(2)(Geluidsterkte en decibelschaal) van het Audiologieboek van de Nederlandse Vereniging voor Audiologie waarin is vermeld dat een geluidsterkte van 40 dB vergelijkbaar is met heel zachte spraak in een rustige kamer en een geluidsterkte van 60 dB met normale spraak op een afstand van 1 meter. Er is sprake van een planologische verslechtering, maar er is nog wel steeds sprake van een relatief laag geluidsniveau dat passend is binnen een rustige woonwijk. Thorbecke kwalificeert de mate van toename van geluidhinder gelet op het voorgaande niet langer op beperkt, maar op middelzwaar. Als gevolg hiervan heeft de taxateur van Thorbecke de waarde van de woning voorafgaand aan de planologische wijziging op € 360.000,- getaxeerd en na de planologische wijziging op € 322.000,-, zodat de planschade € 38.000,- bedraagt. Gelet op de uitspraak van de rechtbank gaat daar nog 3% normaal maatschappelijk risico van af. Dit betekent dat € 27.200,- voor tegemoetkoming in aanmerking komt, aldus Thorbecke.
- De besluiten van 12 en 16 april 2024 worden, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19 eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
- [appellant sub 1] en Klein Piershil kunnen zich niet verenigen met de nieuwe besluiten en hebben daartegen gronden aangevoerd. Gronden tegen nieuwe besluiten op bezwaar Thorbecke als adviseur
- [appellant sub 1] betoogt tevergeefs dat het college niet weer gebruik had mogen maken van Thorbecke. Dat Thorbecke al eerder advies heeft uitgebracht in deze zaak, betekent niet dat Thorbecke nu niet, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, wederom advies heeft mogen uitbrengen of dat zij dan niet meer onafhankelijk ten opzichte van het college zou zijn. Planvergelijking: slagschaduw, veiligheid en gezondheid
- Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat Thorbecke de hinder als gevolg van slagschaduw en het veiligheidsaspect in het advies van 11 maart 2024 onjuist heeft ingeschat, geldt het volgende. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853, onder r.o. 12), is in de rechtspraak van de Afdeling de mogelijkheid begrensd om nieuwe gronden aan te dragen in een beroep tegen een nieuw besluit dat genomen wordt nadat een eerder besluit is vernietigd. Die begrenzing houdt in dat geen gronden kunnen worden aangevoerd tegen het nieuwe besluit als die al tegen het oorspronkelijke besluit aangevoerd hadden kunnen worden. Gronden hadden niet eerder kunnen worden aangevoerd als bijvoorbeeld het nieuwe besluit de partij in een nadeligere positie brengt ten opzichte van het oorspronkelijke besluit en die gronden daarover gaan. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 1] in hoger beroep niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank over slagschaduw en veiligheid. Nu de door Thorbecke gemaakte planvergelijking op het gebied van slagschaduw en veiligheid niet is gewijzigd ten opzichte van het eerdere door haar opgestelde advies en [appellant sub 1] door de planvergelijking op het gebied van slagschaduw en veiligheid dus niet in een nadeliger positie is komen te verkeren ten opzichte van het eerdere besluit op bezwaar, dienen deze gronden buiten beschouwing te blijven.
- Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de negatieve gezondheidseffecten van de windturbines, verwijst de Afdeling naar haar hiervoor onder 11.1 en 11.2 gegeven oordeel. Gelet hierop, slaagt dit betoog niet. Planvergelijking: geluidhinder
- [appellant sub 1] betoogt verder dat Thorbecke bij de bepaling van de geluidsbelasting onder het nieuwe planologische regime ten onrechte is uitgegaan van de jaargemiddelden. Volgens hem moet in het kader van de planologische situatie worden uitgegaan van de maximaal mogelijke geluidsoverlast. Bovendien heeft Thorbecke bij het in kaart brengen van de geluidsoverlast onder het nieuwe regime geen rekening gehouden met de meest ongunstige weersomstandigheden. Zo is het geluidsniveau in 2019 gemeten gedurende windstille nachten en was het ook op de dag van de opname rustig weer, aldus [appellant sub 1]. Ook heeft Thorbecke niet onderbouwd waarom hij het omgevingsgeluid in de nacht onder het oude planologische regime met 5 dB heeft verhoogd, nu ’s nachts niet op de agrarische percelen wordt gewerkt en er ook weinig verkeer is. 25.
- Zoals hiervoor onder 13.1 uiteen is gezet, volgt uit de notitie "Maximaal momentaan geluidsniveau" van adviesbureau Bosch & Van Rijn van 3 april 2017 dat het in de praktijk vrijwel niet zal voorkomen dat ter plaatse van een woning waar aan de wettelijke jaargemiddelde geluidnorm van 47 dB Lden wordt voldaan, ook daadwerkelijk een geluidsniveau van 47 dB zal optreden, ook niet bij hogere windsnelheden. Dit betekent dat de betogen dat Thorbecke bij de bepaling van de geluidsbelasting onder het nieuwe planologische regime ten onrechte is uitgegaan van de jaargemiddelden en dat zij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de meest ongunstige weersomstandigheden, alleen al daarom niet slagen. 25.
- Thorbecke heeft in het advies van 11 maart 2024 uiteengezet dat uit de geluidsmetingen die de Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid gedurende de nachtelijke uren in 2018 en 2019 heeft gedaan op vier specifieke in de buurt van het plangebied gelegen adressen, is geconcludeerd dat het geluidsniveau zonder de windturbines in de woonwijk rond de 25/26 dB lag. Omdat dit een feitelijk geluidsonderzoek betreft dat geen rekening houdt met de planologisch mogelijke geluidsbronnen in de omgeving, heeft Thorbecke zich op het standpunt gesteld dat het, gelet op de ligging van de woning aan een doorgaande weg, naast een agrarisch bedrijfsperceel en in de nabijheid van andere buurpercelen, reëel is te stellen dat doorgaans meer omgevingsgeluid gemiddeld in de nacht aanwezig zal zijn. Om die reden is Thorbecke ervan uitgegaan dat het gemiddelde achtergrondgeluidsniveau circa 5 dB in de nacht hoger zal zijn dan is gemeten. Daarbij heeft Thorbecke ter illustratie gewezen naar één van de metingen op positie 2 ([locatie 2]), waar op dat moment een koeling die aan stond te horen was en waardoor de geluidstoename 8 dB bedroeg. Gelet op deze uiteenzetting, volgt de Afdeling [appellant sub 1] niet in zijn betoog dat Thorbecke onvoldoende zou hebben onderbouwd waarom zij de geluidsbelasting onder het oude planologische regime 5 dB hoger heeft ingeschat dan uit de metingen volgt. Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
- [appellant sub 1] betoogt ook dat nu Thorbecke in het advies van 11 maart 2024 heeft geconcludeerd dat er niet langer sprake is van beperkte toename van geluidhinder, maar van een middelzware toename van geluidhinder, zij ook haar conclusie dat sprake is van een zwaar planologisch nadeel had moeten aanpassen. De conclusie had moeten zijn dat sprake is van een zeer zwaar planologisch nadeel, aldus [appellant sub 1]. 26.
- Ook dit betoog slaagt niet. Dat Thorbecke in het advies van 11 maart 2024 de toename van de geluidhinder iets zwaarder heeft ingeschat dan in het advies van 2 juli 2021 (van ‘beperkt’ naar ‘middelzwaar’), betekent niet automatisch dat het planologisch nadeel dan als zeer zwaar moet worden aangemerkt. De conclusie over de zwaarte van het planologisch nadeel was op meer dan alleen de geluidhinder gebaseerd. Uit het advies van Thorbecke blijkt immers dat de kwalificatie dat sprake is van zwaar planologisch nadeel ook is gebaseerd op de aantasting van de situeringswaarde en de vermindering van het uitzicht.
- Klein Piershil betoogt dat Thorbecke ten onrechte uit is gegaan van feitelijke metingen in plaats van een maximale invulling. Verder betoogt zij dat Thorbecke er ten onrechte van uit is gegaan dat de woning van [appellant sub 1] is gelegen in een (rustige) woonwijk. De woning grenst direct aan agrarische gronden en een agrarische bedrijfswoning. 27.
- Zoals hiervoor onder 25.2 uiteen is gezet, heeft Thorbecke in haar advies uiteen gezet dat bij de geluidsmetingen geen rekening is gehouden met de planologisch mogelijke geluidsbronnen in de omgeving en heeft zij onderbouwd dat zij daarom uit is gegaan van een geluidsbelasting die 5 dB hoger is dan is gemeten. Thorbecke is, anders dan Klein Piershil stelt, niet enkel uitgegaan van feitelijke metingen. 27.
- Thorbecke heeft in haar advies van 11 maart 2024 uiteengezet dat de woning is gelegen aan de rand van landelijk gebied/in een woonwijk met weinig verkeer. Daarbij heeft Thorbecke betrokken dat rondom de woning sprake was diverse omgevingsgeluiden, zoals het geluid van voorbijrijdende voertuigen, geluiden door bedrijfsmatig agrarische activiteiten en geluiden van omliggende buurpercelen aan de Oudendijk, waaronder een bedrijfsperceel. Dat deze kwalificatie desalniettemin onjuist zou zijn, heeft Klein Piershil niet aannemelijk gemaakt. 27.
- De betogen slagen niet. Taxatie
- [appellant sub 1] betoogt ten slotte dat de taxateur van Thorbecke niet heeft onderbouwd hoe hij tot de waarde van de woning na de planologische wijziging van € 322.000,- is gekomen. 28.
- Dit betoog slaagt niet. De taxateur van Thorbecke is bij zijn taxatie uitgegaan van de planvergelijking zoals gemaakt door de adviseur van Thorbecke. De taxateur heeft de woning inpandig opgenomen. Voor de taxatie is gebruikgemaakt van de comparatieve methode en is gekeken naar drie referentieobjecten die in de buurt van de woning zijn gelegen en die een verkoopdatum hebben die zo dichtbij mogelijk de peildatum van 7 november 2016 is gelegen. Hiermee heeft de taxateur voldoende onderbouwd hoe hij tot de waarde van € 322.000,- is gekomen. Wettelijke rente
- Klein Piershil betoogt ten slotte dat het college ten onrechte heeft gesteld dat [appellant sub 1] recht heeft op een aanvullend bedrag van € 2.271,-. Op grond van het besluit van 20 juli 2021 had [appellant sub 1] recht op een bedrag van € 27.800,-, exclusief wettelijke rente. Dit bedrag is ook al aan hem betaald, samen met de tot dat moment over dat bedrag verschuldigde rente. Op grond van het besluit van 12 april 2024 heeft [appellant sub 1] niet langer meer recht op € 27.800,-, exclusief wettelijke rente, maar op € 27.200,- exclusief wettelijke rente. Nu dit bedrag lager is, heeft [appellant sub 1] geen recht op een aanvullend bedrag, aldus Klein Piershil. 29.
- Op de zitting is door het college erkend dat er een fout is gemaakt bij de berekening van de wettelijke rente. Gelet hierop slaagt dit betoog. Conclusie beroepen [appellant sub 1] en Klein Piershil
- Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het beroep van Klein Piershil is gegrond. De besluiten van 12 april 2024 en 16 april 2024 moeten worden vernietigd, voor zover het betreft de berekening van de wettelijke rente. De Afdeling zal het college opdragen opnieuw te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat het college de wettelijke rente opnieuw dient te berekenen. Proceskosten
- Omdat het hoger beroep van het college ongegrond is, moet het de proceskosten die [appellant sub 1] in het kader van dit hoger beroep heeft gemaakt, vergoeden. Omdat het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond is, moet het college ook de proceskosten die [appellant sub 1] in dit kader heeft gemaakt, vergoeden. Het betreft één punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, één punt voor het indienen van de schriftelijke uiteenzetting en één punt voor het verschijnen ter zitting. De waarde van een punt is € 907,-, zodat de totale vergoeding € 2.721,- bedraagt.
- Omdat het beroep van rechtswege van [appellant sub 1] ongegrond is, hoeft het college de proceskosten die [appellant sub 1] in het kader van dit beroep heeft gemaakt, niet te vergoeden. Het beroep van rechtswege van Klein Piershil is gegrond. Dat betekent dat het college de proceskosten die zij in het kader van dit beroep heeft gemaakt, dient te vergoeden. Het betreft het indienen van een zienswijze (0,5 punt) en het verschijnen op de zitting bij de Afdeling (1 punt), dus in totaal 1,5 punt. De waarde per punt is € 907,- en dus in totaal 1,5 x € 907,- = € 1.360,
- Klein Piershil heeft dezelfde zienswijze ingediend in de acht zaken die de Afdeling ook gelijktijdig op de zitting van 31 maart 2025 heeft behandeld. Deze acht zaken kunnen worden aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Dit betekent dat het bedrag op grond van het Bpb met factor 1,5 moet worden vermenigvuldigd en dat Klein Piershil in deze zaak recht heeft op 1/8 van dat bedrag. In totaal bedraagt dit € 255,
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland ongegrond; II. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 september 2023 in zaak nr. 22/2737 en 22/3028, voor zover de rechtbank het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland daarin niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gemaakte deskundigenkosten; IV. bevestigt deze uitspraak voor het overige; V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van de door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gemaakte deskundigenkosten ten bedrage van € 1.933,63, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; VI. verklaart het beroep van rechtswege van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ongegrond; VII. verklaart het beroep van rechtswege van Klein Piershil B.V. gegrond; VIII. vernietigt het besluit van 12 april 2024, met kenmerk PZH-2024-851757843, voor zover het betreft de berekening van de wettelijke rente; IX. vernietigt het besluit van 16 april 2024, met kenmerk PZH-2024-852075989, voor zover het betreft de berekening van de wettelijke rente; X. draagt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; XI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; XII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij Klein Piershil B.V. in verband met het beroep van rechtswege opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 255,09; XIII. bepaalt dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,- vergoedt, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; XIV. bepaalt dat van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een griffierecht van € 548,- wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. H. Benek en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier. w.g. Van Ravels voorzitter w.g. Ouwehand griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2025 752