ECLI:NL:RVS:2025:2310
202203181/1/A2.
Datum uitspraak: 21 mei 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd in [plaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 april 2022 in zaak nr. 20/3173 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeesters en wethouders van Utrecht (hierna: het college).
Procesverloop Bij besluit van 18 juli 2019 heeft het college [appellante] een schriftelijke aanwijzing gegeven wegens overtreding van de Wet kinderopvang (hierna: Wko).
Bij besluit van 20 augustus 2019 heeft het college [appellante] een bestuurlijke boete ter hoogte van € 73.000,00 opgelegd.
Bij besluit van 22 juli 2020 heeft het college het tegen het besluit van 18 juli 2019 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het tegen het besluit van 20 augustus 2019 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de opgelegde boete gematigd tot € 65.500,00.
Bij uitspraak van 12 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 juli 2020 vernietigd voor zover dat ziet op de hoogte van de bestuurlijke boete, het besluit van 20 augustus 2019 herroepen, de boete vastgesteld op € 48.625,00 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 22 juli 2020.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld. [appellante] heeft een zienswijze gegeven. [appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2024, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.M. Kroese, vergezeld door [personen], en het college, vertegenwoordigd door N. Verkerk, vergezeld door mr. S. Aykan, L. Dehimi en I. Ernst, zijn verschenen.
Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
De uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft overwogen dat het college de bestuurlijke boetes aan [appellante] mocht opleggen. De rechtbank heeft verder overwogen dat er aanleiding is om de boete voor de overtreding van 27 maart 2019 te matigen met 50%, de boete voor de overtreding van de beroepskracht-kindratio (hierna: BKR) op niet vastgestelde tijden van 18 maart 2019 te vernietigen en de boetes voor de overtredingen van de BKR op niet vastgestelde tijden van 8 maart, 11 maart, 25 maart, 15 april en 16 april 2019 te matigen met 75%. De rechtbank heeft verder overwogen dat er geen aanleiding is om de overige boetes te matigen. De rechtbank heeft tot slot, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, de bestuurlijke boete met 10%, met een maximum van € 2.500,00, gematigd en bepaald dat de boete € 48.625,00 bedraagt Het hoger beroep en de beoordeling 4. Het college heeft op de zitting bij de Afdeling het incidenteel hoger beroep ingetrokken. De Afdeling beoordeelt daarom alleen het hoger beroep van [appellante].
6.1. De hoogte van de bestuurlijke boete is geregeld in de Beleidsregels toezicht & handhaving kwaliteit kinderopvang gemeente Utrecht (hierna: de Beleidsregels). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is dit beleid als zodanig niet onrechtmatig (uitspraak van 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:272). Volgens de Beleidsregels is de totale op te leggen boete bij meerdere overtredingen de som van de per overtreding berekende boetebedragen. De boete mag niet onevenredig zijn en het college kan de boete matigen als de belanghebbende aannemelijk maakt dat op grond van de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan of de omstandigheden waarin de overtreder verkeert, boeteoplegging volgens het afwegingsoverzicht in de Beleidsregels onevenredig is. De mogelijkheden van het college om bij het bepalen van de hoogte van de boete te differentiëren naar de mate van verwijtbaarheid is niet beperkt en in de Beleidsregels is uitdrukkelijk opgenomen dat het college de bestuurlijke boete afstemt op onder meer de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. De vraag die voorligt is niet of het college dat in de praktijk nooit doet, maar of het college dat in dit geval wel had moeten doen. De Afdeling zal dat beoordelen aan de hand van de door het college en [appellante] genoemde omstandigheden.
6.2. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2021, terecht overwogen dat de geconstateerde overtredingen in beginsel afzonderlijk beboetbaar zijn. Er is sprake van elf overtredingen, omdat er op elf dagen te weinig beroepskrachten zijn ingezet. De rechtbank is per overtreding ingegaan op de omstandigheden die [appellante] heeft aangevoerd. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de door [appellante] aangedragen omstandigheden geen reden zijn voor matiging van de boetes. Deze omstandigheden vallen namelijk in de risicosfeer van [appellante]. Het college heeft in dit kader ook terecht opgemerkt dat het niet verhogen van de boetes vanwege recidive ook een vorm van matiging is.
Het betoog slaagt niet.
7.1. De Afdeling merkt allereerst op dat de wijziging van het Besluit van 1 juli 2023 dateert, waardoor de rechtbank in haar uitspraak van 12 april 2022 hier geen rekening mee heeft kunnen houden. De Afdeling moet dit wel doen. Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2025:2223 (zie r.o. 7.2 t/m 7.5), heeft de Afdeling overwogen dat boetes die zijn opgelegd voor het afwijken van de BKR op niet vastgestelde tijden wegens strijd met artikel 5:46, vierde lid, van de Awb niet in stand kunnen blijven. De Afdeling verwijst kortheidshalve naar de motivering in die uitspraak. Dat geldt in deze zaak voor de overtredingen van 8 maart, 11 maart, 25 maart, 15 april en 16 april 2019. Dit heeft het college op de zitting bij de Afdeling ook erkend.
Het betoog slaagt.
Overschrijding van de redelijke termijn 8. [appellante] heeft tot slot verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overschreden, als de duur van de totale procedure onredelijk lang is (zie onder meer haar uitspraak van 9 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ9526). Uit de rechtspraak van de Hoge Raad, waarbij de Afdeling zich heeft aangesloten, volgt dat voor de beslechting van het geschil over een punitieve sanctie in hoger beroep als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden als, behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen vier jaar nadat die termijn is begonnen uitspraak is gedaan. Deze termijn begint op het moment dat het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (HR 22 april 2005, nr. 37984; AB 2006, 11). De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet.
8.2. Dit geschil is gestart met het voornemen tot boeteoplegging van 19 juni 2019 en eindigt met de uitspraak van vandaag. Dat betekent dat de procedure vijf jaar en elf maanden, en daarmee drieëntwintig maanden te lang heeft geduurd. In boetezaken waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden wordt naar bevind van zaken gehandeld. Gelet op wat onder 7.1 is overwogen vervallen de boetes voor de overtredingen van 8 maart, 11 maart, 25 maart, 15 april en 16 april 2019. Dit betekent dat van het initiële boetebedrag een bedrag van € 48.000,00 resteert. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om de boete met 15% te matigen, tot een bedrag van € 40.800,00.
Eindoordeel 9. Het hoger beroep van [appellante] is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarin de boete van [appellante] is vastgesteld op € 48.625,00 en is bepaald dat die uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. Voor het overige wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Afdeling voorziet zelf in de zaak door de boete vast te stellen op € 40.800,00.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland van 12 april 2022 in zaak nr. UTR 20/3173, voor zover daarin de boete is vastgesteld op € 48.625,00 en is bepaald dat die uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;
III. bepaalt dat de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op € 40.800,00;
IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak van de rechtbank;
V. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
VI. veroordeelt het college van burgemeesters en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat het college het door [appellante] voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 548,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Drop voorzitter w.g. Van Loon griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2025 284-1090 BIJLAGE - Wettelijk kader Wetboek van Strafrecht Artikel 1 […] 2. Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.
Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:46 […] 2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. […] 4. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Wet kinderopvang Artikel 1.49 1. Een houder van een kindercentrum biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen, het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen en de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen.
Besluit kwaliteit kinderopvang Artikel 3 1. Elk kindercentrum beschikt over een pedagogisch beleidsplan. De houder draagt er zorg voor dat er in de dagopvang conform het pedagogisch beleidsplan wordt gehandeld.
Artikel 7 1. Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op een stamgroep wordt afgestemd op het aantal aanwezige kinderen in de stamgroep, waarbij naarmate de kinderen ouder zijn, minder beroepskrachten hoeven te worden ingezet.
Een bestuurlijke boete kan apart, maar ook gelijktijdig met een herstellend handhavingstraject worden opgelegd.
Bij overtredingen met een prioriteit 'hoog' in het Afwegingsoverzicht wordt in een concreet geval beoordeeld of een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Bij deze beoordeling wordt onder andere het nalevingsgedrag van de houder meegenomen in de overwegingen.
Bij de volgende overtredingen met een hoge prioriteit in het Afwegingsoverzicht wordt in beginsel altijd een bestuurlijke boete opgelegd, het betreft: […]
Het college legt geen boete op:
Bij de berekening van de bestuurlijke boete wordt voor alle overtredingen het boetebedrag dat is neergelegd in het afwegingsoverzicht als uitgangspunt gehanteerd. In afwijking hiervan geldt dat wanneer voor voorzieningen voor gastouderopvang geen specifiek boetebedrag is opgenomen dat het boetebedrag zoals neergelegd in het afwegingsoverzicht met 0,1 kan worden vermenigvuldigd.
De in dit handhavingsbeleid genoemde boetebedragen zijn richtlijnen. Per geconstateerde overtreding zal bepaald moeten worden of het genoemde boetebedrag proportioneel is. Het college stemt de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het college houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
Van boete verhogende of -verlagende omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn, in geval van:
Het college kan besluiten om de bestuurlijke boete te matigen, indien de belanghebbende aannemelijk maakt dat op grond van de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan of de omstandigheden waarin de overtreder verkeert, boeteoplegging volgens dit Afwegingsoverzicht onevenredig is. Dit wordt niet ambtshalve onderzocht of overwogen, de belanghebbende zal dit (bij zijn zienswijze of bezwaar) zelf moeten aantonen. Van onevenredigheid kan in beginsel slechts sprake zijn indien sprake is van bijzondere omstandigheden waarin bij de vaststelling van dit beleid niet is voorzien.
De totale bij boetebeschikking op te leggen boete bestaat, ingeval er sprake is van meerdere overtredingen, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen.
Bijlage 1 Afwegingsoverzicht dagopvang/ buitenschoolse opvang / gastouderopvang / gastouderbureau