← Nederland

ECLI:NL:RVS:2024:52

202307903/2/V

  1. Datum uitspraak: 10 januari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 29 november 2023 in zaak nr. 20/5524 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 12 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluiten van 15 juni 2020 en 15 december 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij tussenuitspraak van 24 juli 2023 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan die besluiten klevend gebrek te herstellen. Bij besluit van 4 september 2023 heeft de staatssecretaris de besluiten van 15 juni 2020 en 15 december 2022 aangevuld. Bij uitspraak van 29 november 2023 heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen de besluiten van 15 juni 2020, 15 december 2022 en 4 september 2023 ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen
  2. De staatssecretaris heeft de voorzieningenrechter verzocht de uitspraak van de rechtbank te schorsen, totdat de Afdeling op het verzoek om een voorlopige voorziening en/of het hoger beroep heeft beslist. Omdat de voor de beoordeling van het hoger beroep noodzakelijke stukken nog niet van de rechtbank zijn ontvangen en de termijn waarbinnen de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen op 10 januari 2024 afloopt, treft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel een voorlopige voorziening. Nadat de stukken zijn ontvangen, zal de voorzieningenrechter op het resterende deel van het verzoek beslissen.
  3. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: treft bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank, voordat de Afdeling op het resterende deel van het verzoekschrift heeft beslist. Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.W. de Lange, griffier. w.g. Van Gastel voorzieningenrechter w.g. De Lange griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2024 999

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.