(25)is ingericht en/of in gebruik is genomen, verbeurt u per geconstateerde overschrijding een dwangsom van € 1.000,00, zulks tot een maximum van € 10.000,
- Wij verwijzen hierbij uitdrukkelijk naar de voorwaarden van ons besluit van 18 juli 2016, OGV-2016-146 [de omgevingsvergunning] en het bij die vergunning behorende beplantingsplan, waarop de 25 standplaatsen zijn aangegeven (zie bijlage)." Deze last staat in rechte vast. Dit oordeel gaat alleen over de invordering van de verbeurde dwangsom. Beoordeling hoger beroep
- De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft in r.o. 4.2 terecht vastgesteld dat in de last wordt gesproken over een maximaal toegelaten aantal standplaatsen
(25), niet over kampeermiddelen, en dat in de last uitdrukkelijk wordt verwezen naar de voorwaarden uit de vergunning en het bijbehorende beplantingsplan, waarop de 25 standplaatsen zijn aangegeven. Het betoog van [appellant] dat deze uitleg niet strookt met de oorspronkelijke intentie van de last, het tegengaan van overlast wegens het in gebruik nemen van te veel standplaatsen en niet - zo begrijpt de Afdeling het betoog - de precieze locatie daarvan, slaagt daarom niet.
- Verder heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat aan het invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag ligt. Uit de feitenvaststelling, die [appellant] niet bestrijdt, blijkt dat er ten tijde van de controle 25 kampeermiddelen op de minicamping een standplaats hadden ingenomen en dat meerdere officiële standplaatsen vrij waren. Er waren dus meer standplaatsen in gebruik en/of ingericht dan op grond van de omgevingsvergunning is toegestaan. De Afdeling volgt [appellant] niet in het betoog dat van het inrichten van een standplaats alleen sprake is als er een kampeermiddel op die standplaats staat, nu uit het bij de omgevingsvergunning behorende beplantingsplan, dat met het oog op een adequate landschappelijke inpassing aan de vergunning is verbonden, volgt waar de 25 standplaatsen waarop de vergunning betrekking heeft mogen zijn gesitueerd. Dit betekent dat de last is overtreden en een dwangsom is verbeurd.
- Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering van een verbeurde dwangsom worden afgezien.
- [appellant] betoogt dat de standplaatsen tijdelijk waren heringericht vanwege hevige regenval eerder die week. Volgens het college heeft [appellant] dit pas op de zitting bij de rechtbank voor het eerst naar voren gebracht, is tijdens de controle niet gebleken dat het terrein drassig was en was het in de week voorafgaand aan de controle mooi weer. De Afdeling overweegt dat [appellant] haar betoog niet heeft onderbouwd. [appellant] heeft daarmee niet aangetoond dat er in deze situatie sprake is van bijzondere omstandigheden waarom geheel of gedeeltelijk van invordering moest worden afgezien. Ook in wat [appellant] verder heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Conclusie
- Het hoger beroep is ongegrond.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.E.P. van Gulik, griffier. w.g. Blomberg lid van de enkelvoudige kamer De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2024