(2)het bedrijfspand op het perceel [locatie] in Leimuiden, kadastraal bekend als gemeente Leimuiden, sectie A, perceelnummer 3828, terug te brengen in de staat zoals deze bij bouwvergunning van 29 juni 1981 is vergund (zie bijlage VII). Om het strijdige gebruik te beëindigen dienen alle roerende zaken die samenhangen met het gebruik van het bedrijfspand als wooneenheid/wooneenheden te worden verwijderd uit het bouwwerk en dienen daaruit verwijderd te blijven. Daarnaast dienen ook de zonder vergunning aangebrachte woonvoorzieningen, zoals keuken, douche, bad, toilet, welke de gebouwen geschikt maken voor bewoning te worden verwijderd en verwijderd te blijven uit het bedrijfspand. Om precies te zijn dient uit wooneenheid 1 de keuken, het bad en toilet te worden verwijderd en uit wooneenheid 2 de keuken, douche en wc en uit wooneenheid 3 de douche. Deze voorzieningen dienen ook verwijderd te blijven. Het toilet in wooneenheid 3 is bij de bouwvergunning van 29 juni 1981 reeds vergund. Deze behoeft dan ook niet te worden verwijderd." 12.
- De Afdeling ziet in wat [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de last die is opgelegd aan [appellant A] onvoldoende duidelijk is. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling volgt [appellanten] niet in hun stelling dat het besluit tot verwarring leidt omdat bij het onderwerp op p.1 van het besluit staat dat het gaat om "een drietal zelfstandige wooneenheden", terwijl bij het onderwerp op de daarop volgende pagina’s staat "een tweetal zelfstandige woonruimten". In de last, onder 1, staat immers in algemene zin dat de bewoning van het pand moet worden beëindigd. Gelet daarop is het niet relevant of het dan gaat om twee of om drie woonruimten. Daarnaast houdt de last onder 2 in de kern in dat het pand moet worden teruggebracht in de staat zoals deze bij de bouwvergunning van 29 juni 1981 is vergund. Hierbij wordt in de last verwezen naar een bijlage, waarin de verbeeldingen van deze bouwvergunning zijn opgenomen. Naar het oordeel van de Afdeling is hiermee voldoende duidelijk wat [appellant A] moet doen om aan de last te voldoen. Wat betreft het toilet staat in de last dat deze in ruimte 3 mag blijven, omdat deze al eerder is vergund. Dat er op deze plek in 1981 twee toiletten zouden zijn vergund maakt dat niet anders. Voor de keuken in wooneenheid 1 geldt dat deze mag blijven als deze in overeenstemming is met de bouwvergunning. Als dit niet het geval is, moet de keuken wel verwijderd worden. Voor zover hierover onduidelijkheid bestaat, is dit het gevolg van onduidelijkheid over de feitelijke situatie van deze keuken in wooneenheid 1, en dan in het bijzonder de precieze locatie daarvan, en niet van de bewoording van de last. Deze feitelijke situatie kan evenwel door [appellanten] zelf worden vastgesteld. De rechtbank is terecht niet tot een ander oordeel gekomen. Het betoog slaagt niet. Begunstigingstermijn te kort
- [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de door het college gestelde begunstigingstermijn onredelijk kort is om het gebouwde in de originele staat terug te brengen, te meer omdat zij een aanvraag om een omgevingsvergunning hebben ingediend. Zij stellen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2196, dat het vaste rechtspraak van de Afdeling is dat een begunstigingstermijn niet wezenlijk korter mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te beëindigen. 13.
- De begunstigingstermijn strekt ertoe de overtreding op te heffen, waarbij als uitgangspunt geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen (vergelijk de uitspraak van 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7685). Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat een termijn van twaalf weken vanaf het besluit van 8 april 2020 niet onredelijk is om aan de last te voldoen. Dat [appellanten] een aanvraag om een omgevingsvergunning hebben ingediend maakt dat niet anders. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is een begunstigingstermijn er namelijk niet op gericht om de mogelijke legalisering van niet vergunde activiteiten af te wachten, maar strekt deze ertoe om een termijn te stellen waarbinnen de overtreder de last onder dwangsom kan voorkomen door zelf aan de last te voldoen. Zie de uitspraak van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3792, onder 6.
- Het betoog slaagt niet. Conclusie
- Het hoger beroep is gelet op wat is overwogen onder 5.5 gegrond. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank in twee zaken uitspraak heeft gedaan, wordt vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling de beroepen van [appellanten] gegrond. De Afdeling vernietigt beide besluiten van 8 april 2020 en herroept het besluit van 27 augustus 2019, waarbij aan [appellant B] een last onder dwangsom is opgelegd. Het voorgaande betekent dat het college, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling, een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant A] tegen het besluit van 27 augustus 2019, waarbij aan haar een last onder dwangsom is opgelegd, moet nemen.
- Het college moet de proceskosten vergoeden. 15.
- Voor zover [appellanten] hebben verzocht om vergoeding van door een advocaat verleende rechtsbijstand, overweegt de Afdeling dat de beroepschriften noch het hoger beroepschrift door de advocaat zijn ingediend en dat deze advocaat evenmin op de zittingen in beroep en hoger beroep is verschenen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om hiervoor een proceskostenveroordeling uit te spreken. Gelet hierop komen alleen de gemaakte reiskosten voor vergoeding in aanmerking. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2022 in zaak nrs. 20/3182 en 20/3428; III. verklaart de beroepen van [appellant B] en [appellant A] gegrond; IV. vernietigt de besluiten van 8 april 2020 met zaaknummers 18579 en 18578; V. herroept het besluit van 27 augustus 2019 met zaaknummer 11208; VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen kosten tot een bedrag van € 39,59, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem aan [appellant B] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt; VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem aan [appellant A] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt; IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier. w.g. Van den Biggelaar lid van de enkelvoudige kamer w.g. Buskermolen griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2024 896-1103