ECLI:NL:RVS:2025:1771
202304467/1/V1.
Datum uitspraak: 18 april 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 juni 2023, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 19 juni 2023, in zaak nr. NL23.6311 in het geding tussen: [betrokkene], en de minister.
Procesverloop Referent heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen.
Bij uitspraak van 16 juni 2023, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 19 juni 2023, heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, bepaald dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen bekendmaakt en aan referent een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00. De rechtbank heeft de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 627,75.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Referent, vertegenwoordigd door mr. S. Thelosen, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluiten van 9 oktober 2023 heeft de staatssecretaris de aanvragen afgewezen.
Referent heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen Hoger beroep van de minister 1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvragen van 11 augustus 2022. Dat heeft zij bij de besluiten van 9 oktober 2023 wel gedaan. Hoewel de minister in beginsel desondanks belang heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep wegens het al dan niet verbeuren van de door de rechtbank opgelegde dwangsom, heeft zij dat in dit geval niet, omdat referent in zijn schriftelijke uiteenzetting uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn recht op de mogelijk verbeurde dwangsom. Wat de minister in de eerste en tweede grief aanvoert over het moment van aanvang en de lengte van de beslistermijn, schept daarom geen belang voor het beoordelen van haar hoger beroep.
Beroep van rechtswege 4. De besluiten van 9 oktober 2023 worden, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Bij de besluiten van 9 oktober 2023 heeft de minister de mvv-aanvragen van referent afgewezen. Referent heeft bij brief van 20 oktober 2023 laten weten het niet eens te zijn met deze besluiten, maar heeft hiertegen, hoewel de Afdeling hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, geen beroepsgronden ingediend bij de Afdeling.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 juni 2023, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 19 juni 2023, in zaak nr. NL23.6311, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 627,75;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij referent in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. verwijst het beroep van rechtswege tegen de besluiten van 9 oktober 2023, V-[…] en V-[…], ter behandeling als bezwaar naar de minister van Asiel en Migratie.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier. w.g. De Poorter lid van de enkelvoudige kamer w.g. De Keizer griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2025 574-1095