(1977)Report" en de de Duitse VDI-richtlijn "Emissionskennwerte technischer Schallquellen Sport- und Freizeitanlagen". De Afdeling is van oordeel dat het college hiermee is uitgegaan van betrouwbare publicaties om de geluidsproductie, veroorzaakt door stemgeluid, in kaart te brengen. Voor het rijden van de personenauto’s van personeel bij de zuidelijke inrit en ouders/verzorgers ten noorden van het perceel is een equivalente bronsterkte van 90 dB(A) aangehouden. Voor de 9-persoons bus van [appellante] is rekening gehouden met een bronsterkte van 95 dB(A) op het noordelijke deel van het terrein. Voor het bepalen van de maximale geluidsniveaus is rekening gehouden met een maximale bronsterkte van 97 dB(A) vanwege het dichtslaan van autoportieren. De Afdeling is van oordeel dat hiermee is uitgegaan van gangbare bronsterkten. Op de zitting heeft het college toegelicht waarom de geluidsuitstraling van de kinderopvang is berekend en niet ter plaatse is gemeten. Dit is gebeurd, omdat [appellante] ten tijde van het akoestisch onderzoek nog onvoldoende representatieve activiteiten verrichtte die betrouwbare metingen mogelijk maakten. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich mogen baseren op berekeningen. Hierbij is van belang dat de methode zoals neergelegd in de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai" is toegepast. In deze handleiding is het uitgangspunt dat niet hoeft te worden gemeten, maar dat de geluidsuitstraling ook mag worden berekend. 6.
- In het akoestisch onderzoek is verder geconcludeerd dat zowel in de dag- als avondperiode bij de woning op het perceel [locatie 2] niet kan worden voldaan aan de richtwaarden voor het maximaal geluidniveau in stap 3 van de toetsingssytematiek in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, uitgaande van een rustige woonwijk. De overschrijding in de dagperiode bedraagt 8 dB(A) ter plaatse van [locatie 2]. In de avondperiode is de overschrijding 9 dB(A). Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt overschreden met 1dB(A). [appellante] trekt in twijfel of voor de avondperiode is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie, maar de Afdeling stelt vast dat zij dit niet doet voor de dagperiode. Ook al zou [appellante] terecht betogen dat het geluidwerend scherm niet nodig is voor de avondperiode, laat dit naar het oordeel van de Afdeling onverlet dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het college op basis van het akoestisch onderzoek het scherm noodzakelijk heeft kunnen achten om in de dagperiode een goed akoestisch klimaat te realiseren. 6.
- Over het betoog van [appellante] dat het bepaalde in artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder i, van het Activiteitenbesluit Milieubeheer, ertoe leidt dat stemgeluid van kinderen buiten beschouwing kan worden gelaten, overweegt de Afdeling dat in een planologische afweging, zoals hier aan de orde, mogelijke geluidhinder voor omwonenden, ook indien dit hinder betreft door menselijk stemgeluid, moet worden betrokken. Artikel 2.18, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, leidt er dus niet toe dat voor de geluidsuitstraling van de kinderopvang van lagere geluidsniveaus kan worden uitgegaan dan de geluidsniveaus die zijn berekend in het akoestisch onderzoek. 6.
- De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat wat [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om te oordelen dat geen zorgvuldig akoestisch onderzoek is verricht of dat van verkeerde uitgangspunten is uitgegaan. Het college heeft daarom een geluidsscherm met een lengte van 16,95 m nodig kunnen achten. Conclusie
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] tegen het besluit van het college van 30 september 2020 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigen voor zover daaraan vergunningvoorschrift B2b is verbonden. Artikel 8:72, derde lid, van de Awb
- Op de zitting is gebleken dat partijen geen bezwaren hebben tegen aanpassing van de tekst van het vergunningvoorschrift inhoudende dat een lengte wordt voorgeschreven van 16,95 m in plaats van 40 m. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zal de Afdeling zelf een voorschrift aan de vergunning verbinden De uitspraak treedt in zoverre in de plaats van het besluit van 30 september 2020 voor zover dit wordt vernietigd. Proceskosten
- Het college moet de proceskosten van [appellante] vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 september 2021 in zaak nr. 20/3153; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oldambt van 30 september 2020, voor zover daaraan vergunningvoorschrift B2b is verbonden; V. verbindt aan het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oldambt van 30 september 2020 het volgende voorschrift B2b: "Uiterlijk eind maart 2021 moet een geluidwerend scherm zijn gerealiseerd langs de perceelsgrens aan de zijde van [locatie 2]. Het scherm moet 16,95 meter lang worden en twee meter hoog, en beschikken over voldoende akoestische geluidwering, zoals bedoeld in het akoestisch rapport 6381/NAA/hw/ft/1."; VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 30 september 2020, voor zover dat is vernietigd; VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.500,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oldambt aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 457,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, griffier. w.g. Van Breda lid van de enkelvoudige kamer w.g. Priem griffier Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2024 646