← Nederland

ECLI:NL:RVS:2025:1971

202006510/1/R

  1. Datum uitspraak: 30 april 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:
  2. [appellante sub 1], gevestigd te Groenekan, gemeente De Bilt, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 1]),
  3. [appellante sub 2], wonend te De Bilt,
  4. [appellanten sub 3], beiden wonend te Utrecht,
  5. [appellanten sub 4], beiden wonend te Bilthoven, gemeente De Bilt (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]),
  6. [appellanten sub 5], beiden wonend te Utrecht (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]),
  7. Kanaaldijk Helmond B.V., gevestigd te Nieuwegein, en anderen,
  8. [appellant sub 7], wonend te Utrecht,
  9. [appellant sub 8], wonend te Groenekan, gemeente De Bilt,
  10. Ocean Outdoor Nederland B.V., gevestigd te Breda,
  11. V.O.F. Partycentrum-Restaurant "Boerderij Mereveld", gevestigd te Utrecht, waarvan de vennoten zijn [vennoot A], gevestigd te Houten, en [vennoot B], gevestigd te Bunnik (hierna: Boerderij Mereveld),
  12. [appellant sub 11], wonend te De Bilt,
  13. [appellanten sub 12], beiden wonend te Utrecht,
  14. [appellant sub 13], wonend te Utrecht,
  15. [appellant sub 14] en anderen, allen wonend te Houten,
  16. [appellanten sub 15], beiden wonend te Groenekan, gemeente De Bilt (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 15]),
  17. [appellanten sub 16], beiden wonend te Utrecht (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 16]),
  18. [appellante sub 17], gevestigd te De Bilt,
  19. Stichting Groenekans Landschap, gevestigd te Groenekan, gemeente De Bilt,
  20. Stichting Milieuzorg Zeist en omstreken, gevestigd te Zeist (hierna: Stichting Milieuzorg Zeist),
  21. [appellante sub 20], gevestigd te Groenekan, gemeente De Bilt, waarvan de vennoten zijn [vennoot C] en [vennoot D], beiden wonend te Groenekan, gemeente De Bilt (hierna: [vennoot C]),
  22. [appellant sub 21], wonend te Utrecht,
  23. [appellant sub 22] en anderen, allen wonend te Utrecht,
  24. Milieu- en natuurvereniging FAMINA, gevestigd te Zeist, en [appellant sub 23B], wonend te Zeist,
  25. Vereniging Leefmilieu, gevestigd te Nijmegen, en anderen,
  26. [appellant sub 25], wonend te Utrecht,
  27. [appellant sub 26], wonend te Groenekan, gemeente De Bilt,
  28. Stal van Brenk B.V. en [appellant sub 27B], gevestigd respectievelijk wonend te Groenekan, gemeente De Bilt,
  29. [appellant sub 28], wonend te Utrecht,
  30. [appellant sub 29], wonend te Utrecht, appellanten, en de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 17 november 2020 heeft de minister het tracébesluit "A27/A12 Ring Utrecht 2020" (hierna: het tracébesluit 2020) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben appellanten, met uitzondering van Stal van Brenk en [appellant sub 27B], [appellant sub 28] en [appellant sub 29], beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: STAB-advies). Een aantal partijen heeft naar aanleiding van het STAB-advies een zienswijze naar voren gebracht. Bij besluit van 13 juli 2022 heeft de minister het tracébesluit "A27/A12 Ring Utrecht 2022" (hierna: het tracébesluit 2022) vastgesteld. Een aantal appellanten heeft naar aanleiding van het tracébesluit 2022 een zienswijze naar voren gebracht. Stal van Brenk en [appellant sub 27B], [appellant sub 28] en [appellant sub 29] hebben tegen het tracébesluit 2022 beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 19, 20 en 21 november 2024, waar een aantal appellanten is verschenen of zich heeft laten vertegenwoordigen. Ook de minister heeft zich laten vertegenwoordigen. Overwegingen SAMENVATTING
  31. Het project A27/A12 Ring Utrecht maakt een verbreding mogelijk van de A27 tussen de aansluiting Houten en de aansluiting Bilthoven, een verbreding van de A28 tussen de aansluiting Waterlinieweg en de Vollenhoventunnel en een verbreding van de parallelrijbanen van de A12 tussen knooppunt Oudenrijn en knooppunt Lunetten.
  32. In deze uitspraak beoordeelt de Afdeling de beroepen gericht tegen de besluiten van de minister tot vaststelling van de tracébesluiten 2020 en
  33. Het tracébesluit 2022 wijzigt het tracébesluit 2020 op onderdelen. De reden daarvoor is dat aan het tracébesluit 2020 een passende beoordeling ten grondslag ligt die is gebaseerd op een 5 km-rekengrens in de stikstofberekeningen. Een dergelijke rekengrens geeft, gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling, geen volledig beeld van de gevolgen van het tracébesluit voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Om die reden heeft de minister nieuwe stikstofberekeningen laten uitvoeren waarbij is uitgegaan van een 25 km-rekengrens. Dit heeft geleid tot een nieuwe passende beoordeling en wijzigingen in het tracébesluit die zijn opgenomen in het tracébesluit
  34. In de uitspraak oordeelt de Afdeling voor een deel van de appellanten dat het beroep niet-ontvankelijk is. De reden daarvoor is dat deze appellanten geen beroep hebben ingesteld tegen de eerdere tracébesluiten voor het project A27/A12 Ring Utrecht.
  35. Van de ontvankelijke appellanten is een groot deel van de beroepen ongegrond. Zo slagen onder meer niet de betogen die betrekking hebben op de mogelijke alternatieven en varianten voor het tracé. De Afdeling beoordeelt in deze uitspraak, aan de hand van de beroepsgronden, uitsluitend of de door de minister gemaakte keuzes berusten op voldoende kennis over de relevante feiten en belangen, of die keuzes deugdelijk zijn gemotiveerd en of de nadelige gevolgen van het tracébesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. De Afdeling acht op basis van de stukken die in deze procedure zijn ingebracht de door de minister gemaakte keuzes voor het tracé, waaronder de wegverbreding ter hoogte van het landgoed Amelisweerd, voldoende onderbouwd. Hoewel de Afdeling begrip heeft voor de wens van een groot aantal appellanten om landgoed Amelisweerd onaangetast te laten, is het niet aan de Afdeling om te bepalen hoe het tracé het beste kan worden vormgegeven. Die keuze is aan de minister. De in het besluit gemaakte keuzes tussen verschillende alternatieven en varianten van het tracé zijn voor een groot deel gebaseerd op beleidsmatige en politieke afwegingen. Daar kan de Afdeling niet in treden. De Afdeling kan en mag haar eigen oordeel namelijk niet in de plaats stellen van dat van de minister, aan wie bij de te maken afwegingen beleids- en beoordelingsruimte toekomt. Hierbij merkt de Afdeling ook nog op dat zij in deze uitspraak niet inhoudelijk ingaat op het nieuwe regioalternatief, ook wel ARU genoemd, dat eind 2023 door de gemeente en provincie Utrecht is gepresenteerd. De reden hiervoor is dat dit alternatief pas bekend is geworden na de vaststelling van de bestreden tracébesluiten, terwijl de Afdeling die besluiten moet toetsen op basis van de feiten zoals die zich voordeden en het recht zoals dat gold op het moment van het nemen van die besluiten. In zoverre kwam ARU dan ook te laat. Voor zover in het maatschappelijk debat naar voren komt dat, bijvoorbeeld naar aanleiding van het nieuwe regioalternatief, andere keuzes (hadden) moeten worden gemaakt, is het aan bijvoorbeeld de Staten-Generaal om de minister over de gemaakte keuzes ter verantwoording te roepen.
  36. Gegrond zijn de beroepen van Vereniging Leefmilieu en anderen, Stichting Milieuzorg Zeist en van twee natuurlijke personen.
  37. De gegronde beroepen van Vereniging Leefmilieu en anderen en Stichting Milieuzorg Zeist hebben betrekking op de bescherming van Natura 2000-gebieden. De Afdeling heeft in deze uitspraak geoordeeld dat nog verschillende gebreken kleven aan de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het tracébesluit 2022, en de ADC-toets. De Afdeling zal de minister in deze uitspraak de gelegenheid geven om die gebreken te herstellen. Voor Vereniging Leefmilieu en anderen en Stichting Milieuzorg Zeist vormt deze uitspraak om die reden een zogenoemde tussenuitspraak. 6.
  38. Allereerst heeft de Afdeling naar aanleiding van het beroep van Vereniging Leefmilieu en anderen geoordeeld dat de toegepaste externe saldering nog ontoereikend is onderbouwd. Dit licht de Afdeling als volgt toe. De minister heeft op basis van de passende beoordeling die is opgesteld voor het tracébesluit 2022 geconcludeerd dat het project mogelijk bij een aantal Natura 2000-gebieden kan leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden. Om die reden heeft de minister in het tracébesluit 2022 de (gedeeltelijke) beëindiging van een aantal agrarische bedrijven ingezet als zogenoemde mitigerende maatregel. Dit houdt in dat de toename aan stikstofdepositie die het project A27/A12 Ring Utrecht tot gevolg heeft op een Natura 2000-gebied wordt weggestreept tegen de afname van de stikstofdepositie op datzelfde Natura 2000-gebied door het (gedeeltelijk) beëindigde agrarische bedrijf. Dit wordt ook wel extern salderen genoemd. Om extern salderen te kunnen inzetten als mitigerende maatregel gelden verschillende voorwaarden. Nog niet is gebleken dat aan al deze voorwaarden wordt voldaan. De minister dient in het kader van deze voorwaarden de volgende gebreken te herstellen: - bij de inzet van extern salderen als mitigerende maatregel moet worden voldaan aan het zogenoemde additionaliteitsvereiste. Dit betekent dat moet worden onderbouwd dat de (gedeeltelijke) beëindiging van de ingezette agrarische bedrijven niet nodig is voor het behoud van de gunstige staat van instandhouding van de natuurwaarden in de betrokken Natura 2000-gebieden (artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn) en ook niet nodig is om verslechteringen of verstoringen die significante effecten kunnen hebben op de natuurwaarden in de betrokken Natura 2000-gebieden te voorkomen (artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn). De onderbouwing die de minister in dit kader heeft aangeleverd is op dit moment nog niet toereikend; - ook heeft de minister in het tracébesluit 2022 niet toereikend geborgd dat de intrekkingsbesluiten waaruit blijkt dat het depositiesaldo van de (gedeeltelijk) te beëindigen agrarische bedrijven wordt ingetrokken om het project A27/A12 Ring Utrecht mogelijk te maken, zijn genomen op het moment dat wordt gestart met de realisatie van de met het project A27/A12 Ring Utrecht onlosmakelijk verbonden bouw- en aanlegactiviteiten. De Afdeling heeft in deze uitspraak onder 219 en 220 vermeld op welke wijze de minister deze gebreken kan herstellen. 6.
  39. Verder heeft de Afdeling naar aanleiding van de beroepen van Vereniging Leefmilieu en anderen en Stichting Milieuzorg Zeist in het kader van de ADC-toets geoordeeld dat de minister de effectiviteit van de compenserende maatregelen voor de habitattypen oude eikenbossen (H9190) en zandverstuivingen en stuifzandheiden met struikhei (H2330 en H2310) niet deugdelijk heeft onderbouwd. De Afdeling heeft onder 221 vermeld op welke wijze de minister dit gebrek kan herstellen.
  40. Tot slot is deze uitspraak ook voor twee natuurlijke personen een tussenuitspraak. De minister dient ook voor deze twee natuurlijke personen gebreken te herstellen. Dat gaat over het ten onrechte in het tracébesluit 2020 opnemen van een watergang over een perceel bij Rijnsweerd en het ten onrechte opnemen van een gedeelte van een perceel voor een werkterrein bij de Universiteitsweg, terwijl is gebleken dat dat niet nodig is voor het realiseren van het project A27/A12 Ring Utrecht. De Afdeling heeft onder 222 en onder 223 aangegeven op welke wijze de minister deze gebreken kan herstellen. INHOUDSOPGAVE
  41. Hieronder zal de Afdeling de beroepsgronden die zijn gericht tegen het tracébesluit 2020 en het tracébesluit 2022 eerst per onderwerp bespreken. De Afdeling kiest voor een bespreking per onderwerp, omdat in de beroepsgronden deels dezelfde onderwerpen aan de orde komen. Daarna volgt een bespreking van de overige beroepsgronden die uitsluitend op de situatie van een of meer appellanten betrekking hebben. Een en ander volgt ook uit de hierna opgenomen inhoudsopgave. De getallen tussen haakjes verwijzen naar het nummer van de overweging waar het desbetreffende onderwerp begint. Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

(9)Inleiding
(10)Het doel en de begrenzing van het tracébesluit 2020
(12)De appellanten
(15)Goede procesorde, nieuwe beroepsgronden en inlassen stukken
(16)Toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet
(19)Ontbreken van een nieuw ontwerptracébesluit
(20)Ontvankelijkheid
(22)- [appellant sub 4]
(23)- [appellant sub 25]
(24)- [appellant sub 7]
(25)- Milieu- en natuurvereniging FAMINA en [appellant sub 23B]
(26)- [appellant sub 22] en anderen
(27)- [appellant sub 14] en anderen
(28)- [appellant sub 21]
(30)- Stichting Groenekans Landschap
(31)- [appellant sub 26]
(32)- Stal van Brenk en [appellant sub 27B]
(33)- [appellant sub 29]
(34)- [appellant sub 28]
(35)Het belang waarvoor appellanten in beroep komen
(36)- [appellant sub 26] en Stal van Brenk en [appellant sub 27B]
(37)- [appellant sub 13]
(38)- [appellanten sub 12]
(39)- [appellant sub 5]
(40)- [appellanten sub 3]
(41)- Stichting Milieuzorg Zeist
(43)Procedureel MER-procedure
(44)Nut en noodzaak
(46)- De onderbouwing van de minister over het nut en de noodzaak van de tracébesluiten 2020 en 2022
(46)- De beroepsgronden over het nut en de noodzaak van de tracébesluiten 2020 en 2022
(51)Alternatieven en varianten
(52)- Het nieuwe regioalternatief
(53)- Geen wegaanpassingen
(54)- Wegverbreding oostzijde van de A27 grenzend aan het landgoed Amelisweerd
(59)- Overig
(61)Natura 2000
(62)- Toetsings- en beoordelingskader
(62)- Te bespreken beroepsgronden over de passende beoordeling
(63)- Stikstofdepositieberekeningen
(67)- Algemene uitgangspunten ecologische beoordeling
(68)- Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek
(70)- Extern salderen
(71)- Ecologische beoordeling na de inzet van extern salderen
(86)- ADC-toets
(90)Natuurnetwerk Nederland en houtopstand
(101)- Regels over het NNN
(102)- Gevolgen voor ecologische verbindingen en ecopassages
(104)- Stikstofdepositie
(105)- Geluid
(106)- Amelisweerd
(107)- Compensatielocaties
(111)- Beroepsgronden tegen het tracébesluit 2022 over het NNN
(113)- Houtopstand buiten het NNN
(116)Soortenbescherming
(120)- Toetsingskader en mogelijkheid ontheffing algemeen
(121)- Ingetrokken en niet te bespreken beroepsgronden
(124)- Vleermuizen
(126)- Vogels
(127)- Kamsalamander
(128)- Grote modderkruiper
(129)- Ecopassage "Wildsche Hoek"
(130)Landschappelijke en cultuurhistorische waarden
(131)Toepassen schermwand ter hoogte van Amelisweerd
(133)- Inleiding
(133)- Grondwatermodel
(135)- Technische haalbaarheid van het toepassen van een schermwand
(138)- Gevolgen vanwege het toepassen van een schermwand
(139)Watercompensatie
(145)(Overige) individuele beroepsgronden
(146)- [appellanten sub 3]
(146)- Boerderij Mereveld
(151)- [appellant sub 21]
(158)- Vereniging Leefmilieu en anderen en Stichting Milieuzorg Zeist
(164)- [vennoot C], [appellant sub 16] en [appellant sub 15]
(168)- [appellant sub 5]
(179)- Stichting Groenekans Landschap en [appellant sub 8]
(187)- [appellanten sub 12]
(194)- [appellante sub 1]
(195)- [appellant sub 11]
(197)- [appellante sub 2]
(203)- [appellante sub 17]
(207)- [appellant sub 14] en anderen
(208)- Kanaaldijk Helmond B.V. en anderen en Ocean Outdoor Nederland B.V.
(210)Conclusie
(218)- Tussenuitspraak
(218)- Einduitspraak
(226). OVERGANGSRECHT INWERKINGTREDING OMGEVINGSWET
  1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een ontwerptracébesluit ter inzage is gelegd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.44, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het tracébesluit onherroepelijk wordt. Het ontwerptracébesluit is op 10 mei 2016 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het oude recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. INLEIDING
  2. De voorbereidingen voor het project "A27/A12 Ring Utrecht" zijn in 2008 gestart met de Startnotitie Ring Utrecht. Nadat verschillende alternatieven en varianten zijn onderzocht, is in 2016 een ontwerptracébesluit ter inzage gelegd dat op 8 december 2016 is vastgesteld (hierna: het tracébesluit 2016). Op 28 juni 2018 is het tracébesluit "A27/A12 Ring Utrecht 2018" vastgesteld, waarin het tracébesluit 2016 op enkele onderdelen gewijzigd is vastgesteld. De Afdeling heeft deze twee besluiten in haar uitspraak van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2466, vernietigd. Het tracébesluit 2016 was namelijk gebaseerd op de passende beoordeling die voor het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) was gemaakt. Dit is op grond van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, niet mogelijk, omdat met de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden die in het PAS zijn opgenomen niet zullen worden aangetast. De Afdeling heeft daarom het tracébesluit 2016 wegens strijd met artikel 13, zevende en negende lid, van de Tracéwet, gelezen in samenhang met artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 vernietigd. Vanwege de onderlinge samenhang is ook het tracébesluit 2018 in die uitspraak vernietigd.
  3. Bij besluit van 17 november 2020 heeft de minister het tracébesluit 2020 vastgesteld. Dit tracébesluit is in vergelijking met de tracébesluiten 2016 en 2018 op verschillende onderdelen gewijzigd. Hieraan voorafgaand is niet opnieuw afdeling 3.4 van de Awb toegepast. Het tracébesluit 2020 is gebaseerd op het ontwerptracébesluit uit
  4. Ten behoeve van het tracébesluit 2020 is een passende beoordeling opgesteld, waarin de stikstofdeposities zijn berekend van het wegverkeer dat rijdt binnen 5 km van (rekenpunten in) Natura 2000-gebieden. Nadat het tracébesluit 2020 is vastgesteld heeft de Afdeling op 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:105, tussenuitspraak gedaan in de zaak over het tracébesluit "A15/A12 Ressen-Oudbroeken (ViA15)" (hierna: de eerste tussenuitspraak over het tracébesluit ViA15). In deze tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat ontoereikend is gemotiveerd dat met het hanteren van een 5 km-rekengrens in de stikstofberekeningen, volledige, precieze en definitieve constateringen en conclusies kunnen worden verkregen die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van het tracébesluit voor de betrokken Natura 2000-gebieden kunnen wegnemen. Naar aanleiding van deze tussenuitspraak heeft de minister ten behoeve van het tracébesluit voor de A27/A12 Ring Utrecht nieuwe stikstofdepositieberekeningen verricht, waarin is uitgegaan van een maximale rekenafstand van 25 km in plaats van de rekengrens van 5 km die in het tracébesluit 2020 was gehanteerd. De onderzoekresultaten zijn neergelegd in een nieuwe passende beoordeling. In deze passende beoordeling zijn nieuwe mitigerende maatregelen betrokken en is de omvang van de compenserende maatregelen opnieuw bepaald. Dit is vertaald in het tracébesluit
  5. Het tracébesluit 2022 maakt, gelet op artikel 6:19 van de Awb, van rechtswege onderdeel uit van deze procedure. HET DOEL EN DE BEGRENZING VAN HET TRACÉBESLUIT 2020
  6. In de toelichting op het tracébesluit 2020 staat dat Utrecht de draaischijf is in het Nederlandse netwerk van snelwegen. De snelwegen A2 aan de westzijde, de A12 aan de zuidzijde en de A27 en A28 aan de oostzijde van de stad Utrecht vormen samen met de Noordelijke Randweg Utrecht ‘de Ring Utrecht’. Vanwege de centrale ligging van Utrecht is er op de Ring Utrecht sprake van veel verkeer, zowel regionaal als doorgaand verkeer. Grote verkeersaantallen in combinatie met veel wevend en kruisend verkeer leiden volgens de toelichting bijna dagelijks tot files op de Ring Utrecht. Daarbij wordt in de toelichting gewezen op het ingewikkelde verkeerssysteem met drie grote knooppunten met veel op- en afritten en met veel weefvakken die een grote kans geven op (flank)ongevallen en leiden tot vertragingen als gevolg van de weefbewegingen. Dit heeft volgens de toelichting gevolgen voor de bereikbaarheid van de gehele regio. Het tracébesluit beoogt een robuuste en toekomstvaste oplossing te genereren voor de problemen op het gebied van bereikbaarheid en doorstroming, door het ontvlechten en verbreden van wegvakken op de Ring Utrecht. Het project heeft daarbij een meerledige doelstelling: enerzijds de doorstroming op de Ring Utrecht te laten voldoen aan de streefwaarden uit de Nota Mobiliteit op een verkeersveilige manier en anderzijds de kwaliteit van de leefomgeving gelijk te houden en waar mogelijk te verbeteren.
  7. Het tracébesluit 2020 omvat de volgende wegvakken: - de A27 tussen de aansluiting Houten en aansluiting Bilthoven; - de A28 tussen de aansluiting Waterlinieweg en de Vollenhoventunnel; - de A12 tussen de knooppunten Oudenrijn en Lunetten. Binnen het projectgebied liggen drie grote knooppunten van snelwegen: knooppunt Rijnsweerd (A27/A28), knooppunt Lunetten (A27/A12) en gedeeltelijk knooppunt Oudenrijn (A12/A2).
  8. Het tracébesluit 2020 voorziet op hoofdlijnen in de volgende wegaanpassingen: - ontvlechting en verbreding van het wegvak tussen de knooppunten Rijnsweerd en Lunetten; - reconstructie van het knooppunt Rijnsweerd, waarbij onder meer de ‘Varkensbocht’ zal vervallen en lange ruime fly-overs de verbinding tussen het zuiden en het oosten zullen verzorgen; - aanpassing van de aansluiting A28 Utrecht-Science Park om goed aan te sluiten op de nieuwe parallel liggende rijbanen; - verbreding van de parallelrijbanen van de A12 ten zuiden van Utrecht van twee naar drie rijstroken; - verbreding van de A27 tot aan Utrecht-Noord; - ombouw van de huidige spitsstrook tussen Utrecht-Noord en Bilthoven tot reguliere rijstrook. DE APPELLANTEN
  9. Appellanten zijn bewoner en/of eigenaar van een bedrijf in de omgeving van het tracé. Zij verzetten zich tegen de voorziene verbreding van de A27 vanwege de negatieve gevolgen die dit tot volgens hen heeft voor hun woon- en leefklimaat en/of hun bedrijfsvoering. Daarnaast hebben ook verschillende verenigingen en stichtingen beroep ingesteld. Zij richten zich met name op de gevolgen van het tracébesluit voor de natuur- en landschapswaarden. GOEDE PROCESORDE, NIEUWE BEROEPSGRONDEN EN INLASSEN STUKKEN
  10. In artikel 8:58, eerste lid, van de Awb is bepaald dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Dit betekent echter niet dat stukken die meer dan tien dagen voor de zitting zijn ingediend, zonder meer worden toegelaten tot de procedure. De vraag of stukken worden toegelaten tot de procedure wordt mede bepaald door de goede procesorde. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:844, overwegingen 5.1 tot en met 5.4, kunnen stukken, hoewel die meer dan tien dagen voor de zitting zijn ingediend, wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten. Dat is het geval als het nadere stuk zo laat wordt ingediend en/of zodanig complex of omvangrijk is, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren, de Afdeling wordt belemmerd in haar voorbereiding van de zitting of de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere wijze wordt belemmerd. 16.
  11. In dit geval ziet de Afdeling aanleiding de volgende stukken wegens strijd met de goede procesorde niet toe te laten tot de procedure: - het nadere stuk met bijlagen van Vereniging Leefmilieu en anderen van 16 oktober
  12. Het deel van dit nadere stuk dat betrekking heeft op het zogenoemde additionaliteitsvereiste bij extern salderen laat de Afdeling wel toe tot de procedure. Dat licht de Afdeling hieronder onder 16.2 nader toe; - het nadere stuk met bijlagen van de minister van 24 oktober 2024; - het nadere stuk met bijlage van Stichting Milieuzorg Zeist van 1 november 2024; - het nader stuk met bijlagen van Vereniging Leefmilieu en anderen van 7 november 2024; - het nader stuk met bijlage van de minister van 8 november 2024; - het nadere stuk van [appellanten sub 12] van 8 november 2024; - het nadere stuk met bijlage van [appellanten sub 12] van 18 november
  13. Deze stukken laat de Afdeling buiten beschouwing, omdat de stukken te omvangrijk en/of te complex zijn en, mede gelet op het tijdstip waarop de stukken zijn ingediend, tot gevolg hebben dat andere partijen worden belemmerd om daar adequaat op te reageren en ook de Afdeling wordt belemmerd in haar voorbereiding van de zitting. Bij het oordeel om de genoemde stukken buiten beschouwing te laten, heeft de Afdeling van belang geacht dat zij partijen al bij brief van 22 februari 2024 heeft medegedeeld dat wordt gestart met de voorbereiding van de zaak. In deze brief zijn partijen opgeroepen eventuele nadere informatie die nodig is voor de voorbereiding van de zaak aan de Afdeling mede te delen. Ook heeft de Afdeling partijen ruim voor de zitting, namelijk op 31 mei 2024, medegedeeld wanneer de zitting zal plaatsvinden. Ook in die brief heeft de Afdeling partijen erop gewezen dat nadere stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing kunnen worden gelaten, ook indien stukken vóór de tiende dag voor de zitting zijn ingediend. 16.
  14. Vereniging Leefmilieu en anderen hebben de Afdeling verzocht het nadere stuk van de minister van 7 oktober 2024, welk stuk betrekking heeft op het zogenoemde additionaliteitsvereiste bij extern salderen, ook wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Daarvoor ziet de Afdeling echter geen aanleiding. Het nadere stuk van de minister van 7 oktober 2024 is eerder ingediend dan de hiervoor onder 16.1 genoemde stukken. Niet gebleken is dat appellanten zijn belemmerd in hun mogelijkheden om daar adequaat op te reageren. Daarbij wijst de Afdeling er ook op dat Vereniging Leefmilieu en anderen inhoudelijk hebben gereageerd bij brief van 16 oktober
  15. Zoals hiervoor onder 16.1 is overwogen, laat de Afdeling dit nadere stuk van Vereniging Leefmilieu en anderen toe tot de procedure, voor zover dat stuk een reactie bevat op het nadere stuk van de minister van 7 oktober 2024 over het zogenoemde additionaliteitsvereiste. Daarnaast is ook niet gebleken dat het nadere stuk van 7 oktober 2024, anders dan de hiervoor onder 16.1 genoemde stukken, al eerder had kunnen worden ingediend. Ter toelichting vermeldt de Afdeling dat de minister naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Afdeling van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:951, over het tracébesluit "A12/A15 Ressen-Oudbroeken
(2021)" (hierna: de derde tussenuitspraak voor het project ViA15), waarin de Afdeling in dat tracébesluit een gebrek heeft geconstateerd ten aanzien van extern salderen en het additionaliteitsvereiste, voor zowel het project ViA15 als voor het project A27/A12 Ring Utrecht een nadere onderbouwing heeft opgesteld over de invulling van het additionaliteitsvereiste. Daarmee was enige tijd gemoeid, waarbij de minister, gezien de opdracht in de derde tussenuitspraak voor het project ViA15, bij het opstellen van de onderbouwing voorrang heeft gegeven aan het project ViA
  1. Op het moment dat die onderbouwing gereed was en ook door de Afdeling toereikend was bevonden in haar uitspraak van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981 (hierna: de einduitspraak over het tracébesluit ViA15), heeft de minister korte tijd daarna bij brief van 7 oktober 2024 een nadere onderbouwing aangeleverd over het additionaliteitsvereiste voor het project A27/A12 Ring Utrecht. In dit verband merkt de Afdeling verder nog op dat ook Stichting Milieuzorg Zeist in haar nadere stuk van 1 november 2024 onder meer heeft gereageerd op de door de minister op 7 oktober 2024 aangeleverde onderbouwing over het additionaliteitsvereiste. Onder 16.1 is overwogen dat de Afdeling het nadere stuk van Stichting Milieuzorg Zeist van 1 november 2024 wegens strijd met de goede procesorde volledig buiten beschouwing laat. De Afdeling heeft hierbij, anders dan voor Vereniging Leefmilieu en anderen, geen uitzondering gemaakt voor het onderdeel van het nadere stuk van Stichting Milieuzorg Zeist dat betrekking heeft op het additionaliteitsvereiste. De reden hiervoor is dat Stichting Milieuzorg Zeist binnen de beroepstermijn van het tracébesluit 2022, waarin extern salderen is toegepast, geen beroepsgronden naar voren heeft gebracht over het additionaliteitsvereiste. Het bepaalde in artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd, verzet zich daartegen. Hierbij verwijst de Afdeling ook naar onderstaande overweging 19, waar de Afdeling nader ingaat op de toepassing van artikel 1.6a van de Chw.
  2. In dit verband overweegt de Afdeling verder dat verschillende appellanten naast de hiervoor genoemde stukken die wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten, ook in andere stukken, dan wel op de zitting, buiten de beroepstermijn nieuwe beroepsgronden hebben aangevoerd. Zoals hiervoor onder 16.2 is overwogen en ook hierna onder 19 zal worden overwogen, verzet artikel 1.6a van de Chw zich daartegen. Nieuwe beroepsgronden die na de beroepstermijn naar voren zijn gebracht bespreekt de Afdeling in deze uitspraak daarom niet.
  3. Verder overweegt de Afdeling dat enkele appellanten in algemene zin hebben gesteld dat eerdere stukken die zij over het tracé A27/A12 Ring Utrecht naar voren hebben gebracht, moeten worden ingelast, zoals de in 2016 naar voren gebrachte zienswijze over het ontwerptracébesluit. De Afdeling gaat in deze uitspraak niet in op ingelaste zienswijzen en daarbij horende stukken, indien een appellant niet heeft aangegeven op welke punten de weerlegging van die zienswijze in de Nota van Antwoord, onjuist is. TOEPASSELIJKHEID VAN DE CRISIS- EN HERSTELWET
  4. Op een tracébesluit waarbij een rijksweg wordt aangepast, is afdeling 2 van de Chw van toepassing. Dit volgt uit artikel 1.1 van de Chw, gelezen in samenhang met bijlage I, categorie 5.1, van de Chw. Artikel 1.6a van de Chw, dat is opgenomen in afdeling 2 van de Chw, luidt dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. De Afdeling zal in deze uitspraak om die reden beroepsgronden die na afloop van de beroepstermijn zijn aangevoerd niet inhoudelijk bespreken. Daar is de Afdeling hiervoor onder 16.2 en 17 ook op ingegaan. De Afdeling overweegt in dit verband dat geen aanleiding bestaat artikel 1.6a van de Chw wegens strijd met het in artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus neergelegde recht op toegang tot de rechter buiten toepassing te laten, zoals Vereniging Leefmilieu en anderen betogen. De Afdeling verwijst hierbij naar haar uitspraak van 17 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4217, overweging 2.7 en verder, waarin zij al eerder heeft overwogen geen grond te zien voor het oordeel dat artikel 1.6a van de Chw buiten toepassing moet blijven vanwege strijd met artikel 9, tweede en derde lid, van het Verdrag van Aarhus. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding hier nu anders over te oordelen. Ook volgt de Afdeling [appellanten sub 12] niet in de opvatting dat de Chw in dit geval niet van toepassing is. De betogen van [appellanten sub 12] in dit kader gaan vooral over de vraag of na de vernietiging door de Afdeling van de vorige tracébesluiten 2016 en 2018 opnieuw mogelijkheden hadden moeten worden geboden voor het naar voren brengen van een zienswijze. Daar gaat de Afdeling hieronder onder 20 en verder nader op in. ONTBREKEN VAN EEN NIEUW ONTWERPTRACÉBESLUIT
  5. Zoals hiervoor onder 11 is overwogen, is voorafgaand aan de vaststelling van het tracébesluit 2020 niet opnieuw afdeling 3.4 van de Awb toegepast. Dit betekent dat het tracébesluit 2020 is vastgesteld zonder dat opnieuw een ontwerptracébesluit ter inzage is gelegd. De tracébesluiten 2020 en 2022 zijn daarmee opnieuw gebaseerd op het ontwerptracébesluit uit
  6. Hierover hebben verschillende appellanten beroepsgronden naar voren gebracht. Die beroepsgronden zal de Afdeling hieronder als eerste bespreken, omdat de vraag of afdeling 3.4 van de Awb opnieuw had moeten worden toegepast ook van invloed is op de te beoordelen ontvankelijkheid van de beroepen van verschillende appellanten.
  7. Vereniging Leefmilieu en anderen betogen dat, nadat de tracébesluiten 2016 en 2018 in de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2019 zijn vernietigd, het tracébesluit opnieuw in ontwerp ter inzage had moeten worden gelegd voordat het opnieuw kon worden vastgesteld. Volgens hen bevat het tracébesluit 2020 namelijk essentiële wijzigingen in vergelijking met het ontwerptracébesluit uit 2016, waarover opnieuw inspraak had moeten worden geboden. Zij wijzen daarbij op de volgende aspecten: - in het tracébesluit 2020 is niet langer verwezen naar het PAS, maar is alsnog een passende beoordeling inclusief ADC-toets opgesteld; - de oppervlakte van de kappen houtopstand is verdubbeld van 38 ha naar 65 ha; - de prognoses zijn gebaseerd op het jaar 2040 in plaats van het jaar
  8. Hiermee houdt verband dat de inzichten rondom mobiliteit inmiddels dusdanig zijn gewijzigd, dat eerdere afwegingen over onder meer alternatieven niet meer volstaan; - er is alsnog gekozen voor het toepassen van een diepe schermwand bij de verdiepte ligging van de A27 ter hoogte van Amelisweerd over een lengte van ongeveer 1,9 km. Dit brengt grote risico’s met zich; - er is een vluchtstrook bij de zuidelijke afrit bij Nieuwegein toegevoegd, wat leidt tot een verbreed grondlichaam en verschoven geluidscherm; - er komt een extra werkterrein bij de Mereveldseweg; - per saldo neemt het ruimtebeslag van het tracégebied toe met ongeveer 15 ha. Voormelde wijzigingen zijn, mede in samenhang beschouwd, niet van ondergeschikte aard, aldus Vereniging Leefmilieu en anderen. Door geen nieuwe inspraakmogelijkheid te bieden, is volgens hen in strijd gehandeld met afdeling 3.4 van de Awb, artikel 14 van de Tracéwet, artikel 6 van het Verdrag van Aarhus en artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Uit het laatstgenoemde artikel volgt volgens hen dat ten aanzien van een opgestelde passende beoordeling inspraakmogelijkheden moeten worden geboden. Omdat in het tracébesluit 2020 niet is gemotiveerd waarom dit besluit niet opnieuw voor inspraak ter inzage is gelegd, is het tracébesluit bovendien ook in strijd met de artikelen 3:2 en 4:36 van de Awb vastgesteld, aldus Vereniging Leefmilieu en anderen. Een vergelijkbaar betoog hebben zij naar voren gebracht in het kader van het tracébesluit
  9. Ook [appellant sub 21], Boerderij Mereveld, [appellant sub 26] en [appellanten sub 12], betogen dat het tracébesluit 2020 voorafgaand aan de vaststelling daarvan, vanwege het tijdsverloop en de daarin opgenomen wijzigingen in vergelijking met het ontwerptracébesluit uit 2016, opnieuw in ontwerp ter inzage had moeten worden gelegd. [appellant sub 21] wijst er daarbij op dat een deel van het grasland dat hij in gebruik heeft in het tracébesluit 2020 voor het eerst binnen de grenzen van het tracé is komen te vallen. [appellanten sub 3] stellen zich op een vergelijkbaar standpunt. 21.
  10. De Afdeling stelt voorop dat de omstandigheid dat de eerdere tracébesluiten 2016 en 2018 zijn vernietigd, op zichzelf onvoldoende aanleiding geeft voor het oordeel dat opnieuw een ontwerptracébesluit ter inzage had moeten worden gelegd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1586, overweging 8.2), staat het het bevoegd gezag in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag. Ook mag het bestuursorgaan ervoor kiezen de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waaronder het uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit, ook gelet op de aard en ernst van de gebreken die tot vernietiging hebben geleid en het verhandelde in die eerste procedure, niet passend moet worden geoordeeld als het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerdere procedure en niet een nieuw ontwerpbesluit opstelt en ter inzage legt. Dit is bijvoorbeeld het geval als ten opzichte van het ontwerpbesluit sprake is van een wezenlijk ander tracé. 21.
  11. In de Nota van Wijziging bij het tracébesluit 2020 zijn de wijzigingen opgenomen die zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerptracébesluit. In de Nota van Wijziging staat dat het ontwerp van het tracé zoals dat is vastgelegd in het tracébesluit 2020 vrijwel geen verschillen bevat in vergelijking met het ontwerp voor het tracé zoals dat was beschreven in het ontwerptracébesluit uit
  12. De wijzigingen die zijn doorgevoerd in het tracébesluit 2020 in vergelijking met het ontwerptracébesluit zijn vooral inpassende maatregelen en mitigerende maatregelen en een verdere uitwerking van de realisatie, zo staat in de Nota van Wijziging en zo is ook gesteld door de minister. De Afdeling volgt deze opvatting van de minister en ziet in wat in de Nota van Wijziging staat en wat is aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de tracébesluiten 2020 en 2022 voorzien in een wezenlijk ander tracé in vergelijking met het ontwerptracé uit
  13. Dat er wijzigingen zijn doorgevoerd ten aanzien van bijvoorbeeld enkele vluchtstroken, werkterreinen en locaties voor boscompensatie, betekent niet dat sprake is van een wezenlijk ander tracé. Ook het alsnog toepassen van een diepe schermwand bij de verdiepte ligging van de A27 ter hoogte van Amelisweerd vormt uitsluitend een wijziging in de wijze van realisatie van het tracé en leidt niet tot een wezenlijk ander tracé. Verder stelt de Afdeling vast dat het verschil in ruimtebeslag waarnaar Vereniging Leefmilieu en anderen verwijzen hoofdzakelijk verband houdt met de wijzigingen in de maatregelen ter compensatie van houtopstanden, zoals grotendeels ook was voorzien in het eerdere wijzigingstracébesluit uit
  14. Een wijziging in de compenserende maatregelen leidt ook niet tot het oordeel dat sprake is van een wezenlijk ander tracé (vergelijk bijvoorbeeld overweging 13.5 van de eerste tussenuitspraak over het tracébesluit ViA15). Dat geldt eveneens voor de omstandigheid dat alsnog een passende beoordeling is opgesteld. Nieuwe stikstofberekeningen, een nieuwe passende beoordeling en de daarop gebaseerde maatregelen die onderdeel zijn van de tracébesluiten 2020 en 2022, hebben niet tot gevolg dat sprake is van een wezenlijk ander tracé. De Afdeling verwijst hierbij ter vergelijking naar overweging 13.5 van de eerste tussenuitspraak over het tracébesluit ViA15, als ook naar overweging 10.1 van de uitspraak van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1299 (hierna: de tweede tussenuitspraak over het tracébesluit ViA15) en overweging 21.1 van de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454 (hierna: de uitspraak over het tracébesluit Blankenburgverbinding). Ook als alle wijzigingen in samenhang worden bezien, is volgens de Afdeling geen sprake van een wezenlijk ander tracé. Het ontwerp van de snelweg is nog steeds grotendeels hetzelfde als al was voorzien in het ontwerptracébesluit. 21.
  15. In de verwijzing van Vereniging Leefmilieu en anderen naar artikel 6 van het Verdrag van Aarhus en artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn ziet de Afdeling in dit verband geen aanleiding voor een ander oordeel. De Afdeling verwijst hierbij ter vergelijking onder meer naar de voornoemde uitspraak over het tracébesluit Blankenburgverbinding. Ook in die zaak is het tracébesluit gewijzigd naar aanleiding van het PAS en is alsnog een passende beoordeling opgesteld. Appellanten in die zaak hebben toen ook betoogd dat het bieden van inspraak over het wijzigingsbesluit verplicht is op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn en artikel 6 van het Verdrag van Aarhus (overweging 21). De Afdeling heeft in de uitspraak over het tracébesluit Blankenburgverbinding op dit punt overwogen dat de mogelijkheid om afdeling 3.4 van de Awb buiten toepassing te laten als het gaat om wijzigingen van ondergeschikte aard van een tracé waarover al eerder inspraak heeft plaatsgevonden, te verenigen is met artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn (nr. 2011/92/EU; PB 2012 L 26), welk artikel inhoudelijk overeenstemt met artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus. Daarbij heeft de Afdeling ook overwogen dat de inspraakverplichting in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn niet verder gaat dan de verplichtingen op grond van artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn. Omdat, zoals hiervoor 21.2 is overwogen, slechts sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard, is er geen reden om tot een ander oordeel te komen. 21.
  16. In de verwijzing van Vereniging Leefmilieu en anderen naar nieuwe verkeersprognoses en gewijzigde inzichten over mobiliteit, ziet de Afdeling ook geen aanleiding voor het oordeel dat voorafgaand aan de vaststelling van de tracébesluiten 2020 en 2022 afdeling 3.4 van de Awb opnieuw had moeten worden toegepast. De mogelijk gewijzigde prognoses en inzichten hebben immers in de tracébesluiten 2020 en 2022 niet geleid tot een aanpassing van het tracé en daarmee dus ook niet tot een wezenlijk ander tracé waarover opnieuw inspraak had moeten worden geboden. De vraag of de minister kan worden gevolgd in zijn keuze om, ondanks wellicht gewijzigde verkeersprognoses en inzichten, geen andere tracékeuze te maken is een inhoudelijke vraag die de Afdeling in het vervolg van deze uitspraak, bij onder meer de alternatieven voor het tracé, zal bespreken. Indien de betogen op dat punt zouden slagen, is in een mogelijke vervolgprocedure over een herstel van dat gebrek op dat moment de vraag aan de orde of de nieuwe verkeersprognoses en gewijzigde inzichten aanleiding geven voor het vaststellen van een wezenlijk ander tracé en daarmee voor een nieuwe toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. 21.
  17. De conclusie is dat de minister afdeling 3.4 van de Awb niet hoefde toe te passen bij de voorbereiding van de tracébesluiten 2020 en 2022, omdat die tracébesluiten niet voorzien in een wezenlijk ander tracé in vergelijking met het ontwerptracébesluit uit
  18. De betogen slagen op dit punt niet. ONTVANKELIJKHEID
  19. Enkele appellanten hebben naar aanleiding van het tracébesluit 2020 voor het eerst beroep ingesteld. Zij hebben geen beroep ingesteld tegen de eerdere tracébesluiten die voor dit project in 2016 en 2018 zijn vastgesteld en door de Afdeling in de uitspraak van 17 juli 2019 zijn vernietigd. Het gaat om de volgende appellanten: [appellant sub 4], [appellant sub 25], [appellant sub 7], Milieu- en natuurvereniging FAMINA en [appellant sub 23B], [appellant sub 22] en anderen, [appellant sub 14] en anderen, [appellant sub 21], Stichting Groenekans Landschap en [appellant sub 26]. De appellanten Stal van Brenk en [appellant sub 27B], [appellant sub 29] en [appellant sub 28] hebben (voor het eerst) beroep ingesteld tegen het tracébesluit
  20. Zij hebben geen, dan wel een niet-ontvankelijk beroep ingesteld tegen het tracébesluit
  21. 22.
  22. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie onder meer de uitspraak van 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3836, overweging 4.3, en de uitspraak van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1082, overweging 17.2, geldt dat als na de vernietiging van een besluit door de bestuursrechter een nieuw besluit wordt genomen zonder dat daarbij toepassing wordt gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, vanwege het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van andere partijen niet kan worden aanvaard dat tegen het nieuwe besluit beroep wordt ingesteld door een belanghebbende die geen beroep heeft ingesteld tegen het eerdere besluit. Het voorgaande geldt niet als de belanghebbende door het nieuwe besluit in een nadeliger positie is komen te verkeren of als door gewijzigde feiten of omstandigheden de belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen het eerdere besluit. Dat laatste kan aan de orde zijn als het beroep tegen het nieuwe besluit betrekking heeft op de wijze waarop toepassing is gegeven aan nieuwe regelgeving of nieuw beleid, die niet van toepassing waren bij het nemen van het eerdere besluit (ABRvS 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1791, overweging 4.1, en ABRvS 30 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3077, overweging 2.6.1), of als het beroep betrekking heeft op de inhoud of totstandkoming van nieuwe of geactualiseerde onderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan het nieuwe besluit, mits die onderzoeken nieuwe inzichten bieden over de gevolgen van het besluit. Nieuwe onderzoeken die louter een actualisering zijn van onderzoek dat ten grondslag lag aan het eerdere vernietigde besluit en die strekken tot een bevestiging van de conclusies van het eerdere onderzoek, leiden in beginsel niet tot de conclusie dat de belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen het eerdere besluit (vergelijk de genoemde uitspraak van 6 november 2013). Als de belanghebbende door gewijzigde feiten of omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen het eerdere besluit, dan is zijn beroep ontvankelijk. Wel is het zo dat hij in dat beroep alleen gronden kan aanvoeren die samenhangen met de nieuwe feiten en omstandigheden. Beroepsgronden die niet samenhangen met de nieuwe feiten en omstandigheden worden buiten bespreking gelaten (vergelijk ABRvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:547, overwegingen 9 - 13.1). 22.
  23. Het voorgaande betekent dat in beginsel geen beroep kan worden ingesteld tegen de tracébesluiten 2020 en 2022 indien geen beroep is ingesteld tegen de eerdere tracébesluiten uit 2016 en
  24. De Afdeling heeft de hiervoor onder 22 vermelde appellanten in de gelegenheid gesteld schriftelijk toe te lichten of er redenen zijn waarom niet eerder beroep is ingesteld. In het onderstaande zal de Afdeling voor de onder 22 vermelde appellanten nagaan of er redenen zijn waarom hen redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen beroep hebben ingesteld tegen de tracébesluiten uit 2016, 2018 en/of
  25. De ingekomen schriftelijke reacties zal de Afdeling bij haar oordeel betrekken. [appellant sub 4]
  26. [appellant sub 4] heeft desgevraagd schriftelijk toegelicht dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen de eerdere tracébesluiten 2016 en 2018, omdat die besluiten aan zijn aandacht zijn ontsnapt. Ook heeft hij vermeld dat hij door de tracébesluiten 2020 en 2022 niet in een nadeliger positie is komen te verkeren in vergelijking met de positie waarin hij zou hebben verkeerd wanneer de tracébesluiten uit 2016 en 2018 zouden zijn uitgevoerd. Verder blijkt uit de schriftelijke reactie van [appellant sub 4] niet dat hem door gewijzigde feiten of omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tegen de tracébesluiten 2016 en
  27. Gelet hierop concludeert de Afdeling dat de (van rechtswege ontstane) beroepen van [appellant sub 4] gericht tegen de tracébesluiten 2020 en 2022 niet-ontvankelijk zijn. [appellant sub 25]
  28. Op de zitting heeft [appellant sub 25] gesteld dat na de vaststelling van de tracébesluiten 2016 en 2018 meer informatie is verschenen over de relatie tussen luchtvervuiling en gezondheidsziektes. Hij verwijst hierbij onder meer naar de advieswaarden voor luchtkwaliteit van de World Health Organization (hierna: WHO). Op basis van voortschrijdend inzicht heeft hij in 2020 de noodzaak gevoeld om zowel als omwonende als ook als arts te wijzen op de gevolgen van het tracébesluit voor de luchtkwaliteit in relatie tot de volksgezondheid. 24.
  29. De Afdeling stelt voorop dat [appellant sub 25] weliswaar heeft gewezen op het algemene belang van een goede volksgezondheid waarvoor hij zich als arts inzet, maar in deze procedure heeft [appellant sub 25] niet als algemene belangenbehartiger beroep ingesteld, maar voor zichzelf als natuurlijk persoon. De Afdeling ziet in de omstandigheden die [appellant sub 25] op de zitting heeft aangedragen geen aanleiding voor het oordeel dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tegen de eerdere tracébesluiten uit 2016 en
  30. Aan het tracébesluit 2020 is hetzelfde deelrapport "Luchtkwaliteit" uit 2016 ten grondslag gelegd, zoals dat ook ten grondslag lag aan het tracébesluit uit
  31. Weliswaar is aan het tracébesluit 2020 een actualisatie van dit luchtkwaliteitsonderzoek ten grondslag gelegd door middel van de "Oplegnotitie Luchtkwaliteit 2020", maar die oplegnotitie strekt tot een bevestiging van de conclusie uit het eerdere luchtkwaliteitsonderzoek uit
  32. Dat volgens [appellant sub 25] in de periode tussen 2016 en 2020 de inzichten over de effecten van luchtkwaliteit op de gezondheid zijn gewijzigd, daargelaten de juistheid daarvan, vormen voor de Afdeling geen aanleiding om het beroep van [appellant sub 25] toch ontvankelijk te achten. [appellant sub 25] heeft in zijn beroepschrift vermeld dat hij woont aan de [locatie 15] in Utrecht. Dit is op ongeveer 500 m van het tracé. Dit is op een dusdanige afstand van het tracé dat de Afdeling niet aannemelijk acht dat, ook indien de inzichten op het gebied van de effecten van luchtkwaliteit in de periode tussen 2016 en 2020 zijn gewijzigd, dit op zichzelf leidt tot een andere conclusie wat betreft de gevolgen van het tracébesluit op het gebied van luchtkwaliteit voor [appellant sub 25]. De Afdeling concludeert dat de (van rechtswege ontstane) beroepen van [appellant sub 25] gericht tegen de tracébesluiten 2020 en 2022 niet-ontvankelijk zijn. [appellant sub 7]
  33. [appellant sub 7] heeft desgevraagd schriftelijk vermeld dat hij pas sinds 2016 op zijn huidige adres woont en lange tijd zijn woning heeft verbouwd. Hij stelt hierdoor geen weet te hebben gehad van de eerdere tracébesluiten die in 2016 en 2018 zijn vastgesteld. Ook stelt hij dat hij wat betreft al zijn beroepsgronden in een nadeliger positie zal komen te verkeren op het moment dat het tracébesluit wordt uitgevoerd. Hij is daarom van mening dat zijn beroep ontvankelijk is. 25.
  34. De Afdeling volgt [appellant sub 7] niet in zijn standpunt. Zo stelt [appellant sub 7] weliswaar pas sinds 2016 op zijn huidige adres te wonen, maar het tracébesluit 2016 is in de periode van 19 januari 2017 tot en met 2 maart 2017 voor beroep ter inzage gelegd. [appellant sub 7] had dus op dat moment als bewoner van zijn huidige woning kennis kunnen nemen van het tracébesluit
  35. Dat hij in die periode bezig was met de verbouwing van zijn woning is geen omstandigheid op grond waarvan hem redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tegen het tracébesluit
  36. [appellant sub 7] stelt daarnaast weliswaar dat hij ten aanzien van al zijn beroepsgronden in een nadeliger positie komt te verkeren, maar hij heeft dat in zijn schriftelijke reactie niet nader onderbouwd. Daarbij wijst de Afdeling er ook op dat het niet gaat om een nadeliger positie in vergelijking met de huidige situatie van [appellant sub 7], maar om een nadeliger positie in vergelijking met de positie waarin hij zou hebben verkeerd wanneer de tracébesluiten uit 2016 en 2018 zouden zijn uitgevoerd. Het gaat met andere woorden om een verdere nadelige situatie als gevolg van het tracébesluit 2020 in vergelijking met de eerdere tracébesluiten uit 2016 en
  37. Op de zitting heeft [appellant sub 7] ter nadere onderbouwing nog in algemene zin gesteld dat de inzichten over de effecten van het tracé sinds 2016 zijn gewijzigd, waaronder die wat betreft de verkeersaantrekkende werking van wegverbredingen. Daarbij heeft hij zich op de zitting onder meer gericht tegen de doelmatigheid en proportionaliteit van de wegverbreding en op de mogelijke alternatieven die volgens hem beschikbaar zijn. Hij heeft gesteld dit ook naar voren te willen brengen in het kader van het algemeen belang om te voorkomen dat wegverbredingen worden gerealiseerd, waarvan later, achteraf, moet worden geconcludeerd dat hiervan beter had kunnen worden afgezien. De Afdeling heeft echter geen concrete aanknopingspunten gezien dat voor [appellant sub 7], die uitsluitend als privépersoon voor zichzelf en niet als algemene belangenbehartiger beroep heeft ingesteld, sprake is van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten niet eerder beroep te hebben ingesteld tegen de tracébesluiten 2016 en
  38. De Afdeling concludeert dat de (van rechtswege ontstane) beroepen van [appellant sub 7] gericht tegen de tracébesluiten 2020 en 2022 niet-ontvankelijk zijn. Milieu- en natuurvereniging FAMINA en [appellant sub 23B]
  39. Milieu- en natuurvereniging FAMINA en [appellant sub 23B] hebben geen gebruik gemaakt van de aan hen geboden mogelijkheid om toe te lichten waarom zij pas voor het eerst beroep hebben ingesteld tegen het tracébesluit 2020 en niet eerder tegen de tracébesluiten 2016 en
  40. Op de zitting is [appellant sub 23B] ook niet verschenen en was geen vertegenwoordiger aanwezig van Milieu- en natuurvereniging FAMINA. Het lag op de weg van deze vereniging en [appellant sub 23B] om redenen aan te dragen indien zij van mening zouden zijn dat hen redelijkerwijs niet kan worden verweten niet eerder beroep te hebben ingesteld. Omdat zij, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben nagelaten die redenen aan te dragen, ziet de Afdeling geen omstandigheden op grond waarvan het beroep van Milieu- en natuurvereniging FAMINA en dat van [appellant sub 23B] ontvankelijk moet worden geacht. De Afdeling concludeert dan ook dat de (van rechtswege ontstane) beroepen van Milieu- en natuurvereniging FAMINA en [appellant sub 23B] gericht tegen de tracébesluiten 2020 en 2022 niet-ontvankelijk zijn. [appellant sub 22] en anderen
  41. [appellant sub 22] en anderen hebben in reactie op de vraag van de Afdeling waarom zij niet eerder beroep hebben ingesteld tegen de tracébesluiten 2016 en 2018 gesteld dat zij in 2016 een zienswijze over het ontwerptracébesluit naar voren hebben gebracht. Zij stellen dat vervolgens geen persoonlijke communicatie heeft plaatsgevonden over de naar aanleiding van de ingediende zienswijzen opgestelde Nota van Antwoord en de daarop vastgestelde tracébesluiten 2016 en
  42. Pas in december 2020 hebben zij een brief ontvangen, waarin is vermeld dat hun zienswijze is beantwoord in de Nota van Antwoord en dat beroep kan worden ingesteld tegen het tracébesluit 2020, aldus [appellant sub 22] en anderen. Zij stellen dat van hen niet kon worden verlangd dat zij beroep zouden hebben ingesteld tegen de tracébesluiten 2016 en 2018, omdat zij destijds niet persoonlijk in kennis zijn gesteld van de vaststelling daarvan. 27.
  43. De Afdeling volgt [appellant sub 22] en anderen niet in hun standpunt. Naast het feit dat van de vaststelling van de tracébesluiten 2016 en 2018 kennis is gegeven op de wettelijk voorgeschreven wijze, waaronder in de Staatscourant, zijn [appellant sub 22] en anderen, omdat zij een zienswijze over het ontwerptracébesluit naar voren hebben gebracht, ook persoonlijk in kennis gesteld van de vaststelling van het tracébesluit
  44. Dit blijkt uit de brief van 19 januari 2017 die de Afdeling van de minister heeft ontvangen. In de brief van 19 januari 2017 staat dat het tracébesluit 2016 is vastgesteld en wanneer dat voor beroep ter inzage lag, namelijk van 19 januari 2017 tot en met 2 maart
  45. Ook is als bijlage bij die brief weergeven op welke wijze de zienswijze van [appellant sub 22] en anderen in de Nota van Antwoord van een reactie is voorzien. Deze brief heeft de Afdeling naar [appellant sub 22] en anderen doorgezonden. [appellant sub 22] en anderen stellen in reactie hierop de brief van 19 januari 2017 niet meer in hun eigen stukken te kunnen terugvinden, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat zij die brief destijds niet hebben ontvangen. Dat zij de brief destijds mogelijk wel hebben ontvangen, wordt door hen bovendien ook niet uitgesloten. Daarnaast merkt de Afdeling hierbij op dat wanneer meer dan 250 personen een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht, zoals in dit geval, een persoonlijke kennisgeving ook niet verplicht is, gelet op artikel 3:44, tweede lid, onder d, van de Awb. De reactie van [appellant sub 22] en anderen bevat verder geen andere redenen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat hen redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tegen de tracébesluiten 2016 en
  46. De Afdeling concludeert daarom dat de (van rechtswege ontstane) beroepen van [appellant sub 22] en anderen gericht tegen de tracébesluiten 2020 en 2022 niet-ontvankelijk zijn. [appellant sub 14] en anderen
  47. [appellant sub 14] en anderen hebben desgevraagd in hun schriftelijke reactie verschillende redenen genoemd waarom zij van mening zijn dat hen redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tegen de tracébesluiten 2016 en
  48. Daar zal de Afdeling hieronder nader op ingaan.
  49. Allereerst betogen [appellant sub 14] en anderen dat zij met excuses op 2 december 2020 een brief hebben ontvangen met een reactie op hun zienswijze. Zij stellen dat hen pas toen voor het eerst duidelijk werd dat de toezeggingen dat het geluidscherm nabij hun woningen in de projectsituatie niet lager zal worden dan in de huidige situatie, niet wordt nagekomen. In dit verband stellen zij dat de nieuw aan te leggen snelweg lager komt te liggen, waardoor het nieuwe geluidscherm, ondanks dat dit even hoog zal zijn als het huidige geluidscherm, in de praktijk ongeveer een meter lager zal zijn en daarmee minder effect zal hebben. Dit betekent volgens [appellant sub 14] en anderen dat het geluid van de snelweg niet meer goed wordt afgeschermd. Ook zal de snelweg in de projectsituatie weer voor hen zichtbaar worden, aldus [appellant sub 14] en anderen. Daarnaast betogen [appellant sub 14] en anderen dat een rekenfout is gemaakt. Zo is de geluidbelasting op de gevel van de woning aan de Koppeldijk 3 geen 53 dB, maar 56 dB. Dit is volgens hen een nieuw feit. Zij betogen in dit verband ook dat de geluidcijfers voor hen moeilijk zijn te doorgronden. 29.
  50. De Afdeling stelt voorop dat de brief van 2 december 2020, waarnaar [appellant sub 14] en anderen verwijzen, een algemene brief van de minister is die naar de indieners van zienswijzen is verzonden, waarin zij erop worden gewezen dat het tracébesluit 2020 is vastgesteld en dat dit tracébesluit voor beroep ter inzage ligt. In de bijlage bij de brief is weergegeven op welke wijze de zienswijze van [appellant sub 14] en anderen in de Nota van Antwoord van een reactie is voorzien. Aan deze algemene mededeling in de brief van 2 december 2020 dat het tracébesluit 2020 voor beroep ter inzage ligt, kunnen [appellant sub 14] en anderen geen recht ontlenen dat hun beroep gericht tegen dat besluit ontvankelijk is. Het is aan de Afdeling om de ontvankelijkheid van het beroep te beoordelen. Uit de stukken die de minister heeft overgelegd, blijkt dat aan [appellant sub 14] en anderen op 19 januari 2017 een vergelijkbare brief is verzonden over de vaststelling van het tracébesluit
  51. Deze brief uit 2017 heeft de Afdeling ter kennisname aan [appellant sub 14] en anderen doorgezonden. De stelling van [appellant sub 14] en anderen dat zij pas in 2020 een reactie hebben gekregen op een zienswijze uit 2016 mist dan ook feitelijke grondslag. De Afdeling stelt vast dat de zienswijze van [appellant sub 14] en anderen in zowel de Nota van Antwoord bij het tracébesluit 2016 als in de Nota van Antwoord bij het tracébesluit 2020 vrijwel identiek is beantwoord. Op het gebied van geluid, waarnaar [appellant sub 14] en anderen specifiek wijzen, zit er geen verschil in de beantwoording. Zo staat zowel in de Nota van Antwoord bij het tracébesluit 2016 als in de Nota van Antwoord bij het tracébesluit 2020 dat het geluidscherm zal worden gerealiseerd langs het lager gelegen nieuwe wegvak dat het dichtst bij de woningen ligt. [appellant sub 14] en anderen hadden dus al bij de vaststelling van het tracébesluit 2016 kunnen weten dat het nieuwe geluidscherm langs een lager gelegen wegvak wordt gesitueerd. Ook de volgens [appellant sub 14] en anderen genoemde rekenfout van 3 dB was al toegelicht in de Nota van Antwoord bij het tracébesluit
  52. De berekende toekomstige geluidwaarden en ook de regels van het tracébesluit 2020 bevatten op het gebied van geluid voor [appellant sub 14] en anderen geen wijzigingen in vergelijking met het tracébesluit
  53. De Afdeling concludeert daarom dat er op het gebied van geluid niet is gebleken dat [appellant sub 14] en anderen als gevolg van het tracébesluit 2020, in vergelijking met de tracébesluiten 2016 en 2018, in een nadeliger positie zijn komen te verkeren. Ook is op het gebied van geluid niet gebleken dat [appellant sub 14] en anderen door gewijzigde feiten of omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen beroep hebben ingesteld tegen de eerdere tracébesluiten uit 2016 en
  54. De Afdeling zal daarom de beroepsgronden van [appellant sub 14] en anderen over geluid niet inhoudelijk bespreken. 29.
  55. In hun schriftelijke reactie wijzen [appellant sub 14] en anderen ook op een nieuw werkterrein langs de A12 ten noorden van de Laagravenseplas. De Afdeling deelt het standpunt van [appellant sub 14] en anderen dat op dit punt voor hen wel sprake is van een nadeliger situatie in het vergelijking met de eerdere tracébesluiten 2016 en 2018, omdat dit werkterrein is gelegen nabij hun woningen en niet was opgenomen in de eerdere tracébesluiten uit 2016 en
  56. Omdat de beroepsgronden van [appellant sub 14] en anderen over het werkterrein verband houden met wijzigingen waarin het tracébesluit 2020 voorziet, kan hen redelijkerwijs niet worden verweten dat zij op dit punt geen beroep hebben ingesteld tegen de tracébesluiten 2016 en/of
  57. Dit betekent dat het beroep van [appellant sub 14] en anderen in zoverre ontvankelijk is en dat de Afdeling hun beroepsgronden over het nieuwe werkterrein inhoudelijk zal bespreken. Dat zal de Afdeling doen bij overweging 209 en verder. 29.
  58. Ook zal de Afdeling ingaan op de beroepsgronden van [appellant sub 14] en anderen over de effecten van de uitvoering van het tracébesluit op het grondwater. Ook op dit punt is voor hen mogelijk sprake van een nadeliger situatie, verband houdend met een wijziging waarin het tracébesluit 2020 voorziet. Wat betreft het aspect grondwater is in artikel 9, derde lid, van het tracébesluit 2020 namelijk een schermwand voorgeschreven ter plaatse van de verdiepte ligging van de A27 van km 71,39 tot km 78,
  59. Dit is bij knooppunt Lunetten in de omgeving van de woningen van [appellant sub 14] en anderen. Een schermwand was ter plaatse nog niet voorschreven in de tracébesluiten 2016 en
  60. [appellant sub 14] en anderen vrezen dat de plaatsing van de schermwanden negatieve gevolgen heeft voor het grondwater in hun omgeving. Hier zal de Afdeling nader op ingaan bij overweging 139 en verder. 29.
  61. De overige beroepsgronden van [appellant sub 14] en anderen, waaronder het hiervoor besproken aspect geluid, laat de Afdeling buiten inhoudelijke bespreking, omdat [appellant sub 14] en anderen niet hebben geconcretiseerd dat die beroepsgronden verband houden met wijzigingen waarin het tracébesluit 2020 voorziet. Dit blijkt ook niet uit de schriftelijke reactie van [appellant sub 14] en anderen van 24 april 2024, waarin zij desgevraagd nader hebben toegelicht op welke punten volgens hen sprake is van een nadeliger of gewijzigde situatie. [appellant sub 21]
  62. [appellant sub 21] heeft twee locaties aan de Mereveldseweg in Utrecht in gebruik, namelijk aan de [locatie 1] (werkplaats en short stay) en aan de [locatie 2] (woning). Ten noorden van het perceel aan de [locatie 1] heeft [appellant sub 21] een perceel grasland in buikleen waar koeien grazen. 30.
  63. [appellant sub 21] wijst er, in reactie op de vraag van de Afdeling waarom hij geen beroep heeft ingesteld tegen de tracébesluiten 2016 en 2018, op dat het tracébesluit 2020 in vergelijking met de eerdere tracébesluiten voorziet in een nieuw werkterrein en een nieuw maatregelvlak voor natuur en bos ten noorden van de [locatie 1] in Utrecht. Het grasland ten noorden van de [locatie 1] zal tijdens de aanleg van het tracé als werkterrein worden ingericht en na het gereedkomen van het tracé worden ingericht voor boscompensatie. De Afdeling stelt vast dat dit nog geen onderdeel was van de tracébesluiten 2016 en
  64. Om die reden stelt [appellant sub 21] terecht dat hij door het tracébesluit 2020 in zoverre in een nadeliger positie is komen te verkeren. Zijn beroep, gericht tegen dat besluit, is om die reden ontvankelijk. De beroepsgronden die hiermee verband houden zal de Afdeling in deze uitspraak inhoudelijk bespreken. Het gaat dan om de beroepsgronden van [appellant sub 21] over de schade die hij leidt door verlies aan grond ten gevolge van het nieuwe werkterrein/maatregelvlak voor natuur en bos, de bomen die volgens hem zullen worden gekapt om het nieuwe werkterrein in gebruik te kunnen nemen, als ook de overlast die hij stelt te zullen ondervinden van het nieuwe werkterrein en de gevolgen hiervan voor het exploiteren van zijn short stay. Die beroepsgronden zal de Afdeling hieronder bij overweging 158 en verder bespreken. Hierbij merkt de Afdeling op dat zij de beroepsgronden van [appellant sub 21] over geluidoverlast en luchtverontreiniging zo begrijpt dat het hierbij gaat om de effecten van het werkterrein in de realisatiefase. Dit heeft [appellant sub 21] desgevraagd ook aan de Afdeling toegelicht. De Afdeling gaat in deze uitspraak niet inhoudelijk in op de effecten van het tracé voor [appellant sub 21] op het gebied van geluid en luchtkwaliteit in de projectfase, dus nadat het tracé is gerealiseerd. Zodra het gaat om de geluidhinder en luchtkwaliteit nadat het tracé in gebruik wordt genomen, dus niet verband houdend met het werkterrein tijdens de realisatiefase, geldt namelijk dat niet is gebleken dat [appellant sub 21] dat niet al eerder had kunnen aanvoeren in het kader van het tracébesluit
  65. 30.
  66. De Afdeling zal in deze uitspraak ook ingaan op de beroepsgronden van [appellant sub 21] over de gevolgen van de wijzigingen in het grondwater bij de uitvoering van het tracébesluit. Hier gaat de Afdeling op in bij overweging 139 en verder. Ook dit houdt, zoals hiervoor bij overweging 29.3 al is overwogen, namelijk verband met een wijziging in het tracébesluit 2020 door de voorgeschreven schermwanden ter plaatse van de verdiepte ligging van de A
  67. Dit is in de omgeving van de Mereveldseweg bij knooppunt Lunetten. Stichting Groenekans Landschap
  68. Stichting Groenekans Landschap heeft al in het beroepschrift toegelicht dat haar beroep ziet op wijzigingen in het tracébesluit 2020 die nog geen onderdeel waren van de eerdere tracébesluiten voor dit project. Het gaat dan om het niet doortrekken van de watergang "de Bisschopswetering" onder het viaduct van de A27 met de Groenekanseweg, als ook een aanvullende boscompensatie langs de Groenekanseweg in de gemeente De Bilt. Omdat het beroep van Stichting Groenekans Landschap betrekking heeft op wijzigingen in het tracébesluit 2020 waardoor zij mogelijk in een nadeliger positie is komen te verkeren, is haar beroep gericht tegen dat besluit ontvankelijk. 31.
  69. Stichting Groenekans Landschap noemt in haar beroepschrift echter ook nog enkele andere aspecten, met name in reactie op de wijze waarop haar in 2016 naar voren gebrachte zienswijze in de Nota van Antwoord van een reactie is voorzien. Die reactie was al opgenomen in de Nota van Antwoord die ter inzage lag bij het tracébesluit
  70. Indien Stichting Groenekans Landschap het toen niet eens was met de wijze waarop haar zienswijze van een reactie was voorzien, had zij beroep kunnen instellen tegen het tracébesluit
  71. Dat heeft zij nagelaten. De Afdeling heeft Stichting Groenekans Landschap in de gelegenheid gesteld om schriftelijk toe te lichten of er redenen zijn waarom zij daar toen van heeft afgezien. Hierop heeft zij niet gereageerd. De Afdeling laat dit onderdeel van het beroep daarom buiten inhoudelijke bespreking. 31.
  72. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de Afdeling in het vervolg van deze uitspraak uitsluitend de beroepsgronden van Stichting Groenekans Landschap inhoudelijk bespreken die betrekking hebben op het niet doortrekken van de watergang "de Bisschopswetering" onder het viaduct van de A27 met de Groenekanseweg als ook de aanvullende boscompensatie langs de Groenekanseweg in de gemeente De Bilt. De Afdeling zal deze beroepsgronden hieronder bij overweging 188 en verder inhoudelijk bespreken. [appellant sub 26]
  73. [appellant sub 26] heeft in reactie op de vraag van de Afdeling waarom hij niet eerder beroep heeft ingesteld tegen de tracébesluiten 2016 en 2018 gewezen op de omstandigheid dat voorafgaand aan de vaststelling van het tracébesluit 2020 niet opnieuw afdeling 3.4 van de Awb is doorlopen en dat daarom het niet eerder instellen van beroep tegen de tracébesluiten 2016 en 2018 niet zou mogen leiden tot een niet-ontvankelijkheid van zijn beroep. Op dit punt heeft de Afdeling hiervoor onder 20 en verder al een oordeel gegeven. Geoordeeld is dat de betogen die hierover naar voren zijn gebracht niet slagen. Ook wijst [appellant sub 26] op de omstandigheid dat hij in 2016 wel een zienswijze over het ontwerptracébesluit naar voren heeft gebracht. Hij is van mening dat, gelet op de langlopende procedures over het tracébesluit en de eerder ingediende zienswijze, zijn beroepsgronden integraal moeten worden beoordeeld. Die opvatting deelt de Afdeling niet. De omstandigheid dat [appellant sub 26] in 2016 een zienswijze naar voren heeft gebracht over het ontwerptracébesluit laat onverlet dat hij over de nadien vastgestelde tracébesluiten 2016 en 2018 een beroepschrift had kunnen en ook moeten indienen indien hij zich niet met die tracébesluiten kon verenigen. De omstandigheid dat hij dit heeft nagelaten komt voor zijn rekening en risico en heeft, zoals hiervoor onder 22.1 is overwogen, tot gevolg dat hij in beginsel geen beroep kan instellen tegen de tracébesluiten 2020 en
  74. 32.
  75. In reactie op de vraag van de Afdeling waarom hij geen beroep heeft ingesteld tegen de tracébesluiten 2016 en 2018 en of mogelijk ten gevolge van het tracébesluit 2020 sprake is van een nadeliger situatie, heeft [appellant sub 26] ook in algemene zin gesteld dat alle perikelen rondom stikstof en de impact die deze perikelen nog steeds hebben op ondernemers, tot gevolg hebben dat sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden. Dit acht de Afdeling echter onvoldoende concreet om tot het oordeel te komen dat het tracébesluit 2020 voor [appellant sub 26] leidt tot een nadeliger positie in vergelijking met de tracébesluiten 2016 en 2018 of dat voor hem sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden. De Afdeling concludeert daarom dat het beroep van [appellant sub 26] gericht tegen het tracébesluit 2020 niet-ontvankelijk is. 32.
  76. Wat betreft het van rechtswege ontstane beroep gericht tegen het tracébesluit 2022, stelt de Afdeling vast dat [appellant sub 26] in zijn zienswijze over dit tracébesluit wijst op alternatieve plannen die de regio in voorbereiding heeft als ook op maatschappelijke ontwikkelingen en crisis die volgens hem de vraag oproepen of de uitvoering van het tracébesluit maatschappelijk gewenst en doelmatig is. De omstandigheid dat door de regio alternatieve plannen in voorbereiding zijn en dat volgens [appellant sub 26] twijfels bestaan over de doelmatigheid van het tracébesluit, hadden door hem ook al naar voren kunnen worden gebracht in het beroep gericht tegen het tracébesluit 2020, wat hij niet heeft gedaan. Deze beroepsgronden van [appellant sub 26] bespreekt de Afdeling daarom niet verder in deze uitspraak. Ook wijst [appellant sub 26] in zijn zienswijze, gericht tegen het tracébesluit 2022, specifiek op het aspect extern salderen dat onderdeel is van het tracébesluit
  77. Hij betoogt dat door extern te salderen met veehouderijen uit Gelderland en Utrecht per saldo de hoeveelheid stikstof in de omgeving van zijn agrarisch bedrijf toeneemt, waardoor hij in zijn bedrijfsvoering kan worden belemmerd. Daargelaten de vraag of dit betoog inhoudelijk juist is, houdt dit betoog wel verband met de specifieke wijzigingen waarin het tracébesluit 2022 voorziet en de mogelijk negatieve invloed van die wijzigingen op de bedrijfsvoering van [appellant sub 26]. Om die reden is de Afdeling van oordeel dat het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 26] gericht tegen het tracébesluit 2022 ontvankelijk is. De Afdeling ziet echter geen aanleiding om de beroepsgronden van [appellant sub 26] over het aspect extern salderen inhoudelijk te bespreken. Op dit punt geldt namelijk dat aan [appellant sub 26] het relativiteitsvereiste moet worden tegengeworpen. Daar gaat de Afdeling hieronder onder 37 nader op in. Stal van Brenk en [appellant sub 27B]
  78. Stal van Brenk en [appellant sub 27B] hebben beroep ingesteld tegen het tracébesluit
  79. Stal van Brenk en [appellant sub 27B] verwijzen in hun beroepschrift naar een eerder tegen het tracébesluit 2020 ingediend beroepschrift. Zij wensen dat de beroepsgronden uit dat beroepschrift inhoudelijk worden behandeld. Dit beroepschrift is gericht tegen het tracébesluit 2020 en ingediend door [appellant sub 27B]. Dat beroep is bij uitspraak van 24 februari 2021 in zaaknummer 202006510/5/R3 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet betalen van griffierecht. [appellant sub 27B] heeft de mogelijkheid gehad tegen die uitspraak verzet aan te tekenen, van welke mogelijkheid hij geen gebruik heeft gemaakt. Gelet hierop is er zowel ten aanzien van Stal van Brenk als ten aanzien van [appellant sub 27B] geen sprake van een (ontvankelijk) beroep tegen het tracébesluit 2020 en kunnen zij om die reden, zoals hiervoor onder 22.1 is toegelicht, in beginsel geen ontvankelijk beroep instellen tegen het tracébesluit 2022, tenzij zij door het tracébesluit 2022 in een nadeliger positie zijn komen te verkeren in vergelijking met het tracébesluit 2020 of als hen door gewijzigde feiten of omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet eerder (ontvankelijk) beroep hebben ingesteld tegen het tracébesluit
  80. 33.
  81. De Afdeling heeft Stal van Brenk en [appellant sub 27B] over het voorgaande voorafgaand aan de zitting schriftelijk geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld hun standpunt hierover toe te lichten. In hun schriftelijke reactie stellen Stal van Brenk en [appellant sub 27B] dat zij ontvankelijk beroep hebben ingesteld tegen het tracébesluit 2016 en ook eerder een zienswijze over het tracébesluit naar voren hebben gebracht. Zij zijn van mening dat, gelet op de langlopende procedures over het tracébesluit en de eerder ingediende zienswijze en beroepschriften, hun beroepsgronden integraal moeten worden beoordeeld. Die opvatting deelt de Afdeling echter niet. De omstandigheid dat vanwege het niet-betalen van griffierecht het beroep tegen het tracébesluit 2020 niet-ontvankelijk is verklaard, komt voor rekening en risico van een appellant. Het verhoudt zich niet met het belang van efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van andere partijen, dat een appellant wiens beroep tegen het tracébesluit 2020 niet-ontvankelijk is verklaard, de beroepsgronden die tegen dat besluit naar voren zijn gebracht opnieuw integraal naar voren kan brengen tegen een later in de procedure genomen besluit tot wijziging van het eerdere tracébesluit
  82. Het door Stal van Brenk en [appellant sub 27B] overgelegde beroepschrift gericht tegen het tracébesluit 2020 zal de Afdeling daarom in deze procedure niet inhoudelijk beoordelen. 33.
  83. Resteert de vraag of het beroep van Stal van Brenk en [appellant sub 27B] gericht tegen het tracébesluit 2022 ontvankelijk is, gelet op de wijzigingen waarin dit tracébesluit voorziet in vergelijking met het eerdere tracébesluit
  84. Stal van Brenk en [appellant sub 27B] wijzen in hun beroepschrift gericht tegen het tracébesluit 2022, net als [appellant sub 26], op alternatieve plannen die de regio in voorbereiding heeft. Ook wijzen zij op maatschappelijke ontwikkelingen en crises die volgens hen de vraag oproepen of de uitvoering van het tracébesluit maatschappelijk gewenst en doelmatig is. Zoals hiervoor onder 32.2 is overwogen, houden deze aspecten geen direct verband met de wijzigingen waarin het tracébesluit 2022 voorziet. De omstandigheid dat de regio alternatieve plannen in voorbereiding heeft en dat volgens Stal van Brenk en [appellant sub 27B] twijfels bestaan over de doelmatigheid van het tracébesluit, hadden door hen ook al naar voren kunnen worden gebracht in een beroep gericht tegen het tracébesluit
  85. Deze beroepsgronden van Stal van Brenk en [appellant sub 27B] bespreekt de Afdeling daarom niet verder in deze uitspraak. Ook hebben Stal van Brenk en [appellant sub 27B] in hun beroepschrift gericht tegen het tracébesluit 2022, net als [appellant sub 26], specifiek gewezen op het aspect extern salderen dat onderdeel is van het tracébesluit
  86. Zij betogen, evenals [appellant sub 26], dat door extern te salderen met veehouderijen uit Gelderland en Utrecht per saldo de hoeveelheid stikstof in de omgeving van hun manege toeneemt, waardoor zij in hun bedrijfsvoering kunnen worden belemmerd. Zoals hiervoor onder 32.2 is overwogen, houdt dit betoog, daargelaten de juistheid daarvan, verband met de specifieke wijzigingen waarin het tracébesluit 2022 voorziet en de mogelijk negatieve invloed van die wijzigingen op de bedrijfsvoering van Stal van Brenk en [appellant sub 27B]. Om die reden is de Afdeling van oordeel dat het beroep van Stal van Brenk en [appellant sub 27B] dat gericht is tegen het tracébesluit 2022 ontvankelijk is. De Afdeling ziet echter geen aanleiding om de beroepsgronden van Stal van Brenk en [appellant sub 27B] over het aspect extern salderen inhoudelijk te bespreken. Op dit punt geldt namelijk dat aan hen het relativiteitsvereiste moet worden tegengeworpen. Daar gaat de Afdeling hieronder onder 37 nader op in. [appellant sub 29]
  87. [appellant sub 29] heeft voor het eerst beroep ingesteld tegen het tracébesluit
  88. De Afdeling heeft ook [appellant sub 29] in de gelegenheid gesteld schriftelijk toe te lichten of er redenen zijn waarom hij pas voor het eerst beroep heeft ingesteld tegen het tracébesluit 2022 en niet eerder tegen de tracébesluiten 2016, 2018 en
  89. In zijn schriftelijke reactie stelt [appellant sub 29] dat de tracébesluiten 2020 en 2022 nadelige gevolgen hebben voor het milieu en voor de bewoners van de Mereveldseweg in Utrecht, aan welke weg hij woont. Hij wijst hierbij specifiek op de gevolgen die de uitvoering van het project volgens hem heeft voor het grondwater. Op het moment dat beroep openstond tegen het tracébesluit 2020 was volgens [appellant sub 29] niet direct duidelijk dat deze gevolgen zich zouden voordoen. Hij stelt in dit verband dat het tracébesluit 2020 is gepresenteerd alsof er niets was gewijzigd in vergelijking met de eerdere tracébesluiten, met uitzondering van het aspect stikstof. Tot slot stelt [appellant sub 29] dat zijn beroep ook op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 (hierna: het arrest Varkens in Nood) ontvankelijk is. 34.
  90. De Afdeling stelt voorop dat in het tracébesluit 2022 in vergelijking met het tracébesluit 2020 geen wijzigingen zijn doorgevoerd die verband houden met het grondwater. Het tracébesluit 2022 wijzigt in vergelijking met het tracébesluit 2020 uitsluitend onderdelen die betrekking hebben op de aspecten stikstof en soortenbescherming. Over deze aspecten heeft [appellant sub 29] geen beroepsgronden naar voren gebracht. Zijn beroepsgronden zien op onderdelen van het tracébesluit
  91. Omdat hij ten aanzien van dit tracébesluit geen beroep heeft ingesteld, kan hij in beginsel, zoals hiervoor onder 22.1 en 22.2 is toegelicht, geen beroep instellen tegen het tracébesluit
  92. Het arrest Varkens in Nood, waarnaar [appellant sub 29] verwijst, geeft geen aanleiding om van de hiervoor onder 22.1 en 22.2 weergegeven jurisprudentielijn af te wijken. Uit het arrest Varkens in Nood volgt, voor zover in dit geval relevant, dat het recht van belanghebbenden om beroep in te stellen tegen zogenoemde "Aarhus-besluiten", zoals tracébesluiten, niet afhankelijk mag worden gesteld van deelname aan de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Uit dit arrest volgt niet dat wanneer sprake is van verlengde besluitvorming, bijvoorbeeld na een eerdere vernietiging of vanwege een nader genomen besluit tijdens de beroepsprocedure, tegen het nieuwe besluit beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende die geen beroep heeft ingesteld tegen het eerdere besluit. Resteert de vraag of [appellant sub 29] redelijkerwijs niet kan worden verweten niet eerder beroep te hebben ingesteld. Ook daarvoor ziet de Afdeling geen aanleiding. [appellant sub 29] stelt weliswaar dat op het moment dat beroep openstond tegen het tracébesluit 2020 voor hem onvoldoende duidelijk was dat dit tracébesluit in vergelijking met de eerdere tracébesluiten wijzigingen bevat die invloed hebben op het grondwater, maar die opvatting deelt de Afdeling niet. In de kennisgeving van het vastgestelde tracébesluit 2020 is vermeld dat dit tracébesluit verschillende wijzigingen bevat. Zo is onder meer expliciet vermeld dat de voorkeursbouwmethode bestaat uit het bemalen met een schermwand ter plaatse van de verdiepte ligging van de A27 en dat dit in het tracébesluit 2020 is beschreven. Op basis van deze mededeling in de kennisgeving had [appellant sub 29] kunnen weten dat het tracébesluit 2020 wijzigingen bevat die invloed kunnen hebben op het grondwater, namelijk het plaatsen van een schermwand en het toepassen van bemaling. Gelet op het vorenstaande en op wat hiervoor onder 22.1 en 22.2 is overwogen, concludeert de Afdeling dat het beroep van [appellant sub 29], gericht tegen de tracébesluit 2022, niet-ontvankelijk is. [appellant sub 28]
  93. [appellant sub 28] heeft voor het eerst beroep ingesteld tegen het tracébesluit
  94. De Afdeling heeft ook [appellant sub 28] in de gelegenheid gesteld schriftelijk toe te lichten of er redenen zijn waarom zij pas voor het eerst beroep heeft ingesteld tegen het tracébesluit 2022 en niet eerder tegen de tracébesluiten 2016, 2018 en
  95. De Afdeling heeft hierop geen reactie ontvangen. Omdat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan [appellant sub 28] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet eerder beroep heeft ingesteld, concludeert de Afdeling dat het beroep van [appellant sub 28], gericht tegen het tracébesluit 2022, niet-ontvankelijk is. HET BELANG WAARVOOR APPELLANTEN IN BEROEP KOMEN
  96. Hiervoor is de Afdeling onder 22 en verder ingegaan op de ontvankelijkheid van het beroep van verschillende appellanten. Indien een beroep ontvankelijk is, laat dat echter onverlet dat de Afdeling dient te beoordelen of de norm waar een appellant zich op beroept strekt ter bescherming van het belang waarvoor die appellant in deze procedure kan opkomen. De Afdeling mag een besluit namelijk niet vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dat volgt uit het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. In deze uitspraak zal de Afdeling bij de bespreking van de verschillende beroepsgronden, indien nodig ingaan op het relativiteitsvereiste. Daaraan voorafgaand ziet de Afdeling aanleiding om ten aanzien van enkele appellanten in algemene zin enkele opmerkingen te maken over het relativiteitsvereiste in relatie tot de door hen aangevoerde beroepsgronden. Dit betreft de appellanten [appellant sub 26], Stal van Brenk en [appellant sub 27B], [appellant sub 13], [appellanten sub 12], [appellant sub 5], [appellanten sub 3] en Stichting Milieuzorg Zeist. [appellant sub 26] en Stal van Brenk en [appellant sub 27B]
  97. Zoals de Afdeling hiervoor onder 32.2 ten aanzien van [appellant sub 26] en onder 33.2 ten aanzien van Stal van Brenk en van der Horst heeft overwogen, is hun beroep ten aanzien van het tracébesluit 2022 weliswaar ontvankelijk, maar dient aan hen op het gebied van extern salderen het relativiteitsvereiste te worden tegengeworpen. Zo betogen zij dat door extern salderen de facto de hoeveelheid stikstof in het gebied waarin zij met hun agrarisch bedrijf werkzaam zijn zal toenemen, waardoor zij, als gevolg van deze feitelijke toevoeging van de hoeveelheid stikstof, in hun bedrijfsvoering kunnen worden geschaad. Deze bedrijfseconomische belangen zijn echter niet verweven met het algemene belang van het behoud van een goede staat van instandhouding van de betrokken Natura 2000-gebieden, welk belang de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) beoogt te beschermen. De Afdeling verwijst hierbij ter vergelijking naar overweging 41.2 van de eerste tussenuitspraak over het tracébesluit ViA
  98. Om die reden kan wat [appellant sub 26] en Stal van Brenk en [appellant sub 27B] over extern salderen hebben aangevoerd op grond van het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste niet leiden tot vernietiging van het tracébesluit
  99. Omdat de Afdeling, zoals hiervoor onder 32.2 en onder 33.2 is overwogen, verder geen aanleiding ziet de beroepsgronden van [appellant sub 26] en Stal van Brenk en [appellant sub 27B] over het tracébesluit 2022 inhoudelijk te bespreken, leidt dit tot het oordeel dat het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 26] en Stal van Brenk en [appellant sub 27B], gericht tegen het tracébesluit 2022, ongegrond is. [appellant sub 13]
  100. [appellant sub 13] woont in de wijk Oudwijk in Utrecht op ongeveer 750 m van het beginpunt van het tracé. Zij heeft in 2016 een zienswijze naar voren gebracht over het ontwerptracébesluit. Reeds om die reden is haar beroep gericht tegen het tracébesluit 2020 ontvankelijk. De beroepsgronden die [appellant sub 13] in haar beroepschrift naar voren brengt, hebben tot doel de kwaliteit van haar leefomgeving te behouden en te verbeteren. De Afdeling is echter van oordeel dat een afstand van 750 m tot het tracé, mede gelet op de omstandigheid dat [appellant sub 13] in stedelijk gebied woont en bij haar woning geen zicht heeft op het tracé, te groot is om te kunnen concluderen dat het tracébesluit gevolgen zal hebben voor de woon- en leefomgeving van [appellant sub 13]. De beroepsgronden die [appellant sub 13] naar voren heeft gebracht over de gevolgen van de verbreding van de weg ter hoogte van Amelisweerd voor verdrogingsgevoelige natuur, houden ook geen verband met haar leefomgeving. Dat komt omdat de afstand van haar woning tot beschermde natuurgebieden ook te groot is. Om die reden concludeert de Afdeling dat de normen waarop [appellant sub 13] zich in haar beroepschrift beroept, niet strekken tot de bescherming van de belangen waarvoor zij in deze procedure kan opkomen. Gelet hierop staat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in de weg aan een vernietiging van het tracébesluit naar aanleiding van de door haar aangevoerde beroepsgronden. De Afdeling zal deze beroepsgronden daarom in deze uitspraak niet inhoudelijk bespreken. Hierbij merkt de Afdeling op dat de door [appellant sub 13] aangevoerde omstandigheid dat zij een volkstuin in gebruik heeft op het complex ATV Stadion nabij de A27, geen aanleiding geeft de door haar aangevoerde beroepsgronden alsnog inhoudelijk te bespreken. De omstandigheid dat zij een volkstuin nabij het tracé bezit, heeft [appellant sub 13] pas aan de Afdeling medegedeeld naar aanleiding van het verzoek van de Afdeling om haar belang bij het tracébesluit nader toe te lichten. In haar beroepschrift gericht tegen het tracébesluit 2020 heeft [appellant sub 13] echter niet gewezen op de volkstuin en ook geen specifieke beroepsgronden naar voren gebracht die verband houden met de gevolgen van het tracébesluit voor haar volkstuin. De Afdeling ziet gelet op de omstandigheid dat, zoals hiervoor onder 19 is overwogen, in artikel 1.6a van de Chw is bepaald dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen nieuwe beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd, in de later door [appellant sub 13] genoemde omstandigheid dat zij een volkstuin nabij het tracé bezit geen aanleiding de door haar aangevoerde beroepsgronden alsnog inhoudelijk te bespreken. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 13] gericht tegen de tracébesluiten 2020 en 2022 ongegrond zijn. [appellanten sub 12]
  101. [appellant sub 12A] woont aan de [locatie 3] in Utrecht op ongeveer 1 km van het tracé. [appellant sub 12B] woont aan de [locatie 4] in Utrecht op ongeveer 750 m van het tracé. Deze afstanden zijn, mede gelet op de ligging van de woningen van [appellanten sub 12] in stedelijk gebied, in beginsel te ruim om te kunnen oordelen dat de tracébesluiten 2020 en 2022 gevolgen hebben voor de leefomgeving van [appellanten sub 12]. De Afdeling heeft [appellanten sub 12] hier voorafgaand aan de zitting schriftelijk op gewezen en hen in de gelegenheid gesteld hun belang voorafgaand aan de zitting nader toe te lichten. Hiervan hebben zij gebruik gemaakt. Hieronder gaat de Afdeling nader op de ontvangen reactie in. 39.
  102. [appellant sub 12B] heeft er in haar reactie op gewezen dat zij beroepsgronden naar voren heeft gebracht over de effecten van de aanpassing van de verdiepte ligging van de A27 ter hoogte van Amelisweerd op de grondwaterstand in haar woonomgeving. Zoals hieronder bij overweging 133 is aangegeven, is gelet op de ligging van de woning van [appellant sub 12B] niet geheel uitgesloten dat als gevolg van het verbreden van het tracé ter hoogte van Amelisweerd de grondwaterstand bij de woning van [appellant sub 12B] wijzigt. De beroepsgronden van [appellant sub 12B] die daarop betrekking hebben, zal de Afdeling daarom inhoudelijk bespreken. Omdat [appellant sub 12B] er belang bij heeft dat de mogelijke effecten op de grondwaterstand zich bij haar woning niet voordoen en zij daarmee belang heeft bij de tracékeuzes die zijn gemaakt, zal de Afdeling ook ingaan op de betogen van [appellant sub 12B] die betrekking hebben op het nut en de noodzaak van het tracé als ook op de mogelijke alternatievenafweging die in het kader van de tracékeuze is gemaakt en de beroepsgronden die hiermee verband houden (overwegingen 44 en verder over het milieueffectrapport, overwegingen 51.1 over nut en noodzaak en overwegingen 52 en verder over alternatieven). De Afdeling gaat niet inhoudelijk in op de overige beroepsgronden van [appellant sub 12A], zoals over de bomenkap ten gevolge van het tracé, een werkterrein nabij Lunet/de Koningsweg, effecten op het landschap en beschermde natuur en diersoorten, en de effecten van het tracé op het gebied van geluid, luchtkwaliteit en klimaat, omdat die betogen, gelet op de afstand tussen de woning van [appellant sub 12B] en de grens van het tracé, geen verband houden met de directe woon- en leefomgeving van [appellant sub 12A]. Om dezelfde reden bespreekt de Afdeling ook niet de inhoudelijke beroepsgronden van [appellant sub 12B] over stikstof en Natura 2000-gebieden die zij onder meer naar aanleiding van het tracébesluit 2022 naar voren heeft gebracht. De belangen die [appellant sub 12B] in dit verband in de nadere memorie van 22 juli 2024 heeft genoemd, zoals dat zij met de fiets regelmatig door en langs de natuur komt die volgens haar door het tracé wordt aangetast en dat zij zich om verschillende persoonlijke redenen verbonden voelt met de natuur en diersoorten, zoals de das, die volgens haar door het tracé worden aangetast, betekent niet dat sprake is van een persoonlijk belang waarvoor [appellant sub 12B] in deze procedure kan opkomen. Daarvoor is de afstand van haar woning tot de beschermde natuurgebieden en de afstand tot de locaties waar beschermde soorten voorkomen te groot. Ook gaat de Afdeling niet inhoudelijk in op de beroepsgronden die [appellant sub 12B] naar voren heeft gebracht in relatie tot de volkstuin die zij nabij het tracé bezit. Net zoals hiervoor onder 38 bij [appellant sub 13] is overwogen, geldt dat zij die beroepsgronden pas naar voren heeft gebracht naar aanleiding van het verzoek van de Afdeling om haar belang bij de tracébesluiten nader toe te lichten. Zoals hiervoor onder 19 is overwogen, verzet artikel 1.6a van de Chw zich ertegen deze na de beroepstermijn naar voren gebrachte beroepsgronden alsnog inhoudelijk te bespreken. 39.
  103. [appellant sub 12A] heeft er in zijn reactie op gewezen dat hij op ongeveer 400 m van de Noordelijke Randweg Utrecht (hierna: NRU) woont en dat de tracébesluiten 2020 en 2022 tot gevolg hebben dat de verkeersintensiteit op de NRU toeneemt, waarvan hij effecten kan ondervinden bij zijn woning. Dat als gevolg van de uitvoering van de tracébesluiten 2020 en 2022 sprake zal zijn van een verkeerstoename op de NRU blijkt uit de dossierstukken die [appellant sub 12A] noemt. De Afdeling acht niet uitgesloten dat [appellant sub 12A] hiervan mogelijk enige effecten kan ondervinden bij zijn woning. Om die reden zal de Afdeling de beroepsgronden van [appellant sub 12A] inhoudelijk beoordelen die betrekking hebben op het nut en de noodzaak van het tracé als ook op de mogelijke alternatievenafweging die in het kader van de tracékeuze is gemaakt en de beroepsgronden die hiermee verband houden (overwegingen 44 en verder over het milieueffectrapport, overwegingen 51.1 over nut en noodzaak en overwegingen 52 en verder over alternatieven). Ook gaat de Afdeling in op de effecten op het woon- en leefklimaat van [appellant sub 12A] (overweging 194). De Afdeling gaat niet inhoudelijk in op de beroepsgronden van [appellant sub 12A] over de bomenkap ten gevolge van het tracé, een werkterrein nabij Lunet/de Koningsweg en de effecten op het landschap en beschermde natuur en diersoorten, omdat die betogen, gelet op de afstand tussen de woning van [appellant sub 12A] en de grens van het tracé van ongeveer 1 km, geen verband houden met zijn directe woon- en leefomgeving. Om dezelfde reden bespreekt de Afdeling ook niet de inhoudelijke beroepsgronden van [appellant sub 12A] over stikstof in relatie tot Natura 2000-gebieden en beschermde diersoorten die hij onder meer naar aanleiding van het tracébesluit 2022 naar voren heeft gebracht. Op dit punt geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen voor [appellant sub 12A], namelijk dat de afstand van zijn woning tot de beschermde natuurgebieden en de afstand tot de locaties waar beschermde soorten voorkomen te groot is. [appellant sub 5]
  104. [appellant sub 5] woont aan de [locatie 5], in Utrecht, in een woonwijk in stedelijk gebied, op ongeveer 330 m van het tracé. [appellant sub 5] heeft onder meer beroepsgronden naar voren gebracht over de gevolgen voor natuurwaarden en landschappelijke en cultuurhistorische waarden van Amelisweerd, voor het Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000-gebieden en voor de otter die in Amelisweerd zou voorkomen. De woning van [appellant sub 5] staat op ruim 700 m afstand van het gebied Amelisweerd en het Natuurnetwerk Nederland. De afstand tot Natura 2000-gebieden is groter. De beroepsgronden die [appellant sub 5] over Amelisweerd en beschermde natuur naar voren heeft gebracht, houden daarom geen verband met zijn directe woon- en leefomgeving. Deze beroepsgronden zal de Afdeling daarom niet inhoudelijk bespreken. [appellanten sub 3]
  105. [appellanten sub 3] woonden samen aan de [locatie 6] in Utrecht ten zuiden van knooppunt Rijnsweerd, aan de westzijde van de A
  106. Deze woning is in artikel 4 van het tracébesluit 2020 opgenomen als te amoveren woning.
  107. De woning van [appellanten sub 3] is in 2017 al door de minister aangekocht om de realisatie van het tracé mogelijk te maken. [appellanten sub 3] stellen dat zij ongewild moeten verhuizen en betogen dat sprake is van een onzorgvuldige variantenafweging in de keuze om hun woning aan te merken als te amoveren object. Zij wijzen er daarbij ook op dat in de koopovereenkomst die zij met de minister voor hun woning hebben gesloten, is opgenomen dat artikel 61 van de Onteigeningswet van toepassing is. Dit betekent volgens hen dat wanneer het tracé niet wordt gerealiseerd hun woning zal worden teruggeleverd, aldus [appellanten sub 3]. Om die reden stellen zij er belang bij te hebben dat hun beroepsgronden over de variantenafweging inhoudelijk worden besproken. Die opvatting deelt de Afdeling, met de kanttekening dat in deze uitspraak alleen wordt ingegaan op de beroepsgronden van [appellanten sub 3] die verband houden met de vraag of hun woning behouden kan blijven. Het gaat dan om de betogen over het nut en de noodzaak van het tracé (overwegingen 51.1 en verder), alternatieven voor het tracé (overweging 52 en verder) en de betogen over de gemaakte keuzes op grond waarvan de woning van [appellanten sub 3] als te amoveren object is aangemerkt (overweging 146 en verder), als ook betogen die verband houden met de uitvoeringshinder tijdens de fase dat [appellanten sub 3] mogelijk nog hun woning aan de [locatie 6] bewonen (overweging 150). Overige betogen die geen verband houden met de vraag of de woning van [appellanten sub 3] behouden kan blijven, bespreekt de Afdeling echter niet inhoudelijk. De Afdeling verwijst naar overweging 149 waar hier nader op wordt ingegaan. Die betogen houden namelijk geen verband met de individuele situatie van [appellanten sub 3]. Op het moment dat moet worden geoordeeld dat hun woning als te amoveren object mocht worden aangemerkt, dan betekent dit immers dat [appellanten sub 3] niet nabij het tracé kunnen blijven wonen, maar naar elders moeten verhuizen. Niet gebleken is dat zij beschikken over een andere woning nabij het tracé, waardoor niet is gebleken dat zij na de realisatie van het tracé, wanneer hun woning is gesloopt, nog hinder kunnen ondervinden van het tracé. Stichting Milieuzorg Zeist
  108. De minister stelt dat het relativiteitsvereiste moet worden tegengeworpen wat betreft de beroepsgronden van Stichting Milieuzorg Zeist over Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Stichting Milieuzorg Zeist komt volgens haar statuten op voor onder meer het milieu, de leefomgeving, de natuur en het landschap binnen de gemeente Zeist en omstreken. Daarbij omvat het werkgebied van de stichting volgens de statuten in ieder geval de gemeente Zeist en aangrenzende gemeenten, maar is het werkgebied daartoe niet beperkt. Gelet op deze statuten van de stichting staat het relativiteitsvereiste naar het oordeel van de Afdeling niet aan vernietiging van het tracébesluit in de weg vanwege de beroepsgronden van Stichting Milieuzorg Zeist over Natura 2000-gebieden en het NNN. Dit betekent dat de beroepsgronden van Stichting Milieuzorg Zeist die daarop zien, inhoudelijk besproken zullen worden. PROCEDUREEL MER-PROCEDURE
  109. Vereniging Leefmilieu en anderen betogen dat het milieueffectrapport (hierna: MER) dat aan de tracébesluiten 2020 en 2022 ten grondslag ligt, is verouderd. Zij verwijzen hierbij naar artikel 7.36a, tweede lid, van de Wet milieubeheer, waar is bepaald dat het bevoegd gezag het besluit niet mag nemen indien de gegevens die in het MER zijn opgenomen redelijkerwijs niet meer aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd. Volgens Vereniging Leefmilieu en anderen zijn sinds het opstellen van het MER onder meer de verkeersgegevens, klimaatregelen en onderzoeken naar alternatieven wezenlijk gewijzigd. Zij wijzen er hierbij ook op dat het MER is geactualiseerd ten behoeve van het tracébesluit 2020, maar niet opnieuw ten behoeve van het tracébesluit
  110. Omdat aan het tracébesluit 2022 een nieuwe passende beoordeling ten grondslag ligt waarbij een ADC-toets is toegepast, had volgens hen voorafgaand aan de vaststelling van het tracébesluit 2022 het MER opnieuw moeten worden geactualiseerd en voor advies moeten worden voorgelegd aan de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie m.e.r.). Stichting Milieuzorg Zeist stelt zich op een vergelijkbaar standpunt en betoogt dat in het MER de passende beoordeling en de daarmee samenhangende alternatievenafweging in het kader van de ADC-toets onvoldoende tot uitdrukking zijn gekomen. Dat de Commissie m.e.r. onvoldoende betrokken is geweest bij de totstandkoming van de tracébesluiten 2020 en 2022 wordt ook gesteld door [appellanten sub 12]. Zij betogen in dit verband dat de Commissie m.e.r. ook niet de beschikking had over alle informatie om een volwaardig advies te kunnen uitbrengen. [appellant sub 5] betoogt onder verwijzing naar de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 2 december 2020 dat aan het tracébesluit 2020 geen volwaardige MER ten grondslag ligt. 44.
  111. In deze procedure is het MER opgesteld in verschillende fasen. In 2010 is het rapport "MER 1e fase Ring Utrecht" opgesteld en in 2016 het rapport "MER A27/A12 Ring Utrecht Tweede Fase". Vervolgens is voorafgaand aan de vaststelling van het tracébesluit 2020 het MER geactualiseerd met het rapport "MER Actualisatie A27/A12 Ring Utrecht 2020". De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze actualisatie ontoereikend zou zijn en dat aan het tracébesluit 2020 een verouderd MER ten grondslag zou liggen. Voorafgaand aan de vaststelling van het tracébesluit 2022 is het MER niet meer opnieuw geactualiseerd. De Afdeling volgt appellanten niet in hun opvatting dat het tracébesluit 2022 om die reden een gebrek bevat. De enkele omstandigheid dat een gewijzigd tracébesluit met een nieuwe passende beoordeling is opgesteld betekent namelijk niet automatisch dat het MER moet worden geactualiseerd. Een geactualiseerd MER kan wel vereist zijn als het tracébesluit 2022 leidt tot wijzigingen op grond waarvan de gegevens die in het eerdere MER zijn opgenomen zonder actualisatie redelijkerwijs niet meer toereikend zijn om aan het tracébesluit 2022 ten grondslag te kunnen worden gelegd. Daarvoor ziet de Afdeling in dit geval echter geen aanleiding. Naast het feit dat, zoals hiervoor onder 21.2 is overwogen, het tracébesluit 2022 geen wijzigingen in de tracéligging bevat, lag ook al aan het tracébesluit 2020 een passende beoordeling ten grondslag waarin toepassing was gegeven aan de door appellanten genoemde ADC-toets. Deze passende beoordeling is meegenomen in de MER Actualisatie uit
  112. In paragraaf 3.5 van die actualisatie is geconcludeerd dat de passende beoordeling die aan het tracébesluit 2020 ten grondslag is gelegd niet leidt tot andere inzichten ten opzichte van het MER uit
  113. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat die conclusie anders is als gevolg van de nieuwe passende beoordeling die aan het tracébesluit 2022 ten grondslag is gelegd. De in paragraaf 3.5 van de MER Actualisatie uit 2020 genoemde redenen, op basis waarvan in het MER de toename aan stikstofdepositie als neutraal is beoordeeld, gelden ook voor de passende beoordeling die aan het tracébesluit 2022 ten grondslag ligt. Daarnaast is de uitgevoerde ADC-toets, wat betreft de alternatieven en dwingende redenen van groot openbaar belang waarnaar appellanten in het kader van het MER specifiek verwijzen, in het tracébesluit 2020 inhoudelijk vrijwel identiek aan de ADC-toets bij het tracébesluit
  114. De Afdeling verwijst naar paragraaf 9.4 van de toelichting bij het tracébesluit 2020 en paragraaf 2.6 van de toelichting bij het tracébesluit
  115. De Afdeling ziet om die reden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het tracébesluit 2022 had moeten leiden tot een nieuw of geactualiseerd MER. 44.
  116. De Commissie m.e.r. is in de fase voorafgaand aan de totstandkoming van het tracébesluit 2020 verschillende keren om advies gevraagd, waaronder over de eerste en tweede fase van het MER en de actualisatie van het MER in
  117. De opvatting van appellanten dat de Commissie m.e.r. ook betrokken had moeten worden bij de vaststelling van het tracébesluit 2022 volgt de Afdeling niet, reeds omdat, zoals hiervoor is overwogen, geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het tracébesluit 2022 had moeten leiden tot een nieuw of geactualiseerd MER. Ook ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Commissie m.e.r. en de adviezen van deze commissie onvoldoende zijn betrokken bij de vaststelling van het tracébesluit
  118. Over het geactualiseerde MER uit 2020 heeft de Commissie m.e.r. twee keer advies uitgebracht. In april 2020 en daarna in juli 2020 over de aanvulling op het geactualiseerde MER. Het is weliswaar juist dat in het laatste advies van juli 2020 door de Commissie m.e.r. nog een aantal tekortkomingen is gesignaleerd in het geactualiseerde MER, maar daar is nader op ingegaan in het rapport "MER Actualisatie A27/A12 Ring Utrecht 2020" van november
  119. Wettelijk is niet vereist dat de wijze waarop de minister op het advies van de Commissie m.e.r. heeft gereageerd opnieuw voor advies aan de Commissie m.e.r. wordt voorgelegd. Appellanten hebben ook niet geconcretiseerd op welke punten de reactie van de minister in het geactualiseerde MER naar aanleiding van het laatste advies van de Commissie m.e.r. tekortschiet. Om die reden ziet de Afdeling geen aanleiding de minister niet te volgen in zijn opvatting dat de actualisatie van het MER voldoende informatie bevat om het milieubelang volwaardig te kunnen meewegen. Hiervoor ziet de Afdeling, anders dan [appellant sub 5] betoogt, ook geen aanknopingspunten in de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 2 december
  120. 44.
  121. Dat volgens [appellanten sub 12] de Commissie m.e.r. niet over alle stukken beschikte, is in die zin juist dat in het advies uit april 2020 staat dat ten aanzien van de bouwmethode bij de verdiepte ligging een deel van de informatie is opgenomen in een vertrouwelijk risicodossier, welk dossier de commissie niet heeft ontvangen. In het advies uit april 2020 wordt door de commissie geconcludeerd dat informatie ontbreekt over de uitgangspunten en randvoorwaarden waarbinnen is gezocht naar een bouwmethode met een beheersbaar risicoprofiel. Dit heeft de minister nadien hersteld, zo blijkt uit het nadere advies van de commissie van juli
  122. Uit dit laatste advies blijkt niet meer dat de commissie in het kader van het onderzoek naar de bouwmethode bij de verdiepte ligging niet over alle benodigde informatie beschikte. 44.
  123. De betogen slagen niet.
  124. Ook [appellanten sub 3] betogen dat het MER dat is opgesteld onvolledig is en moet worden herzien. Hun betogen op dit punt houden verband met de vraag of hun woning in het tracébesluit 2020 mocht worden opgenomen als te amoveren object. Op deze betogen gaat de Afdeling onder 146 en verder nader in. NUT EN NOODZAAK De onderbouwing van de minister over het nut en de noodzaak van de tracébesluiten 2020 en 2022
  125. Voordat de Afdeling ingaat op de beroepsgronden over het nut en de noodzaak van de tracébesluiten 2020 en 2022, gaat de Afdeling hieronder eerst in op wat in de stukken bij het tracébesluit 2020 is vermeld over het doel van dat besluit.
  126. Zoals hiervoor onder 12 is overwogen, heeft het tracébesluit 2020 een meerledige doelstelling, bestaande uit het verbeteren van de verkeersdoorstroming, de verkeersveiligheid en de kwaliteit van de leefomgeving. Verkeersdoorstroming en robuustheid en toekomstvastheid van het wegennet
  127. Over de verkeersdoorstroming staat in de toelichting op het tracébesluit 2020 dat op het autosnelwegennet rond Utrecht vrijwel dagelijks lange files staan, onder meer door het ingewikkelde systeem van drie kort bij elkaar liggende grote knooppunten (Rijnsweerd, Lunetten en Oudenrijn) met daartussen veel op- en afritten en weefvakken, waarbij niet overal een vluchtstrook aanwezig is. Er zijn veel punten waar het verkeer weefbewegingen moet maken, wat geregeld leidt tot verstoringen die zich ontwikkelen tot lange files. Uit tabel 2.1 van de toelichting op het tracébesluit 2020 volgt dat verschillende wegvakken van het tracé zijn opgenomen in de file top 50, waarbij met name dagelijks files staan tussen Zeist, Utrecht-Science Park en knooppunt Rijnsweerd. Dit komt door de verschillende weefbewegingen op deze trajecten als ook door de zogenoemde Varkensbocht op de verbindingsweg van de A28-Amersfoort naar de A27-Breda. De zogenoemde Varkensbocht biedt beperkt overzicht en bevat een helling in een krappe bocht wat vanwege het terugvallen van de rijsnelheid een bron van congestie vormt, aldus de toelichting. 48.
  128. De problemen met de verkeersdoorstroming zijn nader toegelicht in de Oplegnotitie Verkeer
  129. Daarin staat dat tussen nu en 2040 het autoverkeer groeit vanwege de algemene economische groei en regionale ontwikkelingen. Daarnaast zorgt het gereedkomen van een aantal infrastructurele projecten in het land ervoor dat meer verkeer richting Utrecht stroomt. Uit de cijfers die zijn weergegeven in paragraaf 3.3 van de Oplegnotitie blijkt dat de prognoseberekeningen laten zien dat het aantal afgelegde kilometers in het studiegebied tussen 2014 en 2040 met 42% toeneemt. Van deze toename is in de periode tot 2019/2020 ongeveer een kwart gerealiseerd. Deze ontwikkelingen leiden volgens de toelichting tot een zodanige druk op het wegennet dat er in 2040 sprake zal zijn van aanzienlijke problemen ten aanzien van de verkeersdoorstroming op de A27, A28 en A12 langs Utrecht, waardoor in de gehele regio de bereikbaarheid afneemt. Zo staat in tabel 3-5 van de Oplegnotitie dat in 2040 zonder uitvoering van het tracébesluit het aantal voertuigverliesuren per etmaal in het studiegebied met een factor 3,7 toeneemt van 282 naar
  130. Ook is een vergelijking gemaakt met de zogenoemde NoMo-reistijdfactoren. Dit zijn streefwaarden afkomstig uit de Nota Mobiliteit en diens opvolger, de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Voor de A27 Utrecht-Noord naar knooppunt Lunetten wordt voor de reistijdfactor een streefwaarde gehanteerd van 2,
  131. Dit betekent dat in de spits de reisduur op dit traject volgens het beleid maximaal 2x zo lang mag zijn als in een ongestoorde situatie. Uit tabel 3-6 van de Oplegnotitie blijkt dat in 2040 zonder het tracébesluit de reistijdfactor op het traject A27 Utrecht-Noord naar knooppunt Lunetten ruim boven de streefwaarde ligt, namelijk op 2,5 in de ochtendspits en op 2,3 in de avondspits. Hier zit het belangrijkste doorstromingsknelpunt dat het project beoogt op te lossen. Een overschrijding van de reistijdfactor doet zich ook voor op het traject knooppunt Hoevelaken - knooppunt Rijnsweerd. 48.
  132. Na de realisatie van het tracébesluit 2020 zal volgens de Oplegnotitie Verkeer 2020 een verbetering van de verkeersdoorstroming op de Ring Utrecht ontstaan. Zo wordt blijkens tabel 3-10 van de Oplegnotitie Verkeer 2020 op de trajecten binnen het studiegebied waar zich zonder het tracébesluit overschrijdingen van de streefwaarde voor de NoMo-reistijdfactoren voordoen, na de realisatie van het tracébesluit alsnog aan die streefwaarde voldaan. Daarnaast blijkt uit tabel 3-9 van de Oplegnotitie Verkeer 2020 dat het aantal voertuigverliesuren op het projecttracé in de projectsituatie afneemt met 61%. Weliswaar blijkt uit die tabel ook dat buiten het projecttracé de verliestijd met 11% toeneemt, maar deze toename van de verliestijd is volgens de Oplegnotitie echter in absolute zin een stuk kleiner dan de grote winst op het projecttracé. Hierbij is, zo blijkt uit tabel 3-8, van de Oplegnotitie Verkeer 2020 rekening gehouden met de verkeersaantrekkende werking die de uitvoering van het tracébesluit 2020 tot gevolg heeft. Volgens tabel 3-8 neemt als gevolg van de verkeersaantrekkende werking het aantal voertuigkilometers op het hoofdwegennet in het studiegebied met 3% toe. Ondanks deze verkeersaantrekkende werking, neemt volgens tabel 3-9 van de Oplegnotitie Verkeer 2020 het aantal voertuigverliesuren op het hoofdweggenet in de projectsituatie af en verbetert daarmee de verkeersdoorstroming op het hoofdwegennet. Dit vanwege de wegaanpassingen waarin het tracébesluit 2020 voorziet. 48.
  133. Door de grotere capaciteit van de wegvakken ontstaat naast een verbetering van de verkeersdoorstroming, volgens de Oplegnotitie Verkeer 2020, ook een toekomstvaster en robuuster verkeerssysteem. Zo is er meer restcapaciteit op het hoofdwegennet en minder kans op verstoringen, vanwege de grotere capaciteit van de wegvakken als ook doordat de ruimere aanwezigheid van vluchtstroken extra mogelijkheden biedt om het verkeer langs stremmingen te leiden. Daarnaast zorgt de rijbaanscheiding ervoor dat de situatie waarin één incident het hele systeem blokkeert niet meer kan voorkomen, zo staat in de Oplegnotitie. Verkeersveiligheid
  134. Naast dat veel weefbewegingen leiden tot files en daarmee tot problemen in de verkeersdoorstroming, leiden weefbewegingen ook tot verkeersveiligheidsrisico’s in de vorm van ongevallen. Het tracébesluit 2020 heeft met het ontvlechten en verbreden van de wegvakken daarmee ook tot doel de verkeersveiligheid te verbeteren. Daarbij is in de toelichting specifiek gewezen op twee locaties die vanuit de verkeersveiligheid ongewenst zijn, namelijk de eerdergenoemde Varkensbocht en de oostelijke rijbaan van de A27 in de verdiepte ligging langs Amelisweerd, waar de A27 twee smallere rijstroken heeft en waar een vluchtstrook ontbreekt. Met de uitvoering van de tracébesluiten 2020 en 2022 komt de Varkensbocht te vervallen, krijgen alle rijbanen in de verdiepte ligging langs Amelisweerd een vluchtstrook en worden de zwaar belaste weefvakken op de A27 tussen knooppunten Rijnsweerd en Lunetten omgebouwd tot een veiliger structuur. Onderliggend wegennet
  135. Verder blijkt uit tabel 3-8 van de Oplegnotitie Verkeer 2020 dat, als gevolg van de verkeersaantrekkende werking op het hoofdwegennet, het onderliggende wegennet in de projectsituatie minder verkeer afwikkelt. Daardoor ontstaat er op het onderliggend weggennet meer ruimte voor andere weggebruikers, zoals fietsers en OV-gebruikers, en verbetert daarmee ook de verkeersveiligheid en leefbaarheid op dat onderliggend wegennet, aldus de Oplegnotitie. De beroepsgronden over het nut en de noodzaak van de tracébesluiten 2020 en 2022
  136. Vereniging Leefmilieu en anderen wijzen erop dat de hiervoor vermelde cijfers over de toekomstige verkeersintensiteit zijn gebaseerd op het zogenoemde hoge economische groeiscenario WLO2-scenario Hoog. Volgens hen zijn de laatste jaren de verkeersprognoses echter fors naar beneden bijgesteld. Wanneer van een lagere verkeersgroei wordt uitgegaan overeenkomstig het lagere economische groeiscenario, is de kans op filevorming minimaal en kan daarmee worden getwijfeld aan het nut en de noodzaak van de tracébesluiten 2020 en 2022, aldus Vereniging Leefmilieu en anderen. Zij voeren in dit verband ter onderbouwing de volgende punten aan. Allereerst wijzen Verenging Leefmilieu en anderen op de effecten van de coronacrisis. Uit bijlage A bij de Oplegnotitie Verkeer 2020, waar is ingegaan op de effecten van de coronacrisis op de mobiliteitsomvang, volgt volgens hen dat de verwachting is dat de verkeersgroei zich na de coronacrisis eerder zal ontwikkelen via het zogenoemde WLO2-scenario Laag, dan via het WLO2-scenario Hoog. Ook wijzen Vereniging Leefmilieu en anderen op verschillende ontwikkelingen die de komende 20 jaar worden verwacht en die volgens hen tot gevolg hebben dat het aantal autokilometers en daarmee de congestie verder zullen afnemen. Zij noemen in dit verband de kilometerheffing, de vrachtwagenheffing, de Europese ‘Green deal’, waarin is afgesproken driekwart van het goederentransport te verplaatsen van de weg naar het spoor en het water, en de afspraak in het Klimaatakkoord om het aantal zakelijke autokilometers in 2030 met 8 miljard te verminderen ten opzichte van
  137. Daarnaast wijzen Vereniging Leefmilieu en anderen op het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Ruimte (MIRT), in welk kader onder meer de aanleg van een nieuwe ov-verbinding tussen Leidsche Rijn en Utrecht Science Park, een snelle ov-verbinding tussen Utrecht Centraal en Nieuwegein en het versterken van station Lunetten-Koningsweg aan de orde zijn. Ook wordt naast het MIRT de mogelijkheid voor een nieuwe ov-verbinding tussen Utrecht Science Park en Zeist onderzocht, aldus Vereniging Leefmilieu en anderen. Verder wijzen zij op het Mobiliteitsplan van de gemeente Utrecht 2040, waarin onder meer wordt ingezet op anders reizen via bijvoorbeeld het openbaar vervoer en de fiets. Al deze ontwikkelingen hebben, net als de coronacrisis, tot gevolg dat het WLO2-scenario Laag waarschijnlijker moet worden geacht dan het WLO2-scenario Hoog, aldus Vereniging Leefmilieu en anderen. In hun zienswijze over het STAB-advies en het tracébesluit 2022 betogen Vereniging Leefmilieu en anderen ter nadere onderbouwing dat de verkeersprognoses in het voorjaar van 2021 al fors naar beneden zijn bijgesteld. Verschillende trajecten uit het projectgebied staan volgens hen steeds lager in de file top 10 en top 50 en zullen naar verwachting hieruit verdwijnen. Ook in hun nadere stukken betogen Vereniging Leefmilieu en anderen dat de meest recente verkeerscijfers laten zien dat het verkeer zich ontwikkelt via het WLO2-scenario Laag. Zij hebben in dit verband een memo van Geetacs van 6 oktober 2024 overgelegd, welke memo volgens hen aantoont dat ook eerdere jaren laten zien dat de verkeersgroei zich ontwikkelt via het lage groeiscenario. Wanneer wordt uitgegaan van een verkeersgroei overeenkomstig het lagere groeiscenario is het volgens Vereniging Leefmilieu en anderen niet rendabel om het tracébesluit te realiseren. Zij verwijzen hierbij naar de maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) die het bureau Decisio in 2014 in opdracht van de minister heeft opgesteld (hierna: MKBA Ring Utrecht). Uit het rapport MKBA Ring Utrecht volgt volgens Vereniging Leefmilieu en anderen dat in het geval dat wordt uitgegaan van het lage economische groeiscenario RC, het gekozen voorkeursalternatief niet rendabel is, omdat de kosten hoger zijn dan de baten. Zij wijzen er daarbij ook op dat in de naar aanleiding van dit rapport door het Centraal Planbureau opgestelde second opinion (hierna: Second Opinion MKBA Ring Utrecht) wordt aanbevolen om

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.