202200516/1/R4 Datum uitspraak: 27 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak, deels tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in het geding tussen:
(2013)’ en het bij die nota behorende ‘Addendum Parkeernormen Fiets en Auto 2019’ (hierna: de beleidsregels Parkeernormen). De einddatum daarvan, 31 januari 2022, is gelegen na de vaststelling van het bestemmingsplan. Op de zitting heeft de raad gesteld dat de nu geldende normen vergelijkbaar zijn. Omdat de raad het onder 18.3 bedoelde gebrek in het kader van de bestuurlijke lus kan herstellen, zal de Afdeling de door de raad gebruikte parkeernormen hierna bij haar beoordeling als uitgangspunt nemen. 18.5. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd pas in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor bouwen van de in het plan voorziene ontwikkelingen aan de orde zal komen, dient de raad bij de vaststelling van het plan al wel te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom zal de Afdeling hierna beoordelen of op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen zou kunnen worden voorzien, en dat de raad zich om die reden niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2762. 18.6. Uit de planregeling volgt dat bij de vergunningverlening voor bouwplannen voorzien zal moeten worden in voldoende parkeergelegenheid. Dat wordt getoetst aan de parkeernormen. Als niet aan de parkeernormen kan worden voldaan, zal de aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden afgewezen. De raad heeft uiteengezet dat het parkeren wordt opgevangen in het plangebied en vooral daarbuiten. De raad beoogt het autogebruik in het plangebied te beperken en daar in te zetten op fiets- en voetgangersverkeer en openbaar vervoer. Het plangebied is aangewezen als A-zone waar een lagere parkeernorm geldt. Verder wordt voor de berekening van de parkeerbehoefte uitgegaan van de minimumnorm. Het programma bebouwd oppervlak voor Beurskwartier 1 is afgeleid van wat in de omgevingsvisie voor het Beurskwartier is vermeld. Op basis daarvan is een parkeerbehoefte van 2.999 parkeerplaatsen berekend: 2.146 parkeerplaatsen voor wonen binnen "Woongebied", 44 voor wonen binnen "Wonen", 802 voor voorzieningen binnen "Woongebied" en zeven voor voorzieningen binnen "Wonen". Hierop is een aantal correcties toegepast voor fietsplekken, deelauto’s en dubbel gebruik. Op basis hiervan is voor de plandelen "Woongebied" een parkeerbehoefte van 1.578 parkeerplaatsen berekend, bestaande uit 1.359 parkeerplaatsen voor bewoners, personeel en bezoek en 219 parkeerplaatsen voor deelauto’s. Voor het plandeel "Wonen" gaat het om 25 plaatsen voor bewoners, personeel en bezoek en vier plaatsen voor deelauto’s. De Afdeling heeft, mede gelet op wat STAB daarover heeft gesteld en de ligging van het plangebied direct naast het centraal station en een OV-knooppunt, geen aanleiding om aan te nemen dat de raad de parkeervraag niet op deze wijze kon berekenen. 18.7. Voor deelauto’s en auto’s van gehandicapten worden parkeerplaatsen in het plangebied gerealiseerd. De parkeervraag van ‘gewone’ auto’s, 1.384 plaatsen (1.359+25), moet buiten het plangebied worden opgelost. De raad stelt zich op het standpunt dat bewoners van Beurskwartier 1 kunnen parkeren in de parkeergarage onder de Croeselaan en het Jaarbeursplein, op Papendorp en, afhankelijk van de beschikbaarheid, de parkeerterreinen P2 en P4 van de Jaarbeurs. Bezoekers en personeel worden verwezen naar Papendorp en de terreinen P2 en P4. Met de genoemde locaties kan volgens de raad in beginsel voldoende aanbod aan parkeerplaatsen worden gevonden. Omdat met Jaarbeurs Holding en andere nog geen afspraken zijn gemaakt over het voorzien op hun terreinen van een deel van de parkeervraag en omdat de mate van overcapaciteit van de terreinen van de Jaarbeurs nog niet duidelijk is, heeft de raad meerdere berekeningen uitgevoerd. Ook is daarbij de mogelijkheid van parkeren op het Jaarbeursterrein buiten beschouwing gelaten. 18.8. Met de reactie op het deskundigenbericht van STAB heeft de raad inzicht geboden in de parkeerdruk van de parkeergarage onder de Croeselaan en het Jaarbeursplein. Uit de gegeven tabel volgt dat die garage weinig ruimte biedt voor parkeerders uit Beurskwartier. Daarbij wijst de Afdeling erop dat in een parkeermemo ervan is uitgegaan dat hier in de regel plaats zou zijn voor 350 auto’s. Op de meeste dagdelen is het beschikbare aantal plaatsen volgens de tabel echter minder dan 350. 18.9. Voor het opvangen van de parkeervraag gaat het met name om de mogelijkheden op Papendorp. Ten tijde van de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan gold daar, voor zover relevant, het bestemmingsplan "Kop van Leeuwesteyn Zuid" van 28 juli 2011. In dat plan was voorzien in de bestemming "Verkeer - Parkeergarage" met een bouwvlak en een maximumbouwhoogte van 30 m. In de planregels is bepaald dat de aldus aangewezen gronden onder meer bestemd zijn voor een parkeergarage, waarbij als specifieke gebruiksregel is opgenomen dat de garage in niet meer dan 2.000 parkeerplaatsen mag voorzien. Deze garage was gepland als transferium dicht bij de HOV-halte, de busverbinding naar het centrum van Utrecht, maar is uiteindelijk niet gebouwd. De gronden daar maken nu deel uit van het bestemmingsplan "Papendorp" van 25 april 2024. Op de plek van de parkeergarage is nu voorzien in de bestemmingen "Kantoor" en "Groen". Het bestemmingsplan "Papendorp", dat overigens nog niet in rechte vaststaat, voorziet met een plandeel "Mobiliteitshub" met een omvang van ongeveer 230 bij 40 m en een maximumbouwhoogte van 30 m op een iets andere plek ook in de mogelijkheid van een parkeergarage. In de plantoelichting van dat plan is opgenomen dat de mobiliteitshub is bedoeld voor parkeren op afstand. Vanaf de mobiliteitshub reist men verder met de fiets, scooter, het OV of te voet naar de bestemming. Er is ruimte voor ongeveer 2.000 auto's (inclusief deelauto'
- s)en ongeveer 1.700 fietsen. De mobiliteitshub kent de volgende doelgroepen: - toekomstige bewoners van Zuidwest Utrecht met behoefte aan parkeren op afstand en hun bezoekers en bewoners en werknemers van Papendorp Noord en Groenewoud; - bewoners en bezoekers van bestaande omliggende wijken; - werknemers van de Jaarbeurs, P+R-gebruikers en werknemers van Papendorp. Voor de tertiaire doelgroep wordt op regionaal niveau gezocht naar locaties voor passende transferia welke op middellange termijn de parkeerbehoefte van de derde doelgroep kunnen ondervangen. Verder staat in de plantoelichting dat de mobiliteitshub in de eerste fase voorziet in maximaal 2.000 autoparkeerplaatsen en 1.700 fietsparkeerplaatsen. Een deel van deze plaatsen wordt gebruikt voor het aanbieden van deelmobiliteit. Een deel van de parkeerplaatsen wordt gebruikt door de bewoners en bezoekers van de Merwedekanaalzone deelgebieden 4 en 5 en de verschillende fasen van het Beurskwartier. Daarnaast zijn de parkeerplaatsen in de mobiliteitshub bedoeld voor bewoners van de deelgebieden Taats Noord en Mobiliteitshub, bezoekers van heel Papendorp en voor bewoners en bezoekers van delen van Groenewoud. Daarmee vervult de mobiliteitshub zowel de functie van Ringhub als Wijkhub. Als er behoefte is, is in een tweede fase een uitbreiding met ongeveer 1.000 parkeerplaatsen mogelijk. 18.10. De Afdeling neemt als uitgangspunt dat het bestemmingsplan "Kop van Leeuwesteyn Zuid", dat gold ten tijde van de vaststelling van het nu voorliggende bestemmingsplan, voor de parkeergarage dezelfde doelgroepen als het bestemmingsplan "Papendorp" had. Op de zitting heeft de raad gesteld dat de parkeervraag van alle relevante ontwikkelingen in de parkeergarage kan worden opgevangen. 18.11. Met artikel 8.1 van de planregels is voorzien in een verplichting waarmee het verzekeren van het parkeeraanbod is verschoven naar de verlening van een omgevingsvergunning. Als er dan niet voldoende parkeergelegenheid is of wordt gerealiseerd, moet de omgevingsvergunning voor het bouwen worden geweigerd. Parkeergelegenheid voor regulier parkeren moet in deze zaak buiten het plangebied worden gevonden. In het kader van de beoordeling van het bestemmingsplan gaat het dan om de vraag of op voorhand moet worden geoordeeld dat buiten het plangebied niet voldoende locaties beschikbaar zijn om te voorzien in de parkeervraag van 1.359 auto’s. Deze toets betekent dat zekerheid daarover niet hoeft vast te staan. De Afdeling overweegt dat met wat hiervoor onder 18.8 en 18.9 is weergegeven, niet op voorhand moet worden geoordeeld dat buiten het plangebied niet voldoende parkeergelegenheid ter beschikking zal zijn voor de ontwikkeling van Beurskwartier 1. De parkeergarage onder de Croeselaan en het Jaarbeursplein biedt in zekere mate ruimte en voor de bouw van een parkeergarage met 2.000 plaatsen op Papendorp heeft de raad inmiddels een voorbereidingskrediet ter beschikking gesteld. Bij gebleken behoefte kan die parkeerfaciliteit nog worden uitgebreid. Bij haar oordeel acht de Afdeling verder van belang dat het plangebied valt binnen parkeerzone A, regulier parkeren daar niet mogelijk gemaakt zal worden, de bewoners geen parkeervergunning kunnen krijgen en in het plangebied en het gebied daaromheen betaald parkeren geldt. Parkeeroverlast door parkeerders vanuit Beurskwartier 1 zal zich daar dan ook niet kunnen voordoen. Gelet op het voorgaande, staat het aspect parkeren niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg. De raad heeft hierover overeenkomstig artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening voldoende inzicht geboden. De betogen slagen in zoverre niet. Verkeerssituatie 19. De enige wijze om in de nieuwe situatie met de auto het zuidelijke parkeerterrein van Rabobank te bereiken, is via de Jan van Foreeststraat. De raad heeft volgens Rabobank niet onderkend dat de kruising van deze straat met de Croeselaan ernstig overbelast zal raken. Er is geen gedegen verkeerskundig onderzoek. In het verleden heeft de gemeente verzekerd dat de toegang tot het terrein van Rabobank zal worden gewaarborgd. Verder zal de Van Zijstweg, die ook van belang is voor de bereikbaarheid van het terrein van Rabobank met de auto, ernstig overbelast raken, aldus Rabobank. Ook hier is er geen gedegen onderzoek, maar alleen een verouderde notitie van Royal Haskoning uit 2018. SRLEV en GVR500 Building voeren aan dat de bereikbaarheid van de parkeermogelijkheden bij hun kantoorgebouwen via de Graadt van Roggenweg in het geding komt. Een onderzoek naar de doorstroming op de Graadt van Roggenweg, het extra verkeer door de in aanbouw zijnde Galaxy Tower en de gevolgen voor de afslag P1 ontbreekt. Ook zullen er wachtrijen ontstaan op de Croeselaan en Van Zijstweg. De raad acht dat volgens hen ten onrechte aanvaardbaar. 19.1. De raad wijst erop dat de Van Zijstweg als stedelijke verbindingsweg onderdeel van de A-zone van het Mobiliteitsplan 2040 is. De Croeselaan maakt als gebiedsontsluitingsweg deel uit van het netwerk van centrum- en wijkstraten. Uit onderzoek van Royal Haskoning van 2 januari 2018 volgt dat de doorstroming voor het autoverkeer in de ochtendspits op de Van Zijstweg matig en op de Croeselaan slecht is. De raad acht de matige doorstroming op de Van Zijstweg aanvaardbaar. Voor de Croeselaan wijst de raad erop dat die weg van lagere orde is. Een afname van de bereikbaarheid acht de raad aanvaardbaar, mede gelet op de nabije ligging van het centraal station van Utrecht. 19.2. De raad heeft met verkeersmodel VRU 3.4 (modelvariant Beurskwartier) berekend hoe de verkeersontwikkeling als gevolg van Beurskwartier 1 en het Ondaatje zich verhouden tot de autonome verkeersafwikkeling tot 2030. De aantallen verkeersbewegingen zijn volgens de raad vergelijkbaar. In het westelijke deel van het invloedsgebied komt er gemiddeld een paar procent verkeer bij. STAB heeft in het deskundigenbericht vastgesteld dat alle relevante ontwikkelingen in het verkeersmodel zijn meegenomen. Het rapport van Royal Haskoning is niet specifiek voor het bestemmingsplan opgesteld, maar houdt volgens STAB wel rekening met de verkeersgeneratie van het plangebied. 19.3. Niet in geschil is dat het project Beurskwartier 1 op verscheidene wegvakken leidt tot een hogere verkeersbelasting. Personeel en bezoekers van Rabobank die aanrijden via de Croeselaan kunnen daar in de ochtendspits in een wachtrij komen die dan 700 m kan zijn. Ook via de Van Zijstweg kan sprake zijn van extra vertraging, namelijk een wachtrij die tot ongeveer 250 m kan oplopen tot aan de Veilinghavenkade. Uit het verkeersmodel volgt dat de verkeersintensiteit op de Graadt van Roggenweg als gevolg van het bestemmingsplan tot 2030 zal groeien met 1 of 2% ten opzichte van de autonome situatie. Personeel en bezoek van Rabobank en SRLEV en GVR500 Building kunnen dus in de ochtendspits met een langere aanrijtijd worden geconfronteerd. Dit is het gevolg van een bewuste keuze van de raad en ligt in lijn met het gehanteerde verkeersbeleid. De raad legt in deze A-zone het primaat bij openbaar vervoer, fiets en voetganger en wil het autoverkeer beperken en genoegen nemen met een matige en zelfs slechte doorstroming. De Afdeling acht deze beleidskeuze in deze situatie niet onredelijk. Zij acht niet aannemelijk gemaakt dat het bestemmingsplan tot een uit oogpunt van verkeersdoorstroming onaanvaardbare situatie leidt. Het extra verkeer zal met name komen door deelgebruik van auto’s, leveranciers en extra parkeren in de parkeergarage onder de Croeselaan en het Jaarbeursplein. Regulier parkeren kan de raad via de bestuurlijke lus uitsluiten, zoals de Afdeling onder 18.1 heeft overwogen. Zoals de Afdeling onder 18.9 verder heeft overwogen, wordt de parkeerlast van het plangebied grotendeels op Papendorp opgevangen. Het in het plangebied niet bieden van parkeergelegenheid voor regulier parkeren leidt dus niet tot zoekverkeer. Het aantal voor Beurskwartier 1 beschikbare plekken in de parkeergarage onder de Croeselaan en het Jaarbeursplein is beperkt (zie onder 18.8). Hierbij komt dat in het doorstroomonderzoek is uitgegaan van een volledig bezette parkeergarage. Aannemelijk is verder dat in ruime mate gebruik gemaakt zal worden van de naastgelegen openbaar vervoersmogelijkheden. Daarnaast kan bij aanpassing van de werktijd op kantoor buiten de drukste momenten van de ochtendspits worden aangereden. Verder zijn inmiddels de parkeerterreinen P1 bij de Graadt van Roggenweg en P3 bij de Croeselaan opgeheven. De daarmee gepaard gaande verkeersbewegingen worden op de andere terreinen van Jaarbeurs opgevangen en hebben geen gevolgen meer voor de doorstroming op de genoemde wegen en de Van Zijstweg. De groei op de Graadt van Roggenweg heeft de raad verder als minimaal kunnen kwalificeren, mede gelet op de onzekerheidsmarge van een verkeersmodel. Dat de toegankelijkheid van de afslag P1 tot de parkeermogelijkheden van SRLEV door het bestemmingsplan in het geding komt, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt, ervan uitgaande dat met het parkeren op P1 meer auto’s waren gemoeid dan in de toekomstige, autoluwe situatie. De Afdeling acht realistisch dat het bestemmingsplan slechts een beperkt gevolg voor de doorstroming heeft. Dat de gevolgen op andere wegen, zoals de Overste den Oudenlaan en wegen van en naar Papendorp, mogelijk groter zijn, brengt de Afdeling niet tot de conclusie dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat de situatie daar door de planontwikkeling uit verkeersoogpunt onaanvaardbaar zal zijn. Bij dit alles komt dat de raad het belang van woningbouw zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van Rabobank en SRLEV en GVR500 Building om gevrijwaard te blijven van een langere aanrijtijd in de ochtend. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de aspecten bereikbaarheid en doorstroming niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staan. De betogen slagen niet. Geluidssituatie Rabobank 20. Rabobank voert aan dat de geluidssituatie op haar terrein onvoldoende wordt gerespecteerd, met nadelige gevolgen voor de bedrijfscontinuïteit. De wijzigingen die de raad bij de vaststelling in artikel 6.3 van de planregels heeft aangebracht, zijn volgens haar onvoldoende. Rabobank zou afschermende maatregelen aan het parkeerterrein, het Matserterrein, moeten treffen. Zij heeft plannen hier kantoren, een commerciële plint en ongeveer 130 woningen te realiseren. Met het Ondaatje wordt de richtafstand van 30 m tot kantoorbebouwing niet inachtgenomen. 20.1. In de plantoelichting is aangegeven dat woningbouw met het Ondaatje niet wenselijk is zolang het parkeerterrein van Rabobank niet is gesloten of grotendeels is overdekt. Alleen met speciale bouwwijzen zoals afschermingen aan de woninggevels kan wellicht worden voldaan aan de richtwaarde. Dat is in dit stadium echter niet nader onderzocht en gaat ten koste van de woonkwaliteit, waarbij meespeelt dat deze woonlocatie aan de andere zijde grenst aan de Croeselaan met hoge geluidsniveaus van wegverkeer. Daarom is in artikel 6.3.2 van de planregels een regeling voor de bouw van woningen op deze woonlocatie opgenomen, die woningbouw pas mogelijk maakt als het geluidsniveau als gevolg van het parkeerterrein op woninggevels niet hoger is dan de richtwaarden voor een rustig woongebied. Omdat Rabobank plannen heeft voor ontwikkeling van dit gebied binnen de termijn van dit bestemmingsplan, is volgens de plantoelichting hier woningbouw daadwerkelijk mogelijk. De Afdeling stelt vast dat Rabobank deze geluidsnormen als zodanig niet heeft bestreden, maar de uitvoerbaarheid daarvan wel. De Afdeling constateert dat de raad niet heeft toegelicht hoe hij, als Rabobank geen medewerking wil verlenen, wil afdwingen dat het parkeerterrein wordt gesloten of overkapt. Gesprekken daarover tussen de gemeente en Rabobank hebben tot dusver niets opgeleverd. Daarmee heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd dat het plandeel voor het Ondaatje om deze reden uitvoerbaar is. Het betoog slaagt. 20.2. Na de planvaststelling heeft Peutz onderzoek gedaan naar maatregelen om bij de bouw van het Ondaatje te voldoen aan de in de planregels en het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde geluidsnormen. Het onderzoek is neergelegd in het rapport ‘Appartementengebouw De Foreest te Utrecht, Onderzoek naar geluidreducerende maatregelen vanwege het parkeerterrein van Rabobank’ van 29 juni 2022. STAB concludeert in het deskundigenbericht dat een combinatie van de door Peutz genoemde maatregelen (dove gevels, geluidsscherm op de perceelgrens, afscherming bij de galerijen en balkons en geluidabsorptie van de buitenplafonds van de balkons) een ontwerpvariant van het Ondaatje op enige afstand van de perceelgrens mogelijk maakt. Rabobank heeft daarbij niet aannemelijk gemaakt dat het uitgangspunt dat het parkeerterrein in de avond en nacht niet in relevante mate wordt gebruikt, onjuist is. Of een variant tot aan de grens van het parkeerterrein haalbaar is, is verder naar het oordeel van de Afdeling niet van belang, evenmin als de stelling van Rabobank dat het voornemen is om direct tegen de perceelgrens aan te bouwen. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning zal een keuze voor de situering van de bebouwing moeten worden gemaakt. Dat kan betekenen dat vanwege het geluid van bestaande of nieuwe functies op het terrein van Rabobank gekozen wordt voor een terugliggende situering. Om die reden ziet de Afdeling aanleiding om het onder 20.1 vastgestelde motiveringsgebrek in de einduitspraak met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. 20.3. Niettemin stelt de Afdeling vast dat het begrip ‘(dove) gevel’ niet in de planregels is gedefinieerd. Dat betekent dat aan de geluidwaarden moet worden voldaan, ook als het feitelijk een dove gevel is. Dat zou kunnen betekenen dat de bouw van het Ondaatje toch niet uitvoerbaar is. De raad heeft gesteld dat het plan kan worden aangepast op een zodanige wijze dat de geluidsnormen in de planregels niet voor dat soort gevels gelden. Omdat de raad zich daarmee nu op een ander standpunt stelt dan bij de vaststelling van het bestemmingsplan, is het besluit van 25 november 2021 in zoverre niet zorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt. 20.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de bouw van het Ondaatje ertoe zal leiden dat de plannen van Rabobank om op haar parkeerterrein woningen en/of kantoren te ontwikkelen uit een oogpunt van geluid onmogelijk worden. Deze functies leiden tot minder geluid dan het huidige open parkeerterrein en zijn passend bij de voorziene woningbouw van het Ondaatje. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat voor het aanhouden van een afstand van 30 m tussen kantoorbebouwing en woningen, wat overigens feitelijk niet mogelijk is omdat het plandeel voor het Ondaatje minder dan 30 m diep is, in een gemengd gebied als het onderhavige geen aanleiding bestaat. Uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ volgt een richtafstand van 10 m. Deze kan in een gemengd gebied worden gereduceerd tot 0 m. Daarbij staat in de brochure ook dat de eisen uit het Bouwbesluit 2012 voor scheiding tussen wonen en bedrijven in een dergelijk gebied toereikend zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding verder in te gaan op wat Rabobank in haar nadere stuk over functiemenging aanvoert. Dat doet namelijk niet af aan wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen. In het verweerschrift heeft de raad gesteld dat een afstand van 12 tot 15 m zal worden aangehouden tot het terrein van Rabobank. Rabobank heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Ondaatje ertoe zal leiden dat haar plannen voor kantoor- en woonbebouwing op het parkeerterrein onmogelijk worden gemaakt. Daarbij wijst de Afdeling er voor de woningbouw nog op dat deze ter plaatse van het parkeerterrein planologisch niet mogelijk is door de daar geldende bestemming "Kantoor". Het betoog slaagt niet. Geluidssituatie Jaarbeurs Holding en andere 21. Jaarbeurs Holding en andere betogen dat de raad te weinig geluidsonderzoek heeft laten verrichten om te verzekeren dat hun bedrijfsbelangen niet worden aangetast. Er is te weinig ingegaan op de geluidsbelasting die nieuwe bewoners en gebruikers van de Jaarbeursactiviteiten kunnen verwachten. Er zijn verouderde modellen gehanteerd en ook is niet ingegaan op de geluidsinstallaties van de Jaarbeurs. Een goede overgang tussen de gebieden Beurskwartier 1 en 2 is niet geborgd. De raad heeft niet onderzocht hoe woonfuncties hier aangrenzend kunnen worden ingepast, onder meer naast de expeditiestraat, waar vrachtverkeer rijdt, wordt geladen en gelost en wordt gemanoeuvreerd bij de bioscoop Kinepolis. Verder heeft geen goede cumulatieve beoordeling plaatsgevonden. Dit onderzoek kan niet geheel worden doorgeschoven naar de vergunningprocedure. Ook loopt de raad ten onrechte vooruit op de transformatie die Jaarbeurs Holding en andere willen doorvoeren, maar waarvan nog niet duidelijk is hoe die er uitziet. Niet duidelijk is gemaakt hoe gevoelige gebouwen voldoende beschermd kunnen worden tegen geluid. Als dat niet haalbaar is, vrezen Jaarbeurs Holding en andere dat aan hun bedrijfsvoering beperkingen zullen worden gesteld. Dit klemt temeer omdat de raad voor de eerste drie bouwlagen van lage richt- en grenswaarden (-5 dB(A) ten opzichte van wat gebruikelijk
- is)is uitgegaan. Doordat de beoordeling van de geluidsbelasting wordt doorgeschoven naar de vergunningverlening zal dit tot veel discussie over verrichte akoestische onderzoeken leiden. Daarbij heeft de raad niet duidelijk gemaakt waar een akoestisch rapport in formeel en materieel opzicht aan moet voldoen. De raad is ook niet ingegaan op de geluidsbelasting door binnenevenementen die een wezenlijk en aanvaard onderdeel van de bedrijfsvoering zijn. Dit zal tot klachten van de nieuwe bewoners en gebruikers leiden en een reëel risico op imagoschade, zo stellen Jaarbeurs Holding en andere. 21.1. De raad heeft zich gebaseerd op geluidsonderzoeken van Arcadis van 3 maart 2020 en TAUW van 4 maart 2020. Het bureau TAUW is in een later stadium ingeschakeld door Jaarbeurs Holding en andere. TAUW is ingegaan op de situatie van de Jaarbeurs en heeft gebruik gemaakt van het rekenmodel dat in juni 2016 voor Jaarbeurs is opgesteld. STAB heeft dit model beoordeeld en geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat niet met alle relevante geluidsbronnen rekening zou zijn gehouden of dat bronnen in de loop van de tijd zijn gewijzigd. Dat het model uit 2016 dateert, maakt volgens STAB niet dat sprake is van een verouderd model. De Afdeling heeft geen aanknopingspunten om hier anders over te oordelen. Dat in het geluidsrapport van TAUW de bronsterkten van de hallen 7, 11 en 12 op de mogelijk gemaakte hoogbouw zijn onderschat, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt gelet op de opmerking van STAB dat TAUW de geluidsbelasting tot op een beoordelingshoogte van 90 m heeft berekend. Arcadis is ingegaan op de geluidsbelasting door het Beatrixgebouw, de bioscoop Kinepolis, Wonderwoods, het parkeerterrein van Rabobank en de bestaande terrassen in de omgeving. STAB stelt vast dat Arcadis is uitgegaan van de brongegevens uit het rapport van TAUW. Echter, niet alle geluidsbronnen van Jaarbeurs zijn betrokken, waardoor het rapport van Arcadis een onvolledig beeld geeft van de geluidsbelasting van Jaarbeurs op het plangebied. 21.2. De raad heeft Arcadis opdracht gegeven aanvullend akoestisch onderzoek te doen. Arcadis heeft op 5 juli 2023 het rapport ‘Beurskwartier, Utrecht, Akoestisch onderzoek Fase 1’ uitgebracht. Arcadis concludeert dat een invulling van de plandelen "Woongebied" met het nemen van maatregelen binnen de in de planregels neergelegde geluidsnormen mogelijk is. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan wat betreft geluid uitvoerbaar is. Een maximale invulling hoeft bij het bestemmingsplan niet in beeld te worden gebracht, omdat in het kader van een aanvraag van een vergunning voor een bestemmingsplanactiviteit wordt beoordeeld of aan de geluidsnormen kan worden voldaan. 21.3. Jaarbeurs Holding en andere hebben TAUW opdracht gegeven onderzoek te doen. Dit is neergelegd in de notitie ‘Beoordeling akoestisch onderzoek Arcadis inzake Beurskwartier 1 Jaarbeurs Utrecht’ van 18 juli 2024. TAUW komt tot de conclusie, waar Jaarbeurs Holding en andere zich bij aansluiten, dat de geluidsbelastingen door Arcadis zijn onderschat, dat onvoldoende rekening is gehouden met de bedrijfsvoering en de wijzigingen daarvan van Jaarbeurs en dat de geluidreducerende maatregelen niet getoetst en ook niet voldoende zijn om de overschrijding van de geluidsnormen ongedaan te maken. 21.4. In artikel 5.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de planregels is neergelegd dat, kort samengevat, met geluidsonderzoek moet worden aangetoond dat op de gevel van woningen aan de in de bepalingen genoemde geluidwaarden wordt voldaan. Deze bepaling heeft als uitgangspunt het moment van het beslissen op de aanvraag omgevingsvergunning en kan dan zien op de huidige of toekomstige bedrijfssituatie van de Jaarbeurs. De Afdeling volgt Jaarbeurs Holding en andere niet dat de raad met het plan alleen is nagegaan of in de toekomstige situatie aan de geluidwaarden kan worden voldaan. Ook acht de Afdeling duidelijk aan de hand van welke regeling moet worden gerekend. De aanvrager van de omgevingsvergunning zal het geluidsonderzoek moeten aanleveren. De Afdeling acht de bepaling voldoende duidelijk en rechtszeker. In het onderzoek kan rekening worden gehouden met de bedrijfsbelangen van Jaarbeurs Holding en andere en zij kunnen tegen een vergunning zo nodig rechtsmiddelen aanwenden. Het betoog slaagt in zoverre niet. 21.5. De Afdeling overweegt verder dat uit de akoestische onderzoeken, waaronder ook een aanvullende notitie van TAUW van 13 februari 2023, volgt dat het geluid van met name de expeditiestraat en de installaties op de daken van de hallen van het Jaarbeurscomplex tot een aanzienlijke overschrijding van de in de planregels neergelegde geluidwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau leidt. Dat is ook het geval indien niet tot op de plangrens wordt gebouwd. De raad heeft de waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op basis van gemeentelijk geluidbeleid 5 dB(A) lager gesteld voor de onderste drie bouwlagen. Daarbij is de raad uitgegaan van afscherming van geluid. Hoewel TAUW in de notitie van 18 juli 2024 voor een groot aantal punten in detail heeft uitgewerkt dat het rapport van Arcadis van 5 juli 2023 niet toereikend is, maakt de Afdeling daaruit niet op dat op voorhand is uitgesloten dat met het treffen van maatregelen enige wijze van woningbouw nabij het Jaarbeursterrein uit een oogpunt van geluid haalbaar is. Als bij de vergunningverlening blijkt dat niet kan worden voldaan aan de in de planregels gestelde geluidsnormen, kan, aldus de toelichting bij het bestemmingsplan, worden voorzien in speciale bouwwijzen, zoals dove gevels of afschermingen. De Afdeling acht dat niet onaannemelijk. In het rapport van Arcadis staat dat gedacht kan worden aan geluidafschermende maatregelen zoals een overkapping en mogelijk op termijn een inpandige expeditieruimte, waarmee het geluid van het laden en lossen kan worden gereduceerd. Ook kunnen dove gevels worden toegepast, een maatregel waarmee volgens STAB woningbouw nabij de Jaarbeurs mogelijk is. Daarbij wijst de Afdeling erop dat ook andere wijzen van invulling van de als "Woongebied" bestemde gronden dan met woningbouw mogelijk zijn. Zo maakt artikel 5 van de planregels een groot aantal andere, niet geluidsgevoelige activiteiten mogelijk. Het technisch doortoetsen en de toetsing aan de geluidsnormen voor woningen en andere geluidsgevoelige verblijfsruimten komt in het kader van de vergunningaanvraag aan de orde. Op dat moment kan bezien worden wat de situatie, ook wat betreft de plannen van Jaarbeurs Holding en andere om te komen tot transformatie van het Jaarbeurscomplex, precies is. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat woningbouw nabij de Jaarbeurs uit een oogpunt van geluid op voorhand niet uitvoerbaar is. Daarbij wijst zij er nog op dat als de speciale bouwwijzen toch geen soelaas bieden, de omgevingsvergunning niet kan worden verleend. De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat een nadere invulling van wat in de nabijheid van de Jaarbeurs mogelijk is, in de planregels of de verbeelding had moeten worden uitgewerkt. Voor de vrees van Jaarbeurs Holding en andere dat de woningbouw ertoe zal leiden dat hun omgevingsmilieuvergunning zal worden aangepast, ziet de Afdeling gelet op wat de raad in het verweerschrift heeft gesteld, geen grond. Daar staat dat het bedrijfsgeluid van Jaarbeurs een gegeven is en dat Jaarbeurs er niet voor hoeft te vrezen dat het gemeentebestuur voornemens is haar bedrijfsvoering te beperken. De Afdeling acht dit een duidelijke toezegging van de raad aan Jaarbeurs Holding en andere die ook voor rekening komt van het college van burgemeester en wethouders. Het betoog slaagt in zoverre niet. 21.6. De raad heeft op de zitting wel als zijn standpunt gegeven dat de in de planregels gestelde geluidsnormen, voor zover lager gesteld onder de vierde bouwlaag, bij nader inzien met 5 dB(A) moeten worden verhoogd. Dit sluit dan aan bij de geluidsnormen in de omgevingsmilieuvergunning van Jaarbeurs Holding en andere en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarmee kan nog steeds worden gewaarborgd dat er in de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is, en dit biedt Jaarbeurs Holding en andere meer geluidsruimte. In zoverre acht de Afdeling het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan onzorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt in zoverre. 21.7. De raad betoogt dat op de beroepsgrond over de cumulatieve geluidsbelasting het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb moet worden toegepast omdat Jaarbeurs Holding en andere hun bedrijfsvoering kunnen voortzetten. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. De Afdeling volgt de raad niet in zijn betoog. Niet onaannemelijk is dat Jaarbeurs Holding en andere klachten van nieuwe bewoners kunnen krijgen over de gehele geluidssituatie, waar de Jaarbeursactiviteiten een belangrijk aandeel in hebben. Zij kunnen dus aanvoeren dat voor omwonenden door de cumulatieve geluidsbelasting geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.6. 21.7.1. Over de cumulatieve geluidsbelasting op de gevels van de nieuwe woningen heeft, aldus STAB, geen volledige berekening plaatsgevonden. Arcadis is daarop ingegaan, maar heeft niet alle geluidsbronnen meegenomen, zoals het geluid van de Jaarbeurshallen. Ook het weg- en railverkeer is in dit opzicht niet meegenomen. Dit laatste geldt ook voor een aanvullende berekening. De Afdeling concludeert dat de raad geen volledig inzicht heeft gegeven in de gecumuleerde geluidsbelasting in het plangebied. Het doorschuiven naar de vergunningprocedure, zoals de raad stelt in de reactie op het deskundigenbericht van STAB, kan dit gebrek niet wegnemen, omdat de normen in de planregels niet zien op cumulatieve geluidsbelasting. De raad heeft het plan onzorgvuldig voorbereid. Dit gebrek kan niet worden gepasseerd, alleen al omdat de raad in de hiervoor genoemde reactie een berekening over het cumulatieve geluidsniveau heeft gegeven waarin de geluidsbelastingen van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte horeca en basisschool niet zijn betrokken. Bij een nieuw onderzoek naar de cumulatieve geluidsbelasting kan ook worden betrokken dat de raad voor speciale bouwwijzen zal ingaan op het begrip ‘gevel’, zoals de Afdeling hiervoor onder 20.3 heeft overwogen. Of de gevels dan afdoende afschermende werking tegen de cumulatieve geluidsbelasting hebben, zoals Jaarbeurs Holding en andere betwijfelen, kan in dat kader worden bezien. Het betoog slaagt. 21.8. Voor zover het betreft de twaalf binnenevenementen die Jaarbeurs Holding en andere op grond van de omgevingsmilieuvergunning mogen organiseren, waarbij een maximaal geluidsniveau op woningen van 65 dB(A) geldt, is in het plan geen regeling opgenomen. TAUW heeft voor de binnenevenementen vastgesteld dat alle woningen in "Woongebied" buiten de 65 dB(A)-contour liggen. Dit valt ook te zien op het kaartje dat Jaarbeurs Holding en andere in het beroepschrift hebben weergegeven. In zoverre levert de nieuwbouw geen beperkingen op voor Jaarbeurs Holding en andere. De norm gold ook al voor bestaande woningen in de omgeving en is in de omgevingsmilieuvergunning afgewogen. Ook met de nieuwe woningen in de nabijheid kunnen Jaarbeurs Holding en andere de vergunning op dit punt naleven. De vrees dat er toch klachten zullen binnenkomen over het geluidsniveau, is naar het oordeel van de Afdeling geen reden om het bestemmingsplan om deze reden niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening te achten. Het betreft een beperkt aantal evenementen die mogelijk hinder veroorzaken. De raad heeft dit in een hoogstedelijk gebied aanvaardbaar kunnen achten. Het betoog slaagt in zoverre niet. Geluidssituatie SRLEV 22. SRLEV en GVR500 Building voeren aan dat woningbouw tot op de erfgrens kan leiden tot klachten en handhavingsprocedures van toekomstige bewoners over geluid. Bij en op het kantoorgebouw van SRLEV staan forse installaties en het laden en lossen vindt op het parkeerterrein plaats. In het geluidsonderzoek zijn het kantorencomplex, het parkeerterrein met laden en lossen en de parkeergarage niet meegenomen terwijl deze zich op minder dan 30 m van de mogelijke woningbouw bevinden. De geluidsvoorwaarde in artikel 5.5, eerste lid, onder g, van de planregels ziet niet op ander geluid dan dat van de installaties van het gebouw. 22.1. De raad heeft voor de installaties van de kantoren van SRLEV geluidsnormen gesteld die overeenkomen met de normen in tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uit aanvullend onderzoek van Arcadis van 5 juli 2023 volgt dat met het treffen van maatregelen aan de normen kan worden voldaan. SRLEV bestrijdt die conclusie niet. Wel wijst SRLEV er terecht op dat daarmee nog niet duidelijk is of zij de exploitatie van haar parkeergarage en het parkeerterrein en het laden en lossen daar onder het Activiteitenbesluit kan voortzetten indien nabij de erfgrens woningen komen. De raad heeft daarvoor geen normering in de planregels opgenomen. Hij is in het verweerschrift alleen ingegaan op het geluid van het parkeerterrein en heeft daarover gesteld dat het gebruik van dat terrein in een hoogstedelijke omgeving aanvaardbaar is en er voornamelijk in de dagperiode wordt geparkeerd. Welk gebruik de raad van het parkeerterrein heeft beoordeeld is niet duidelijk. STAB heeft vastgesteld dat niet duidelijk is met hoeveel verkeers- en parkeerbewegingen is gerekend. Ook is de raad niet ingegaan op de piekgeluiden van het laden en lossen, het geluid van de parkeergarage en de gecumuleerde geluidsbelasting. In de schets (bijlage 5 bij de planregels) is op een afstand van 3 m een woontoren ingetekend. Hoe die bebouwing daar uit een oogpunt van geluid kan worden ingepast, heeft de raad niet duidelijk gemaakt. In de reactie op het deskundigenbericht van STAB stelt de raad dat hij Arcadis ook hierover akoestisch onderzoek heeft laten uitvoeren. Uit dat onderzoek volgt dat het maximale geluidsniveau van de parkeergarage in de avondperiode wordt overschreden, maar dat hier met het stellen van maatwerkvoorschriften in kan worden voorzien. Hoe dit aan SRLEV kan worden opgelegd, heeft de raad niet duidelijk gemaakt. Op de zitting heeft de raad erkend dat de planregel met de geluidsnormen wat betreft SRLEV ten onrechte is beperkt tot de installaties van het kantoorgebouw. Het betoog slaagt. Bereikbaarheid terrein Rabobank 23. Rabobank voert aan dat het bestemmingsplan leidt tot een verslechterde bereikbaarheid van het zuidoostelijke gedeelte van haar terrein. Het Ondaatje leidt tot het weghalen van de in- en uitrit tot dit gedeelte aan de Croeselaan. Parkeren en bevoorrading worden dan onmogelijk. Al bij de vaststelling van het bestemmingsplan had moeten vaststaan hoe de bereikbaarheid wordt gegarandeerd dan wel hoe de alternatieve ontsluiting zou lopen. De voorwaardelijke verplichting die in de planregels is neergelegd, is onvoldoende omdat deze niet is geconcretiseerd. 23.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met de voorwaardelijke verplichting in artikel 6.4 van de planregels is gewaarborgd dat het terrein van Rabobank bereikbaar blijft. Naar de beste ontsluitingsplek zal nog onderzoek worden gedaan. 23.2. Met de voorziene bebouwing van het Ondaatje zullen de bestaande in- en uitrit naar en van het zuidoostelijke gedeelte van het terrein van Rabobank vervallen. Dit heeft uiteraard grote consequenties voor Rabobank. De raad heeft hiervoor voorzien in een voorwaardelijke verplichting in artikel 6.4 van de planregels. Hoewel die bepaling is beperkt tot ‘de bestaande inrit’ en ‘een nieuwe inrit’, leest de Afdeling daarin dat het gaat om het geheel van in- en uitrit naar en van het terrein van Rabobank. De Afdeling gaat ervan uit dat de nieuwe situatie voor de toegankelijkheid vergelijkbaar zal moeten zijn met de huidige. Met de voorwaardelijke verplichting heeft de raad gewaarborgd dat het terrein van Rabobank bereikbaar blijft. Zonder toegankelijkheid kan het Ondaatje niet worden vergund. Dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan nog niet bekend was waar de ontsluiting zou worden aangelegd, is niet doorslaggevend. De raad heeft deugdelijk gemotiveerd dat het mogelijk is aan de Jan van Foreeststraat een met de huidige in- en uitrit vergelijkbare in- en uitrit aan te leggen. Rabobank heeft het tegendeel daarvan niet aannemelijk gemaakt. Anders dan Rabobank in de nadere reactie ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de randvoorwaarden voor die ontsluiting in de planregels had moeten neerleggen. Het door Rabobank bedoelde nadere onderzoek kan plaatsvinden in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het Ondaatje. Mocht een passende in- en uitrit aan de Jan van Foreeststraat niet mogelijk zijn, dan moet de vergunning voor het Ondaatje worden geweigerd. In zoverre is voldoende rekening gehouden met het bereikbaarheidsbelang van Rabobank. Het betoog slaagt niet. Onttrekking weg aan de openbaarheid 24. De raad heeft volgens Rabobank niet onderkend dat het bestemmingsplan tot gevolg heeft dat wegen aan de openbaarheid worden onttrokken. Hiervoor heeft de raad geen besluit ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet genomen. Zo’n onttrekking is volgens Rabobank niet haalbaar door de gevolgen daarvan voor de bereikbaarheid en belasting van de wegen. 24.1. Als voor de planontwikkeling een wegonttrekkingsbesluit genomen moet worden, dit besluit niet is genomen en niet aannemelijk is dat dit besluit genomen kan worden, moet worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is. De raad of het college heeft geen onttrekkingsbesluit genomen en de raad stelt zich op het standpunt dat dit ook niet nodig is. De Afdeling ziet geen aanleiding om de raad niet in dit standpunt te volgen. De Croeselaan zal door de ontwikkeling van het plandeel "Wonen" iets worden verlegd en versmald, maar toegankelijk blijven voor al het verkeer. Voor zover al een onttrekkingsbesluit genomen moet worden voor het vervallen van de in- en uitrit tot het parkeerterrein van Rabobank, is de Afdeling van oordeel dat niet vaststaat dat zo’n besluit gelet op de betrokken belangen niet genomen kan worden. Daarbij verwijst zij naar wat zij over het vervallen van de in- en uitrit hiervoor onder 23.2 heeft overwogen. Anders dan Rabobank betoogt, is de Afdeling dus van oordeel dat het plandeel "Wonen" niet om deze reden niet uitvoerbaar is. Het betoog slaagt niet. Bezonning en windsituatie Rabobank 25. Rabobank voert aan dat zij door het bestemmingsplan onevenredig wordt benadeeld door een vermindering van bezonning. Het Ondaatje zal aan het einde van de middag leiden tot schaduw op haar bestaande en toekomstige bebouwing. Ten onrechte is een met artikel 5.5, eerste lid, onder b, van de planregels overeenkomende bepaling niet opgenomen in artikel 6. Ook is niet uitgesloten dat het bestemmingsplan zal leiden tot ernstige windhinder op haar terrein, zo stelt Rabobank. De raad heeft ten onrechte niet onderzocht wat de gevolgen inzake windhinder zijn in de Rabostraat en op het bevoorradingsplein. Verder is het aspect windhinder van belang als Rabobank zelf overgaat tot benutting van bestaande bouwmogelijkheden. Rabobank beroept zich op een windhinderrapport van Sweco van 26 augustus 2024. 25.1. Met haar beroep op artikel 5.5, eerste lid, onder b, van de planregels gaat Rabobank eraan voorbij dat de te toetsen beperking ‘als die hogere bebouwing geen onevenredige hinder voor de omgeving veroorzaakt’ in die bepaling ziet op gebouwen hoger dan 30 m. Gebouwen tot 30 m hoog kunnen binnen "Woongebied" zonder die beperking worden gebouwd. Dat is voor de bestemming "Wonen" voor het Ondaatje hetzelfde. 25.2. De gevolgen door het Ondaatje zijn bij de planvaststelling niet onderzocht. Na de vaststelling van het bestemmingsplan heeft de raad aanleiding gezien ARUP nieuw of aanvullend onderzoek te laten uitvoeren. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de ‘Notitie windhinder’ van 7 juli 2022 en in de ‘Verkennende bezonningsstudie’ van 19 juli 2022. Verder heeft de raad ARUP het meest recente stedenbouwkundige plan laten beoordelen op het aspect bezonning. ARUP heeft dit neergelegd in het rapport ‘Beurskwartier, Windhinder- en bezonningsonderzoek’ van 5 mei 2023. In aanvulling daarop heeft ARUP de notitie ‘Wind- en bezonningsonderzoek maximale invulling volgens bestemmingsplan’ van 11 mei 2023 uitgebracht. Al deze onderzoeken maken naar het oordeel van de Afdeling dat het ervoor moet worden gehouden dat bij de planvaststelling ontoereikend onderzoek naar de aspecten windhinder en bezonning is gedaan. Zij volgt de raad niet in zijn standpunt dat deze onderzoeken onverplicht zijn gedaan omdat een bouwhoogte van 30 m zonder meer aanvaardbaar is uit een oogpunt van windhinder en schaduwwerking. De raad moet op zijn minst enig inzicht geven in de gevolgen van de nieuwbouw, ook al komt deze in een omgeving waar al veel hoogbouw staat. Daarbij volgt uit de toegepaste NEN-norm dat bij bebouwing tot 30 m hoogte een beoordeling door een windhinderdeskundige noodzakelijk is. Het betoog slaagt. 25.3. Dit gebrek in het besluit kan evenwel in de einduitspraak met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. 25.3.1. Uit de aanvullende onderzoeken volgt dat bebouwing tot 30 m hoogte geen onevenredige hinder uit een oogpunt van wind oplevert. Sweco komt daarentegen tot de conclusie dat het bestemmingsplan leidt tot een slecht windklimaat bij de expeditie en de personeelsingang en tot een nog slechter klimaat als niet alles wat het plan mogelijk maakt, wordt gebouwd. Sweco heeft daarvoor een deel van de bebouwing weggelaten (‘scenario 2’). 25.3.2. Het onderzoek van Sweco is meer toegespitst op de situatie van Rabobank dan het meer algemene onderzoek van ARUP van 7 juli 2022. Een groot deel van het rapport gaat echter over wat Sweco als scenario 2 heeft uitgewerkt. Dat scenario houdt in dat twee aan het park grenzende gebouwen in het midden van het plangebied niet worden gerealiseerd. Hoewel het bestemmingsplan inderdaad niet verplicht die bebouwing te realiseren, heeft de raad de komst daarvan wel als uitgangspunt mogen nemen. Het weglaten daarvan leidt tot een groot ‘gat’ in de bebouwing en dat acht de Afdeling niet realistisch. Zij gaat daarom ook voorbij aan de door Rabobank gestelde ‘trechtervorming’ voortvloeiend uit scenario 2. Wat Sweco in beperkte zin over scenario 1 heeft gesteld, geeft er blijk van dat de windsituatie niet overal op het terrein van Rabobank goed zal zijn. Bij de expeditie en de personeelsingang zal sprake zijn van een slecht windklimaat. Dat maakt echter nog niet dat het bestemmingsplan daarom niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad vindt die situatie op het terrein van Rabobank aanvaardbaar. Op de relevante plekken gaat het niet om een verblijfsfunctie en het gaat hier niet om windgevaar, maar om een kwestie van comfort in de open ruimte. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling aan het belang van de realisatie van het Ondaatje als onderdeel van de gehele ontwikkeling een groter gewicht mogen toekennen dan aan het belang om overal op het terrein van Rabobank een zo optimaal mogelijk windklimaat te houden. Vergelijk de uitspraak van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1688. 25.3.3. Wat Rabobank in dit verband over de gevolgen van gebouwen hoger dan 30 m tegenover het Rabobank-terrein stelt, volgt de Afdeling niet omdat bij gebouwen hoger dan 30 m bij de vergunningverlening aan de hand van de beleidsregels de eventuele windhinder zal worden bezien (artikel 5.6 van de planregels). Die beoordeling vindt dus later plaats. Voor zover Rabobank heeft gewezen op de mogelijkheden in artikel 10.2 van de planregels over kleine afwijkingen, overweegt de Afdeling dat dit geen mogelijkheid bij recht is en dat een beoordeling van de gevolgen voor de windhinder van bijvoorbeeld een afwijking van de hoogtemaat met 10% in het kader van de vergunningprocedure aan de orde komt. 25.3.4. Uit de aanvullende onderzoeken volgt dat de bebouwing van 15 tot 30 m hoogte van het Ondaatje tot enige schaduwwerking op het terrein en de lagere verdiepingen van de kantoorgebouwen van Rabobank leidt. Voor de zonlichttoetreding in een kantoorgebouw gelden evenwel geen wettelijke of buitenwettelijke normen. Het door Rabobank genoemde aantal van twee bezonningsuren heeft betrekking op woningen. Naar verwachting zal de nieuwbouw niet direct tegen de erfgrens van het parkeerterrein en de daar mogelijk in de toekomst op te richten kantoorbebouwing komen te staan. Woningbouw op het terrein van Rabobank is door de geldende planologische regeling nog onzeker en kon daarom buiten beschouwing worden gelaten. De Afdeling heeft geen aanleiding om niet uit te gaan van de conclusie van ARUP in de aanvullende onderzoeken dat het verminderde bezonningseffect van de nieuwbouw voor Rabobank gering is. Het Ondaatje beïnvloedt de zonlichttoetreding uit het oosten en zuidoosten niet. Wat betreft de door Rabobank gestelde schaduwwerking door hogere gebouwen elders, op een afstand van ten minste 60 m, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar wat zij onder 15.1 en 15.2 heeft overwogen dat bij de vergunningverlening hoger dan 30 m een afweging over schaduwhinder volgt. Rabobank heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan tot een onaanvaardbare situatie uit het oogpunt van bezonning van haar terrein en gebouwen leidt. 25.3.5. Voor daglichttoetreding in nieuw op het parkeerterrein te bouwen kantoorgebouwen overweegt de Afdeling in gelijke zin. Daarvoor zijn uitvoeringsmodaliteiten denkbaar, evenals voor het Ondaatje zelf. Het effect van het Ondaatje op de daglichttoetreding in de te bouwen kantoorgebouwen zal daarmee beperkt zijn. Rabobank heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de komst van het Ondaatje niet langer aan de bij vergunningverlening voor nieuw te bouwen kantoren te toetsen norm voor daglichttoetreding kan worden voldaan en dat deze nieuwbouw op haar terrein daardoor onmogelijk wordt. Zichtbaarheid Rabobank 26. Rabobank betoogt dat het bestemmingsplan haar onevenredig in haar belangen aantast. Op het plandeel voor het Ondaatje wordt aan de twee kopzijdes (de noordzijde van de Croeselaan en de zijde van de Jan van Foreeststraat) tot op de perceelgrens met het Rabobank-terrein hoge bebouwing met negen bouwlagen mogelijk gemaakt. Rabobank beroept zich op de artikelen 5:37 en 5:50 van het Burgerlijk Wetboek en het leerstuk van de evidente privaatrechtelijke belemmering. Rabobank betoogt verder dat het Ondaatje belangrijke onderdelen van haar terrein aan het zicht zal onttrekken. In het vaststellingsrapport wordt dit erkend, maar nagelaten wordt de belangen van Rabobank mee te wegen. 26.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957, onder 7.2, bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze belemmering een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. 26.2. Anders dan Rabobank lijkt te stellen, mag niet op het gehele plandeel "Wonen" bebouwing tot 30 m hoogte worden opgericht. Voor het grootste deel van dat plandeel geldt een maximale hoogte van 15 m. Daarbij komt dat naar verwachting niet tot op de perceelgrens zal worden gebouwd. Strijd met de artikelen 5:37 en/of 5:50 van het Burgerlijk Wetboek staat niet vast en heeft geen evident karakter. De raad heeft inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen voor de zichtbaarheid zijn. Deze zal vanuit de Dichterswijk verminderen, maar vanuit de richting van de Van Zijstweg en het noordelijke deel van de Croeselaan zal haar bebouwing onverminderd in het zicht blijven. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de verminderde zichtbaarheid zodanig is dat de belangen van Rabobank daarmee, in verhouding tot de met de nieuwe bebouwing te dienen belangen, onevenredig worden geschaad. Daarbij heeft de raad van belang kunnen achten dat het hier een hoogstedelijk gebied is waar hoge nieuwbouw in de lijn van de verwachtingen ligt. Dat de gevolgen van het Ondaatje voor de zichtbaarheid van de mogelijke nieuwbouw op het huidige parkeerterrein groter zijn dan de gevolgen voor de bestaande bebouwing, heeft de raad niet doorslaggevend hoeven achten omdat die ontwikkeling niet zodanig concreet is dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid en het belang daarvan konden worden beoordeeld. Het betoog slaagt niet. Groenstructuurplan 27. Rabobank betoogt dat het bestemmingsplan strijdig is met het groenstructuurplan. Daarbij wijst zij er met name op dat ter plaatse van het plandeel "Wonen" voor het Ondaatje groen verdwijnt. Bestaand groen draagt bij aan de luchtkwaliteit. Planregels en ook de plantoelichting geven geen inzicht hoe het bestaande stedelijke groen wordt beschermd. Ook is nog niet voorzien in groencompensatie. 27.1.1. Niet in geschil is dat het plangebied binnen de stedelijke groenstructuur valt, zoals opgenomen in het groenstructuurplan ‘Actualisatie Groenstructuurplan 2017-2030’, vastgesteld door de raad op 8 maart 2018. Uit dit beleid valt naar het oordeel van de Afdeling niet op te maken dat al het bestaande groen behouden moet blijven. In dit geval betreft het een transformatie van een groot gebied. Dat brengt verlies van groen met zich, ook op de plek van het Ondaatje naast het terrein van Rabobank waarvan overigens niet is gebleken dat dit beschermenswaardig groen betreft. Daarentegen is binnen het plangebied voorzien in een plandeel met de bestemming "Groen". Dit plandeel heeft een oppervlakte van ruim 5.000 m2. Met artikel 3 van de planregels zijn op de als "Groen" aangewezen gronden de gebruikelijke voorzieningen mogelijk. Met artikel 3.3 zijn enkele activiteiten, zoals parkeervoorzieningen, ontsluitingswegen en evenementen, die zich daar niet mee verhouden, uitdrukkelijk verboden. Daarnaast volgt uit artikel 5.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de planregels dat in het noordelijke plandeel "Woongebied" een park komt met een minimale oppervlakte van 3.000 m2. Hiermee voorziet het plan in de aanleg van twee parken in het plangebied. Aannemelijk is dat ook elders in de openbare ruimte groene aanplant komt. Verder is het voornemen te komen tot groene aanplant op daken van gebouwen. In de plantoelichting staat dat bij de inrichting van het groen in het plangebied rekening dient te worden gehouden met de actualisatie van het groenstructuurplan. Hoewel Rabobank terecht stelt dat hier weinig informatie staat, heeft de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat niet volgens het groenbeleid zal worden gewerkt. Verder heeft STAB in het deskundigenbericht vastgesteld dat de huidige hoeveelheid groen in het plangebied beperkt is en dat als gevolg van de aanleg van twee parken een toename van groen zal plaatsvinden in het plangebied. Dit is naar het oordeel van de Afdeling in lijn met wat in het groenstructuurplan over meer en beter groen in het stationsgebied staat. Zij ziet niet in dat het bestemmingsplan strijdig is met het groenbeleid. Het betoog slaagt niet. Gevolgen voor kantoorgebouw Hojel City Center I 28. SRLEV en GVR500 Building hebben gesteld dat de hier te bespreken gevolgen van de planontwikkeling alleen betrekking hebben op het kantoorgebouw Hojel City Center I van SRLEV. De Afdeling noemt hierna daarom alleen SRLEV. SRLEV betoogt dat nieuwbouw ten onrechte mogelijk is tot op de grens van haar perceel, tegen de drie beuken van het gebouw en tegen de parkeergarage aan. Voor bebouwing tot een hoogte van 30 m zijn in de regels geen beperkingen of normen gesteld. Dit zal leiden tot verlies van uitzicht, tot inkijk, windhinder, lichthinder, geurhinder en verminderde bezonning en daglichttoetreding. Ook kan hoger worden gebouwd. Een deugdelijk onderzoek naar de aanvaardbaarheid heeft volgens SRLEV niet plaatsgevonden. Ook is niet ingegaan op de over de erfgrens gebouwde (nood)trappenhuizen. 28.1. De Afdeling beperkt zich hier tot de bouwmogelijkheden bij recht tot 30 m. Op de mogelijkheden hoger te bouwen dan 30 m is zij onder 15.2 ingegaan. De door SRLEV genoemde aspecten die verband houden met hinder voor de omgeving, kunnen bij de vergunningverlening voor die hogere bebouwing aan de orde komen. 28.2. Wat betreft bezonning en wind heeft de raad na de vaststelling van het bestemmingsplan aanleiding gezien door ARUP nieuw of aanvullend onderzoek te laten uitvoeren. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de ‘Notitie windhinder’ van 7 juli 2022 en in de ‘Verkennende bezonningsstudie’ van 19 juli 2022. Verder heeft de raad ARUP het meest recente stedenbouwkundige plan laten beoordelen op het aspect bezonning. ARUP heeft dit neergelegd in het rapport ‘Beurskwartier, Windhinder- en bezonningsonderzoek’ van 5 mei 2023. In aanvulling daarop heeft ARUP de notitie ‘Wind- en bezonningsonderzoek maximale invulling volgens bestemmingsplan’ van 11 mei 2023 uitgebracht. Al deze onderzoeken maken naar het oordeel van de Afdeling dat het ervoor moet worden gehouden dat bij de planvaststelling ontoereikend onderzoek naar de aspecten windhinder en bezonning is gedaan. Zij volgt de raad niet in zijn standpunt dat deze onderzoeken onverplicht zijn gedaan omdat een bouwhoogte van 30 m overal zonder meer aanvaardbaar is uit een oogpunt van windhinder en schaduwwerking. De raad moet op zijn minst enig inzicht geven in de gevolgen van de nieuwbouw, ook al komt deze in een omgeving waar al veel hoogbouw staat. Daarbij volgt uit de toegepaste NEN-norm dat bij bebouwing tot 30 m hoogte een beoordeling door een windhinderdeskundige noodzakelijk is. Het betoog slaagt. 28.3. Gezien de inmiddels uitgevoerde onderzoeken en de daarin neergelegde conclusies kan dit gebrek in het besluit in de einduitspraak met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. 28.3.1. Wat betreft de afstanden tussen de kantoorbebouwing en de nieuwe woningen heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat het hier gaat om een gebied met functiemenging als bedoeld in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Stadscentra zijn bijvoorbeeld zo’n gebied. Uit paragraaf 1.4.5 van de plantoelichting volgt ook dat de raad functiemenging als uitgangspunt heeft genomen. Dat betekent dat de raad niet is uitgegaan van de richtafstanden in bijlage 1 van die brochure. Het gaat in dit geval bij kantoren om activiteiten in categorie A, waar doordat ze weinig milieubelastend zijn, woningen aanpandig kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit 2012 voor scheiding tussen woningen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Dit betekent naar het oordeel van de Afdeling dat de raad in het bestemmingsplan in beginsel geen afstand van de nieuwe woonbebouwing tot de kantoren van SRLEV heeft hoeven aanhouden. Dit neemt niet weg dat de raad de belangen van SRLEV heeft moeten wegen. 28.3.2. Hoewel het bestemmingsplan aan bebouwing tot 30 m hoogte binnen "Woongebied" tot op de erfgrens geen beperkingen stelt, acht de Afdeling het, anders dan SRLEV, niet aannemelijk dat dergelijke bebouwing direct naast of tegen de beuken van haar kantoorgebouw zal worden aangevraagd. De Afdeling acht dat geen representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Dat naar verwachting niet op de plangrens zal worden gebouwd, heeft de raad ook in het verweerschrift gesteld. Het plandeel "Woongebied" zal niet volledig met bebouwing worden ingevuld. Uit de bij het verweerschrift overgelegde schets, die als bijlage 5 bij de planregels moet worden gevoegd, volgt dat bij de kantoren van SRLEV is voorzien in een toren van niet 90 maar 70 m op 28 m afstand van de kantoren van SRLEV, dat de bebouwing minder intensief zal zijn en dat voor de bebouwing een afstand van ongeveer 14 m tot de erfgrens wordt aangehouden. Ook als de toren meer in de richting van de kantoren van SRLEV wordt gebouwd, wijst de raad er terecht op dat daardoor geen onevenredige hinder mag worden veroorzaakt. Verder staan de kennelijk over de plangrens gebouwde (nood)trappenhuizen van Hojel City Center I aan de bouw van woonbebouwing op de erfgrens in de weg. De Afdeling gaat ervan uit dat deze trappenhuizen met het kantoorgebouw zijn vergund. Uit wat de raad op de zitting heeft gesteld, volgt niet dat deze per definitie moeten worden verwijderd. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor de verwachting dat bij de invulling van het plandeel "Woongebied" aan de aanwezigheid van de trappenhuizen voorbij zal worden gegaan. Ook die aanwezigheid maakt dat enige afstand tot het kantoorgebouw zal worden aangehouden, nog daargelaten dat de raad heeft bevestigd dat een invulling van "Woongebied" tot op de erfgrens naast het kantoorgebouw niet in de lijn van de verwachtingen ligt en dat hij de voorwaarde van de gesloten bouwblokken zal laten vervallen (zie onder 15.3). 28.3.3. Uit de aanvullende onderzoeken volgt dat bebouwing tot 30 m hoogte geen onevenredige hinder uit een oogpunt van wind oplevert. Op de zitting heeft SRLEV dat beaamd. De windsituatie op maaiveld bij het kantoorgebouw van SRLEV zal na de nieuwbouw niet in relevante mate verslechteren. Voor zover hier zitgelegenheid is of komt, heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat de windsituatie dit gebruik niet in de weg staat. Daarbij is bij een kantoorgebouw niet aannemelijk dat dit een langdurig gebruik zal zijn. Wat betreft het parkeerdek van de parkeergarage bij het kantoorgebouw overweegt de Afdeling dat SRLEV niet aannemelijk heeft gemaakt dat hier onaanvaardbare windhinder ontstaat, mede omdat het hier geen verblijfsfunctie betreft en de garage lager is dan en deels beschut zal worden door de hogere woonbebouwing die op het plandeel "Woongebied" zal komen. 28.3.4. Uit de aanvullende onderzoeken volgt dat bebouwing tot 30 m hoogte een licht nadelig effect op de lagere verdiepingen van het kantoorgebouw heeft. Voor de zonlichttoetreding in een kantoorgebouw gelden geen wettelijke of buitenwettelijke normen. Het aantal van twee bezonningsuren, waar de raad van uitgaat, heeft betrekking op woningen. Wat betreft de beuken van het kantoorgebouw bevinden zich geen ramen aan de kopse kant. Het grootste effect van de nieuwbouw wat betreft zonlicht doet zich daar voor. De toetreding van zonlicht in de delen van de beuken met ramen wordt deels ook door de vormgeving van het eigen gebouw bepaald. De Afdeling heeft geen aanleiding om niet uit te gaan van de conclusie van ARUP in de aanvullende onderzoeken dat het extra bezonningseffect van de nieuwbouw slechts gering is. Enige mate van zonlichttoetreding zal behouden blijven. SRLEV heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan tot een onaanvaardbare situatie uit het oogpunt van bezonning van haar kantoorgebouw leidt. 28.3.5. Voor daglichttoetreding overweegt de Afdeling in gelijke zin. De nieuwbouw komt niet direct voor ramen van het kantoorgebouw te staan. Het effect op de daglichttoetreding zal daarom beperkt zijn. SRLEV heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet langer aan de norm voor daglichttoetreding kan worden voldaan. 28.4. De Afdeling overweegt verder dat omdat zich in de kopse kanten van de beuken geen ramen bevinden, uitzicht in de richting van het plangebied mogelijk is in zijdelingse richting. Dat uitzicht zal door de woonbebouwing veranderen. Verder zal het directe zicht op het plangebied vanuit de terugliggende gedeelten van het kantoorgebouw veranderen. Ook zal enige inkijk vanuit de nieuwe woningen in het kantoorgebouw niet uit te sluiten zijn. De Afdeling is evenwel van oordeel dat SRLEV niet aannemelijk heeft gemaakt dat het uitzicht vanuit haar kantoorgebouw ernstig zal verslechteren en de inkijk in het kantoorgebouw groot zal zijn. De feitelijke situatie brengt met zich dat in ieder geval enige afstand in acht zal worden genomen. Voor de beuken gaat het om zijdelings uitzicht en de terugliggende delen van het kantoorgebouw liggen op ongeveer 30 m van de plangrens. Daarbij heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat dichte bebouwing in een hoogstedelijk gebied verwacht kan worden. Evenmin bestaat recht op een blijvend vrij uitzicht. Het betoog slaagt niet. 28.5. Over de afstand van de mogelijke woonbebouwing tot de parkeergarage in verband met het aspect geur overweegt de Afdeling dat parkeergarages in de VNG-brochure zijn ingedeeld als categorie C. Deze dienen bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies te worden en een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur te hebben. De parkeergarage staat op of nabij de plangrens. Niet aannemelijk is dat de nieuwe woningen tegen de garage aan zullen worden gebouwd. Hierbij komt dat als wel van de richtafstanden in de VNG-brochure wordt uitgegaan, voor geur een afstand van 10 m wordt gegeven, die kan worden verlaagd tot 0 m in een gemengd gebied. Dat deze afstand indicatief is, zoals SRLEV betoogt, maakt nog niet dat de raad daar niet van zou kunnen uitgaan. Bovendien kan in het bouwplan met de aanwezigheid van de parkeergarage rekening worden gehouden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de mogelijke woonbebouwing binnen het plandeel "Woongebied" om reden van het aspect geur op een grotere afstand van de parkeergarage had moeten worden gelegd. Het betoog slaagt niet. 28.6. Wat betreft de gevolgen van de kantoorverlichting voor de nabij te bouwen woningen ziet de Afdeling geen aanleiding voor de verwachting dat aanzienlijke lichthinder zal ontstaan. Er gelden geen wettelijke normen. Mogelijk kunnen met medewerking van SRLEV enkele bronmaatregelen worden genomen. Maar wat daar ook van zij, de raad heeft enige mate van lichthinder aanvaardbaar kunnen achten in deze hoogstedelijke omgeving. De nieuwe bewoners weten bovendien onder welke omstandigheden zij kopen of huren en kunnen hun woningen van de kantoorverlichting afschermen. Ook wat betreft de verlichting van de parkeergarage en auto’s daarin kunnen met medewerking van SRLEV mogelijk bronmaatregelen worden getroffen om de lichtuitstraling te beperken. Daarnaast kan het bouwplan zodanig worden ingericht dat inschijnend licht zoveel mogelijk wordt voorkomen. Maar wat daar ook van zij, ook hier geldt dat de raad in deze hoogstedelijke omgeving enige mate van lichthinder aanvaardbaar heeft kunnen achten en dat de nieuwe bewoners weten onder welke omstandigheden zij kopen of huren. SRLEV heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het plan uit een oogpunt van lichtstraling tot een onaanvaardbare situatie in het plangebied leidt. Het betoog slaagt niet. Expeditiestraat Jaarbeurs 29. Jaarbeurs Holding en andere betogen dat in de plantoelichting ten onrechte de indruk wordt gewekt dat aan de zuidrand van het plangebied bij het gebied Beurskwartier 2 op gronden met de bestemming "Woongebied" een weg met groenstrook zal worden aangelegd. Deze gronden zijn echter eeuwigdurend aan Jaarbeurs Holding en andere in erfpacht uitgegeven en zijn als expeditiestraat essentieel voor onder meer logistieke activiteiten. 29.1. De Afdeling stelt voorop dat aan de visualisatie in de plantoelichting geen juridisch bindende betekenis toekomt. De raad heeft gesteld dat die wijze van invulling ook niet vaststaat. Bovendien ligt, anders dan Jaarbeurs Holding en andere mogelijk veronderstellen, de in de visualisatie ingetekende weg buiten het plangebied en dus niet op gronden met de bestemming "Woongebied". Zij kunnen dus het gebruik dat zij van die gronden maken, continueren en hoeven niet te vrezen dat daarop woningbouw met tuinen wordt gerealiseerd. Het betoog slaagt niet. Jaarbeursdoeleinden 30. Jaarbeurs Holding en andere voeren aan dat de raad er, gelet op gemaakte afspraken in (artikel 7.2 van) de Ontwikkelovereenkomst Jaarbeursterrein, ten onrechte niet in heeft voorzien dat alleen Jaarbeurs Holding en andere activiteiten die kwalificeren als Jaarbeursdoeleinden mogen verrichten. Ten onrechte zijn met ‘het verlenen van diensten’ en ‘andere publieksfuncties’ in artikel 5.2, eerste lid, onder c, van de planregels concurrerende functies mogelijk op een oppervlak van 15.000 m2. De raad handelt in dit opzicht in strijd met het vertrouwensbeginsel, zo betogen Jaarbeurs Holding en andere. 30.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij of zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. 30.2. De Ontwikkelovereenkomst is op 16 maart 2016 gesloten tussen de gemeente Utrecht en Jaarbeurs Holding B.V. en Jaarbeurs Vastgoed B.V. De overeenkomst is gesloten met het oog op een omvangrijke grondruil tussen Jaarbeurs Holding en andere en de gemeente en geeft de ambities van partijen weer. In de overeenkomst is neergelegd dat geen met de Jaarbeursdoeleinden concurrerende functies mogelijk worden gemaakt. In de overeenkomst is ook bepaald dat de overeenkomst de publiekrechtelijke taken, verplichtingen en verantwoordelijkheden van de gemeente onverlet laat. 30.3. De beantwoording van de vraag of Jaarbeurs Holding en andere aannemelijk hebben gemaakt dat met de Ontwikkelovereenkomst één of meer toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waar de raad aan is gebonden, kan in het midden blijven. In de begrippenlijst in bijlage 1 bij de planregels is bepaald dat dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van een dienst of van hulp aan een klant is, bijvoorbeeld door een kapper, een stomerij of wasserette, een pedicure, een bankfiliaal, een reisbureau of een uitzendbureau. Verder is in deze lijst bepaald dat een publieksfunctie een functie is die publiek aantrekt, zoals buurtvoorzieningen, horeca, cultuur of vermaak. Naar het oordeel van de Afdeling is hiermee en met de vermelde voorbeelden duidelijk dat niet wordt gedoeld op de in de overeenkomst gedefinieerde Jaarbeursdoeleinden die van andere aard zijn en een veel grootschaliger karakter hebben. De raad heeft dit op de zitting ook bevestigd. Het betoog slaagt niet. Warmte-koudeopslag 31. Jaarbeurs Holding en andere betogen dat de raad geen rekening heeft gehouden met bestaande bronnen voor warmte-koudeopslag (hierna: WKO) en daarvoor geen regeling in de planregels heeft opgenomen. Een door Jaarbeurs Holding en andere gebruikte WKO-bron strekt zich uit tot binnen de contour van het bestemmingsplan. Die WKO-bron onttrekt grondwater uit de ondergrond van het plangebied. 31.1. De raad is er in paragraaf 3.5.2.5 van de plantoelichting en in het verweerschrift van uitgegaan dat er binnen de contouren van het bestemmingsplan, dus ook in de nabijheid van het plangebied, geen bestaande WKO-bronnen liggen. Verder verwijst de raad naar regelgeving van andere bevoegde gezagen. 31.2. Uit wat Jaarbeurs Holding en andere hebben aangevoerd en wat STAB in het deskundigenbericht heeft gesteld, leidt de Afdeling af dat de raad niet heeft onderkend dat Jaarbeurs Holding en andere een bestaande WKO-bron hebben binnen de contouren van het bestemmingsplan. Bovendien is de raad niet ingegaan op de mogelijke gevolgen van het bestemmingsplan voor die bron. Het besluit van 25 november 2021 is in zoverre onzorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt. 31.3. Dit gebrek in het besluit kan evenwel in de einduitspraak met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. De Afdeling ziet aanleiding STAB te volgen in haar conclusie in het deskundigenbericht dat het niet aannemelijk is dat het oprichten van bebouwing in het plangebied zal leiden tot permanente effecten voor de WKO-bron van Jaarbeurs Holding en andere. De WKO-bron bevindt zich tussen 50 en 55 m beneden maaiveld. Tot een dergelijke diepte wordt in het algemeen niet geheid. De mogelijke bouw van ondergrondse parkeergarages voor deelauto’s is technisch zonder gevolgen voor de grondwaterstand mogelijk dan wel zou daarop alleen een tijdelijk effect hebben. Al vanwege dit tijdelijke effect hoeft naar het oordeel van de Afdeling, anders dan Jaarbeurs Holding en andere in hun reactie op het deskundigenbericht hebben aangevoerd, in de planregels niet te worden geborgd dat er bij de bouw van ondergrondse parkeergarages geen gevolgen voor de grondwaterstand zijn. Voor zover het Jaarbeurs Holding en andere gaat om mogelijke interferentie met nieuwe WKO-bronnen in het plangebied volgt de Afdeling STAB ook in haar deskundigenbericht dat voor nieuwe bodemenergiesystemen vergunningverlening nodig is waarbij interferentie met bestaande systemen kan worden voorkomen. Bouwwerkzaamheden 32. Jaarbeurs Holding en andere betogen dat ten onrechte niet is voorzien in regels om het voortdurende gebruik van het Jaarbeurscomplex te waarborgen tijdens de bouwwerkzaamheden, in termen van bereikbaarheid en bouwoverlast voor de bezoekers. Jaarbeurs Holding en andere gaan ervan uit dat de beleidsregels mede over de fasering van de ontwikkeling zouden gaan, maar dit is uiteindelijk niet teruggekomen in de planregels. 32.1. Het bestemmingsplan betreft de vaststelling van een ruimtelijke keuze. Wat Jaarbeurs Holding en andere hebben aangevoerd over overlast tijdens de bouwwerkzaamheden heeft geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3124, onder 7.2), maken uitvoeringsaspecten geen onderdeel uit van het besluitvormingsproces over de ruimtelijke keuze en hoeven deze daarom niet te worden betrokken bij de vaststelling van het plan. Ze zijn bij de beoordeling van het besluit tot het vaststellen van het bestemmingsplan dan ook niet onderwerp van toetsing door de Afdeling. De Afdeling ziet in wat Jaarbeurs Holding en andere naar voren hebben gebracht over de gevolgen van de bouwwerkzaamheden geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om tot een andere conclusie te komen. Ook ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in de planregels vastgelegd had moeten worden dat de beleidsregels over de fasering van de ontwikkeling gaan. Het op de zitting gedane beroep op de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS: