(2002)en is uiteengezet, waarom de verschillen in de praktijk geen belemmering vormen voor het gebruik van de door de fabrikant opgegeven geluidsspecificaties. In dit geval zijn de gegevens over het bronvermogen door de fabrikant aangeleverd en dus wel beschikbaar. Om die reden bestond er voor het college geen aanleiding om de gegevens over het bronvermogen te bepalen met de methode die is uiteengezet in hoofdstuk 2 van het Reken- en meetvoorschrift windturbines. Daarbij is in de toelichting bij artikel 3.14d van de Activiteitenregeling (Staatscourant nummer 19592, 23 december 2010) opgenomen dat doorgaans bij grotere windturbines de gegevens van de fabrikant toereikend zullen zijn om de berekening op basis van hoofdstuk 3 uit te voeren en dat dit onderdeel de fabrikanten ook in staat stelt zich ervan te vergewissen dat de correcte gegevens worden verstrekt. Het college heeft toegelicht dat de door de fabrikant aangeleverde brongegevens niet zijn gebaseerd op schattingen en dat de in die gegevens gebezigde term "expected values in terms of statistics" niet betekent dat is uitgegaan van verwachte waarden, maar dat het gaat om een gegarandeerd bronvermogen op basis van een serie metingen. Het college heeft daar verder over toegelicht dat aan de door de fabrikant opgegeven gegevens metingen ten grondslag liggen en dat door de fabrikant in dit geval is gegarandeerd dat de geluidgegevens voldoen aan de norm NEN-EN-IEC-61400 deel
- Deze garantie is ook contractueel vastgelegd bij de koopovereenkomst. Verder heeft de vergunninghouder verklaard alle gegevens waar zij over kon beschikken, te hebben overgelegd. Mede gezien de toelichting bij artikel 3.14d, eerste lid van de Activiteitenregeling zoals hiervoor weergegeven, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college uit mocht gaan van de juistheid van de door de fabrikant aangeleverde gegevens over het bronvermogen bij beoordeling van de melding. Gelet daarop was de vergunninghouder ook niet gehouden de onderliggende stukken te verstrekken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat aan de indieningsvereisten uit het Activiteitenbesluit is voldaan, dat van overtreding van artikel 1.11 van het Activiteitenbesluit geen sprake is en er voor het college daarom geen aanleiding bestond handhavend op te treden. Het betoog slaagt niet. Gondelconfiguratie
- [appellant] voert aan dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat het verschil tussen de typen gondelconfiguraties enkel zit in de op de gondels geplaatste sensoren. [appellant] betwist dit. In dat verband heeft hij erop gewezen dat in het typecertificaat staat dat de generator een groter vermogen heeft. Volgens hem produceert deze daarom meer geluid. 7.
- Het college heeft toegelicht dat het verschil tussen de gondels alleen ziet op sensoren die verband houden met onder andere de stilstandregeling, vleermuizenafwering en zonneschittering en geen effect heeft op de geluidbelasting. Verder heeft het college ter zitting toegelicht dat de generator geen invloed heeft op het geluidsniveau. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de toelichting van het college daarover juist is. Het betoog slaagt niet. Conclusie
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. J.M.L. Niederer en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier. w.g. Uylenburg voorzitter w.g. Sparreboom griffier Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2024 195-1036