(2)(Geluidsterkte en decibelschaal) van het Audiologieboek van de Nederlandse Vereniging voor Audiologie (hierna: het audiologieboek) waarin is vermeld dat een geluidsterkte van 40 dB vergelijkbaar is met heel zachte spraak in een rustige kamer en een geluidsterkte van 60 dB met normale spraak op een afstand van 1 meter. Er is sprake van een planologische verslechtering, maar er is nog wel steeds sprake van een relatief laag geluidsniveau dat passend is binnen een rustige woonwijk. Thorbecke kwalificeert de mate van toename van geluidhinder gelet op het voorgaande niet langer als gering, maar als middelzwaar. Gelet op de gewijzigde planvergelijking en omdat uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat voor het perceel aan de [locatie 2] niet langer voorzienbaarheid kan worden aangenomen, is een nieuwe taxatie uitgevoerd. De taxateur van Thorbecke heeft de waarde van de percelen [locatie 1] en [locatie 2] tezamen voorafgaand aan de planologische wijziging getaxeerd op € 710.000,-, en na de planologische wijziging op € 678.000,-, zodat de waardedaling € 32.000,- bedraagt. De gekapitaliseerde inkomensschade bedraagt € 361.557,-. Uitgaande van een normaal maatschappelijk risico van 3% bedraagt de vergoedbare vermogensschade € 10.700,- en de vergoedbare inkomensschade € 274.138,-. Dit betekent dat in totaal € 284.838,- voor tegemoetkoming in aanmerking komt, aldus Thorbecke.
- De besluiten van 16 april 2024 worden, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gelezen in samenhang met artikel 6:19 eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
- [appellante sub 1] en Klein Piershil kunnen zich niet verenigen met de nieuwe besluiten en hebben daartegen gronden aangevoerd. Gronden tegen nieuwe besluiten op bezwaar Voorzienbaarheid
- Voor zover Klein Piershil betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vennoten van [appellante sub 1] geen voorzienbaarheid kan worden tegengeworpen, faalt dit, gelet op wat hiervoor onder 11-12.2 is overwogen.
- Klein Piershil betoogt dat, nu de rechtbank alleen heeft geconcludeerd dat het college op basis van de door hem in beroep overgelegde stukken geen voorzienbaarheid had mogen tegenwerpen, het college nader onderzoek had moeten verrichten naar publicaties waaruit blijkt dat de ontwikkeling voorzienbaar was ten tijde van de aankoop van de woning door [appellante sub 1]. Uit het nadere advies van Thorbecke blijkt niet dat het college dit nadere onderzoek heeft verricht. Daarmee is het nieuwe besluit op bezwaar onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, aldus Klein Piershil. 21.
- Uit het hoger beroep van het college in deze zaak blijkt dat het college nogmaals onderzoek heeft gedaan naar de openbaarmaking van zowel de Nota Wervel als de Ontwerpnota Wervel en dat het in dat kader nieuwe stukken heeft overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat de ontwikkeling voor de vennoten van [appellante sub 1] voorzienbaar was. Gelet op de inhoud van het hoger beroep van het college, mist het betoog van Klein Piershil feitelijke grondslag. Het betoog slaagt niet. Planvergelijking: geluid
- [appellante sub 1] betoogt allereerst, onder verwijzing naar een rapport van Peutz van 28 mei 2024, dat Thorbecke ten onrechte het geluidsniveau in de nacht onder het oude planologische regime met 5 dB heeft verhoogd. Uit de geluidsmetingen waarvan zij gebruik heeft gemaakt, blijkt dat bij alle metingen er maximaal slechts één voertuig is gepasseerd. Dat dit representatief is voor de situatie ter plekke blijkt uit het feit dat ook bij eerdere geluidsmetingen een geluidsniveau van 25/26 dB in de woonwijk en 29 dB in de polder is gemeten. De door Thorbecke genoemde geluidsbronnen zullen in de nacht niet of nauwelijks aan de orde zijn. Het is een rustig en stil gebied en de jachthaven die in de buurt ligt, is zeer kleinschalig. De toegestane horeca is geen zware horeca, die moet voldoen aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De Spuidijk is verder een rustige, smalle en bochtige straat die zich niet leent voor hard rijden of veel verkeer. Verder liggen er onbebouwde agrarische gebieden, natuur en water in de buurt. Thorbecke is hieraan voorbijgegaan. Ook stelt [appellante sub 1] dat de verhoging arbitrair is. Onduidelijk is waarom een toeslag van bijvoorbeeld 1, 2 of 3 dB niet meer passend zou zijn. Verder betoogt [appellante sub 1] onder verwijzing naar het "Geluidsonderzoek windpark Spui ten behoeve van omgevingsdialoog" van M+P van 3 mei 2023 dat Thorbecke ten onrechte niet heeft meegenomen dat de geluidsbelasting onder het nieuwe planologische regime regelmatig hoger is dan 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Ook verwijst Thorbecke ter onderbouwing van zijn standpunt dat de toename van geluidshinder als middelzwaar moet worden aangemerkt ten onrechte naar het audiologieboek. Het audiologieboek is een handboek voor audiologen, dat niet bedoeld is om te bepalen in hoeverre een toename van geluid tot hinder kan leiden en/of in het kader van planschade al dan niet tot nadeel kan leiden. Het aantal decibellen zegt alleen iets over de sterkte van het geluid, maar niet over de aard van het geluid. Windturbines veroorzaken een mechanisch, pulserend geluid, dat meer hinder veroorzaakt dan zacht stemgeluid. Dit geluid valt ook niet weg tegen andere geluidsbronnen en wordt harder naarmate het harder waait. Verder produceren windturbines naast laagfrequent geluid ook midden- en hoogfrequent geluid, waar het oor gevoelig voor is en wat dus meer hinder veroorzaakt. Bovendien zijn relevante aspecten die meetellen bij het beoordelen van de mate van toename van het geluid en dus de hinder, als de isolatie van de woning en de weerkaatsing van het geluid, niet meegenomen. Ook is Thorbecke voor het geluidsniveau overdag ten onrechte uitgegaan van 45-50 dB. In de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening" (Handreiking) is voor geluid in een rustige woonwijk een richtwaarde van 45 dB(A) opgenomen. Alleen voor een woonwijk in de stad is een richtwaarde van 50 dB(A) opgenomen. Voor een landelijke omgeving is een richtwaarde van 40 dB(A) opgenomen. Thorbecke heeft te veel waarde toegekend aan andere geluidsbronnen en had uit moeten gaan van 40 dB. Gelet op de aard van het windturbinegeluid kan dit geluid ook niet wegvallen tegen ander achtergrondgeluid, aldus [appellante sub 1]. Tot slot is onduidelijk wat na de realisatie van het windpark het geluidsniveau in de dagperiode zal zijn in Lday, in plaats van in Lden. Dit is ten onrechte niet bezien. Voor het windpark worden namelijk geluidsmodi toegepast om aan de wettelijke normen voor windturbines te kunnen voldoen. Hierdoor zullen de geluidsniveaus overdag hoger zijn, aldus [appellante sub 1]. 22.
- Thorbecke heeft in het advies van 11 maart 2024 uiteengezet dat uit de geluidsmetingen die de Omgevingsdienst gedurende de nachtelijke uren in 2018 en 2019 heeft gedaan op vier specifieke in de buurt van het plangebied gelegen adressen, is geconcludeerd dat het geluidsniveau zonder de windturbines in de woonwijk rond de 25/26 dB lag. Omdat dit een feitelijk geluidsonderzoek betreft dat geen rekening houdt met de planologisch mogelijke geluidsbronnen in de omgeving, heeft Thorbecke zich op het standpunt gesteld dat het, gelet op de ligging van de horecagelegenheid aan een doorgaande weg (Spuidijk), bij een haven en andere woningen, reëel is te stellen dat doorgaans meer omgevingsgeluid gemiddeld in de nacht aanwezig zal zijn. Om die reden is Thorbecke ervan uitgegaan dat het gemiddelde achtergrondgeluidsniveau circa 5 dB in de nacht hoger zal zijn dan is gemeten. Gelet op deze uiteenzetting heeft Thorbecke naar het oordeel van de Afdeling voldoende inzichtelijk gemaakt hoe zij tot de verhoging met 5 dB van de geluidsbelasting onder het oude planologische regime is gekomen. In wat [appellante sub 1] hiertegen heeft ingebracht ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel. In dit kader is van belang dat in het rapport van Peutz van 28 mei 2024 waar [appellante sub 1] ter onderbouwing van haar standpunt naar heeft verwezen, enkel is gesteld dat de toeslag van 5 dB ‘mogelijk’ niet terecht was. Deze stelling blijkt bovendien enkel gebaseerd te zijn op de constatering van Peutz dat het ‘zeer goed mogelijk is’ dat het aantal voertuigbewegingen dat tijdens de geluidsmetingen van de Omgevingsdienst is geconstateerd representatief was voor de situatie ter plaatse. Daarmee is Peutz eraan voorbijgegaan dat Thorbecke haar conclusie dat het achtergrondgeluidniveau in de nacht circa 5 dB hoger zal zijn dan is gemeten niet alleen op de ligging van de onroerende zaken aan een doorgaande weg heeft gebaseerd, maar ook op de nabijheid van een haven en andere woningen. Het betoog slaagt in zoverre niet. 22.
- Uit het advies van Thorbecke van 11 maart 2024 blijkt dat zij voor de geluidsbelasting die onder het oude planologische regime overdag bestond aansluiting heeft gezocht bij de geluidsbelasting in een rustige woonwijk met weinig verkeer. Volgens Thorbecke bedraagt deze geluidsbelasting 45-50 dB. Gelet op de ligging van de horecagelegenheid aan een doorgaande weg (Spuidijk), bij een haven en andere woningen, heeft Thorbecke hiermee voldoende inzichtelijk gemaakt hoe zij tot de geluidsbelasting overdag onder het oude regime is gekomen. In het betoog van [appellante sub 1] ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van dit uitgangspunt. In het rapport van Peutz, waar [appellante sub 1] in dit kader naar heeft verwezen, is in algemene zin uiteengezet dat de geluidsbelasting in een rustige woonwijk met weinig verkeer 45 dB bedraagt. Uit dit rapport blijkt evenwel niet dat Peutz hierbij de ligging van de horecagelegenheid en de omgeving van de horecagelegenheid heeft betrokken. Voor zover Peutz in het rapport heeft gesteld dat misschien zelfs wel zou moeten worden uitgegaan van een richtwaarde voor een landelijke omgeving, te weten 40 dB, geldt dat nergens uit blijkt dat Peutz daarbij heeft gekeken naar wat onder het oude planologische regime overdag maximaal mogelijk was. Peutz heeft ter onderbouwing van haar stelling namelijk enkel verwezen naar de lage geluidniveaus die door de Omgevingsdienst zijn gemeten, maar deze geluidsmetingen zijn ’s nachts, en niet overdag, verricht en geven de feitelijke situatie op een aantal specifieke momenten weer. Gelet hierop biedt het rapport van Peutz ook in zoverre onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de bevindingen van Thorbecke. Het betoog slaagt ook in zoverre niet. 22.
- Anders dan [appellante sub 1] betoogt bestaat verder geen aanleiding voor de conclusie dat Thorbecke er rekening mee had moeten houden dat de geluidsbelasting van de windturbines ook regelmatig hoger dan 47 dB Lden en 41 dB Lnight is. Voor zover [appellante sub 1] in dit kader heeft verwezen naar het "Geluidsonderzoek windpark Spui ten behoeve van omgevingsdialoog" van M+P van 3 mei 2023, waaruit dit zou blijken, overweegt de Afdeling dat de geluidsbelasting op een gevel nog niets zegt over de bron van deze geluidsbelasting en dus ook niet aangeeft dat deze te hoge geluidsbelasting door de windturbines wordt veroorzaakt. In dit kader is verder het volgende van belang. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:141, r.o. 31.1, die (onder meer) ziet op het windpark Spui, volgt dat in de notitie "Maximaal momentaan geluidsniveau" van adviesbureau Bosch & Van Rijn van 3 april 2017 uiteen is gezet dat op het moment dat een windturbine bij hogere windsnelheden op maximaal vermogen draait en de grootste geluidproductie heeft, de op dat moment werkelijk optredende geluidsbelasting - het momentane geluidniveau - niet hoger is dan ongeveer 45 tot 46 dB. Een hogere geluidproductie is als gevolg van de maximale bronsterkte van een windturbine niet mogelijk behalve misschien onder zeer bijzondere omstandigheden van reflectie van geluid, aldus Bosch & Van Rijn. Als gevolg van de straffactoren in de Lden-methodiek kan het in de praktijk volgens de notitie vrijwel niet voorkomen dat ter plaatse van een woning waar aan de wettelijke jaargemiddelde geluidnorm van 47 dB Lden wordt voldaan, een momentaan geluidniveau optreedt van 47 dB. Ook in zoverre slaagt het betoog niet. 22.
- Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 1] dat Thorbecke onvoldoende rekening heeft gehouden met de aard van het windturbinegeluid, overweegt de Afdeling als volgt. Thorbecke heeft in haar advies van 11 maart 2024 uiteengezet dat de gemiddelde geluidsbelasting in de nacht met circa 11 dB is toegenomen van circa 30 naar 41 dB Lnight. Onder verwijzing naar het audiologieboek, waarin is vermeld dat een geluidsterkte van 40 dB vergelijkbaar is met heel zachte spraak in een rustige kamer en een geluidsterkte van 60 dB met normale spraak op een afstand van 1 meter, heeft Thorbecke in dat kader gesteld dat het achtergrondgeluidniveau vergelijkbaar is met bijvoorbeeld 'heel zachte spraak in een rustige kamer'. Er is sprake van een planologische verslechtering, maar er is nog wel steeds sprake van een relatief laag geluidsniveau dat passend is binnen een rustige woonwijk. De mate van toename van geluidhinder dient mede gelet ook op het specifieke karakter en de mate van het hinderlijke geluid van windmolens naar het oordeel van de adviseur daarmee gekwalificeerd te worden als 'middelzwaar', aldus Thorbecke. Uit deze uiteenzetting blijkt dat Thorbecke, anders dan [appellante sub 1] betoogt, wel degelijk rekening heeft gehouden met de aard van het windturbinegeluid en dat juist de aard van het geluid heeft geleid tot de conclusie dat de toename van geluidhinder tot een middelzwaar nadeel leidt. [appellante sub 1] heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie van Thorbecke aangevoerd. Het betoog slaagt ook in zoverre niet. 22.
- De Afdeling volgt [appellante sub 1] ten slotte evenmin in haar betoog dat Thorbecke had moeten bezien wat het geluidniveau van het windpark in de dagperiode in Lday zou zijn. Daargelaten dat [appellante sub 1] niet heeft onderbouwd dat dit een relevant verschil zou maken voor zover het gaat om de toename van de geluidsbelasting, en in het verlengde daarvan, de omvang van de geleden planschade, heeft Thorbecke voor de maximale geluidsbelasting onder het nieuwe planologische regime mogen aansluiten bij de wettelijke geluidsnormen voor windturbines, te weten 47 dB Lden en 41 dB Lnight.
- Klein Piershil betoogt dat Thorbecke ten onrechte uit is gegaan van feitelijke metingen in plaats van een maximale invulling. Verder betoogt zij dat Thorbecke er ten onrechte van uit is gegaan dat de horecagelegenheid is gelegen in een (rustige) woonwijk. De horecagelegenheid is gelegen aan (en georiënteerd op) een jachthaven. De horecagelegenheid is gescheiden van de nabij gelegen woonwijk door de rondweg, te weten de Spuidijk. Het geluid dat gepaard gaat met een jachthaven, de mogelijkheid om ter plaatse een horecagelegenheid in categorie 2 te exploiteren en de scheiding tot de nabijgelegen woonwijk door de rondweg, maakt de conclusie dat de "woning" zou zijn gelegen in een woonwijk onnavolgbaar, aldus Klein Piershil. 23.
- Zoals hiervoor onder 22.1 uiteen is gezet, heeft Thorbecke in haar advies uiteen gezet dat bij de geluidsmetingen geen rekening is gehouden met de planologisch mogelijke geluidsbronnen in de omgeving en heeft zij onderbouwd dat zij daarom uit is gegaan van een geluidsbelasting die 5 dB hoger is dan is gemeten. Thorbecke is, anders dan Klein Piershil stelt, niet enkel uitgegaan van feitelijke metingen. 23.
- Thorbecke heeft in haar advies van 11 maart 2024 uiteengezet dat de horecagelegenheid is gelegen in een rustige woonwijk met weinig verkeer. Daarbij heeft Thorbecke betrokken dat de horecagelegenheid is gelegen aan een doorgaande weg, bij een haven en bij woon- en centrumvoorzieningen en nabij horeca. Dat deze kwalificatie desalniettemin onjuist zou zijn, heeft Klein Piershil niet aannemelijk gemaakt. 23.
- De betogen slagen niet. Conclusie beroepen [appellante sub 1] en Klein Piershil
- De beroepen van [appellante sub 1] en Klein Piershil zijn ongegrond. Proceskosten
- Omdat het hoger beroep van het college ongegrond is, moet het de proceskosten die [appellante sub 1] in het kader van dit hoger beroep heeft gemaakt, vergoeden. Het betreft één punt voor het indienen van de schriftelijke uiteenzetting en één punt voor het verschijnen ter zitting. De waarde van een punt is € 907,-, zodat de totale vergoeding € 1.814,- bedraagt.
- Omdat de beroepen van rechtswege ongegrond zijn, hoeft het college de proceskosten die [appellante sub 1] en Klein Piershil in dit kader hebben gemaakt, niet te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. verklaart het beroep van rechtswege van [appellante sub 1] en anderen ongegrond: III. verklaart het beroep van rechtswege van Klein Piershil B.V. ongegrond; IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellante sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; V. bepaalt dat van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een griffierecht van € 548,- wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. H. Benek en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier. w.g. Van Ravels voorzitter w.g. Ouwehand griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2025 752