ECLI:NL:RVS:2024:643
202205734/1/R1.
Datum uitspraak: 21 februari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Bergen (NH), appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 september 2022 in zaak nr. 22/1610 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH).
Procesverloop Bij besluit van 4 oktober 2021 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom van € 75.000,00 ineens gelast het gebruik van de dienstwoning aan de [locatie] te Bergen (NH; hierna het perceel) als burgerwoning binnen 26 weken na verzenddatum van dit besluit te staken en gestaakt te houden.
Bij besluit van 3 maart 2022 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover het bezwaar betrekking heeft op de begunstigingstermijn, de begunstigingstermijn vastgesteld op 52 weken na de verzenddatum van het besluit van 4 oktober 2021 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 september 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 maart 2022 vernietigd, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten en bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van 4 oktober 2021 en 3 maart 2022 geschorst tot zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft bij mondelinge uitspraak op 27 oktober 2022 bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 3 maart 2022 geheel in stand heeft gelaten, en het besluit van het college van 4 oktober 2021 worden geschorst totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep van [appellante] tegen die rechtbankuitspraak.
Parkhotel Bergen B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2023, waar [appellante], bijgestaan door mr. W.J.M. Loomans, advocaat in Hoorn (NH), en mr. J. Struiksma, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.M. de Boer, advocaat in Groningen, en G.I. Remo, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Parkhotel, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, als partij gehoord.
Overwegingen Overgangsrecht 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 4 oktober 2021 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding 2. [appellante] is sinds 15 december 2011 eigenares van de bovenwoning op het perceel en woont daar ook. De bovenwoning is gesitueerd in een pand van vier verdiepingen en beslaat de bovenste drie verdiepingen van dat pand. Op de begane grond onder de woning op het perceel, met het adres Breelaan 21, bevindt zich het restaurant "De Story Bistrobar" dat wordt geëxploiteerd door Parkhotel. Naast het perceel, op de hoek Breelaan en Stationsstraat, ligt het hotel "Parkhotel".
Wet- en regelgeving 6. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo luidt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]."
Artikel 12 van de planvoorschriften luidt: "1. De gronden met de bestemming "Horecabedrijven (H)" zijn bestemd voor de uitoefening van het horecabedrijf in daartoe blijkens hun aard en inrichting bestemde gebouwen, met dien verstande dat: […]
Het hoger beroep Had de rechtbank het onderzoek moeten heropenen?
7.1. Artikel 8:65 van de Awb luidt: "1. De bestuursrechter sluit het onderzoek ter zitting, wanneer hij van oordeel is dat het is voltooid.
Artikel 8:68 luidt: "1. Indien de bestuursrechter van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan hij het heropenen. De bestuursrechter bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet.
7.2. De rechtbank heeft in voetnoten bij de rechtsoverwegingen 8.1 en 13.1 van haar uitspraak verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022. In rechtsoverweging 8.1 gaat de rechtbank in op de vraag of sprake is van concreet zicht op legalisatie en in rechtsoverweging 13.1 heeft de rechtbank vastgesteld dat slechts bij bijzondere omstandigheden van een bestuursorgaan kan worden gevergd niet handhavend op te treden tegen een overtreding om de reden dat handhavend optreden onevenredig zou zijn. Vervolgens heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 8.1, 8.2 en 13.2 van haar uitspraak, los van de omstandigheden die speelden in de uitspraak van 24 augustus 2022, een op de zaak toegesneden overweging neergelegd over de vraag naar concreet zicht op legalisatie en de evenredigheid van het handhavend optreden. Gelet hierop valt niet in te zien waarom de rechtbank het onderzoek had moeten heropenen om [appellante] in de gelegenheid te stellen een reactie te geven op de Afdelingsuitspraak van 24 augustus 2022. Daarbij vindt de Afdeling van belang dat uit het proces-verbaal van het verhandelde op de zitting bij de rechtbank blijkt dat de rechtbank alle vragen heeft gesteld die zij nodig achtte over concreet zicht op legalisatie en de evenredigheid van het handhavend optreden. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling gehandeld in overeenstemming met artikel 8:65 van de Awb en was niet gehouden het onderzoek te heropenen op grond van artikel 8:68 van de Awb.
Het betoog faalt.
Bevoegdheid handhavend optreden 8. Vast staat dat [appellante] in strijd met artikel 12, derde lid, van de planvoorschriften in samenhang bezien met artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften en artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo zonder omgevingsvergunning de bovenwoning op het perceel gebruikt als burgerwoning. Het college was derhalve bevoegd handhavend op te treden.
Is er sprake van misbruik van recht?
9.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat van misbruik van recht geen sprake is. Voor het oordeel dat sprake is van oneigenlijk gebruik van het verzoek om handhaving bestaat geen aanleiding. Het algemeen belang is, zoals door het college is toegelicht in het besluit van 4 oktober 2021, gediend bij het beëindigen van de overtreding en het handhaven van het bestemmingsplan. Het college was derhalve, ook los van het verzoek om handhaving van Parkhotel, niet alleen bevoegd, maar gelet op het algemeen belang in beginsel ook verplicht om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de bovenwoning door [appellante]. De achtergrond van het verzoek om handhaving van Parkhotel noch de relatie tussen [appellante] en Parkhotel bieden grond voor het oordeel dat sprake zou zijn van misbruik van recht of oneigenlijk gebruik van het verzoek om handhaving. De rechtbank heeft terecht overwogen dat Parkhotel een legitiem belang bij handhaving heeft omdat het gebruik als burgerwoning van de bovenwoning belemmerend zou kunnen zijn voor Parkhotel. Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7290, onder 2.4.1. Dit betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit op dit punt in stand heeft mogen laten. Of er sprake is van bijzondere omstandigheden om van handhavend op te treden af te zien, zal de Afdeling hierna beoordelen.
Het betoog faalt.
Wanneer zijn er bijzondere omstandigheden om van handhavend optreden af te zien?
Bestaat er concreet zicht op legalisatie?
11.1. De rechtbank heeft onder verwijzing naar het besluit van 19 februari 2021 tot weigering van de gevraagde omgevingsvergunning, zoals in stand gelaten bij besluit op bezwaar van 1 oktober 2021, overwogen dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 september 2022 in zaak nr. 21/6266 het beroep van [appellante] tegen het besluit op bezwaar van 1 oktober 2021 ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft in haar uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2024:642, dat hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 23 september 2022 in zaak nr. 21/6266 vernietigd en het besluit op bezwaar van 1 oktober 2021 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. De Afdeling verwijst kortheidshalve naar haar uitspraak.
Het college heeft op de zitting toegelicht dat het niet bereid is mee te werken aan vergunningverlening voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de woning op het perceel. In beginsel volstaat het enkele feit dat het college niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om omgevingsvergunning te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat (volgens onder meer de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:609). Verder kan uit de vernietiging van het besluit op bezwaar van 1 oktober 2021 niet worden afgeleid dat de gevraagde vergunning had moeten worden verleend en er thans dus wel concreet zicht op legalisatie bestaat. Het besluit van 19 februari 2021, waarbij de gevraagde vergunning is geweigerd, is bovendien niet herroepen.
Onder deze omstandigheden bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste medewerking niet zal kunnen worden geweigerd.
Het betoog faalt in zoverre.
11.2. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2024:642, onder 10.1, over de geweigerde omgevingsvergunning heeft overwogen, is een zinvol gebruik overeenkomstig de bestemming objectief gezien nog mogelijk. Dit betekent dat aan de zogeheten toverformule als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de planvoorschriften geen toepassing mag worden gegeven door het college. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat in zoverre geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die aan handhavend optreden in de weg staat.
Het betoog faalt Is handhavend optreden onevenredig?
Ter onderbouwing van haar standpunt wijst [appellante] op het door haar overgelegde DGMR rapport. Ook wijst zij er op dat het college met handhavend optreden niet kan bereiken dat de bovenwoning conform het bestemmingsplan zal worden gebruikt. Het bestemmingsplan is oud en er is al tientallen jaren sprake van een ander gebruik van het perceel, zodat volgens [appellante] handhavend optreden achterwege moet blijven. Volgens [appellante] heeft handhavend optreden tot gevolg dat de bovenwoning als dienstwoning onverkoopbaar is. Tot slot stelt [appellante] dat haar niet valt te verwijten dat zij de bovenwoning in gebruik heeft als burgerwoning. Onder deze omstandigheden is het haar niet duidelijk waarom haar belangen moeten wijken voor het algemeen belang dat gediend is met handhaving en het belang van Parkhotel bij handhavend optreden.
12.1. De Afdeling zal bezien of de rechtbank de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit terecht in stand heeft gelaten.
De Afdeling begrijpt met de rechtbank dat de gevolgen van handhavend optreden voor [appellante] ingrijpend zijn, omdat handhaving zorgt voor een woonprobleem en mogelijk financieel verlies voor [appellante]. De rechtbank heeft echter terecht overwogen dat het college aan het algemeen belang om handhavend op te treden tegen een overtreding van het bestemmingsplan een zwaarder wegend belang mocht toekennen dan aan het belang van [appellante] bij het gebruik van de bovenwoning als burgerwoning in strijd met dat bestemmingsplan. De omstandigheid dat het gaat om een oud bestemmingsplan, betekent niet dat het college daarom het gebruik van de bovenwoning als burgerwoning in strijd met het bestemmingsplan had moeten staan.
Het bestemmingsplan is immers het voor dit perceel geldende bestemmingsplan. De Afdeling is verder van oordeel dat niet is gebleken dat de bovenwoning vanwege de bestemming van het perceel onverkoopbaar is of tot leegstand leidt. Zoals hiervoor onder 11.2 is overwogen, ziet de Afdeling met de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de woning niet meer overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat het voor risico van [appellante] is dat zij het aanbod van Parkhotel voor een andere woning en een niet onaanzienlijk aankoopbedrag voor het thans door haar als woning gebruikte panddeel heeft afgeslagen. Anders dan [appellante] stelt, blijkt uit de uitspraak van de rechtbank niet dat het college slechts oog heeft voor het private belang van Parkhotel.
Het college is immers gehouden om te reageren op een verzoek van een derde, in dit geval Parkhotel, die aankaart dat sprake is van een illegale situatie. Daarbij is van belang dat het college, ook los van het verzoek van Parkhotel om handhavend op te treden, bevoegd en zelfs verplicht is handhavend op te treden tegen overtredingen van het bestemmingsplan.
De rechtbank heeft verder in het tijdverloop tussen de aankoop van de bovenwoning op het perceel door [appellante] en het opleggen van de last onder dwangsom geen omstandigheid hoeven zien om te oordelen dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat het gebruik van de bovenwoning als burgerwoning in strijd met het bestemmingsplan pas een rol ging spelen door de uitbreidingsplannen van Parkhotel en het door Parkhotel gedane verzoek om handhaving. Dat Parkhotel volgens [appellante] niet van plan is haar uitbreidingsplannen door te zetten, wat daar ook van zij, maakt ook niet dat het college het gebruik in strijd met het bestemmingsplan moet toestaan.
Verder kan uit de omstandigheden dat de bovenwoning als hebbende een woonfunctie is geregistreerd in de Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) en als burgerwoning wordt belast, in de splitsingsakte is opgenomen dat [appellante] de woning alleen mag gebruiken voor privédoeleinden en de makelaar de woning als burgerwoning heeft verkocht, niet worden afgeleid dat aan andere regelgeving, zoals het bestemmingsplan waarmee het gebruik als burgerwoning in strijd is, niet voldaan hoeft te worden. Bovendien had [appellante] zich bij de aankoop van de bovenwoning op de hoogte kunnen stellen van de inhoud van het bestemmingsplan. Dan was haar ook gebleken dat het panddeel waarin zich de door haar aan te kopen bovenwoning bevond geen woonbestemming had. Dat zij dat niet heeft gedaan en de makelaar haar onjuist zou hebben geïnformeerd, wat daar ook van zij, behoort voor haar rekening en risico te blijven en geeft geen grond voor het oordeel dat zij door handhaving onevenredig in haar belangen wordt geschaad.
De stelling van [appellante] dat Parkhotel noch andere horecabedrijven door het gebruik van de bovenwoning als burgerwoning worden belemmerd in hun bedrijfsuitoefening en niemand van dat gebruik overlast ervaart, betekent evenmin dat het college van handhavend optreden had moeten afzien. Nog daargelaten de juistheid van die stelling, mocht het college, zoals hiervoor al is overwogen, een zwaarder wegend belang toekennen aan handhaving van het bestemmingsplan.
Tot slot ziet de Afdeling in het handelen van de gemeente in deze zaak als ook in de wijze waarop het college met [appellante] heeft gecommuniceerd geen aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden onevenredig is.
Onder deze omstandigheden en het algemeen belang bij een adequate handhaving van bestemmingsplannen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college van optreden had moeten afzien. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank daarom terecht de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand heeft gelaten.
Het betoog faalt.
13.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom mocht aansluiten bij het beleid over de permanente bewoning van recreatiewoningen in strijd met het bestemmingsplan. In het geval van [appellante] gaat het weliswaar niet om permanente bewoning van een recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan, maar het gaat wel om met het bestemmingsplan strijdige bewoning van een dienstwoning als burgerwoning. Anders dan [appellante] stelt, blijkt uit het beleid hoe tot een bedrag van € 75.000,00 is gekomen. De Afdeling is van oordeel dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Daarbij betrekt de Afdeling dat in het beleid wordt uitgegaan van een gemiddelde illegale bewoning van 5 jaar, terwijl vast staat dat [appellante] de woning langer dan vijf jaar in gebruik heeft als burgerwoning. Het voorgaande betekent dat de rechtbank ook op dit punt terecht de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit op bezwaar van 3 maart 2023 in stand heeft gelaten.
Het betoog faalt.
Conclusie 14. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening met terugwerkende kracht het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veere van 4 oktober 2021, kenmerk UI21/00710, tot 16 weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier. w.g. Kuijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Montagne griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2024 374