(2)ten laste is (geweest) van haar halfzus of bij haar heeft ingewoond. Dit volgt uit artikel 3, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn, omgezet in artikel 8.7, derde lid, aanhef en onder a, en artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder f, van het Vb
- De Verblijfsrichtlijn geeft aan een ‘ander familielid’ van een Unieburger alleen het recht dat haar binnenkomst en verblijf wordt ‘vergemakkelijkt’. De staatssecretaris heeft dus een discretionaire bevoegdheid om aanvullende vereisten te stellen. In het Vb 2000 is hun positie echter gelijkgesteld aan de positie van familieleden die rechtstreeks een verblijfsrecht aan de richtlijn kunnen ontlenen. Zie ook het arrest van het Hof van 5 september 2012, Rahman, ECLI:EU:C:2012:519, punt 21, en de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2837, onder 5.2.
- 1.
- In deze uitspraak oordeelt de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling ten onrechte heeft afgewezen. Anders dan de rechtbank, oordeelt zij dat de vreemdeling binnen de werkingssfeer van de Verblijfsrichtlijn valt en dat zij een verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 7, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn, omgezet in artikel 8.12, eerste lid, van het Vb
- Hieronder wordt toegelicht hoe de Afdeling tot dit oordeel komt. 1.
- Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. De besluiten van de staatssecretaris en zijn standpunt in beroep
- In het besluit van 14 april 2020 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om een afgeleid verblijfsrecht te verkrijgen, afgewezen, omdat zij niet ten laste komt van haar halfzus. Hij motiveert dit standpunt met de vaststelling dat referente minderjarig is en geen eigen inkomsten heeft. Volgens de staatssecretaris kan referente de vreemdeling dus niet materieel ondersteunen, zodat niet is voldaan aan het vereiste dat zij in het land van herkomst ten laste is geweest van de Unieburger. In het besluit op bezwaar van 17 september 2020 heeft de staatssecretaris daaraan toegevoegd dat de vreemdeling ook niet in een land van herkomst bij haar halfzus heeft ingewoond, zodat het ook niet mogelijk is om op die gronden een verblijfsrecht te verkrijgen. Tot slot heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat het arrest Zhu en Chen niet van toepassing is. Een beroep op dit arrest kan volgens hem daarom niet tot een ander besluit leiden.
- In beroep heeft de staatssecretaris zich aanvullend op het standpunt gesteld dat de Verblijfsrichtlijn niet van toepassing is, omdat de vreemdeling zich al voor de komst van de Unieburger zonder rechtmatig verblijf in Nederland bevond. Volgens hem kunnen alleen familieleden die het verblijf van de Unieburger faciliteren door zich na haar aankomst in de gastlidstaat bij haar te voegen een verblijfsrecht aan de richtlijn ontlenen en zijn de rechten daarin niet bedoeld om onrechtmatig verblijf te legaliseren. Het oordeel van de rechtbank
- De rechtbank heeft geoordeeld dat de vreemdeling niet voldoet aan de letterlijke bewoordingen van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrichtlijn, omdat zij nooit in Spanje ten laste is geweest van of inwoonde bij haar halfzus. Zij stelt echter ook vast dat de vreemdeling en haar halfzus tot hetzelfde gezin en huishouden behoren en daarom van elkaar afhankelijk zijn. Omdat zij beiden nog minderjarig zijn, zal de weigering van een verblijfsrecht ertoe leiden dat het hele gezin naar Brazilië moet vertrekken. Hierdoor wordt ook haar halfzus die Unieburger is, gedwongen om het grondgebied van de EU te verlaten, waardoor haar het effectieve genot van haar Unierechtelijke verblijfsrecht in Nederland wordt ontzegd en het nuttig effect van de Verblijfsrichtlijn wordt doorkruist. De staatssecretaris heeft dit niet onderkend en daarom heeft de rechtbank het besluit van 7 september 2021 vernietigd. Hoger beroep
- De enige grief van de staatssecretaris valt uiteen in twee delen. In de overwegingen die hieronder volgen, wordt de bespreking van de grief van de staatssecretaris opgesplitst in deze twee delen. Naast een toelichting op het primaire en het subsidiaire betoog van de staatssecretaris worden eerst het standpunt van de vreemdeling en daarna het oordeel van de Afdeling weergegeven. De uitspraak eindigt met een conclusie en een bespreking van de implicaties van deze uitspraak. Is de Verblijfsrichtlijn van toepassing? Het betoog van partijen
- In het eerste deel van zijn grief betoogt de staatssecretaris dat de Verblijfsrichtlijn alleen van toepassing is op situaties waarin een familielid met een Unieburger meereist om het verblijf in de gastlidstaat te faciliteren. De situatie waarin het familielid al sinds jaren zonder verblijfsrecht in Nederland verblijft, is volgens de staatssecretaris fundamenteel anders. De aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland staat namelijk los van het al dan niet kunnen effectueren van de rechten van vrij verkeer en verblijf van haar halfzus, met wie zij bovendien nooit in gezinsverband heeft samengeleefd. Volgens de staatssecretaris is de Verblijfsrichtlijn niet bedoeld om via deze weg het onrechtmatig verblijf van de vreemdeling te legaliseren. Hij betoogt dat de rechtbank hier ten onrechte aan voorbij is gegaan. 6.
- De vreemdeling weerspreekt dat de Verblijfsrichtlijn alleen van toepassing is wanneer het familielid met de Unieburger de gastlidstaat inreist. In punt 6 van de considerans van deze richtlijn, waar de rechtbank ook naar verwijst, wordt namelijk een recht van inreis én verblijf genoemd. Volgens de vreemdeling is de Verblijfsrichtlijn wel op haar van toepassing. Oordeel van de Afdeling
- In haar uitspraak is de rechtbank niet ingegaan op het betoog van de staatssecretaris dat de Verblijfsrichtlijn niet bedoeld is om onrechtmatig verblijf te legaliseren en daarom niet van toepassing is op de vreemdeling. De Afdeling zal daarom zelf toetsen of dit standpunt tot een ander oordeel zou hebben geleid. 7.
- Artikel 7, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn, omgezet in artikel 8.12, eerste lid, van het Vb 2000, waaruit het afgeleide verblijfsrecht voor familieleden van een Unieburger voortvloeit, bevat geen vereiste over de verblijfplaats van het familielid in de periode voordat zij zich bij de Unieburger voegde. Waar de vreemdeling heeft verbleven voordat zij zich bij de Unieburger voegde, is daarom irrelevant voor de vraag of zij een verblijfsrecht aan de Verblijfsrichtlijn kan ontlenen. Het afgeleide verblijfsrecht is namelijk bedoeld om de uitoefening door de halfzus van haar rechten van vrij verkeer en verblijf te faciliteren. Als haar familieleden zich niet bij haar mogen voegen, dan zou zij ervan weerhouden kunnen worden om van deze rechten gebruik te (blijven) maken. Dit ontmoedigende effect is niet afhankelijk van de vraag wanneer die familieleden zijn ingereisd of waar zij verbleven voordat zij zich bij haar voegden. De Afdeling verwijst hiervoor naar het arrest van het Hof van 25 juli 2008, Metock, ECLI:EU:C:2008:449, met name de punten 51, 62, 90 en
- Ter vergelijking verwijst de Afdeling ook naar haar uitspraak van 31 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1272, onder 7.
- De rechtbank heeft daarom terecht getoetst of de vreemdeling op grond van de Verblijfsrichtlijn voor een verblijfsrecht in aanmerking komt. 7.
- De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank zijn betoog over de toepasselijkheid van de richtlijn niet heeft besproken. Uit het voorgaande volgt echter dat dit betoog niet tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Daarom slaagt dit deel van de grief niet. Is de vreemdeling een familielid van de Unieburger als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrichtlijn? Het betoog van partijen
- Het tweede deel van de grief van de staatssecretaris richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vreemdeling weliswaar niet voldoet aan de voorwaarden die artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrichtlijn stelt, maar dat het nuttig effect van deze richtlijn vereist dat toch een verblijfsrecht moet worden toegekend. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de weigering van een verblijfsrecht aan de vreemdeling betekent dat het hele gezin het grondgebied van de Europese Unie moet verlaten, waardoor aan haar halfzus het effectief genot wordt ontzegd van haar Unierechtelijke verblijfsrecht. De hiervoor benodigde afhankelijkheid bestaat volgens hem alleen in een situatie waarin de derdelander daadwerkelijk voor de Unieburger zorgt, zoals in het arrest Zhu en Chen, of wanneer de Unieburger voor de derdelander zorgt, zoals in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrichtlijn, omgezet in artikel 8.7, derde lid, aanhef en onder a, van het Vb
- Omdat de vreemdeling en haar halfzus allebei minderjarig zijn en geen zorg voor elkaar dragen, wordt volgens de staatssecretaris niet aan deze vereisten voldaan. Dat zij tot hetzelfde gezin behoren, levert hooguit een indirecte afhankelijkheid op en dat is volgens de staatssecretaris niet voldoende om op grond van het nuttig effect van de Verblijfsrichtlijn voor een afgeleid verblijfsrecht in aanmerking te komen. 8.
- De vreemdeling stelt zich, anders dan de rechtbank en de staatssecretaris, op het standpunt dat ze wel voldoet aan de voorwaarden om op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrichtlijn, artikel 8.7, derde lid, aanhef en onder a, en artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder f, van het Vb 2000 een verblijfsrecht te verkrijgen. Zij beroept zich onder meer op het arrest van het Hof van 15 september 2022, SRS en AA, ECLI:EU:C:2022:
- Oordeel van de Afdeling
- De vraag of de weigering van een verblijfsrecht aan de vreemdeling ertoe zou leiden dat haar halfzus, die zoals gezegd Unieburger is, het grondgebied van de Europese Unie moet verlaten, is voor de beoordeling van het besluit in deze zaak niet bepalend. Dat criterium geldt voor de toepassing van artikel 20 van het VWEU in situaties waarin de Unieburger geen gebruik heeft gemaakt van haar rechten van vrij verkeer en verblijf. De Afdeling verwijst hiervoor naar het arrest van het Hof van 10 oktober 2013, Alokpa, ECLI:EU:C:2013:645, punten 29 tot en met
- In de zaak die de Afdeling nu moet beoordelen heeft de Unieburger wel van deze rechten gebruikgemaakt, omdat zij zich als Spaans onderdaan in Nederland gevestigd heeft. Het recht hiertoe ontleent ze aan de Verblijfsrichtlijn, waardoor deze richtlijn ook het relevante kader is voor het verblijfsrecht van haar familieleden. Dit blijkt ook uit de toekenning van een verblijfsrecht aan de ouders van de halfzus op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, en artikel 3, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn en artikel 8.7, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder c, van het Vb
- 9.
- De toekenning van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrichtlijn, omgezet in artikel 8.7, derde lid, van het Vb 2000, vereist dat de vreemdeling