202306696/1/R1. Datum uitspraak: 16 april 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Oene, gemeente Epe, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 september 2023 in zaken nrs. 22/114 en 22/5212 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Epe. Procesverloop Bij besluit van 19 juli 2021 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning eerste fase te verlenen voor het in afwijking van het bestemmingsplan realiseren van een schuur op het perceel [locatie A] in Oene (hierna: het perceel). Bij besluit van 6 december 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de omgevingsvergunning alsnog verleend. Bij besluit van 21 augustus 2022 heeft het college een omgevingsvergunning tweede fase verleend voor het bouwen van een schuur op het perceel. Tegen het besluit van 21 augustus 2022 heeft [belanghebbende] bezwaar gemaakt en het college verzocht om op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Het college heeft hiermee ingestemd en heeft het bezwaarschrift doorgezonden aan de rechtbank. Bij uitspraak van 19 september 2023 heeft de rechtbank de door [belanghebbende] ingestelde beroepen tegen de besluiten van 6 december 2021 en 21 augustus 2022 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en het college opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 29 november 2023 heeft het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 19 juli 2021 ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning fase twee geweigerd. [appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 29 november 2023. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2025, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door P. Pasveer en mr. M. van Beek, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat in Bodegraven, als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 29 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. [appellant] woont op het perceel en gebruikt dat voor zijn agrarisch hobbybedrijf. Op het perceel geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Epe" (hierna: het bestemmingsplan). Het perceel heeft onder meer de bestemming "Agrarisch" met de specifieke bouwaanduiding "bestaand erf." Op het perceel staan gebouwen die worden gebruikt voor het agrarische hobbybedrijf. Ook staat daarop een schuur die [appellant] anders dan voor het agrarisch hobbybedrijf zou gebruiken en die hij aanduidt als privéschuur (hierna: privéschuur). Op 29 mei 2021 heeft [appellant] een omgevingsvergunning eerste fase aangevraagd om in afwijking van het bestemmingsplan een schuur voor de opslag van hooi en landbouwwerktuigen te realiseren op het perceel. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd, omdat de gewenste schuur in strijd is met het bestemmingsplan en het college niet bereid is daarvan af te wijken. Het college heeft zich bij het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat de schuur in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Volgens het college wordt bij realisering van die schuur voldaan aan artikel 3.2.1, aanhef en onder c, van de planregels, dat betrekking heeft op de maximale totale oppervlakte aan gebouwen. De oppervlakte van de aanwezige privéschuur moet volgens het college niet worden meegenomen in de berekening van de totale oppervlakte aan gebouwen, omdat de hiervoor genoemde planregel alleen betrekking heeft op bedrijfsgebouwen. Op 22 juli 2022 heeft [appellant] een aanvraag voor een omgevingsvergunning tweede fase voor het bouwen van de schuur ingediend. Het college heeft deze omgevingsvergunning verleend. [belanghebbende] woont aan de [locatie B] in Oene. Hij is het niet eens met het besluit op bezwaar van het college en heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar en het besluit van 21 augustus 2022 beoordeeld alsof het één besluit betreft. De rechtbank heeft overwogen dat met de realisering van de gewenste schuur de totale oppervlakte aan gebouwen meer bedraagt dan op grond van artikel 3.2.1 van de planregels is toegestaan. De oppervlakte van alle gebouwen op het perceel moet volgens de rechtbank meegenomen worden in de berekening van de totale oppervlakte aan gebouwen als bedoeld in die planregel. Tussen partijen is niet in geschil dat als de oppervlakte van de privéschuur wordt meegenomen in de berekening van de totale oppervlakte aan gebouwen op het perceel, de totale oppervlakte meer dan 15% groter is dan de oppervlakte aan gebouwen op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. In dat geval is de schuur, waarvoor het college omgevingsvergunningen heeft verleend, in strijd met artikel 3.2.1, aanhef en onder c, van de planregels. Het hoger beroep Is de schuur in strijd met artikel 3.2.1, aanhef en onder c, van de planregels? 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat met de realisering van de gewenste schuur in strijd wordt gehandeld met artikel 3.2.1, aanhef en onder c, van de planregels. Ter onderbouwing daarvan voert [appellant] aan dat de privéschuur niet meegenomen moet worden in de berekening van de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op het perceel. Uit de zinsnede dat het bepaalde onder c geldt in aanvulling op het bepaalde onder b blijkt volgens hem dat met het woord ‘gebouwen’ onder c uitsluitend ‘bedrijfsgebouwen’, zoals genoemd onder b, worden bedoeld. Met de uitleg die de rechtbank aan de planregel geeft, worden hem rechten ontnomen. [appellant] wijst verder op de plansystematiek. Volgens hem heeft de rechtbank tot slot ten onrechte betekenis toegekend aan de plantoelichting. 3.1. Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.