202307658/1/R1. Datum uitspraak: 20 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Slootdorp, gemeente Hollands Kroon, en [appellante C] en [appellante D], beide gevestigd te Slootdorp, gemeente Hollands Kroon (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant]), thans: [appellante], gevestigd te Slootdorp, gemeente Hollands Kroon, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 3 november 2023 in zaak nr. 22/2332 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Hollands Kroon. Procesverloop Bij besluit van 19 oktober 2021, zoals gerectificeerd bij besluit van 27 oktober 2021, heeft het college aan ASR Windpark Wieringermeer B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van de windturbine NB-02 van Windpark Cluster WRX op het perceel, kadastraal bekend gemeente Wieringermeer, sectie A, nr. 497 in Slootdorp. Bij besluit van 24 maart 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. ASR Windpark Wieringermeer B.V. en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellante] heeft op 3 oktober 2024 bericht dat zij als rechtsopvolger de procedure van [appellant] overneemt. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2024, waar [appellante], vertegenwoordigd door [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. P.A. de Lange, advocaat te Barendrecht, en het college, vertegenwoordigd door J. Benz, bijgestaan door mr. M.J.P. Kamp, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is ter zitting ASR Windpark Wieringermeer B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. F. Onrust, advocaat te Amsterdam, gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 5 oktober 2021. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo, het Bouwbesluit 2012 en het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Binnen de gemeente Hollands Kroon heeft (de rechtsvoorganger van) ASR Windpark Wieringermeer B.V. 82 windturbines gerealiseerd in het Windpark Wieringermeer, nu geheten Prinses Ariane Windpark. Een van de windturbines binnen het windpark is windturbine NB-02. Deze windturbine is al gerealiseerd en in gebruik genomen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Wieringermeer, sectie A, nr. 497, welke is gelegen in nr. 496. Dit perceel grenst aan het agrarisch perceel, kadastraal bekend gemeente Wieringermeer, sectie A, nr. 375, dat thans in eigendom is van [appellante] De rotorbladen van windturbine NB-02 draaien - in sommige standen - over dat perceel. 3. Het hoger beroep is ingesteld door [appellant], die op dat moment nog eigenaar was van het voornoemde agrarisch perceel. Na het instellen van het hoger beroep is de eigendom van het perceel overgegaan op [appellante]. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:495) kan voor het op grond van rechtsopvolging onder bijzonder titel overnemen van door de rechtsvoorganger opgebouwde aanspraken op rechtsbescherming aanleiding zijn in die gevallen, waarin zonder deze overname de rechtsbescherming als gevolg van de rechtsopvolging geheel verloren gaat. Deze situatie doet zich voor als het belang bij betrokkenheid in de procedure in zijn geheel over is gegaan. Ter zitting heeft [appellant] desgevraagd bevestigd dat zijn belang bij deze procedure volledig is overgegaan op [appellante] Het reeds aanhangige hoger beroep wordt daarom op naam van [appellante] als rechtsopvolger voortgezet. Voorgeschiedenis 4. De planologische basis voor de bedoelde windturbine is het rijksinpassingsplan "Windpark Wieringermeer", dat is vastgesteld op 30 april 2015. Bij uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228, heeft de Afdeling de beroepen tegen het rijksinpassingsplan ongegrond verklaard. Hiermee is dit rijksinpassingsplan in rechte onaantastbaar geworden. Het rijksinpassingsplan is met toepassing van de rijkscoördinatieregeling tot stand gekomen. Dat is ook zo voor de bij besluit van 1 mei 2015 verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van de windturbine NB-02. Deze vergunning is vervolgens in 2017 gewijzigd. Hierdoor is onder meer windturbine NB-02 dichter bij de perceelsgrens van [appellante] gesitueerd. Dat wijzigingsbesluit is ook met toepassing van de rijkscoördinatieregeling tot stand gekomen. De minister van Economische Zaken en Klimaat heeft op verzoek van (de rechtsvoorganger van) ASR Windpark Wieringermeer op 8 december 2017 een besluit genomen op grond van artikel 9d, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998. Hij heeft daarbij bepaald dat de besluiten als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten voor het project Windpark Wieringermeer niet meer worden aangemerkt als besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening. Als gevolg daarvan komen vergunningen in relatie tot het windpark sindsdien niet meer met toepassing van de rijkscoördinatieregeling tot stand. Op 10 september 2019 heeft het college aan (de rechtsvoorganger van) ASR Windpark Wieringermeer B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit milieu als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting in verband met de verplaatsing van onder meer windturbine NB-02 met 5,7 m naar de huidige locatie. Deze vergunning is in bezwaar in stand gebleven. Tussen partijen is niet in geschil dat de huidige locatie binnen de kaders van het rijksinpassingsplan past. Op 19 mei 2021 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat op verzoek van (de rechtsvoorganger van) ASR Windpark Wieringermeer B.V. aan [appellant] krachtens artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: BP) een plicht opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van windturbine NB-02 en de instandhouding van een parkweg met bijkomende werken. Bij uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 december 2022 in zaak nrs. 22/3638 en 22/4859 is dat besluit vernietigd en is de minister van Infrastructuur en Waterstaat opgedragen een nieuw besluit op het (aangepaste) verzoek van (de rechtsvoorganger van) ASR Windpark Wieringermeer B.V. te nemen, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Nadien heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat op verzoek van ASR Windpark Wieringermeer B.V. bij gedoogbeschikking van 8 mei 2023 aan [appellant] op grond van de BP de plicht opgelegd tot het gedogen van de overdraai van de windturbine NB-02 en het gebruik van de parkweg. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voorliggende besluiten 5. Bij besluit van 19 oktober 2021, zoals gerectificeerd bij besluit van 27 oktober 2021, heeft het college aan (de rechtsvoorganger van) ASR Windpark Wieringermeer B.V. een omgevingsvergunning voor een periode van 25 jaar (tot uiterlijk 28 oktober 2046) verleend voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo voor de verplaatsing van windturbine NB-02 met 5,7 m ten opzichte van de eerder in 2017 verleende omgevingsvergunning. [appellant] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In het besluit op bezwaar van 24 maart 2022 heeft het college de verleende omgevingsvergunning onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie van 17 januari 2022 in stand gelaten. Aangevallen uitspraak 6. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard en geoordeeld dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat de verleende vergunning geen plan of programma is in de zin van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's, L 197/30). Verder geldt dat de windturbinebepalingen in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer geen wettelijk voorgeschreven toetsingskader vormen voor de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen. Er is daarmee naar nationaal recht geen koppeling tussen de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en een plan of programma waarvoor in strijd met de SMB-richtlijn geen milieubeoordeling is verricht. Daarmee verschilt deze zaak wezenlijk van de situatie die aan de orde was in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juni 2020, ECLI:EU:C:2020:503, over een windpark in Vlaanderen (hierna: het Nevele-arrest). Anders dan [appellant] betoogt, wordt de verleende vergunning dus ook niet geraakt door het gebrek dat de Afdeling in haar uitspraak van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1395, in het licht van het Nevele-arrest heeft geconstateerd ten aanzien van de windturbinebepalingen in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer. De uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1679, over Windpark Goyerbrug leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel. De omgevingsvergunning voor bouwen kon in die zaak niet in stand blijven (uitsluitend) omdat het niet in strijd kunnen blijven van de verleende omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan meebrengt dat ook de omgevingsvergunning voor bouwen niet in stand kan blijven. In de nu voorliggende zaak is geen sprake van vergunningverlening voor meerdere samenhangende activiteiten, maar is alleen een omgevingsvergunning voor bouwen verleend. Daarmee verschilt de zaak wezenlijk van de zaak over Windpark Goyerbrug, aldus de rechtbank. Daaraan doet niet af dat op grond van artikel 2.7 van de Wabo voor de onlosmakelijke activiteiten bouwen en milieu in beginsel gelijktijdig een vergunning moet worden aangevraagd. Omdat de milieuvergunning eerder afzonderlijk is verleend en die ook al onherroepelijk is, ligt in deze zaak alleen de vergunning voor de activiteit bouwen voor. De rechtbank stelt vast dat de vraag of het college op grond van het Unierecht bevoegd en gehouden is de onherroepelijke milieuvergunning in te trekken in deze procedure niet aan de orde kan komen. In deze zaak ligt immers geen verzoek tot herziening of intrekking van de eerder verleende milieuvergunning voor. Daarmee mist ook de verwijzing door [appellant] ter zitting naar rechtspraak waarin wel een (verzoek) intrekking of herziening onderwerp van geschil was relevantie voor de door de rechtbank te maken beoordeling. De rechtbank volgt [appellant] verder niet in zijn betoog dat (de rechtsvoorganger van) ASR Windpark Wieringermeer B.V. (achteraf bezien) geen belanghebbende bij de aangevraagde omgevingsvergunning was, omdat de rechtbank de gedoogbeschikking van 19 mei 2021 op 8 december 2022 heeft vernietigd. Op het moment van de vergunningverlening gold de aan [appellant] opgelegde gedoogplicht, zodat de bouw ook gerealiseerd kon worden. De latere vernietiging van de gedoogbeschikking kan alleen al daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, aldus de rechtbank. De rechtbank ziet tot slot geen ruimte voor een nadere afweging van de belangen en andersoortige bezwaren van [appellant], gelet op het specifiek juridisch beoordelingskader van de zogenoemde gebonden beschikking op grond van artikel 2.10 van de Wabo. Beoordeling van het hoger beroep 7. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat (de rechtsvoorganger van) ASR Windpark Wieringermeer B.V. niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij haar verzoek om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waardoor er in zijn geheel geen sprake meer was van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar was volgens haar namelijk aannemelijk dat het bouwplan niet verwezenlijkt zou kunnen worden. Daartoe stelt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de bij uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 december 2022 in zaak nrs. 22/3638 en 22/4859 vernietigde gedoogplicht van 19 mei 2021, waarbij de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan [appellant] de plicht heeft opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van windturbine NB-02 en het gebruik van de parkweg. Aangezien aan deze vernietiging terugwerkende kracht toekomt, is het college volgens [appellante] achteraf gezien ten tijde van het besluit op bezwaar ten onrechte uitgegaan van de opgelegde gedoogplicht. 7.1. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken." Artikel 1:3, derde lid, luidt: "Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen." 7.2. De vraag is of het door (de rechtsvoorganger van) ASR Windpark Wieringermeer B.V. ingediende verzoek om een omgevingsvergunning kan worden aangemerkt als een verzoek van een belanghebbende en daarmee als aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. 7.3. Iemand die een verzoek om omgevingsvergunning indient bij het college, is in beginsel belanghebbende bij een beslissing op dat verzoek. Dit kan anders zijn als het verzoek betrekking heeft op gronden die eigendom van een ander zijn of waarop een ander zakelijke rechten heeft. De verzoeker is geen belanghebbende als (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.