(2017)worden onder "andere stedelijke voorzieningen" als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro, onder meer verstaan accommodaties voor cultuur en leisure. Zie de overzichtsuitspraak over de Ladder voor duurzame verstedelijking, onder 6.
- Daarvan is in dit geval sprake, waarbij deze ontwikkelingen, gelet op het ruimtebeslag van in totaal meer dan 500 m2, voldoende substantieel zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. In het moederplan gold op het moment van vaststelling van het wijzigingsplan voor deze gronden grotendeels de bestemming "Agrarisch", zonder bouwvlak en zonder functieaanduidingen, en voor een klein deel de bestemming "Tuin". Op grond van de regels van het moederplan was op deze gronden beperkt bebouwing mogelijk. Gelet hierop voorziet het wijzigingsplan ten opzichte van het moederplan in een functiewijziging en in nieuw planologisch ruimtebeslag. Daarmee is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dat betekent dat het plan overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro een beschrijving moet bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling waarin het plan voorziet, en een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Hieraan is niet voldaan. De Afdeling geeft het college daarover mee dat de behoefte aan de ontwikkeling op deze locatie, anders dan het college kennelijk veronderstelt, ook kan worden ingegeven door kwalitatieve argumenten. Vergelijk de uitspraak van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:422, onder 7.
- Het betoog slaagt. 16.
- Gelet op het voorgaande heeft het college het plan vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De Afdeling beoordeelt hierna onder de eindconclusie van de uitspraak tot welk gevolg dit moet leiden. Aard en omvang kostendragers
- [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat ten onrechte niet is gemotiveerd dat de ontwikkeling van de acht woningen, winkel, horecavoorziening en zes recreatieverblijven noodzakelijk is voor de realisering van de beoogde natuur- en landschapsontwikkeling. Volgens hen is dan ook in strijd met artikel 41.9, aanhef en onder n, van de regels van het moederplan het noodzakelijk aantal woningen niet onderbouwd. Zij achten daarbij van belang dat de omvang van de economische dragers van de ontwikkeling volgens hen fors is ten opzichte van de beoogde natuur- en landschapsontwikkeling. Ook hebben de dijkwoningen volgens hen geen samenhang of verbinding met het beoogde natuurgoed. Zij vermoeden dan ook dat de ontwikkeling enkel economische motieven heeft en dat de natuur- en landschapsbelangen daaraan ondergeschikt zijn. 17.
- Het college stelt dat de woningen die met het wijzigingsplan worden toegestaan, de kostendragers zijn om het natuurgoed te kunnen realiseren. De initiatiefnemer heeft volgens het college een exploitatieberekening voorgelegd. Naar het oordeel van het gemeentebestuur staan de kostendragers in verhouding tot de kosten die gemaakt worden om het natuurgoed duurzaam te ontwikkelen. 17.
- Artikel 41.9 van de regels van het moederplan luidt: "Het bevoegd gezag kan de gronden ter plaatse van de aanduiding Wro-zone - wijzigingsgebied 2 wijzigen in de bestemmingen Wonen en Recreatie met in achtneming van de volgende regels: (…) c. er zijn ten hoogste 8 woningen toegestaan, waarvan 2 aan de dijk moeten worden gebouwd; (…) n. de economische uitvoerbaarheid moet gewaarborgd zijn, waarbij het noodzakelijk aantal woningen in relatie tot de exploitatie van het plan in een exploitatieplan is onderbouwd". (…)" 17.
- De Afdeling stelt voorop dat uit de wijzigingsvoorwaarden in het moederplan niet volgt dat de noodzaak voor een winkel, horecavoorziening en recreatief nachtverblijf moeten worden onderbouwd. Op grond van artikel 41.9, aanhef en onder n, van de regels van het moederplan, moet echter wel het noodzakelijk aantal woningen in relatie tot de exploitatie van het plan worden onderbouwd. Op de zitting heeft het college desgevraagd bevestigd dat met deze bepaling is beoogd te voorkomen dat er meer woningen worden gebouwd dan voor de exploitatie van het plan noodzakelijk is. Dat betekent dat het college moet onderbouwen dat de woningen die met het plan mogelijk worden gemaakt, alle acht noodzakelijk zijn voor de exploitatie van het beoogde natuurgoed. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college hieraan niet voldaan. Weliswaar heeft het college in bijlage 3 bij het verweerschrift een exploitatieberekening overgelegd, maar hierin zijn alleen grondtransacties opgenomen. Daaruit kan niet worden afgeleid wat de opbrengsten en de kosten van de natuurontwikkeling zijn, en dus ook niet of de acht woningen noodzakelijk zijn in relatie tot de exploitatie van het plan als bedoeld in artikel 41.9, aanhef en onder n, van de regels van het moederplan. Het betoog slaagt. 17.
- Het plan, voor zover het betreft de mogelijkheid voor realisering van acht woningen, is in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. De Afdeling beoordeelt hierna onder de eindconclusie van de uitspraak tot welk gevolg dit moet leiden. Ontbreken zekerstelling natuur- en landschapsontwikkeling
- [appellant sub 2] en anderen betogen dat de natuur- en landschapsontwikkeling in het plan onvoldoende is geborgd. Volgens hen bevat het beeldkwaliteitsplan waarnaar in de voorwaardelijke verplichtingen in artikelen 16.2.4 en 16.2.5 van de planregels wordt verwezen namelijk alleen algemene aanwijzingen. Een uitgewerkt inrichtingsplan, waarin nauwkeurig en volledig is aangegeven op welke wijze het plan wordt gerealiseerd, ontbreekt. Gelet hierop zijn de voorwaardelijke verplichtingen volgens hen te onbepaald en kan hierop niet worden gehandhaafd. Dat over de realisatie van het natuurgoed een anterieure overeenkomst is gesloten met de initiatiefnemer, zoals het college stelt, maakt dit volgens [appellant sub 2] en anderen niet anders. Nakoming van deze overeenkomst kan door hen namelijk niet worden afgedwongen. 18.
- Het college stelt zich op het standpunt dat met het plan voldoende geborgd is dat de beoogde natuur wordt gerealiseerd. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het de beoogde natuurontwikkeling niet helemaal heeft willen dichttimmeren, maar dat in het beeldkwaliteitsplan is beschreven en vastgelegd wat het college belangrijk vindt. 18.
- In artikel 16.2.4 van de planregels is een koppeling gemaakt tussen het in gebruik nemen van een bouwwerk voor verblijfsrecreatie of een polderwoning en de paragraaf Eco-akker in het beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in bijlage 1 bij de planregels. In artikel 16.2.5 van de planregels is een koppeling gemaakt tussen het gebruik of laten gebruiken van gronden en bouwwerken met de bestemming 'Recreatie - Natuur' en dat beeldkwaliteitsplan. 18.
- De Afdeling is het niet eens met [appellant sub 2] en anderen dat de artikelen 16.2.4 en 16.2.5 van de planregels te onbepaald zijn en hierop niet kan worden gehandhaafd omdat het beeldkwaliteitsplan onvoldoende concreet is. Weliswaar staan in het beeldkwaliteitsplan ambities en algemene beschrijvingen, maar hierin zijn ook concrete eisen opgenomen. Zo staat in de paragraaf ‘Eco-akkers’ onder meer dat de velden worden gebruikt om op een ecologische manier voedsel te telen, met eco-akkers in de open delen en een voedselbos bij opgaande beplanting. Verder staat onder ‘Beeldkwaliteitseisen’ onder meer dat sprake is van een afwisseling van opgaande en laagblijvende gewassen, waarbij de opzet van het coulisselandschap wordt gevolgd. Hieruit volgt naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk waaraan het plan moet voldoen. Het betoog slaagt niet. Financieel-economische uitvoerbaarheid
- [appellant sub 2] en anderen betogen dat de economische uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is aangetoond. Zo ontbreekt volgens hen een (samenvatting van een) exploitatieopzet, en ontbreekt inzicht in afspraken tussen de provincie, gemeente en initiatiefnemer over eigendomstransacties, de realisatie van openbare voorzieningen, en de financiële afspraken over onder andere kostenverhaal en planschade. Ook vragen zij zich af of de gronden, die volgens hen nog in eigendom zijn bij de provincie en gemeente, wel tegen de economische waarde worden verkocht aan de initiatiefnemer en, in het verlengde daarvan, of er geen sprake is van ongeoorloofde staatsteun. 19.
- Bij een beroep tegen een wijzigingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat wijzigingsplan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit als het college had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is. 19.
- Het college stelt dat met initiatiefnemer NATUUR een anterieure overeenkomst is gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het verhaal van plankosten, planschade en de aan- en verkoop van gronden. Het wettelijk verhaal van plankosten is daarmee anderszins verzekerd, aldus het college. Het college wijst in dit verband ook op de toelichting van de initiatiefnemer op de financiële uitvoerbaarheid, die is opgenomen in bijlage 3 bij het verweerschrift. Hierin staat dat er als onderdeel van de anterieure overeenkomst een door partijen onderbouwde exploitatieopzet ligt, die de haalbaarheid van de plannen voldoende aangeeft. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen redenen om aan te nemen dat het college desondanks had moeten inzien dat het plan om financieel-economische redenen op voorhand niet uitvoerbaar is. Op dit punt slaagt het betoog niet. 19.
- Voor zover [appellant sub 2] en anderen menen dat mogelijk sprake is van ongeoorloofde staatssteun, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] en anderen geen concurrenten zijn, en ook niet onderworpen zijn aan een heffing die integrerend deel uitmaakt van een steunmaatregel die in strijd is met de Europese regels over staatssteun. Hun belang is als omwonenden enkel gelegen in de bescherming van hun woon- en leefklimaat. Gelet hierop strekken de Europese regels over staatssteun naar het oordeel van de Afdeling niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 2] en anderen. Zie de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 11.
- Artikel 8:69a van de Awb staat er dan ook aan in de weg dat het bestreden besluit als gevolg van dit betoog wordt vernietigd. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking hiervan. Eindconclusie
- Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond.
- Vanwege het aantal en de aard van de geconstateerde gebreken ziet de Afdeling geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:51a van de Awb, de zogenoemde bestuurlijke lus. De Afdeling zal daarom hierna het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan vernietigen.
- De Afdeling ziet aanleiding het college op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening. Proceskosten
- Het college moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht van 17 mei 2022 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Natuurgoed Ziedewij"; III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening; IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van: a. € 1.750,00 aan [appellante sub 1], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en b. € 1.750,00 aan [appellant sub 2] en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan; V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van: a. € 184,00 aan [appellante sub 1], en b. € 184,00 aan [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. J.F. de Groot, leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier. w.g. Knol voorzitter w.g. Buskermolen griffier Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2024 BIJLAGE Bestemmingsplan "Zuidrand" (het moederplan) Artikel 1.47 - Bruto vloeroppervlak en Bedrijfsvloeroppervlak (BVO) De bruto vloeroppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten is de oppervlakte, gemeten op vloerniveau langs de buiten omtrek van de opgaande scheidingsconstructies die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen. De bruto vloeroppervlakte van een overdekt gebouw gebonden buitenruimte, die niet of slechts gedeeltelijk omsloten is en daarom geen vaste buiten begrenzing heeft, is gelijk aan de verticale projectie van het overdekkende bouwdeel, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Zie ook NEN
- Artikel 41.9 Het bevoegd gezag kan de gronden ter plaatse van de aanduiding Wro-zone - wijzigingsgebied 2 wijzigen in de bestemmingen Wonen en Recreatie met in achtneming van de volgende regels: (…) c. er zijn ten hoogste 8 woningen toegestaan, waarvan 2 aan de dijk moeten worden gebouwd; (…) i. bebouwing binnen dit gebied dient beperkt te blijven tot maximaal 10 volumes met een functie die in dienst staat van de functie recreatie. Te denken valt aan een theehuis, logement en informatiecentrum; j. de volumes hebben een maximum totaal grondoppervlakte van 2.600 m², elk volume krijgt een maximaal grondoppervlak van 400 m² en bestaat maximaal uit 1 bouwlaag; (…) n. de economische uitvoerbaarheid moet gewaarborgd zijn, waarbij het noodzakelijk aantal woningen in relatie tot de exploitatie van het plan in een exploitatieplan is onderbouwd; o. voldaan moet zijn aan de vereisten inzake de Flora- en faunawet, Wet geluidhinder, Wet luchtkwaliteit en archeologie en een vormvrije m.e.r.-beoordeling; (…) t. de provincie voorafgaand aan de wijziging om goedkeuring is gevraagd op grond van de provinciale Verordening Ruimte; (…) Bestemmingsplan "Natuurgoed Ziedewij" (het wijzigingsplan) Artikel 1.16 - overige begripsbepalingen Voor het overige blijven de begripsbepalingen behorende bij artikel 1 van het bestemmingsplan Zuidrand op dit plan, voor zover relevant, van toepassing, waarbij geldt dat indien de begrippen van het onderhavige wijzigingsplan strijdig zijn met de begrippen van het bestemmingsplan Zuidrand, de begrippen van het onderhavige wijzigingsplan gelden boven de betreffende begrippen waarmee sprake is van strijdigheid. Artikel 3.1 De voor 'Recreatie - Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de ontwikkeling en behoud van natuurwaarden; b. extensieve dagrecreatie, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'natuur' extensieve dagrecreatie niet is toegestaan; c. verblijfsrecreatie; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - logement', met dien verstande dat recreatief nachtverblijf door ten hoogste 50 personen zijn toegestaan; d. werkhof; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - werkhof'; e. recreatiehof; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - voorzieningen'; f. parkeren; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein'; (…) met daaraan ondergeschikt: (…). Artikel 3.3.1, aanhef en onder e Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan: (…) e. het gebruiken van gronden voor extensieve dagrecreatie ter plaatse van de aanduiding ‘natuur’. Artikel 3.3.2, aanhef en onder c Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - voorzieningen' is onder andere het volgende gebruik toegestaan: (…) detailhandel in de vorm van een winkel voor de verkoop van eigen land en streekproducten; (…). Artikel 4.2.1, onder b (…) b. het maximum aantal woningen bedraagt 2; (…) Artikel 5.2.1, aanhef en onder c (…) c. het maximum aantal woningen bedraagt 6; (…) Artikel 16.2.4 Het in gebruik nemen van een bouwwerk voor verblijfsrecreatie of een polderwoning is in overeenstemming met het bestemmingsplan wanneer tenminste 27.525m2 van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting - natuurontwikkeling' zijn ingericht met natuur, conform de paragraaf Eco-akker in het beeldkwaliteitsplan, zoals toegevoegd als Bijlage
- Artikel 16.2.5 Het gebruik of laten gebruiken van gronden en bouwwerken met de bestemming 'Recreatie - Natuur', is slechts toegestaan indien de benodigde landschappelijke inpassing van de gronden wordt gerealiseerd: a. overeenkomstig het beeldkwaliteitsplan, zoals toegevoegd als Bijlage 1; b. binnen 2 jaar nadat de omgevingsvergunning voor bouwen is verleend; c. de landschappelijke inpassing duurzaam in stand wordt gehouden. Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 3:46 Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Artikel 8:69a De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Wet ruimtelijke ordening Artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels: (…) c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels; (…). Besluit ruimtelijke ordening Artikel 1.1.1
- In dit besluit en de hierop rustende bepalingen wordt verstaan onder: (…) h. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, 1.
- detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen; (…). Artikel 3.1.6, tweede lid (…)
- De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Bijlage III behorende bij Richtlijn 2011/92/EU (PbEU 2012, L 26) (…)
- Kenmerken van de projecten De kenmerken van de projecten moeten in aanmerking worden genomen, en met name: a) de omvang van het project; b) de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; (…)
- Plaats van de projecten (…)
- Kenmerken van het potentiële effect (…) Wet milieubeheer, zoals luidde tot 1 januari 2024 Artikel 7.2
- Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. (…). Artikel 7.17
- Behoudens in het geval dat toepassing is gegeven aan artikel 7.16, vijfde lid, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. (…)
- Het bevoegd gezag neemt zijn beslissing op grond van de informatie, bedoeld in artikel 7.16, tweede en vierde lid, en houdt bij zijn beslissing rekening met: a. voor zover relevant de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van gevolgen voor het milieu; b. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn.
- In de motivering van zijn beslissing verwijst het bevoegd gezag in ieder geval: a. naar de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn. b. indien is beslist dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt, naar de kenmerken en maatregelen, bedoeld in 7.16, vierde lid, die aan deze beslissing ten grondslag hebben gelegen of mede ten grondslag hebben gelegen en, met het oog daarop, op welk moment de maatregelen gerealiseerd dienen te zijn. (…) Besluit milieueffectrapportage Artikel 2, vijfde lid (…)
- Voor zover in de bijlage, onderdeel C, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het maken van een milieueffectrapport in zodanige gevallen. Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt: a. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 en 7.20a van de wet in zodanige gevallen, en b. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de wet in overige gevallen, uitgezonderd de gevallen, bedoeld in de categorieën D 49.1, D 49.2 en D 49.3 van de bijlage bij dit besluit. (…) Bijlage behorend bij het Besluit milieueffectrapportage