(2)(Geluidsterkte en decibelschaal) van het Audiologieboek van de Nederlandse Vereniging voor Audiologie waarin is vermeld dat een geluidsterkte van 40 dB vergelijkbaar is met heel zachte spraak in een rustige kamer en een geluidsterkte van 60 dB met normale spraak op een afstand van 1 meter. Er is sprake van een planologische verslechtering, maar er is nog wel steeds sprake van een relatief laag geluidsniveau dat passend is binnen een rustige woonwijk. De mate van toename van geluidshinder dient mede gelet ook op het specifieke karakter en mate van het hinderlijke geluid van windmolens naar het oordeel van Thorbecke niet langer gekwalificeerd te worden als ‘beperkt’, maar als 'middelzwaar'. Als gevolg hiervan heeft de taxateur van Thorbecke de waarde van de woning voorafgaand aan de planologische wijziging op € 405.000,- getaxeerd en na de planologische wijziging op € 390.000,-, zodat de planschade € 15.000,- bedraagt. Na aftrek van het normaal maatschappelijk risico komt daarvan € 6.900,- voor vergoeding in aanmerking, aldus Thorbecke.
- Het besluit van 11 april 2024 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gelezen in samenhang met artikel 6:19 eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Beroep tegen nieuw besluit op bezwaar
- Klein Piershil kan zich niet verenigen met dit besluit. Planvergelijking: geluid
- Klein Piershil betoogt dat Thorbecke ten onrechte is uitgegaan van feitelijke metingen in plaats van een maximale invulling. Verder betoogt zij dat Thorbecke heeft miskend dat de maximale planologische mogelijkheden in de nieuwe situatie voor de woning nooit zullen resulteren in een geluidsbelasting van 41 dB(A) in de nacht, omdat deze geluidsnorm geldt op de maatgevende (meest nabij de turbines gelegen) woning. De toename van de gemiddelde geluidsbelasting in de nacht van 30 dB(A) naar 41 dB(A) ter plaatse is dan ook evident onjuist, aldus Klein Piershil. 14.
- Zoals hiervoor onder 11 uiteen is gezet, heeft Thorbecke in haar advies uiteengezet dat bij de geluidsmetingen geen rekening is gehouden met de planologisch mogelijke geluidsbronnen in de omgeving en heeft zij onderbouwd dat zij daarom uit is gegaan van een geluidsbelasting die 5 dB hoger is dan is gemeten. Thorbecke is, anders dan Klein Piershil stelt, niet enkel uitgegaan van feitelijke metingen. 14.
- Klein Piershil heeft haar betoog dat Thorbecke ten onrechte van een maximale geluidsbelasting in de nacht van 41 dB is uitgegaan, en dat die geluidsbelasting lager is, op geen enkele manier onderbouwd. In het verlengde daarvan heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat een eventuele lagere geluidsbelasting tot een kleinere waardevermindering zou leiden dan waar Thorbecke van uit is gegaan. 14.
- De betogen slagen niet. Normaal maatschappelijk risico
- Klein Piershil betoogt ten slotte dat het college ten onrechte is uitgegaan van een normaal maatschappelijk risico van 2%, aangezien de rechtbank in de uitspraken die ter beoordeling voorliggen in de zaken met nummers 202306601/1/A2 en 202306621/1/A2 heeft geoordeeld dat het normaal maatschappelijk risico 3% bedraagt. 15.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853, onder r.o. 12), is in de rechtspraak van de Afdeling de mogelijkheid begrensd om nieuwe gronden aan te dragen in een beroep tegen een nieuw besluit dat genomen wordt nadat een eerder besluit is vernietigd. Die begrenzing houdt in dat geen gronden kunnen worden aangevoerd tegen het nieuwe besluit als die al tegen het oorspronkelijke besluit aangevoerd hadden kunnen worden. Gronden hadden niet eerder kunnen worden aangevoerd als bijvoorbeeld het nieuwe besluit de partij in een nadeligere positie brengt ten opzichte van het oorspronkelijke besluit en die gronden daarover gaan. 15.
- In het besluit van 29 september 2020, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 1 juni 2021, heeft het college zich in navolging van Thorbecke op het standpunt gesteld dat het normaal maatschappelijk risico 2% bedraagt. Klein Piershil is hiertegen niet opgekomen. Aangezien zij dat redelijkerwijs wel had kunnen doen, en het nieuwe besluit op bezwaar op dit punt niet nadeliger voor haar is dan de eerdere besluitvorming, dient deze grond in zoverre nu buiten beschouwing te blijven. Conclusie beroep Klein Piershil
- Het beroep is ongegrond. Proceskosten
- Omdat het hoger beroep van het college ongegrond is, moet het de proceskosten die [wederpartij] in het kader van dit hoger beroep heeft gemaakt, vergoeden. Het betreft één punt voor het indienen van de schriftelijke uiteenzetting en één punt voor het verschijnen ter zitting. De waarde van een punt is € 907,-, zodat de totale vergoeding € 1.814,- bedraagt.
- Omdat het beroep van rechtswege van Klein Piershil ongegrond is, hoeft het college de proceskosten die zij in dit kader heeft gemaakt, niet te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. verklaart het beroep van rechtswege van Klein Piershil B.V. tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 11 april 2024, met kenmerk PZH-2024-851560249, ongegrond; III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [wederpartij A] en [wederpartij B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; IV. bepaalt dat van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een griffierecht van € 548,- wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. H. Benek en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier. w.g. Van Ravels voorzitter w.g. Ouwehand griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2025 752