelijk, omdat niet wordt gespecifieerd binnen welke opslagtermijn de containers moeten worden afgedekt. 12.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college dit voorschrift aan de omgevingsvergunning mocht verbinden. Het college heeft het voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden, omdat uit de uitgevoerde onderzoeken bleek dat containers met rest- of deelfracties uit de PMD-sortering die in de buitenlucht staan opgesteld insecten aantrekken en dus een potentiële bron voor de ontwikkeling en verspreiding van insecten zijn. Het voorschrift is bovendien duidelijk. Het schrijft tenslotte voor dat containers met afval waaruit insecten kunnen voortkomen en die in de buitenlucht staan opgesteld altijd moeten zijn afgedekt. Het betoog slaagt niet. Conclusie 13. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevallen. 14. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen. Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier. w.g. Verburg voorzitter w.g. Kamphorst-Timmer griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024 776