202403026/1/R1. Datum uitspraak: 6 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [appellant], wonend in Maastricht, appellant, en de raad van de gemeente Maastricht, verweerder. Openbare zitting gehouden op 6 november 2024 om 13:45 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. A. Kuijer, voorzitter griffier: mr. L.A. van Heusden Verschenen: [appellant]; De raad, vertegenwoordigd door G. Groot en E.J.A. Smeets, beiden werkzaam bij de gemeente; De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, Wyckerpoort Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Bij besluit van 26 maart 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Mosa Porselein" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling verklaart het beroep van [appellant] ongegrond. Daartoe overweegt zij het volgende. De Afdeling stelt vast dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In overeenstemming met deze procedure is een ieder in dat kader in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren te brengen. Anders dan [appellant] stelt, bestaat er geen aanleiding te oordelen dat het plan in zoverre onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hoewel de Afdeling begrip heeft voor het standpunt van [appellant] wat betreft de door hem gestelde cultuurhistorische waarde van de garageboxen, in het bijzonder de emotie die hij daarbij heeft, stelt de Afdeling vast dat de raad voldoende onderzoek heeft gedaan naar de cultuurhistorische waarden en op basis daarvan mocht vaststellen dat die waarden er niet zijn. [appellant] heeft niet, ook niet ter zitting, kunnen onderbouwen dat de garageboxen wél cultuurhistorische waarde hebben. Anders dan [appellant] stelt, is niet aannemelijk dat door de verwijdering van de garageboxen de sociale veiligheid zal verminderen. Op basis van het dossier en de daarin opgenomen ontwerptekeningen is naar het oordeel van de Afdeling veeleer aannemelijk dat als gevolg van de met het plan beoogde ontwikkeling door het zicht en het bewonersverkeer vanuit de te bouwen woningen de sociale veiligheid ter plaatse van de huidige garageboxen zal toenemen. De raad mocht zich derhalve op het standpunt stellen dat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. De raad heeft de belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb doen uitvallen in het voordeel van de woningbouw. Naar het oordeel van de Afdeling is de raad daarbij binnen de grenzen gebleven van zijn bevoegdheid en mocht de raad tot de conclusie komen dat het belang van woningbouw zwaarder weegt dan het behoud van de garageboxen. Tot slot oordeelt de Afdeling dat het college geen proceskosten hoeft te vergoeden. w.g. Kuijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Heusden griffier 647
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.