(2)(Geluidsterkte en decibelschaal) van het Audiologieboek van de Nederlandse Vereniging voor Audiologie (hierna: het audiologieboek) waarin is vermeld dat een geluidsterkte van 40 dB vergelijkbaar is met heel zachte spraak in een rustige kamer en een geluidsterkte van 60 dB met normale spraak op een afstand van 1 meter. Er is sprake van een planologische verslechtering, maar er is nog wel steeds sprake van een relatief laag geluidsniveau dat passend is binnen een rustige woonwijk. Thorbecke kwalificeert de mate van toename van geluidhinder op middelzwaar. De taxateur van Thorbecke heeft de waarde van de woning voorafgaand aan de planologische wijziging op € 275.000,- geschat en na de planologische wijziging op € 257.500,-. Dit betekent dat de geleden planschade € 17.500,- bedraagt. Thorbecke heeft geen aanleiding gezien voor een verhoogd normaal maatschappelijk risico en is ervan uitgegaan dat het normaal maatschappelijk risico 2% bedraagt. Dit betekent dat een bedrag van € 12.000,- voor vergoeding in aanmerking komt, aldus Thorbecke.
- Het besluit van 12 april 2024 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19 eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
- [wederpartij] en Klein Piershil kunnen zich niet verenigen met het nieuwe besluit. Gronden tegen nieuw besluit Voorzienbaarheid
- Klein Piershil betoogt, onder verwijzing naar het hoger beroepschrift dat zij in de zaak met nummer 202306601/1/A2 heeft ingediend, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [wederpartij] geen voorzienbaarheid kan worden tegengeworpen. 14.
- Voor zover Klein Piershil het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank en deze had willen betwisten, had zij hoger beroep tegen die uitspraak moeten instellen. Klein Piershil heeft dat niet gedaan. Dit betekent dat aan een inhoudelijke beoordeling van dit betoog niet kan worden toegekomen.
- Klein Piershil betoogt verder dat, nu de rechtbank alleen heeft geconcludeerd dat het college op basis van de door hem in beroep overgelegde stukken geen voorzienbaarheid had mogen tegenwerpen, het college nader onderzoek had moeten verrichten naar publicaties waaruit blijkt dat de ontwikkeling voorzienbaar was ten tijde van de aankoop van de woning door [wederpartij]. Uit het nadere advies van Thorbecke blijkt niet dat het college dit nadere onderzoek heeft verricht. Daarmee is het nieuwe besluit op bezwaar onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, aldus Klein Piershil. 15.
- Uit het hoger beroep van het college in deze zaak blijkt dat het college nogmaals onderzoek heeft gedaan naar de openbaarmaking van zowel de Nota Wervel als de Ontwerpnota Wervel en dat het in dat kader nieuwe stukken heeft overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat de ontwikkeling voor [wederpartij] voorzienbaar was. Gelet op de inhoud van het hoger beroep van het college, mist het betoog van Klein Piershil feitelijke grondslag. Het betoog slaagt niet. Planvergelijking: geluid
- [wederpartij] betoogt allereerst, onder verwijzing naar een rapport van Peutz van 28 mei 2024, dat Thorbecke ten onrechte het geluidsniveau in de nacht onder het oude planologische regime met 5 dB heeft verhoogd. Uit de geluidsmetingen waarvan zij gebruik heeft gemaakt, blijkt dat bij alle metingen er maximaal slechts één voertuig is gepasseerd. Dat dit representatief is voor de situatie ter plekke blijkt uit het feit dat ook bij eerdere geluidsmetingen een geluidsniveau van 25/26 dB in de woonwijk en 29 dB in de polder is gemeten. De door Thorbecke genoemde geluidsbronnen zullen in de nacht niet of nauwelijks aan de orde zijn. Het is een rustig en stil gebied en de jachthaven die in de buurt ligt, is zeer kleinschalig. De Spuidijk is verder een rustige, smalle en bochtige straat die zich niet leent voor hard rijden of veel verkeer. Verder liggen er onbebouwde agrarische gebieden en natuurgebieden in de buurt. Thorbecke is hieraan voorbijgegaan. Ook stelt [wederpartij] dat de verhoging arbitrair is. Onduidelijk is waarom een toeslag van bijvoorbeeld 1, 2 of 3 dB niet meer passend zou zijn. Verder betoogt [wederpartij], onder verwijzing naar het "Geluidsonderzoek windpark Spui ten behoeve van omgevingsdialoog" van M+P van 3 mei 2023, dat Thorbecke ten onrechte niet heeft meegenomen dat de geluidsbelasting onder het nieuwe planologische regime regelmatig hoger is dan 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Ook verwijst Thorbecke ter onderbouwing van haar standpunt dat de toename van geluidhinder als middelzwaar moet worden aangemerkt ten onrechte naar het audiologieboek. Het audiologieboek is een handboek voor audiologen, dat niet bedoeld is om te bepalen in hoeverre een toename van geluid tot hinder kan leiden en/of in het kader van planschade al dan niet tot nadeel kan leiden. Het aantal decibellen zegt alleen iets over de sterkte van het geluid, maar niet over de aard van het geluid. Windturbines veroorzaken een mechanisch, pulserend geluid, dat meer hinder veroorzaakt dan zacht stemgeluid. Dit geluid valt ook niet weg tegen andere geluidsbronnen en wordt harder naarmate het harder waait. Verder produceren windturbines naast laagfrequent geluid ook midden- en hoogfrequent geluid, waar het oor gevoelig voor is en wat dus meer hinder veroorzaakt. Bovendien zijn relevante aspecten die meetellen bij het beoordelen van de mate van toename van het geluid en dus de hinder, als de isolatie van de woning en de weerkaatsing van het geluid, niet meegenomen. Ook is Thorbecke voor het geluidsniveau overdag ten onrechte uitgegaan van 45-50 dB. In de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening" (Handreiking) is voor geluid in een rustige woonwijk een richtwaarde van 45 dB(A) opgenomen. Alleen voor een woonwijk in de stad is een richtwaarde van 50 dB(A) opgenomen. Voor een landelijke omgeving is een richtwaarde van 40 dB(A) opgenomen. Thorbecke heeft te veel waarde toegekend aan andere geluidsbronnen en had uit moeten gaan van 40 dB. Gelet op de aard van het windturbinegeluid kan dit geluid ook niet wegvallen tegen ander achtergrondgeluid, aldus [wederpartij]. Tot slot is onduidelijk wat na de realisatie van het windpark het geluidsniveau in de dagperiode zal zijn in Lday, in plaats van in Lden. Dit is ten onrechte niet bezien. Voor het windpark worden namelijk geluidsmodi toegepast om aan de wettelijke normen voor windturbines te kunnen voldoen. Hierdoor zullen de geluidsniveaus overdag hoger zijn, aldus [wederpartij]. 16.
- Thorbecke heeft in het advies van 8 maart 2024 uiteengezet dat uit de geluidsmetingen die de Omgevingsdienst gedurende de nachtelijke uren in 2018 en 2019 heeft gedaan op vier specifieke in de buurt van het plangebied gelegen adressen, is geconcludeerd dat het geluidsniveau zonder de windturbines in de woonwijk rond de 25/26 dB lag. Omdat dit een feitelijk geluidsonderzoek betreft dat geen rekening houdt met de planologisch mogelijke geluidsbronnen in de omgeving, heeft Thorbecke zich op het standpunt gesteld dat het, gelet op de ligging van de woning aan een doorgaande weg (Spuidijk), bij een haven en andere woningen en nabij agrarische bedrijvigheid, reëel is te stellen dat doorgaans meer omgevingsgeluid gemiddeld in de nacht aanwezig zal zijn. Om die reden is Thorbecke ervan uitgegaan dat het gemiddelde achtergrondgeluidsniveau circa 5 dB in de nacht hoger zal zijn dan is gemeten. Gelet op deze uiteenzetting heeft Thorbecke naar het oordeel van de Afdeling voldoende inzichtelijk gemaakt hoe zij tot de verhoging met 5 dB van de geluidsbelasting onder het oude planologische regime is gekomen. In wat [wederpartij] hiertegen heeft ingebracht ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel. In dit kader is van belang dat in het rapport van Peutz van 28 mei 2024 waar [wederpartij] ter onderbouwing van zijn standpunt naar heeft verwezen, enkel is gesteld dat de toeslag van 5 dB ‘mogelijk’ niet terecht was. Deze stelling blijkt bovendien enkel gebaseerd te zijn op de constatering van Peutz dat het ‘zeer goed mogelijk is’ dat het aantal voertuigbewegingen dat tijdens de geluidsmetingen van de Omgevingsdienst is geconstateerd representatief was voor de situatie ter plaatse. Daarmee is Peutz eraan voorbijgegaan dat Thorbecke haar conclusie dat het achtergrondgeluidniveau in de nacht circa 5 dB hoger zal zijn dan is gemeten niet alleen op de ligging van de woning aan een doorgaande weg heeft gebaseerd, maar ook op de nabijheid van een haven, andere woningen en agrarische bedrijvigheid. Het betoog slaagt in zoverre niet. 16.
- Uit het advies van Thorbecke van 8 maart 2024 blijkt dat zij voor de geluidsbelasting die onder het oude planologische regime overdag bestond aansluiting heeft gezocht bij de geluidsbelasting in een rustige woonwijk met weinig verkeer. Volgens Thorbecke bedraagt deze geluidsbelasting 45-50 dB. Gelet op de ligging van de woning aan een doorgaande weg (Spuidijk), bij een haven en andere woningen en nabij agrarische bedrijvigheid, heeft Thorbecke hiermee voldoende inzichtelijk gemaakt hoe zij tot de geluidsbelasting overdag onder het oude regime is gekomen. In het betoog van [wederpartij] ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van dit uitgangspunt. In het rapport van Peutz, waar [wederpartij] in dit kader naar heeft verwezen, is in algemene zin uiteengezet dat de geluidsbelasting in een rustige woonwijk met weinig verkeer 45 dB bedraagt. Uit dit rapport blijkt evenwel niet dat Peutz hierbij de ligging van de woning en de omgeving van de woning heeft betrokken. Voor zover Peutz in het rapport heeft gesteld dat misschien zelfs wel zou moeten worden uitgegaan van een richtwaarde voor een landelijke omgeving, te weten 40 dB, geldt dat nergens uit blijkt dat Peutz daarbij heeft gekeken naar wat onder het oude planologische regime overdag maximaal mogelijk was. Peutz heeft ter onderbouwing van haar stelling namelijk enkel verwezen naar de lage geluidniveaus die door de Omgevingsdienst zijn gemeten, maar deze geluidsmetingen zijn ’s nachts, en niet overdag, verricht en geven de feitelijke situatie op een aantal specifieke momenten weer. Gelet hierop biedt het rapport van Peutz ook in zoverre onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de bevindingen van Thorbecke. Het betoog slaagt ook in zoverre niet. 16.
- Anders dan [wederpartij] betoogt bestaat verder geen aanleiding voor de conclusie dat Thorbecke er rekening mee had moeten houden dat de geluidsbelasting van de windturbines ook regelmatig hoger dan 47 dB Lden en 41 dB Lnight is. Voor zover [wederpartij] in dit kader heeft verwezen naar het "Geluidsonderzoek windpark Spui ten behoeve van omgevingsdialoog" van M+P van 3 mei 2023, waaruit dit zou blijken, overweegt de Afdeling dat de geluidsbelasting op een gevel nog niets zegt over de bron van deze geluidsbelasting en dus ook niet aangeeft dat deze te hoge geluidsbelasting door de windturbines wordt veroorzaakt. In dit kader is verder het volgende van belang. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:141, r.o. 31.1, die (onder meer) ziet op het windpark Spui, volgt dat in de notitie "Maximaal momentaan geluidsniveau" van adviesbureau Bosch & Van Rijn van 3 april 2017 uiteen is gezet dat op het moment dat een windturbine bij hogere windsnelheden op maximaal vermogen draait en de grootste geluidproductie heeft, de op dat moment werkelijk optredende geluidsbelasting - het momentane geluidniveau - niet hoger is dan ongeveer 45 tot 46 dB. Een hogere geluidproductie is als gevolg van de maximale bronsterkte van een windturbine niet mogelijk behalve misschien onder zeer bijzondere omstandigheden van reflectie van geluid, aldus Bosch & Van Rijn. Als gevolg van de straffactoren in de Lden-methodiek kan het in de praktijk volgens de notitie vrijwel niet voorkomen dat ter plaatse van een woning waar aan de wettelijke jaargemiddelde geluidnorm van 47 dB Lden wordt voldaan, een momentaan geluidniveau optreedt van 47 dB. Ook in zoverre slaagt het betoog niet. 16.
- Ten aanzien van het betoog van [wederpartij] dat Thorbecke onvoldoende rekening heeft gehouden met de aard van het windturbinegeluid, overweegt de Afdeling als volgt. Thorbecke heeft in haar advies van 8 maart 2024 uiteengezet dat de gemiddelde geluidsbelasting in de nacht met circa 11 dB is toegenomen van circa 30 naar 41 dB Lnight. Onder verwijzing naar het audiologieboek, waarin is vermeld dat een geluidsterkte van 40 dB vergelijkbaar is met heel zachte spraak in een rustige kamer en een geluidsterkte van 60 dB met normale spraak op een afstand van 1 meter, heeft Thorbecke in dat kader gesteld dat het achtergrondgeluidniveau vergelijkbaar is met bijvoorbeeld 'heel zachte spraak in een rustige kamer'. Er is sprake van een planologische verslechtering, maar er is nog wel steeds sprake van een relatief laag geluidsniveau dat passend is binnen een rustige woonwijk. De mate van toename van geluidhinder dient mede gelet ook op het specifieke karakter en de mate van het hinderlijke geluid van windmolens naar het oordeel van de adviseur daarmee gekwalificeerd te worden als 'middelzwaar', aldus Thorbecke. Uit deze uiteenzetting blijkt dat Thorbecke, anders dan [wederpartij] betoogt, wel degelijk rekening heeft gehouden met de aard van het windturbinegeluid en dat juist de aard van het geluid heeft geleid tot de conclusie dat de toename van geluidhinder tot een middelzwaar nadeel leidt. [wederpartij] heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie van Thorbecke aangevoerd. Het betoog slaagt ook in zoverre niet. 16.
- De Afdeling volgt [wederpartij] ten slotte evenmin in zijn betoog dat Thorbecke had moeten bezien wat het geluidniveau van het windpark in de dagperiode in Lday zou zijn. Daargelaten dat [wederpartij] niet heeft onderbouwd dat dit een relevant verschil zou maken voor zover het gaat om de toename van de geluidsbelasting, en in het verlengde daarvan, de omvang van de geleden planschade, heeft Thorbecke voor de maximale geluidsbelasting onder het nieuwe planologische regime mogen aansluiten bij de wettelijke geluidsnormen voor windturbines, te weten 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Normaal maatschappelijk risico
- Klein Piershil betoogt dat het college ten onrechte is uitgegaan van een normaal maatschappelijk risico van 2%, aangezien de rechtbank in de uitspraken die ter beoordeling voorliggen in de zaken met nummers 202306601/1/A2 en 202306621/1/A2 heeft geoordeeld dat het normaal maatschappelijk risico 3% bedraagt. 17.
- In - onder meer - de uitspraak van vandaag in zaak nummer 202306621/1/A2, ECLI:NL:RVS:2025:2136, heeft de Afdeling het oordeel van de rechtbank bevestigd dat de ontwikkeling en realisatie van een windpark op agrarische gronden op zichzelf is aan te merken als een normale maatschappelijke ontwikkeling en dat deze ontwikkeling past in een reeks van jaren gevoerd ruimtelijk beleid, zodat het normaal maatschappelijk risico 3% bedraagt. Gelet hierop, had het college het advies van Thorbecke op het punt van het normaal maatschappelijk risico niet mogen volgen en had het het normaal maatschappelijk risico op 3% moeten stellen. Het betoog slaagt. Conclusie beroepen Klein Piershil en [wederpartij]
- Het beroep van [wederpartij] is ongegrond. Het beroep van Klein Piershil is gegrond. Het besluit van 12 april 2024 moet worden vernietigd, voor zover daarin aan [wederpartij] een tegemoetkoming in planschade van € 12.000,-, exclusief wettelijke rente is toegekend. De Afdeling zal, zelf in de zaak voorziend, bepalen dat [wederpartij] recht heeft op een tegemoetkoming in planschade van € 9.250,-, exclusief wettelijke rente. Proceskosten
- Omdat het hoger beroep van het college ongegrond is, moet het de proceskosten die [wederpartij] in het kader van dit hoger beroep heeft gemaakt, vergoeden. Het betreft één punt voor het indienen van de schriftelijke uiteenzetting en één punt voor het verschijnen ter zitting. De waarde van een punt is € 907,-, zodat de totale vergoeding € 1.814,- bedraagt.
- Omdat het beroep van rechtswege van [wederpartij] ongegrond is, hoeft het college de proceskosten die [wederpartij] in het kader van dit beroep heeft gemaakt, niet te vergoeden. Het beroep van rechtswege van Klein Piershil is gegrond. Dat betekent dat het college de proceskosten die zij in het kader van dit beroep heeft gemaakt, dient te vergoeden. Het betreft het indienen van een zienswijze (0,5 punt) en het verschijnen op de zitting bij de Afdeling (1 punt), dus in totaal 1,5 punt. De waarde per punt is € 907,- en dus in totaal 1,5 x € 907,- = € 1.360,
- Klein Piershil heeft dezelfde zienswijze ingediend in de acht zaken die de Afdeling ook gelijktijdig op de zitting van 31 maart 2025 heeft behandeld. Deze acht zaken kunnen worden aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb). Dit betekent dat het bedrag op grond van het Bpb met factor 1,5 moet worden vermenigvuldigd en dat Klein Piershil in deze zaak recht heeft op 1/8 van dat bedrag. In totaal bedraagt dit € 255,
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. verklaart het beroep van rechtswege van [wederpartij A] en [wederpartij B] tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 12 april 2024, met kenmerk PZH-2024-851604149, ongegrond: III. verklaart het beroep van rechtswege van Klein Piershil B.V. tegen dit besluit gegrond; IV. vernietigt dit besluit, voor zover daarin aan [wederpartij A] en [wederpartij B] een tegemoetkoming in planschade van € 12.000,-, exclusief wettelijke rente, is toegekend; V. bepaalt dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [wederpartij A] en [wederpartij B] een tegemoetkoming in planschade moet betalen van € 9.250,-, exclusief wettelijke rente; VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het besluit van 12 april 2024; VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [wederpartij A] en [wederpartij B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij Klein Piershil B.V. in verband met het beroep van rechtswege opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 255,09; IX. bepaalt dat van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een griffierecht van € 548,- wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. H. Benek en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier. w.g. Van Ravels voorzitter w.g. Ouwehand griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2025 752