← Nederland

ECLI:NL:RVS:2025:2677

202300108/1/R4 Datum uitspraak: 18 juni 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak, deels tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in het geding tussen: 1. [appellanten sub 1] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend in Zutphen, 2. [appellante sub 2] en anderen, gevestigd of wonend in Eefde, gemeente Lochem, 3. [appellanten sub 3] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), beiden wonend in Eefde, gemeente Lochem, 4. Stichting Eefde Tegen-wind (hierna: de stichting), gevestigd in Eefde, gemeente Lochem, appellanten, en 1. het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college van GS), 2. Provinciale staten van Gelderland, 3. het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rijn en IJssel (hierna: het college van DH), verweerders. Procesverloop Bij besluit van 18 mei 2022 hebben provinciale staten de coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.33 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) van toepassing verklaard op de voorbereiding en bekendmaking van het inpassingsplan, zoals bedoeld in artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998, bezien in samenhang met artikel 3.26, eerste lid, van de Wro, ten behoeve van de ontwikkeling van het Windpark IJsselwind, omgevingsvergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), vergunningen, ontheffingen en vrijstellingen op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb), vergunningen op grond van de Waterwet en de besluiten op grond van een bepaling in een verordening van een waterschap met betrekking tot het verrichten of doen verrichten van handelingen aan of nabij een watergang of waterkering. Bij besluit van 16 november 2022 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Windpark IJsselwind Zutphen" vastgesteld (hierna: het PIP). Bij besluit van 23 november 2022 heeft het college van GS aan IJsselwind B.V. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, b en i, van de Wabo verleend voor twee windturbines (WT1 en WT2) met inkoopstation van Windpark IJsselwind ten noorden van het Twentekanaal, plaatselijk bekend als nabij [locatie C] te Lochem. Bij besluit van 23 november 2022 heeft het college van GS aan Waterschap Rijn en IJssel (hierna: het waterschap) een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, b en i, van de Wabo verleend voor één windturbine (WT3) met inkoopstation, traforuimte en de bijbehorende wegen, kraanopstelplaats en kabeltracé ten zuiden van het Twentekanaal, plaatselijk bekend als Doggersbank. Bij besluit van 7 februari 2023 heeft het college van DH de bij besluit van 10 oktober 2019 aan IJsselwind B.V. verleende watervergunning voor het realiseren en behouden van twee windturbines (WT1 en WT2) met bijbehorende werkzaamheden in het bergingsgebied en tevens keurzone van de Oude Eefsebeek respectievelijk binnen de keurzone van de primaire kering, normtraject 51-5 tussen dp 20 en 21, gewijzigd. Bij besluit van 7 februari 2023 heeft het college van DH de bij besluit van 10 oktober 2019 aan het waterschap verleende watervergunning voor het realiseren en behouden van één windturbine (WT3) met bijbehorende werkzaamheden binnen de keurzone van de primaire kering, normtraject 50-2 tussen dp 135-136, aan de zuidzijde van het Twentekanaal, gewijzigd. Bij besluit van 7 februari 2023 heeft het college van GS de bij besluit van 7 oktober 2019, gewijzigd bij besluit van 8 januari 2020, aan IJsselwind B.V. en het waterschap verleende ontheffing van de verbodsbepalingen uit de artikelen 3.1 en 3.5 van de Wnb voor de in het besluit genoemde vogel- en vleermuissoorten gewijzigd. [appellante sub 2] en anderen en de stichting hebben tegen al deze besluiten beroep ingesteld. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben alleen tegen het PIP en de omgevingsvergunningen beroep ingesteld. Het college van GS, provinciale staten en het college van DH hebben verweerschriften ingediend. Het waterschap en IJsselwind B.V. hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 29 augustus 2024, waar [appellant sub 3], [appellante sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [appellante sub 2], bijgestaan door mr. drs. R.S. Wertheim, advocaat in Zwolle, en [gemachtigde], de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door [gemachtigden], en provinciale staten, het college van GS en het college van DH, alle vertegenwoordigd door mr. C.E. Barnhoorn en mr. U. Franssen, beiden advocaat in Den Haag, bijgestaan door C.T.G. Deterink, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting het waterschap en IJsselwind B.V., beide vertegenwoordigd door mr. E.M.N. Noordover, advocaat in Amsterdam, bijgestaan door [gemachtigden], als partij gehoord. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling bij brief van 4 september 2024 het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Awb heropend en provinciale staten, het college van GS, het waterschap en IJsselwind B.V. in de gelegenheid gesteld om alsnog te reageren op de kort voor de zitting ingebrachte nadere stukken van [appellante sub 2] en anderen van 24 juli 2024 en 15 augustus 2024, die deels ook door de stichting zijn ingediend, in het bijzonder op de stukken van L.M.B. Baart de la Faille van juli 2024 en het stuk "Toxische fijnstof emissie van Industriële Windturbine en impact op volksgezondheid" van R. van Giesen van 8 juli 2024 en het stuk "Eerste inzicht in emissies en chemische stoffen bij windturbines op land: Resultaten QuickScan" van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Provinciale staten en het college van GS enerzijds en het waterschap en IJsselwind B.V. anderzijds hebben bij onderscheidenlijke brieven van 15 oktober 2024 alsnog op de betreffende stukken gereageerd. De Afdeling heeft vervolgens bij brief van 13 december 2024 met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek gesloten. Overwegingen ALGEMEEN DEEL Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. 2. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een inpassingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het inpassingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 23 juni 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro, de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) en de Elektriciteitswet 1998, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 3. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend op 19 mei 2022 respectievelijk 24 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 4. Als een aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvragen om wijzigingen van de eerder verleende watervergunningen zijn ingediend op 15 juni 2022. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 5. Als een aanvraag om een vergunning of een ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om de eerder verleende Wnb-ontheffing te wijzigen is ingediend op 24 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 6. Het PIP heeft betrekking op het Windpark IJsselwind, een initiatief van IJsselwind B.V. en het waterschap om in het plangebied gezamenlijk drie windturbines te realiseren voor een periode van maximaal 30 jaar ten noorden van het bedrijventerrein De Mars in Zutphen, een provinciale weg (N348) en twee waterwegen (Twentekanaal en IJssel). Initiatiefnemers hebben nog geen type windturbine gekozen. De aanvraag is daarom gebaseerd op een bandbreedte van 95 m tot 120 m voor de masthoogte, 120 m tot 138,5 m voor de rotordiameter en 180 tot 187,5 m voor de tiphoogte. Het opgetelde vermogen van de drie windturbines gezamenlijk bedraagt circa 13,5 MW. 7. Om het Windpark IJsselwind mogelijk te maken, zijn verschillende besluiten van verschillende bestuursorganen nodig. Provinciale staten hebben op 18 mei 2022 toepassing gegeven aan de provinciale coördinatieregeling van artikel 3.33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro. Dat houdt in dat de voorbereiding en bekendmaking van het PIP is gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van die andere besluiten. De coördinatie heeft plaatsgevonden in drie clusters: - Cluster 1: het PIP en de besluiten tot verlening van de omgevingsvergunningen. Daarbij valt op te merken dat het PIP is vastgesteld en de omgevingsvergunningen zijn verleend, nadat de Afdeling bij uitspraak van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1025, het bij besluit van 23 september 2019 vastgestelde bestemmingsplan "Fort de Pol, Eefde West en Windpark IJsselwind" en de besluiten van 1 oktober 2019 tot verlening van de omgevingsvergunning voor de windturbines heeft vernietigd. - Cluster 2: beperkte wijziging van de al verleende twee watervergunningen op grond van de Waterwet en de wijziging van de al verleende ontheffing op grond van de Wnb voor vogel- en vleermuissoorten. Dit in verband met de verschuiving van WT1 circa 23 m in zuidoostelijke richting ten opzichte van de oorspronkelijke plek zoals voorzien in het voornoemde bij besluit van 23 september 2019 vastgestelde plan en in verband met de beperkte mate van vergroting van de windturbines ten opzichte hiervan. - Cluster 3: de ontheffing op grond van de Wnb voor de effecten op een bijburcht van de das. Zie hierover de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4391. Op de besluiten is de Chw van toepassing. 8. [appellant sub 1], [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting - wonend dan wel gevestigd in de nabije omgeving van de voorziene windturbines - kunnen zich niet vinden in de ontwikkeling en hebben daarom beroep ingesteld tegen een of meer van deze besluiten. Zij vrezen onder meer dat het windpark leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat en de natuurwaarden in de omgeving. Nadere stukken 9. Op 24 juli 2024 en 15 augustus 2024 hebben [appellante sub 2] en anderen nadere stukken ingediend. Deze zijn nadien deels ook door de stichting ingediend. Daarover overweegt de Afdeling als volgt. 10. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:844, onder 5.1, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn nadere argumenten worden aangevoerd en stukken worden ingediend ter motivering van een eerdere beroepsgrond, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Bij het indienen van nadere stukken is de termijn van artikel 8:58 van de Awb van tien dagen voor de zitting van belang, maar deze termijn is niet bepalend voor de vraag of het overleggen van nadere stukken in strijd is met de goede procesorde. Voor het antwoord op die vraag is namelijk doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken op de zitting kan plaatsvinden. Strijd met de goede procesorde doet zich voor als nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken zo laat worden ingediend en/of zodanig complex of omvangrijk zijn, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren, de Afdeling wordt belemmerd in haar voorbereiding van de zitting of de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere wijze wordt belemmerd. 11. Hoewel de nadere stukken van 24 juli 2024 en 15 augustus 2024 zijn ingediend buiten de wettelijke termijn van 10 dagen, ziet de Afdeling, ook gelet op de reacties van provinciale staten, het college van GS, het waterschap en IJsselwind B.V. van 15 oktober 2024, in dit geval aanleiding om de volgende stukken buiten beschouwing te laten vanwege strijd met een goede procesorde: 1. De brief van [appellante sub 2] en anderen van 24 juli 2024, met de bij die brief gevoegde bijlagen B-01, B-02, B-03, B-04 en B-05; 2. De brief van de stichting van 13 augustus 2024, voor zover hierbij dezelfde stukken worden ingediend als [appellante sub 2] en anderen hebben gedaan op 24 juli 2024; 3. De brief van [appellante sub 2] en anderen van 15 augustus 2024, voor zover hierbij producties D-01, D-02, D-03, D-04, D-05 en D-06 zijn ingebracht. 4. De brief van de stichting van 15 augustus 2024, voor zover hierbij de brief van [appellante sub 2] en anderen van 15 augustus 2024, inclusief bijlagen, opnieuw is ingediend; 5. De brief van provinciale staten en het college van GS van 10 september 2024; 6. De brief van het waterschap en IJsselwind B.V. van 10 september 2024; 7. De reactie van provinciale staten en het college van GS van 15 oktober 2024, met bijlagen; 8. De reactie van het waterschap en IJsselwind B.V. van 15 oktober 2024, met bijlagen; 9. Alle correspondentie over deze specifieke aangelegenheid vanaf 15 oktober 2024. 12. De reden hiervoor is dat de door [appellante sub 2] en anderen en de stichting op 24 juli 2024 en 15 augustus 2024 in het geding gebrachte stukken in een zeer laat stadium van de procedure zijn ingebracht, omvangrijk en complex zijn en deels nieuwe gegevens, inzichten en standpunten bevatten. De inhoud van de stukken en de daaropvolgende reacties van provinciale staten, het college van GS, het waterschap en IJsselwind B.V. doen de complexiteit van het toch al complexe geschil sterk toenemen, in het bijzonder ten aanzien van het aspect geluid. Van diverse op 24 juli en 15 augustus 2024 ingebrachte producties is bovendien, gelet op hun datering, niet in te zien waarom die stukken niet eerder ingediend hadden kunnen worden. De wetenschappelijke waarde van de producties B-02 en B-03 is bovendien zonder nader onderzoek lastig te beoordelen, waardoor de goede voortgang van de procedure wordt belemmerd. Een en ander heeft tot gevolg gehad dat de andere partijen daar niet adequaat op hebben kunnen reageren voorafgaand aan de zitting of tijdens de zitting. Daarnaast wordt ook de Afdeling belemmerd in de zorgvuldige voorbereiding van een zaak wanneer partijen relatief kort voor de zitting nadere stukken indienen met omvangrijke en/of complexe nieuwe onderzoeken of nieuwe argumenten. In het kader van de bewaking van het processuele evenwicht tussen partijen zal de Afdeling ook de na de zitting ontvangen reacties van provinciale staten en het college van GS, het waterschap en IJsselwind B.V. buiten beschouwing laten, hetgeen de Afdeling partijen bij brief van 13 december 2024 heeft bericht. Omvang van het geschil 13. De Afdeling benadrukt dat het in deze procedure alleen om de besluiten van cluster 1 en 2 gaat. Over cluster 2 merkt de Afdeling verder nog op dat de bij besluiten van 10 oktober 2019 door het college van DH verleende watervergunningen en de bij besluit van 7 oktober 2019, gewijzigd bij besluit van 8 januari 2020, door het college van GS verleende ontheffing als bedoeld in de Wnb voor vogel- en vleermuissoorten met de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1025, in rechte onaantastbaar zijn geworden. De rechtmatigheid van deze besluiten kan dus in deze procedure niet ter discussie worden gesteld. Alleen de wijziging van deze besluiten ligt hier ter beoordeling voor. Toepasselijke regelgeving in bijlage 14. Voor zover de wettelijke bepalingen en de planregels niet in de uitspraak zijn geciteerd, is de relevante regelgeving opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Opzet uitspraak 15. De Afdeling zal eerst ingaan op de procedurele gronden tegen een of meerdere besluiten (overwegingen 16 tot en met 22.1). Vervolgens zal de Afdeling ingaan op de beroepsgronden die specifiek tegen het PIP zijn aangevoerd (overwegingen 23 tot en met 106). Vervolgens zal de Afdeling ingaan op de beroepsgronden die specifiek zien op de omgevingsvergunningen die het college van GS voor het windpark heeft verleend (overwegingen 107 tot en met 127.1). Daarna zal de Afdeling ingaan op de gronden die specifiek tegen de gewijzigde Wnb-ontheffing (overwegingen 128 tot en met 149.2) en de gewijzigde watervergunningen (overwegingen 140 tot en met 150) zijn aangevoerd. Hierna volgt een bespreking van overige aspecten (overwegingen 151 tot en met 152). De eindconclusie is opgenomen in de slotoverwegingen van deze uitspraak (overwegingen 153 tot en met 159). Als laatste bespreekt de Afdeling de overschrijding van de redelijke termijn (overwegingen 160 tot en met 160.5). BEROEPSGRONDEN GERICHT TEGEN MEERDERE BESLUITEN Procedurele gronden Kennisgeving onvolledig 16. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat de kennisgeving van het PIP en de beide omgevingsvergunningen onvolledig is. Het PIP en de omgevingsvergunningen zijn aangekondigd in het Provinciaal Blad van Gelderland op 22 november 2022, nr. 13816. De kennisgeving vermeldt ten onrechte niet de data van de omgevingsvergunningen en evenmin de bestuursorganen die de besluiten hebben genomen. 16.1. Voor zover de punten waar [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting op wijzen inderdaad gezien kunnen worden als een gebrek in de kennisgeving, overweegt de Afdeling dat volgens vaste rechtspraak gebreken in de kennisgeving, bekendmaking, mededeling of de terinzagelegging van vastgestelde besluiten niet kunnen leiden tot vernietiging van de besluiten, omdat zulke onregelmatigheden dateren van na het nemen van deze besluiten. De betogen slagen alleen al daarom niet. Chw onverbindend 17. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat, in het geval zij nieuwe gronden aanvoeren, artikel 1.6a van de Chw onverbindend moet worden geacht. Volgens hen is deze bepaling, gelet op de omvang van het dossier, in strijd met het recht op toegang tot de rechter en het beginsel van effectieve rechtsbescherming zoals neergelegd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). 17.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 17 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4217, vanaf 2.6.1, tast artikel 1.6a van de Chw het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aan. Met deze bepaling wordt bereikt dat in een vroeg stadium vast staat welke beroepsgronden in de beroepsprocedure ter beoordeling staan. Hiermee heeft de wetgever blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepalingen beoogd vertragingen in de beroepsprocedures zo veel mogelijk te voorkomen en het voor de rechter mogelijk te maken om binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak te doen. Dit is een rechtmatig doel. In hetgeen is aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat niet aan de uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voortvloeiende evenredigheidseis wordt voldaan. Gelet hierop bestaat geen aanleiding artikel 1.6a van de Chw buiten toepassing te laten of onverbindend te achten wegens strijd met artikel 6 van het EVRM. De betogen slagen niet. Misbruik van bevoegdheid 18. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat de provincie zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van haar bevoegdheid door besluiten vast te stellen die vrijwel identiek zijn aan de besluiten die de Afdeling in de uitspraak van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1025, heeft vernietigd. Na deze uitspraak heeft het gemeentebestuur van Zutphen uitdrukkelijk besloten om het windpark niet meer in procedure te brengen. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben het gevoel dat de lokale, gemeentelijke democratie is gepasseerd door de provincie, wat slecht is voor het draagvlak van de energietransitie. Uit de bestreden besluiten blijkt dat het college van GS geen advies heeft gevraagd aan de colleges van burgemeester en wethouders van Lochem en Zutphen op grond van artikel 6.1 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). 18.1. Provinciale staten en het college van GS hebben toegelicht dat de gemeente Zutphen na de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1025, heeft laten weten niet op korte termijn een nieuwe procedure te zullen starten in verband met ambtelijk capaciteitsgebrek en de complexiteit van het project. Provinciale staten en het college van GS hebben ook verwezen naar een brief van het college van B en W van Zutphen waar niet uit volgt dat de gemeente negatief tegenover de plannen van de provincie staat. 18.2. Provinciale staten en het college van GS hebben geen misbruik gemaakt van hun bevoegdheden. De Afdeling begrijpt dat [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting na de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1025, veronderstelden dat het windpark niet meer gerealiseerd zou worden. De uitspraak van de Afdeling strekte daar echter niet toe. Provinciale staten en het college van GS bleven bevoegd om na een politiek-bestuurlijke afweging deze besluiten te nemen. Er is in zoverre geen sprake van het passeren van de lokale democratie door provinciale staten en het college van GS. Overigens zijn provinciale staten en het college van GS ook democratisch gelegitimeerd, net als de raad en het college van B en W van Zutphen. Over het advies op grond van artikel 6.1 van het Bor overweegt de Afdeling dat provinciale staten en het college van GS onweersproken hebben toegelicht dat de gemeenten Zutphen en Lochem op meerdere momenten als adviseurs zijn betrokken bij de voorbereiding van het PIP, conform artikel 6.1 van het Bor. De betogen slagen niet. Moties in Statenvergadering 19. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat het PIP niet in overeenstemming is met twee moties die zijn aangenomen in de vergadering van provinciale staten op 16 november 2022, dezelfde dag dat het PIP is vastgesteld. Provinciale staten hebben een motie aangenomen waarin sterk wordt aangedrongen op het gebruik van geluidsarme windturbines, zodat kan worden aangesloten bij een maximale geluidsbelasting van 45 dB Lden en 39 dB Lnight. In een tweede motie die die dag is aangenomen, wordt het college van GS opgeroepen om twee jaar na ingebruikname van de windturbines een evaluatie onder omwonenden te houden over de totale geluidsbeleving, zodat kan worden verkend of er aanpassingen in het projectgebied nodig en mogelijk zijn. 19.1. De Afdeling overweegt dat provinciale staten hebben besloten het PIP in de nu voorliggende vorm vast te stellen. Uit de door [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting genoemde moties volgt niet dat provinciale staten beoogd hebben om het PIP te wijzigen of niet vast te stellen. De Afdeling kan daarom geen juridisch bindende betekenis toekennen aan deze moties (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7002, onder 2.77.1). De betogen slagen niet. Vooringenomenheid 20. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat er bij de voorbereiding van de verlening van de omgevingsvergunning een te nauwe samenwerking is geweest tussen het college van GS als vergunningverlener en het waterschap als vergunninghouder, zodat aan de in artikel 2:4 van de Awb gestelde eis dat een bestuursorgaan een besluit dient te nemen zonder (schijn van) vooringenomenheid niet is voldaan. 20.1. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben slechts gesteld dat er een te grote verwevenheid is tussen de bestuurders van de provincie en het waterschap. Deze stelling is niet nader onderbouwd. Naar het oordeel van de Afdeling is niet aannemelijk geworden dat het college van GS vooringenomen was of dat anderszins sprake is van een schending van de in artikel 2:4 van de Awb gestelde eis van onpartijdigheid. De betogen slagen niet. Aanvragen onvolledig 21. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat ten onrechte geen omgevingsvergunning is aangevraagd voor het aanleggen van de kabels die de windturbines aansluiten op het nationale hoogspanningsnet. Volgens hen had dit wel gemoeten, omdat deze kabels vanwege hun technische, organisatorische en functionele samenhang onderdeel uitmaken van de inrichting. 21.1. Zoals de Afdeling al heeft overwogen in haar uitspraak van 21 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:616, Windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 253.2), bestaat er geen onlosmakelijke samenhang tussen de activiteiten aanleg van kabels met de activiteiten oprichten van een inrichting en bouwen, omdat deze fysiek van elkaar zijn te onderscheiden. Een aanvrager van een omgevingsvergunning voor een inrichting bepaalt voor welke inrichting hij vergunning wenst te hebben. Het bevoegd gezag dient op de grondslag van die aanvraag te beoordelen of vergunning kan worden verleend. Voor zover de omvang van de inrichting in de praktijk niet overeenkomt met die waarvan in de aanvraag is uitgegaan kan dit niet ertoe leiden dat op de aanvraag zoals gedaan niet mocht worden beslist. Het is de verantwoordelijkheid van de drijver van de inrichting om de werking ervan in overeenstemming te doen zijn met de vergunning. Afwijking daarvan is een kwestie van handhaving. De betogen slagen niet. Verdrag van Aarhus/alternatieven 22. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat het PIP is vastgesteld in strijd met het Verdrag van Aarhus, omdat er geen inspraak is geboden op het moment dat alle opties nog open lagen. Alternatieven zijn onvoldoende onderzocht. 22.1. De Afdeling stelt vast dat omwonenden en andere betrokkenen in een vroeg stadium hebben kunnen meepraten over de ontwikkeling. In bijlage 24 bij de plantoelichting van het PIP is het "Participatieplan windpark IJsselwind" gevoegd. Hierin is toegelicht hoe omwonenden en andere belanghebbenden zijn betrokken bij de plannen. Zo staat in het participatieplan dat de initiatiefnemers sinds de start van het project hebben geïnvesteerd in een intensief participatietraject voor het windpark met de projectomgeving. Er hebben diverse bijeenkomsten en keukentafelgesprekken plaatsgevonden en er zijn een omgevingsadviesraad, een bewonersplatform en een nieuwsbrief in het leven geroepen. De Afdeling overweegt vervolgens dat de besluiten zijn voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben over het ontwerp-PIP en de ontwerp-omgevingsvergunningen die ter inzage hebben gelegen van donderdag 23 juni 2022 tot donderdag 4 augustus 2022 hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Van die gelegenheid hebben zij ook gebruik gemaakt. Er is inhoudelijk gereageerd op de ingekomen zienswijzen in de zienswijzenota, die als bijlage 25 bij de plantoelichting is gevoegd. Uit de zienswijzenota volgt dat de zienswijzen inhoudelijk in de besluitvorming zijn meegewogen. De omstandigheid dat volgens het Verdrag van Aarhus bij de besluitvorming rekening moet worden gehouden met de resultaten van inspraak, neemt niet weg dat het aan het bevoegd gezag is om de ontvangen inspraakreacties af te wegen en te beoordelen of hierin aanleiding wordt gezien voor een aanpassing van het besluit. Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het vereiste dat een reële inspraakmogelijkheid wordt geboden op een moment dat alle opties nog open zijn. Anders dan [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen, is met deze inspraakprocedure een inspraakmogelijkheid geboden op een vroeg genoeg moment, waarop alle opties nog open waren. De Afdeling kan [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting dan ook niet volgen in de stelling dat geen inspraak heeft plaatsgevonden op een moment dat deze nog daadwerkelijk invloed kon hebben op de besluitvorming. Dat provinciale staten uiteindelijk niet geheel aan de bezwaren van [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting zijn tegemoetgekomen, leidt er naar het oordeel van de Afdeling niet toe dat er in strijd met de bepalingen in afdeling 3.4 van de Awb of met een ander wettelijk voorschrift is gehandeld. Provinciale staten houden ruimte om een andere afweging te maken. De betogen slagen niet. HET PROVINCIAAL INPASSINGSPLAN Toetsingskader inpassingsplan 23. Bij de vaststelling van een inpassingsplan moeten provinciale staten bestemmingen aanwijzen en regels geven die provinciale staten uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. Provinciale staten hebben daarbij beleidsruimte en moeten de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Vormvrije m.e.r.-beoordeling 24. Op 20 april 2022 hebben provinciale staten op basis van de "Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Windpark IJsselwind" van Pondera van 29 maart 2022, die als bijlage 1 bij de plantoelichting is opgenomen (hierna: de aanmeldnotitie), twee m.e.r.-beoordelingsbesluiten genomen en beslist dat er geen milieueffectrapport (hierna: MER) behoeft te worden gemaakt. De resultaten van de vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn beschreven in de m.e.r.-beoordelingsbesluiten. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat de voorgenomen activiteit in het licht van de criteria als bedoeld in bijlage III bij de mer-richtlijn (richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, gewijzigd bij richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 en richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014), niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden, zodat geen MER noodzakelijk is. 25. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat provinciale staten ten onrechte hebben besloten dat voor het windpark geen MER hoeft te worden uitgevoerd. De conclusie van de verrichte vormvrije m.e.r.-beoordeling dat belangrijke nadelige milieugevolgen vanwege het windpark zijn uitgesloten, is volgens hen onjuist. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting voeren hiertoe diverse argumenten aan. De Afdeling zal de argumenten die de appellanten hebben aangedragen hierna per onderwerp bespreken. Onjuiste gegevens in de aanmeldnotitie 26. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting voeren in dit verband onder meer aan dat het risico op ongevallen in de aanmeldnotitie onjuist is beoordeeld, ten onrechte niet vermeld wordt dat WT1 op grond staat die onderdeel is van een natuurcompensatiegebied voor de aanleg van de provinciale weg N348, ten onrechte geen melding wordt gemaakt van het feit dat in Natura 2000-gebied Rijntakken met stikstofverbindingen overbelaste hexagonen voorkomen, ten onrechte staat vermeld dat het project niet ligt in een gebied met een hoge bevolkingsdichtheid, en de aanmeldnotitie er een te beperkte beoordeling op nahoudt van de historische, culturele, archeologische en landschappelijke belangen. 26.1. Provinciale staten hebben over de door appellanten opgebrachte punten het volgende naar voren gebracht. Wat betreft de beoordeling van het risico op ongevallen in de aanmeldnotitie, verwijzen provinciale staten naar wat hierover in paragraaf 6.7 van deze notitie staat. Daarin is onder meer gekeken naar de plaatsgebonden risico-contouren (hierna PR-contouren) rondom de windturbines, de aanwezigheid van objecten rond de windturbines en de eventuele gevolgen voor de risico’s bij die objecten vanwege de windturbines. Daarbij zijn onder meer betrokken de hoogspanningsinfrastructuur, buisleidingen en aanwezige en toekomstige risicovolle installaties. Over de natuurcompensatie in relatie tot de ontwikkeling van WT1 staat in de aanmeldnotitie dat de grond ter plaatse van WT1 agrarische grond is met de waarde natuurcompensatie. Daarbij is beschreven dat de gronden nu voornamelijk bestaan uit grasland en worden begraasd door schapen en er door het relatief kleine primaire ruimtegebruik van een windturbine veel ruimte overblijft voor andere functies, aldus de aanmeldnotitie. Over het feit dat in Natura 2000-gebied Rijntakken met stikstofverbindingen overbelaste hexagonen voorkomen, merken provinciale staten op dat de mate waarin een Natura 2000-gebied overbelast is vanwege stikstofdepositie op zichzelf niet bepalend is voor de conclusie of er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu optreden. Van belang is of het project zelf zodanige gevolgen genereert dat daarom een MER gemaakt zou moeten worden. In dat verband is in paragraaf 6.6.4 van de aanmeldnotitie ingegaan op het in de nabijheid van het project gelegen Natura 2000-gebied Rijntakken en daarin gelegen stikstofgevoelige habitattypen. Wat betreft de bevolkingsdichtheid hebben provinciale staten erop gewezen dat de locatie in het buitengebied ten noorden van Zutphen ligt, waar verspreid enkele woningen liggen en aan de rand van industrieterrein De Mars, waar geen (bedrijfs)woningen zijn. Daarmee is er in de aanmeldnotitie volgens provinciale staten met juistheid van uitgegaan dat geen sprake is van een hoge bevolkingsdichtheid. Over de aantasting van de historische, culturele of archeologisch belangen wijzen provinciale staten op de paragrafen 6.8 en 6.9 van de aanmeldnotitie. Hier is uiteengezet dat de voorziene bodemingrepen een kleinere verstoring hebben dan de minimale maat waarbij het geldende regime een onderzoek vereist. De mogelijke effecten van het project op het landschap zijn niet zodanig dat sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, aldus provinciale staten. 26.2. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt waarom de conclusie in de aanmeldnotitie dat het windpark voor de hiervoor genoemde aspecten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt die dwingen tot het maken van een MER, onjuist is. De Afdeling ziet ook anderszins geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De enkele stellingen dat er binnen een straal van 10 keer de tiphoogte van de windturbines 3500 woningen zijn en WT1 op gronden met een dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" staat en de openheid in het buitengebied niet onaangetast blijft bestaan, zijn onvoldoende om te twijfelen over wat hierover is uiteengezet in de aanmeldnotitie. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de aanmeldnotitie in zoverre zulke gebreken of leemten in kennis bevat, dat provinciale staten dat niet aan de m.e.r.-beoordelingsbesluiten ten grondslag heeft kunnen leggen. De betogen slagen niet. Integrale beoordeling 27. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting voeren verder aan dat de vormvrije m.e.r.-beoordeling inadequaat is, omdat hierin ten onrechte voorbij is gegaan aan een onderling samenhangende beoordeling van de milieueffecten van het gehele project. Zo zijn de besluiten tot wijziging van de beide watervergunningen en de ontheffing op grond van de Wnb pas na het vaststellen van het PIP genomen. Verder zal de vergunning op grond van de Wnb van 14 oktober 2020 nog moeten worden gewijzigd. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting wijzen in dit verband op het arrest van het Hof van Justitie van 24 februari 2022, ECLI:EU:C:2022:121 (Namur-Est Environnement), met name onder 59 en 60. 27.1. Bij de aanmeldnotitie zijn ook bijlagen bijgevoegd met - voor zover hier van belang - de volgende rapporten: - "Ecologische beoordeling stikstof Windpark IJsselwind" van Bureau Waardenburg B.V. van 18 maart 2022; - "Vliegbewegingen van watervogels in plangebied Windpark" van Bureau Waardenburg B.V. van 11 maart 2022; - "Windpark IJsselwind - effecten gewijzigde afmetingen en locatie op waterkering" van RoyalHaskoningDHV van 22 maart 2022. De Afdeling stelt vast dat deze rapporten mede ten grondslag zijn gelegd aan de gewijzigde watervergunningen en de Wnb-ontheffing. Dat betekent dat de wijzigingen in de watervergunningen en de Wnb-ontheffing ook in de aanmeldnotitie zijn betrokken. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben dit niet betwist. Voor zover [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben gewezen op de Wnb-vergunning, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar wat hierna onder 32 e.v. wordt overwogen in het kader van de vraag of een passende behoordeling moest worden gemaakt, dat provinciale staten hebben toegelicht dat de op 14 oktober 2020 verleende Wnb-vergunning niet hoeft te worden gewijzigd. Gelet op de daar door provinciale staten gegeven toelichting, die in de stukken en op de zitting niet door [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting is betwist, hebben provinciale staten naar het oordeel van de Afdeling in dit verband mogen uitgaan van de op 14 oktober 2020 verleende Wnb-vergunning. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting in dit verband hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat een toereikende integrale beoordeling is gemaakt van de mogelijke nadelige gevolgen van het project voor het milieu. Nu niet alleen rekening is gehouden met de milieueffecten afzonderlijk, maar ook met hun onderlinge wisselwerking en dus met het totale effect van het project op het milieu, ziet de Afdeling in de verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 24 februari 2022 geen aanleiding voor een ander oordeel. De betogen slagen niet. Milieubeoordeling eigen milieunormen 28. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de Stichting betogen verder dat provinciale staten ten onrechte geen MER hebben gemaakt van de eigen normstelling voor geluid, slagschaduw, lichtschittering en (externe) veiligheid. 28.1. Anders dan [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen, is het maken van een MER voor de door provinciale staten uiteindelijk gekozen normen in dit geval niet vereist. Daarbij verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1446 (windpark Karolinapolder), onder 32. Wat [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting in zoverre betogen, kan daarom evenmin leiden tot de conclusie dat de aanmeldnotitie onjuist is. De betogen slagen niet. Passende beoordeling 29. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat provinciale staten de koppeling tussen artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb en artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) ten onrechte niet onder ogen hebben gezien. 29.1. Omdat, zoals de Afdeling hierna onder 32 e.v. zal overwegen, provinciale staten het maken van een passende beoordeling terecht achterwege hebben gelaten, bestaat alleen al daarom geen aanleiding om op grond van artikel 7.2a, eerste lid, van de Wm te oordelen dat voorafgaand aan de vaststelling van het PIP een MER had moeten worden gemaakt. De betogen slagen niet. Levensduur windturbines 30. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting voeren aan dat sprake is van een ondeugdelijke vormvrije m.e.r.-beoordeling, omdat hierin ten onrechte voorbij is gegaan aan het gegeven dat er na de levensduur van het windpark nieuwe windturbines kunnen komen. 30.1. In de m.e.r.-beoordelingsbesluiten staat dat de windturbines aan het eind van hun levensduur worden afgebroken, waarbij het nu nog niet vaststaat dat er dan weer nieuwe windturbines op dezelfde locatie komen. In hun verweerschrift hebben provinciale staten hierover toegelicht dat de afbraak van de windturbines geen rol heeft gespeeld in de uitkomst van de vormvrije m.e.r.-beoordeling en daarmee de tijdelijkheid als zodanig niet is meegewogen bij het beoordelen van de effecten. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben niet geconcretiseerd waarom dit geen toereikende beoordeling op grond van de relevante criteria van bijlage III van de mer-richtlijn zou zijn. Ook anderszins hebben zij niet onderbouwd welke gevolgen voor het milieu in de vormvrije m.e.r.-beoordeling van het PIP en de daaraan ten grondslag gelegde onderzoeken niet zouden zijn onderkend op dit punt. De betogen slagen niet. Erosie van de coatings 31. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting voeren daarnaast aan dat provinciale staten ten onrechte geen onderzoek hebben gedaan naar de erosie van (de coatings

  1. op)de wieken van de windturbines, met de productie van afvalstoffen tot gevolg. Daarom is volgens hen niet uitgesloten dat zich in zoverre belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen, die nopen tot het maken van een MER. 31.1. De Afdeling stelt vast dat in de aanmeldnotitie op grond waarvan de m.e.r.-beoordelingsbesluiten zijn genomen, niet is ingegaan op het aspect afvalstoffen, althans staat vermeld dat dit aspect niet relevant is, omdat tijdens het in gebruik zijn van de windturbines geen afvalstoffen vrijkomen. Onder 86.4 hierna zal de Afdeling echter oordelen dat provinciale staten onvoldoende hebben gemotiveerd dat zij de (mogelijke) gevolgen van de erosie van (de coatings
  2. op)de wieken, met name van emissie van Bisphenol (A), voor de gezondheid en het milieu deugdelijk in de beoordeling hebben betrokken. De Afdeling is daarom van oordeel dat daarmee niet alle relevante criteria als genoemd in bijlage III van de mer-richtlijn toereikend zijn beoordeeld in de uitgevoerde m.e.r-beoordeling. Dit is in strijd met artikel 7.17, derde lid, van de Wm. Gelet op het vorenstaande hebben provinciale staten in strijd met artikel 3:46 van de Awb, niet toereikend gemotiveerd waarom zich in zoverre geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen, die nopen tot het maken van een MER. De betogen slagen in zoverre. Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling 32. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling in wat [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet deugdelijk hebben gemotiveerd dat zich geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen. Geen passende beoordeling nodig? Inleiding 33. Het Natura 2000-gebied Rijntakken grenst aan het plangebied. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben beroepsgronden aangevoerd die gaan over de uitstoot van stikstof en de gevolgen die dat kan hebben op het Natura 2000-gebied. 34. Daartoe betogen [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting dat er, gelet op de ligging nabij het Natura 2000-gebied Rijntakken, ten onrechte geen passende beoordeling is uitgevoerd met toepassing van de Wnb. Zij stellen dat de realisatie en het gebruik van de windturbines niet kan worden gebaseerd op de door het college van GS op 14 oktober 2020 verleende vergunning op grond van de Wnb voor het realiseren en exploiteren van de drie windturbines, die bij uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2334, in rechte onaantastbaar is geworden. Volgens [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting maakt het PIP namelijk windturbines mogelijk met een andere, grotere maatvoering dan waarvan in die natuurvergunning wordt uitgegaan. Er is weliswaar een voortoets gemaakt aan de hand van berekeningen in de AERIUS-Calculator (zie bijlage II bij de ecologische voortoets van Bureau Waardenburg van 18 maart 2022 die is opgenomen als bijlage 10 bij de toelichting bij het PIP; hierna: het stikstofonderzoek), maar omdat daarin van verkeerde uitgangspunten is uitgegaan, kan ook daaruit niet de conclusie worden getrokken dat er geen passende beoordeling gemaakt hoefde te worden, zo stellen [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting. Ook zijn er volgens hen bepaalde punten ten onrechte niet meegenomen in het stikstofonderzoek. 34.1. Provinciale staten stellen zich primair op het standpunt dat zij een voortoets hebben gedaan aan de hand van berekeningen in de AERIUS-Calculator (zie het stikstofonderzoek). Hieruit volgt dat significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelen op voorhand zijn uitgesloten. Het PIP kon daarom zonder passende beoordeling worden vastgesteld. Subsidiair stellen provinciale staten zich op het standpunt dat indien niet volstaan kan worden met de voortoets het PIP zonder passende beoordeling kon worden vastgesteld, omdat voor het windpark op 14 oktober 2020 reeds een natuurvergunning is verleend, die bij uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2334, in rechte onaantastbaar is geworden. Een nieuwe passende beoordeling kan redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten opleveren over de significante gevolgen van de realisatie van het windpark, omdat uit het stikstofonderzoek volgt dat op voorhand is uitgesloten dat de beperkte wijzigingen van het project significante gevolgen kunnen hebben op het Natura 2000-gebied Rijntakken. Daarmee kunnen deze wijzingen aan het project zonder wijziging van de natuurvergunning van 14 oktober 2020 worden doorgevoerd, aldus provinciale staten. 34.2. De Afdeling zal de argumenten die de appellanten hebben aangedragen hierna per onderwerp bespreken. Daarbij zal het volgende kader worden betrokken. 34.3. Uit artikel 2.8 van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. 34.4. Indien een passende beoordeling moet worden gemaakt, kan op grond van artikel 7.2a, eerste lid, van de Wm ook een milieueffectrapport noodzakelijk zijn. Bouwvrijstelling 35. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat het stikstofonderzoek uitgaat van de bouwvrijstelling zoals die is opgenomen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering, die niet meer aan de orde is. De Afdeling heeft namelijk op 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3159, een uitspraak gedaan waaruit is gebleken dat de bouwvrijstelling niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. 35.1. Zoals provinciale staten hebben toegelicht, blijkt uit het stikstofonderzoek dat geen gebruik is gemaakt van de bouwvrijstelling. Uit het stikstofonderzoek blijkt namelijk dat is onderzocht wat de effecten zijn van de stikstofuitstoot van dit project op de relevante Natura-2000-gebieden. Uit het stikstofonderzoek volgt dat significante effecten op grond van objectieve gegevens zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase op voorhand zijn uitgesloten. De Afdeling ziet in wat [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hiertegen in algemene zin hebben aangevoerd geen grond om hieraan te twijfelen. De betogen slagen niet. Gewijzigde maatvoering windturbines 36. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat in het stikstofonderzoek ten onrechte niet is uitgegaan van de gewijzigde maatvoering van de windturbines ten opzichte van de situatie zoals was voorzien in het bij besluit van 23 september 2019 vastgestelde bestemmingsplan "Fort de Pol, Eefde West en Windpark IJsselwind", dat bij uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1025, is vernietigd. In dat verband voeren zij aan dat een grotere maatvoering van de windturbines niet alleen de aanleg van zwaardere fundering vergt, maar ook tot zwaardere transporten leidt. 36.1. Provinciale staten hebben toegelicht dat de invoergegevens voor de AERIUS-berekening van 18 maart 2022 zijn afgestemd op de (nieuwe afmetingen van
  3. de)windturbines. Bij de AERIUS-berekening die bij het besluit van 23 september 2019 was gevoegd, werd uitgegaan van een mobiele telescopische torenkraan van 500 ton op de drie locaties. Als gevolg van de (beperkte) wijziging van de afmetingen van de windturbines dient gebruik gemaakt te worden van een zwaardere mobiele telescopische torenkraan. Daarom is in de AERIUS-berekening voor de windturbines met de (beperkte) gewijzigde afmetingen in het PIP een mobiele telescopische torenkraan van 750 ton ingevoerd. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben niet aannemelijk gemaakt dat het stikstofonderzoek op dit punt onjuist of onvolledig is. 36.2. Provinciale staten hebben verder naar voren gebracht dat bij nadere bestudering van deze AERIUS-berekening is geconstateerd dat abusievelijk de mobiele telescopische torenkraan van 750 ton alleen is ingevoerd voor WT3 en voor WT1 en WT2 een mobiele telescopische torenkraan van 500 ton is ingevoerd. In zoverre bevat het besluit tot vaststelling van het PIP een gebrek. De Afdeling ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Daartoe is van belang dat provinciale staten in hun reactie van 24 juli 2024 op de eerder door [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting ingediende nadere memories een AERIUS-berekening hebben gevoegd waarin de mobiele telescopische torenkraan van 750 ton voor alle drie de windturbines is ingevoerd. De uitkomst van de AERIUS-berekening wijzigt hierdoor evenwel niet. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben dit verder ook niet weersproken. Voorts zijn [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting door het gebrek niet benadeeld, terwijl evenmin aannemelijk is dat andere belanghebbenden door het gebrek zijn benadeeld. Aanrijroute aanlegfase 37. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen verder dat er in het stikstofonderzoek voor WT1 ten onrechte geen rekening mee is gehouden dat windturbineonderdelen als gevolg van de gewijzigde maatvoering van de windturbines niet onder de spoorbrug over het Twentekanaal door kunnen, terwijl in het onderzoek wel is gerekend met een transportroute die onder deze brug doorloopt. 37.1. Vaststaat dat in het stikstofonderzoek voor WT1 is gerekend met een transportroute die loopt vanaf de Rustoordlaan, over de Mettrayweg, onder de spoorbrug over het Twentekanaal en vervolgens over het fietspad langs de noordzijde van het Twentekanaal. 37.2. Provinciale staten erkennen dat groot verkeer op zichzelf niet onder de spoorbrug over het Twentekanaal door kan, maar door uit te gaan van de situatie dat alle verkeersbewegingen over deze route gaan, is volgens hen gerekend met een worst-case scenario. De route over de N348, waarvoor een nieuwe ontsluitingsroute moet worden aangelegd naar WT1 voor groot verkeer in verband met de spoorbrug, is namelijk korter dan de route waarmee is gerekend in het stikstofonderzoek. Nu in die berekening is uitgegaan van een langere aanrijroute dan in werkelijkheid het geval zal zijn, is daarmee sprake van een overschatting van de daadwerkelijke stikstofuitstoot, aldus provinciale staten. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben geen aanknopingspunten gegeven dat het voorgaande niet reëel en aannemelijk is. De betogen slagen niet. Demontage windturbines 38. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met de stikstofemissie door de demontage van de windturbines en de funderingen aan het einde van hun levensduur. 38.1. Zoals de Afdeling ook al heeft overwogen in haar uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2339, onder 22.2 (windpark Fryslân), kan de ontmanteling van de windturbines gezien worden als een project op zichzelf. Provinciale staten hoefden hier dus geen rekening mee te houden in het stikstofonderzoek. De betogen slagen niet. Vogelsterfte 39. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat in de ecologische beoordeling ten onrechte geen rekening is gehouden met andere invloeden van het project dan stikstofdepositie. In het bijzonder wijzen zij op vogelsterfte. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting vrezen voor de gunstige staat van instandhouding van de populatie van verschillende vogelsoorten in het nabijgelegen Natura 2000-gebied Rijntakken. 39.1. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting stellen op zichzelf terecht dat in de ecologische beoordeling niet is ingegaan op de vogelsterfte. Dat laat echter onverlet dat in de hierboven in ander verband besproken aanmeldnotitie is ingegaan op vogelsterfte als gevolg van het windpark. Uit deze notitie volgt dat er geen feiten of omstandigheden zijn te verwachten die ervoor zorgen dat er in zoverre significante milieugevolgen te verwachten zijn. In wat [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet op de aanmeldnotitie hebben mogen baseren. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet op het oordeel hebben kunnen stellen dat significante gevolgen op voorhand zijn uitgesloten. De betogen slagen niet. Conclusie over het achterwege blijven van een passende beoordeling 40. Uit het voorgaande volgt dat er in het stikstofonderzoek geen relevante bronnen ontbreken en dat provinciale staten zich hebben gebaseerd op reële en aannemelijke uitgangspunten. Provinciale staten hebben zich aldus op het standpunt mogen stellen dat op voorhand op grond van objectieve gegevens kon worden uitgesloten dat het PIP op zichzelf significante gevolgen voor Natura 2000-gebied Rijntakken heeft, zodat geen passende beoordeling hoefde te worden gemaakt. Gelet hierop hoeft de vraag of provinciale staten met juistheid hebben gesteld dat het PIP voorziet in een één-op-één inpassing van het project waarvoor op 14 oktober 2020 een vergunning op grond van de Wnb is verleend, geen verdere bespreking. De betogen slagen niet. Milieuaspecten: algemeen Inleiding 41. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1395 (hierna: de Delfzijl-tussenuitspraak), over de windturbinebepalingen uit de paragrafen 3.2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) en 3.2.3 van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling) overwogen dat deze, in strijd met richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (L 197/30) (hierna: de SMB-richtlijn), niet vooraf zijn gegaan door een milieubeoordeling als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de SMB-richtlijn. 41.1. Naar aanleiding van de Delfzijl-tussenuitspraak hebben provinciale staten besloten om voor windpark IJsselwind zelf gekozen normen te stellen. In de artikelen 3.3.1 t/m 3.3.3 van de regels van het PIP, hebben provinciale staten daartoe specifieke gebruiksregels vastgesteld voor geluid, slagschaduw en lichtschittering en externe veiligheid. In hoofdstuk 5 van de plantoelichting is de motivering voor de normstelling beschreven. Provinciale staten hebben zich daarbij gebaseerd op het advies "Motivering lokale milieunormen Windpark IJsselwind" van Bosch & van Rijn van 31 mei 2022, bijgevoegd als bijlage 2 bij de plantoelichting (hierna: het Bosch & van Rijn-advies). Onderzoeksplicht 42. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat provinciale staten ten onrechte de onderzoeken die op landelijk niveau worden verricht voor windturbinebepalingen, niet hebben afgewacht. De provincie heeft niet de kennis of mankracht voor uitgebreid wetenschappelijk onderzoek, net als de ingenieursbureaus die zijn ingeschakeld. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting verwijzen naar de rapporten die zij hebben ingebracht van R.W.J. Meester, D. Bijl, W. Alteveer en H.E. Suichies. Kort gezegd volgt uit deze rapporten dat de onderbouwing die provinciale staten hebben gegeven voor de zelf gekozen normen ondeugdelijk is. [appellante sub 2] en anderen betogen dat de Afdeling in haar uitspraak van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1433 (hierna: Delfzijl-einduitspraak) onder 18.2 een onjuist kader heeft geschetst voor het gebruik van wetenschappelijke rapporten ter onderbouwing van lokale normen. Het is aan het bestuursorgaan om op basis van artikel 3:2 van de Awb de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te vergaren. Pas als voldoende inzicht in de relevante feiten en af te wegen belangen bestaat, kan het bestuursorgaan de belangenafweging van artikel 3:4, eerste lid, Awb maken en beoordelen of de uitkomst van die belangenafweging voldoet aan het evenredigheidsbeginsel van het tweede lid van dat artikel, aldus [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting. 42.1. In de Delfzijl-einduitspraak heeft de Afdeling onder 18.1 overwogen dat op de raad niet eenzelfde onderzoeksplicht rust als op de minister in het kader van de planmilieueffectrapportage die moet worden verricht voor landelijke bepalingen voor windturbines. Met het aannemen van eenzelfde onderzoeksplicht zou worden miskend dat - zoals de Afdeling onder 65 en volgende in de Delfzijl-tussenuitspraak heeft overwogen - provinciale staten bevoegd waren zelf gekozen normen te hanteren. Provinciale staten moesten hun besluit baseren op de op het moment van het nemen van dat besluit beschikbare algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten. De omstandigheid dat in het deskundigenbericht dat ten behoeve van de Delfzijlzaak is uitgebracht ten aanzien van diverse aspecten staat dat nader wetenschappelijk onderzoek wenselijk is, omdat dit kan leiden tot meer of beter inzicht, brengt nog niet mee dat het verrichten van zulk onderzoek in het kader van het nemen van een besluit als het onderhavige van provinciale staten kan worden geëist. Van belang is of provinciale staten op basis van de beschikbare informatie en inzichten tot een verantwoorde keuze konden komen om de hinder die verband houdt met het in werking zijn van het windturbinepark, te normeren. 42.2. Dit betekent dat de Afdeling hierna, voor zover de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, zal beoordelen of de wetenschappelijke inzichten waarvan provinciale staten zijn uitgegaan, kunnen worden aangemerkt als algemeen wetenschappelijk aanvaarde inzichten waarop het besluit kan worden gebaseerd. Alleen wanneer zoveel twijfel bestaat over de beschikbare informatie en inzichten dat het niet verantwoord is om daarop een keuze te baseren, kan worden geoordeeld dat provinciale staten niet zonder nader onderzoek het besluit met de daarin opgenomen normering had kunnen nemen (vergelijk de Delfzijl-einduitspraak, onder 18 e.v.). Voor dit oordeel bestaat niet al grond indien in rapporten of publicaties uitgangspunten of conclusies uit de informatiebronnen waarop provinciale staten zich hebben gebaseerd ter discussie worden gesteld. Ook de stelling dat met andere keuzes betere bescherming wordt geboden aan omwonenden brengt op zichzelf nog niet mee dat die keuze ook had moeten worden gemaakt. Strijd met het Activiteitenbesluit 43. [appellant sub 1] betoogt dat in het Pondera akoestisch en slagschaduwonderzoek wederom allereerst wordt gekeken naar de effecten van de drie windturbines samen, wat, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1025, in strijd is met artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.12 van de Activiteitenregeling milieubeheer. 43.1. De Afdeling overweegt dat uit de Delfzijl-tussenuitspraak volgt dat de windturbinebepalingen buiten toepassing moeten blijven, en dat provinciale staten een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering moeten geven, wat hier ook is gebeurd. Om deze reden is strijd met die bepalingen niet aan de orde. Het betoog slaagt niet. Helpdesk Wind op Land 44. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat provinciale staten ten onrechte de Helpdesk Wind op Land hebben gebruikt voor het vaststellen van de zelfgekozen normen. Volgens hen fungeert de Helpdesk als een soort beleidskader en is dit in wezen een plan of programma zoals bedoeld in de SMB-richtlijn. De tekst van de Helpdesk had volgens hen aan een voorafgaande milieubeoordeling onderworpen moeten worden. In de zienswijzenota staat weliswaar in par 2.1.3 dat provinciale staten geen gebruik hebben gemaakt van de informatie van de Helpdesk Wind op Land, maar [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting wijzen op een aantal passages uit de toelichting op het PIP, die volgens hen grote gelijkenis vertonen met de tekstvoorbeelden van de Helpdesk. Omdat er standaardredeneringen zijn gebruikt, is er bovendien geen sprake van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering, aldus [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting. 44.1. De Helpdesk Wind op Land is een website die is opgezet door een samenwerking van verschillende ministeries, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, het Nationaal Programma RES, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging Nederlandse Gemeenten, de Unie van Waterschappen en Netbeheer NL. Op de website staat informatie over een aantal onderwerpen die een rol spelen bij windprojecten op land en zijn praktijkvoorbeelden opgenomen. Nog daargelaten of de handreikingen van de Helpdesk Wind op Land gezien moeten worden als een plan of programma zoals bedoeld in de SMB-lijn, is niet gebleken dat provinciale staten van de Helpdesk gebruik hebben gemaakt bij het vaststellen van de zelfgekozen normen. Dat er overeenkomsten zijn tussen de tekstvoorbeelden van de Helpdesk en de plantoelichting, is onvoldoende voor die conclusie. Daarbij hebben provinciale staten ook ontkend dat er voor de onderbouwing van de zelfgekozen normen gebruik is gemaakt van de Helpdesk Wind op Land. De betogen slagen niet. Milieuaspecten: geluid Inleiding 45. Artikel 3.3.1 van de planregels van het PIP luidt: "a. het geluidniveau op de gevel van geluidgevoelige objecten veroorzaakt door alle windturbines die zijn aangeduid met de bestemming 'Bedrijf - Windturbinepark' tezamen, en cumulatief met bestaande windturbines, mag niet meer bedragen dan 47 dB Lden en 41 dB Lnight; b. het geluidniveau op de gevel van bestaande bedrijfswoningen op het geluidgezoneerde industrieterrein De Mars veroorzaakt door alle windturbines die zijn aangeduid met de bestemming 'Bedrijf - Windturbinepark' tezamen, en cumulatief met bestaande windturbines, mag niet meer bedragen dan 47 dB Lden en 41 dB Lnight; c. het geluidniveau op de gevel van de molenaarswoning aangeduid met de gebiedsaanduiding 'overige zone - molenaarswoning', veroorzaakt door alle windturbines die zijn aangeduid met de bestemming 'Bedrijf - Windturbinepark' tezamen, en cumulatief met bestaande windturbines, mag niet meer bedragen dan 54 dB Lden en 47 dB Lnight; d. op artikel 3.3.1 is de Handhavings- en rekenmethodiek van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels." 45.1. In de plantoelichting staat in paragraaf 5.2 waarom provinciale staten voor deze normstelling hebben gekozen. Provinciale staten verwijzen in de plantoelichting naar het Bosch & van Rijn-advies en naar het advies "Akoestisch onderzoek en onderzoek naar slagschaduw: Windpark IJsselwind" van Pondera van 9 maart 2022, bijgevoegd als bijlage 3 bij de plantoelichting (hierna: het Pondera akoestisch en slagschaduwonderzoek). Volgens provinciale staten is een lokale norm voor windturbinegeluid van 47 dB Lden en 41 dB Lnight op gevoelige objecten en bedrijfswoningen op het geluidgezoneerde industrieterrein aanvaardbaar. Provinciale staten vinden deze norm ruimtelijk aanvaardbaar op basis van een afweging tussen de te verwachten hinder en het belang van opwekking van duurzame elektriciteit met windturbines. Voor de molenaarswoning achten provinciale staten een hogere geluidbelasting met een immissienorm van 54 dB Lden en 47 dB Lnight aanvaardbaar vanwege de betrokkenheid van de bewoner bij het windpark en de verminderde hinderbeleving daardoor. 45.2. [appellant sub 1], [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat het windpark zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder en daarmee tot een aantasting van de gezondheid van de omwonenden. Zij wijzen onder meer op diverse gebreken in het Pondera akoestisch en slagschaduwonderzoek en in de regels van het PIP. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben contraexpertises van DGMR en diverse rapporten en andere publicaties ingediend om hun standpunten te onderbouwen. 45.3. De Afdeling zal de bezwaren van appellanten als volgt bespreken. Allereerst worden de bezwaren van appellanten over algemene aspecten van de gekozen normering besproken: de dosismaat (onder 46 en verder), de dosishinderrelatie (onder 47 en verder), de rol van laagfrequent en infrasoon geluid (onder 48 en verder), de rol van (extreme) amplitudemodulatie (onder 49 en verder) en de handhavings- en rekenmethodiek (onder 50 en verder). Dan volgt een bespreking van de gronden die betrekking hebben op de afweging die provinciale staten hebben gemaakt om te komen tot de in het PIP opgenomen geluidsnorm (51 en verder). Vervolgens komen de beroepsgronden aan de orde die zich richten tegen het onderzoek dat aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd (55 en verder). Daarbij komen ook de beroepsgronden die betrekking hebben op de cumulatieve geluidhinder aan de orde. Dosismaat 46. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat er ten onrechte niet voor is gekozen om (ook) een norm op basis van LAeq te hanteren. Een Lden/Lnight norm middelt de hinder die de omwonenden ondervinden uit en er is geen relatie met de op enig moment door omwonenden ondervonden hinder. Handhaving op basis van geluidmetingen is praktisch gezien onmogelijk, omdat dit zou vereisen dat er een jaar lang gemeten moet worden. Zij verwijzen hierbij naar de bevindingen uit het deskundigenbericht dat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) in de Delfzijl-zaak heeft uitgebracht (hierna: het STAB-rapport). Wat betreft de handhaafbaarheid van jaargemiddelde dosisnormen zou de Afdeling gelet op het STAB-rapport terug moeten komen van haar eerdere rechtspraak op dit punt, aldus [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting. In de notitie van DGMR van 11 juli 2024 waarnaar zij verwijzen staat dat door naast de Lden norm ook een immissienorm bij woningen vast te leggen in LAeq, directe handhaving bij hindersituaties mogelijk is. Omdat de Lden norm en de LAeq norm samenhangen, geeft dit volgens DGMR geen aanvullende beperkingen voor de exploitant, maar wordt de bewoners meer zekerheid geboden dat bij hinder controle en handhaving mogelijk is. 46.1. Provinciale staten hebben gekozen voor een norm uitgedrukt in de geluiddosismaat Lden/Lnight die aansluit bij de dosismaat die wordt gebruikt bij andere bronsoorten (bijvoorbeeld spoorwegen en luchtvaart), omdat uit wetenschappelijke onderzoeken van de dosis-effect relatie blijkt dat Lden een goede relatie heeft met de ondervonden hinder en omdat Lden alle geluidenergie meeneemt en daarmee geen discussie geeft over welke bedrijfssituatie representatief is voor de toetsing. Ook de WHO sluit aan bij het hanteren van de Lden als dosismaat voor windturbines. Omdat windturbinegeluid wordt gekenmerkt door relatief kleine verschillen tussen het maximumgeluid en het gemiddelde geluidniveau biedt de dosismaat Lden voldoende bescherming tegen piekniveaus. Volgens provinciale staten is de dosismaat LAeq niet geschikter dan de dosismaat Lden. Een belangrijke tekortkoming bij de normering van het feitelijk optredende, momentane geluidniveau in LAeq is volgens provinciale staten dat daarmee geen rekening wordt gehouden met de frequentie van het optreden van een bepaald geluidniveau. Dat is wel het geval bij de Lden dosismaat, omdat hier over een langere periode gemiddeld wordt. Over de handhaafbaarheid van de Lden norm hebben provinciale staten toegelicht dat het na een bronmeting direct mogelijk is om te toetsen of aan de Lden norm wordt voldaan en zo nodig daarop actie te ondernemen. Op de zitting is daarover toegelicht dat in een voorkomend geval ook preventief handhavend kan worden opgetreden. 46.2. De Afdeling is in eerdere uitspraken ingegaan op de geschiktheid van Lden en Lnight als geluidsdosismaat (zie bijvoorbeeld de Delfzijl-einduitspraak), onder 22 e.v. en van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1446 (windpark Karolinapolder), onder 36 e.v.). In die uitspraken zag de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het toepassen van de dosismaten Lden en Lnight vanuit wetenschappelijk oogpunt moet worden afgewezen of dat deze dosismaten ongeschikt zijn. De Afdeling ziet in wat [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben aangevoerd geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. Voor zover [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben betoogd dat deze dosismaat onvoldoende handhaafbaar is, overweegt de Afdeling dat in eerdere uitspraken (zie bijvoorbeeld de Delfzijl-einduitspraak onder 22.6) is geoordeeld dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de Lden-norm niet is te handhaven. In wat [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben aangevoerd, ziet de Afdeling mede gelet op wat daarover is besproken op de zitting geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarom brengt de stelling van [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting dat een immissienorm bij woningen in LAeq vanuit het oogpunt van de handhaving de voorkeur heeft, wat daar ook van zij, niet mee dat provinciale staten daarvoor hadden moeten kiezen. De betogen slagen niet. Dosishinderrelatie 47. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat aan de berekening van het aantal ernstig gehinderden in het Bosch & van Rijn-advies geen betekenis kan toekomen omdat deze is gebaseerd op het rapport "Hinder door geluid van windturbines" van TNO, van oktober 2008 (hierna: het TNO-rapport). Het TNO-rapport is gebaseerd op relatief oude onderzoeken en ook is daarnaast in het STAB-rapport een aantal kanttekeningen bij het TNO-rapport geplaatst waardoor dit niet aan de besluiten ten grondslag kan worden gelegd. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben een rapportage ingebracht van R.W.J. Meester waarin, mede onder verwijzing naar het STAB-rapport, staat dat het TNO-rapport veel onvolkomenheden bevat en niet geschikt is om als basis te dienen voor het bepalen van de geluidhinder die van windturbines wordt ondervonden. Volgens [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben provinciale staten niet voldaan aan hun verplichtingen uit artikel 3:2 Awb en is nader onderzoek naar de dosishinderrelatie nodig. 47.1. Provinciale staten hebben verwezen naar de meta-reviews van RIVM, TNO en WHO die zijn gebruikt in de rapporten van Pondera en van Bosch & van Rijn die ten grondslag liggen aan het PIP. Ondanks de daarbij te plaatsen kanttekeningen laten deze meta-reviews volgens provinciale staten zien dat de dosishinderrelatie van TNO nog steeds als de best beschikbare wordt beschouwd. In een nadere notitie van 13 juni 2023 heeft Pondera een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd om in beeld te brengen wat het gevolg is wanneer de dosishinderrelatie een significant grotere mate van hinder zou geven dan wordt verwacht volgens het TNO-rapport. Daarvoor is de dosishinderrelatie opgeschoven met 3 dB in beide richtingen. Aanvullend is de dosishinderrelatie die is gegeven in onderzoek van Kuwano e.a. uit 2014 gebruikt. Vervolgens is in beeld gebracht wat de gevolgen zijn van een andere dosishinderrelatie voor de keuze tussen de normstelling van 47 dB Lden en 45 dB Lden. In een nadere notitie van Bosch & van Rijn van 13 juni 2023 is toegelicht dat uit de informatie van Pondera blijkt dat de spreiding van het aantal ernstig gehinderden per mogelijke norm (45 of 47 dB Lden) zodanig is dat de invloed van een eventuele onzekerheid over de dosiseffectrelatie beperkt is. De afweging die provinciale staten hebben gemaakt tussen de normen ten opzichte van het verlies aan energieopbrengst als gevolg van geluidmitigatie heeft daarom volgens Bosch & van Rijn op basis van juiste wetenschappelijke inzichten plaatsgevonden. 47.2. Er is geen aanleiding om ervan uit te gaan dat op het moment van het vaststellen van het PIP andere algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de dosishinderrelatie beschikbaar waren die door provinciale staten moesten worden gehanteerd. Met de nadere notities van Pondera en Bosch & van Rijn hebben provinciale staten onderbouwd waarom de door hen gemaakte afweging tussen een mogelijke norm van 45 of 47 dB Lden en het verlies aan energieopbrengst niet anders zou uitvallen wanneer van een andere dosishinderrelatie zou worden uitgegaan. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de beroepsgronden over de dosishinderrelatie uit het TNO-rapport ertoe leiden dat provinciale staten daarop hun afweging niet hadden mogen baseren. De betogen slagen niet. Laagfrequent en infrasoon geluid 48. [appellant sub 1], [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat er ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar laagfrequent en infrasoon geluid. Hiervoor had een aparte norm moeten worden vastgesteld. Volgens hen blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat negatieve gezondheidseffecten van laagfrequent en infrasoon geluid denkbaar zijn. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting verwijzen daarbij naar het STAB-rapport, naar onderzoek van L. Ascone et al., een advies van de expertgroep gezondheidseffecten windturbines van 4 april 2022 en notities van H.E. Suichies, D. Bijl en W. Alteveer. Volgens hen veroorzaken de grotere rotorbladen van de huidige windturbines meer en ander laagfrequent en infrasoon geluid dan kleinere windturbines. Hiernaar en naar de invloed van laagfrequent en infrasoon geluid op slaapverstoring had volgens hen eerst nader onderzoek moeten worden verricht. 48.1. Provinciale staten stellen zich onder verwijzing naar verschillende rapporten, met als meest recent rapport het rapport "Health effects related to wind turbine sound: an update" van het RIVM uit oktober 2020, op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat specifiek laagfrequent en infrageluid een effect op de volksgezondheid heeft of tot additionele hinder leidt ten opzichte van de hinder die al wordt beoordeeld. Het toevoegen van een norm voor laagfrequent geluid van windturbines leidt daarmee volgens hen niet tot een betere beoordeling van de optredende effecten van geluid. Het onderzoek van Ascone et al. dat [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting noemen, gaat over geluidniveaus die circa 25 dB hoger zijn dan gebruikelijk is bij windparken. Verder volgt volgens provinciale staten uit onderzoek dat het karakter van het geluid van windturbines in de loop der jaren waarin windturbines groter zijn geworden niet wezenlijk is veranderd. Provinciale staten wijzen er op dat eerder uitgevoerde onderzoeken laten zien dat wanneer een windpark aan een geluidnorm van 47 dB Lden voldoet, de Vercammecurve niet wordt overschreden. Voorts zijn de schade en ziekte-effecten die volgens appellanten zouden kunnen worden toegeschreven aan windturbines niet wetenschappelijk aangetoond. 48.2. Naar het oordeel van de Afdeling geven de betogen van [appellant sub 1], [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten het PIP niet hadden mogen vaststellen zonder nader onderzoek te doen naar (de gevolgen van) laagfrequent en infrasoon geluid van windturbines of daarvoor een aparte norm vast te stellen. Met provinciale staten concludeert de Afdeling dat het onderzoek van Ascone et al. niet gaat over windturbinegeluid. In de notities van Suichies, Bijl en Alteveer is onder verwijzing naar literatuur een beschouwing gegeven over laagfrequent en infrasoongeluid (in het algemeen, maar ook gerelateerd aan windturbines) en over de mogelijke effecten daarvan op de menselijke gezondheid. In deze notities wordt geconcludeerd dat hiernaar nader onderzoek moet worden gedaan omdat de bestaande onderzoeken, waarnaar provinciale staten hebben verwezen, tekortschieten voor een juist en volledig inzicht in deze problematiek. Met provinciale staten stelt de Afdeling vast dat uit deze notities niet de conclusie kan worden getrokken of en zo ja, in welke mate laagfrequent of infrasoon geluid dat wordt veroorzaakt door windturbines negatieve of schadelijke gevolgen voor de gezondheid heeft. De Afdeling kan het standpunt van provinciale staten volgen dat de verwachte toename van laagfrequent geluid, en hetzelfde zou gelden voor eventueel infrasoon geluid, bij hogere windturbines gering is en dat dit geluid niet de voornaamste oorzaak van hinder is (vergelijk 25.2 van de Delfzijl-einduitspraak). De Afdeling ziet in de door [appellant sub 1], [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting ingediende rapporten geen aanleiding om daarover anders te oordelen. (Extreme) amplitudemodulatie 49. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met de extra en onaanvaardbare hinder die zij zullen ondervinden door het ritmische karakter van het windturbinegeluid (amplitudemodulatie). [appellant sub 3] en [appellante sub 2] en anderen verwijzen hierbij naar het STAB-rapport. In een notitie van DGMR van 12 oktober 2023 staat dat het bevoegd gezag met een kortdurende normstelling in LAeq een middel heeft om handhavend op te treden wanneer extreme amplitudemodulatie optreedt die tot hoge geluidniveaus leidt. 49.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat windturbinegeluid wordt gekenmerkt door een ritmisch karakter. Bij het vaststellen van de dosishinderrelatie was dit aspect dus al aanwezig. Dit is ook terug te zien in het feit dat windturbinegeluid bij lagere geluidbelastingen als hinderlijker wordt ervaren dan bijvoorbeeld wegverkeerslawaai. Provinciale staten wijzen wat betreft extreme amplitudemodulatie op het oordeel van de Afdeling in de Delfzijlzaak in verband met het sporadisch voorkomende karakter daarvan. Over de verbetering in bescherming bij extreme amplitudemodulatie die mogelijk zou zijn met het hanteren van een kortdurende normstelling in LAeq staat verder in een memo van Pondera van 10 juli 2024 dat dit klopt voor zover de extreme amplitudemodulatie tot significant hogere geluidniveaus in LAeq leidt, maar dat dit nu juist zeer onzeker is. 49.2. De Afdeling heeft in de Delfzijl-einduitspraak een oordeel gegeven over wat de STAB heeft geschreven over amplitudemodulatie in het deskundigenbericht dat voor die zaak is uitgebracht. De Afdeling heeft daar toen over geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet om eraan te twijfelen dat extreme amplitudemodulatie een niet gebruikelijk en sporadisch voorkomend verschijnsel is. Daarbij komt dat het niet duidelijk is waardoor het wordt veroorzaakt, zodat het treffen van maatregelen erg moeilijk is. Omdat extreme amplitudemodulatie moet worden onderscheiden van de hoogte van het geluidniveau van de windturbines als zodanig, biedt een kortdurende normering in LAeq op zichzelf geen betere bescherming tegen geluidoverlast. De Afdeling ziet gelet op de notities ‘Aanvullende informatie normstelling geluid, slagschaduw en externe veiligheid’ van Pondera van 13 juni 2023 en ‘Aanvulling motivering lokale milieunormen Windpark IJsselwind’ van 13 juni 2023 van Bosch & van Rijn niet dat provinciale staten het verschijnsel amplitudemodulatie hebben miskend of dat van hen kon worden gevraagd om daarnaar nader onderzoek te doen. De betogen slagen niet. Gebreken in Handhavings- en rekenmethodiek 50. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat provinciale staten er niet voor hebben kunnen kiezen om in bijlage 1 bij de planregels de Handhavings- en rekenmethodiek op te nemen waarbij wordt verwezen naar het Reken- en meetvoorschrift windturbines zoals dat gold op 29 juni 2021. Ten onrechte wordt niet gemotiveerd waarom voor het Reken- en meetvoorschrift van die datum is gekozen. Zij wijzen verder op de kritiek die in het STAB-rapport in de Delfzijlzaak op deze reken- en meetvoorschriften is geuit. Bezwaarlijk is dat in het Reken- en meetvoorschrift geen methode is opgenomen voor het verrichten van geluidmetingen bij woningen. Bovendien zijn de daarin opgenomen formules afgeleid van die voor verkeerslawaai dat niet vergelijkbaar is met windturbinelawaai. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting wijzen op onderzoek waaruit zou volgen dat de modellering voor het in beeld brengen van het geluid veroorzaakt door windturbines aanpassing behoeft. Zo zou een modellering met meer punten in plaats van de gehanteerde modellering met één puntbron op ashoogte een betere benadering van de geluidemissie geven. Verder is het ten onrechte mogelijk om te volstaan met ‘beschikbare’ gegevens over het bronvermogen. Dit zijn gegevens die de fabrikant aanlevert. Onder verwijzing naar het DGMR-rapport stellen [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting dat die gegevens in de praktijk vaak afwijken van de opgegeven specificaties en dat daarom het bronvermogen altijd gemeten moet worden en dat die metingen wetenschappelijk verantwoord moeten zijn. Ook is de handhaving, zoals onder meer blijkt uit artikel 5 van de Handhavings- en rekenmethodiek en uit het toepassen van een jaargemiddelde dosisnorm, veel te afhankelijk van de gegevens die de drijvers zelf bijhouden. Volgens [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting belemmert dat een effectieve handhaving en kan het bovendien aanzetten tot fraude. 50.1. Provinciale staten stellen dat is gekozen voor een verwijzing naar het Reken- en meetvoorschrift windturbines van 29 juni 2021 omdat dat de meest recente versie is van het Reken- en meetvoorschrift. Zij stellen dat dit Reken- en meetvoorschrift de best mogelijke methode biedt om geluidemissie van windturbines te berekenen en in de door appellanten aangehaalde publicaties geen aanleiding te zien om voor het PIP een andere modellering te hanteren. Zij verwijzen naar een notitie van Bosch & van Rijn van 13 juni 2023 waarin staat dat het Reken- en meetvoorschrift windturbines is gebaseerd op de internationale methode voor meten van en rekenen aan windturbinegeluid zoals vastgelegd in de internationale IEC 61400. Met de voorgeschreven methode dient de geluidbijdrage van de windturbine en het stoorgeluid op de voorgeschreven afstand van de windturbine nauwkeurig te worden gemeten. Vervolgens wordt daarmee de bronsterkte per windsnelheid berekend. Daarmee kan de geluidbelasting uitgedrukt in Lden op elk ontvangerpunt in de omgeving van de windturbines worden berekend. Dit is volgens provinciale staten de meest geschikte methode om vast te stellen of een windturbine kenmerken vertoont die op grond van de opgave van de fabrikant mochten worden verwacht en om vast te stellen of de activiteiten voldoen aan de normen uit het PIP of de omgevingsvergunningen. Provinciale staten wijzen erop dat de rapporten die naar aanleiding van de Handhavings- en rekenmethodiek worden opgesteld, vervolgens worden gecontroleerd door het bevoegd gezag. Dat kan met emissiemetingen maar niet uitgesloten is dat handhaving ook door immissiemetingen geschiedt. 50.2. De Afdeling constateert dat evenals het geval was in de Delfzijlzaak, met de verwijzing in de Handhavings- en rekenmethodiek naar het Reken- en meetvoorschrift windturbines niet wordt voorzien in het uitvoeren van geluidmetingen bij woningen. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben onder verwijzing naar wetenschappelijke publicaties kritiek op de modellering in het Reken- en meetvoorschrift geformuleerd, maar uit wat zij hebben gesteld volgt niet dat er andere methoden voor het berekenen en meten van windturbinegeluid zijn, die zoveel geschikter zijn in relatie tot de door provinciale staten gekozen dosismaten Lden en Lnight dat daarvoor had moeten worden gekozen. Provinciale staten hebben er daarom voor kunnen kiezen te verwijzen naar het Reken- en meetvoorschrift windturbines zoals dat op 29 juni 2021 gold. Voor zover het betoog van [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting verband houdt met de keuze voor die dosismaten is de Afdeling daarop hiervoor onder 46 ingegaan. Voor zover zij stellen dat op grond van de planregels ten onrechte kan worden volstaan met beschikbare gegevens over het bronvermogen, mist dit betoog feitelijke grondslag omdat artikel 4 van de Handhavings- en rekenmethodiek met een verwijzing naar het Reken- en meetvoorschrift windturbines juist voorziet in een bepaling van het bronvermogen van een windturbine indien deze gegevens niet of niet volledig beschikbaar zijn. In het kader van het toezicht op de naleving van de gestelde voorschriften zullen provinciale staten moeten controleren of aan de gestelde voorschriften wordt voldaan. De wijze waarop aan de invulling van het toezicht en de handhaving door het bevoegd gezag invulling wordt gegeven, vormt geen onderdeel van de procedure tegen het inpassingplan. De betogen slagen niet. Belangenafweging - Inleiding 51. Provinciale staten hebben in de toelichting bij het inpassingplan uiteengezet waarom zij de keuze voor de in het plan vastgelegde geluidsnormen aanvaardbaar vinden. Zij stellen dat het aantal gehinderden bij een norm van 47 dB Lden voor het cumulatieve geluidniveau van de bestaande en beoogde windturbines vergelijkbaar is met de hinder als gevolg van weg- en railverkeer. Het aantal ernstig gehinderden door windpark IJsselwind is in absolute zin beperkt. Provinciale staten hebben verder op basis van het Akoestisch onderzoek en onderzoek naar slagschaduw van Pondera van 9 maart 2022 en het Bosch & van Rijn-advies toegelicht hoe zij tot de afweging voor de in het plan neergelegde keuze voor de geluidnormen zijn gekomen. In het akoestisch onderzoek van Pondera is voor 11 toetspunten in de omgeving van Windpark IJsselwind berekend welke geluidbelasting deze adressen zouden ondervinden vanwege het bestaande Windpark de Mars en toekomstig Windpark IJsselwind gezamenlijk. Vervolgens heeft Pondera een berekening gemaakt van het aantal ernstig gehinderden dat optreedt bij vier verschillende scenario's: 1) de referentiesituatie (met alleen het bestaande Windpark De Mars), 2) de situatie waarin Windpark De Mars en Windpark IJsselwind allebei in bedrijf zijn, terwijl er geen cumulatieve geluidnorm geldt, 3) de situatie waarin Windpark De Mars en Windpark IJsselwind allebei in bedrijf zijn met een geluidnorm die bepaalt dat de cumulatieve geluidbelasting ten hoogste 47 dB Lden mag bedragen en 4) de situatie waarin Windpark De Mars en Windpark IJsselwind allebei in bedrijf zijn, met een geluidnorm die bepaalt dat de cumulatieve geluidsbelasting ten hoogste 45 dB Lden mag bedragen. Pondera heeft voor elk van de scenario's bepaald welke geluidbelasting optreedt op de 963 woningen binnen de 36 dB Lden-contour van de nieuwe windturbines. Deze geluidbelastingen zijn vervolgens gecorreleerd aan het percentage ernstig gehinderden overeenkomstig de dosis-effectrelatie voor windturbinegeluid van TNO. Door het verwachte aantal percentage ernstig gehinderden te vermenigvuldigen met de gemiddelde huishoudensgrootte in Lochem en Zutphen kan het totaal aantal verwachte ernstig gehinderden per scenario worden bepaald. Op basis van de resultaten van Pondera heeft Bosch & van Rijn beschouwd welk van de vier scenario's een optimaal evenwicht biedt tussen de belangen van de omgeving enerzijds en de belangen van duurzame energieopwekking anderzijds. De gevolgen van elk scenario voor de duurzame energieopwekking zijn door Bosch & van Rijn in beeld gebracht door te berekenen in hoeverre de windturbines van Windpark IJsselwind zouden moeten draaien in een geluidsreducerende modus om aan een bepaald scenario te kunnen voldoen. Het terugregelen van een windturbine gaat gepaard met opbrengstverlies. Deze beschouwing laat zien dat binnen het invloedsgebied tot 36 dB Lden bij een norm van 45 dB Lden 8,2 minder ernstig gehinderden worden verwacht dan bij een norm van 47 dB Lden. Daar staat tegenover dat het opbrengstverlies bij een norm van 45 dB Lden ten opzichte van een norm van 47 dB Lden jaarlijks 2.267 MWh bedraagt. In het licht van het maatschappelijk doel van vermindering van CO2-uitstoot door middel van duurzame energie, menen provinciale staten dat de relatief kleine toename van het aantal ernstig gehinderden niet opweegt tegen de relatief grote afname van energieopwekking bij een strengere norm. 51.1. Provinciale staten hebben bij hun afweging betrokken dat Windpark IJsselwind is geprojecteerd in een gebied waar in de huidige situatie al geluidbelasting aanwezig is als gevolg van overige bronnen (industriegebied De Mars, wegverkeer op de N348 en scheepvaart op de IJssel en het Twentekanaal). Er is volgens hen geen sprake van een rustig buitengebied waar het geluid van de windturbines zal domineren. Voor de zes woningen die bij een norm van 47 dB Lden een geluidbelasting van meer dan 45 Lden ondervinden, heeft Bosch & van Rijn ook de cumulatieve geluidbelasting beschouwd. Uit deze beschouwing blijkt ook dat de milieuwinst van het scenario met een grenswaarde van 45 dB Lden beperkt is ten opzichte van het scenario met een grenswaarde van 47 dB Lden. - Onjuiste vergelijking met andere geluidsbronnen en beoordeling cumulatieve geluidbelasting 52. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat de motivering voor de lokale normen onvoldoende is. Uit paragraaf 5.1.3 van de toelichting op het PIP volgt dat het aantal gehinderden bij 47 dB Lden vergelijkbaar is met de hinder als gevolg van weg- en railverkeer. Volgens [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting is deze stelling niet onderbouwd. Uit het STAB-rapport blijkt ook dat dat niet klopt. De geluidssignatuur van windturbines, die dag en nacht draaien, is anders dan van verkeer, dat andere geluidspatronen vertoont en bovendien niet 24/7 doorgaat. Bovendien wordt verkeerslawaai niet gemeten in een jaargemiddelde dosisnorm. Voor het beoordelen van de cumulatie van de verschillende relevante geluidsbronnen in de omgeving moet dus ook eerst een vertaalslag worden gemaakt van de jaargemiddelde dosisnormen die nu voor de windturbines worden voorgesteld, om een goede vergelijking te kunnen maken met de geluidsniveaus van andere geluidsbronnen zoals verkeer en industrie. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting verwijzen hierbij naar het rapport Industriële Wind Turbines: Lawaai nader beschouwd van ing. Wilco Alteveer, van 2 januari 2023. 52.1. Volgens provinciale staten zijn er meerdere argumenten voor de aanvaardbaarheid van de geluidsnormering. Het belangrijkste argument is dat het potentieel aantal ernstig gehinderden beperkt is. Maar volgens hen is het aantal gehinderden bij een norm van 47 dB Lden wel degelijk vergelijkbaar met hinder als gevolg van weg- en railverkeer. Verder stellen provinciale staten dat juist omdat de geluidssignatuur van windturbines, zoals appellanten terecht stellen, anders is dan die van verkeer de lokale normstelling voor geluid is gebaseerd op een dosis-effectrelatie die specifiek gaat over windturbinegeluid. De mate van hinderlijkheid van de geluidssignatuur van windturbines, waaronder in de nacht, is volgens provinciale staten dus betrokken bij de normstelling op basis van de dosis-effectrelatie. Voor wegverkeerslawaai geldt ook een dosismaat in de vorm van dB Lden. Volgens provinciale staten stellen [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting terecht dat voor de beoordeling van cumulatie een vertaalslag moet worden gemaakt. Dat is door provinciale staten ook gedaan, waarbij is aangesloten bij het Reken- en meetvoorschrift windturbines. 52.2. De partijen zijn het erover eens dat de karakteristiek van het geluid van windturbines anders is dan die van andere geluidsbronnen, zoals wegverkeer. Met provinciale staten kan worden geconstateerd dat daarmee bij het bepalen van de geluidsnorm rekening is gehouden omdat deze norm is gebaseerd op een dosishinderrelatie die specifiek gaat over windturbinegeluid. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben in hun beroepsgronden kritiek geleverd op de onderbouwing van de betreffende dosishinderrelatie. Voor het oordeel van de Afdeling daarover wordt verwezen naar wat de Afdeling heeft overwogen onder 47. 52.3. Zoals provinciale staten in de plantoelichting hebben beschreven, is de cumulatieve geluidsbelasting ten behoeve van de belangenafweging beoordeeld aan de hand van de ‘methode Miedema’. Er vindt bij zeven van de tien toetspunten een cumulatieve verslechtering van één stap op de schaal van Miedema plaats (van redelijk naar matig en van matig naar tamelijk slecht). Bij drie toetspunten blijft de akoestische kwaliteit gelijk. Waar de cumulatieve geluidsbelasting in de bestaande situatie relatief goed is, neemt deze slechts gedeeltelijk toe en ontstaat er geen slechte akoestische situatie. Waar in de huidige situatie een slechtere akoestische situatie bestaat, treedt vrijwel geen extra verslechtering op (cumulatief niet meer dan 2 dB). Provinciale staten vinden dat bij een cumulatieve geluidbelasting van maximaal 65 dB in dit gebied nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De enige woning van derden waarop een hogere cumulatieve geluidbelasting dan 65 dB wordt berekend, kent zonder het windpark IJsselwind ook al diezelfde hogere cumulatieve geluidbelasting. In reactie op de stelling van [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting dat in de beoordeling van het cumulatieve geluid niet is onderkend dat het geluid van windturbines hinderlijker is in de nacht, is in de notitie van 11 april 2023 van Pondera, die als bijlage 4 bij het verweerschrift is gevoegd, opgemerkt dat er geen algemene rekenregels zijn voor het cumuleren van het geluid in de nachtperiode. Voor een beschouwing van de effecten in de nachtperiode is van belang dat ter plaatse van geluidgevoelige objecten van derden de geluidbelasting veroorzaakt door de windturbines maximaal 41 dB Lnight bedraagt. 52.4. De Afdeling ziet in wat [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in hun afweging de cumulatieve geluidsbelasting niet juist hebben beoordeeld. Dat het geluid van windturbines in de nacht als hinderlijker wordt ervaren, is juist onderkend door daarvoor een aparte norm op te nemen. - Evenredigheidsbeginsel 53. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat de geluidsniveaus in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Voor hun hinderbeleving en gezondheidsschade maakt het niet uit dat zij tot een beperkt aantal gehinderden behoren. Bovendien worden de begrippen gehinderde en ernstig gehinderde niet verder gedefinieerd. Uit het STAB-rapport blijkt dat het aantal ernstig gehinderden bij een norm van 47 dB Lden buitenshuis nog veel hoger ligt. Dat is voor [appellant sub 3] en [appellante sub 2] en anderen van belang, omdat hun kavels dichter bij de windturbines liggen en ze veel tijd buiten doorbrengen. Er is maar één strengere norm bekeken, namelijk 45 dB Lden. Dat is volgens de [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting te weinig voor een toets aan het evenredigheidsbeginsel. Bovendien zou een norm van 45 dB Lden ook al leiden tot onaanvaardbare geluidsoverlast. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 (Harderwijk) volgt dat de provincie ook had moeten beoordelen of de nagestreefde doelen met een minder vergaande maatregel kunnen worden bereikt en of de bestreden besluiten in het concrete geval evenwichtig zijn. Dit had bijvoorbeeld gekund door het voorschrijven van een stillere windturbine, zoals ook blijkt uit het DGMR-rapport. Daarin staat dat het niet logisch is om in een onderzoek voor de afweging van de geluidsnorm voor een relatief luid windturbinetype te kiezen. Met een stillere turbine zou mogelijk zonder opbrengstverlies een lagere geluidsnorm kunnen worden voorgeschreven. [appellant sub 1] stelt dat rekening houdend met de al bestaande zware geluidbelasting tot de conclusie had moeten worden gekomen dat het toevoegen van drie windturbines leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Volgens [appellant sub 1] bagatelliseert de provincie de gevolgen van de windturbines. Dit blijkt uit het geluidsrapport waarin staat dat bepaalde geluidsreducerende maatregelen ten koste zouden gaan van de energieopbrengst. 53.1. Provinciale staten stellen dat op basis van de berekende geluidbelasting niet kan worden gezegd of appellanten ook ernstig gehinderden zijn. Dat wordt uitgedrukt in percentages. Provinciale staten wijzen voor de definitie van gehinderde en ernstig gehinderde naar het TNO-onderzoek. Provinciale staten erkennen dat het percentage gehinderden bij een norm van 47 dB Lden buitenshuis hoger ligt. De geluidbelasting buitenshuis kan worden afgeleid uit de contourkaarten uit bijlage 9 bij het akoestisch onderzoek en is, op enkele agrarische kavels na, veelal niet hoger dan 47 dB Lden. Gelet op het feit dat de verblijfstijd buitenshuis beperkter is dan in woningen en op specifieke momenten plaatsvindt, vinden provinciale staten deze geluidbelasting aanvaardbaar. Verder hebben provinciale staten toegelicht dat Bosch & van Rijn vier scenario’s hebben beschouwd en dat de keuze voor het in beeld brengen van de norm van 47 dB Lden is ingegeven doordat dit de norm was die gold onder het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling en voor de norm van 45 dB Lden omdat deze overeenkomt met de advieswaarde van de WHO. In reactie op het betoog van [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting dat provinciale staten in het kader van de evenredigheid ook een stiller type windturbine hadden kunnen voorschrijven stellen provinciale staten zich op het standpunt dat in het normstellingsonderzoek waarin is vastgesteld bij welke geluidnorm welke effecten optreden is gekozen voor het windturbinetype GE 3.8-137 NO. Dit is een windturbinetype dat is voorzien van serrated edges, wat leidt tot een verlaging van de geluidsproductie. Er zijn stillere turbines op de markt beschikbaar, maar die zijn niet in het normstellingsonderzoek gebruikt omdat nog niet vaststaat met welk windturbinetype het project zal worden uitgevoerd. Het baseren van het normstellingsonderzoek op het stilste windturbinetype zou dit type ook impliciet voorschrijven omdat de initiatiefnemers dan ter naleving van de dan opgelegde geluidsnorm genoodzaakt zouden zijn het stilste windturbinetype te realiseren. Omdat dit tot gevolg heeft dat de initiatiefnemers niet langer in concurrentie tussen turbineleveranciers een turbinetype kunnen bestellen, zou dit de financiële uitvoerbaarheid van het project, en daarmee de bijdrage aan de duurzame energiedoelstellingen, in gevaar brengen. Daarom is volgens provinciale staten het bindend voorschrijven van een stillere windturbine geen ‘andere geschikte maatregel’ in het kader van de evenredigheidsbeoordeling om het doel van duurzame energieopwekking te bereiken. 53.2. De Afdeling stelt voorop dat provinciale staten bij de beslissing om in het PIP geluidnormen op te nemen beleidsruimte hebben en de betrokken belangen moeten afwegen. De Afdeling volgt de stelling van [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting niet dat de afweging die provinciale staten hebben gemaakt om te komen tot de gekozen geluidsnormen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Op basis van de onderzoeken van Pondera en Bosch & van Rijn hebben provinciale staten invulling gegeven aan de beoordeling van de evenredigheid, waarbij de nadelige gevolgen van het besluit worden afgewogen tegen de met het besluit te dienen doelen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten in deze situatie tot deze afweging kunnen komen, waarbij van belang is dat een strengere geluidsnorm een beperkt effect heeft op het aantal mogelijk ernstig gehinderden zoals zij dat in beeld hebben gebracht, in vergelijking tot het opbrengstverlies dat een strengere norm tot gevolg zou hebben. De keuze om daarbij een vergelijking te maken tussen de situatie met een norm van 45 dB Lden en 47 dB Lden acht de Afdeling voldoende gemotiveerd. Dat deze afweging is gemaakt op basis van een onderzoek waarin niet is gekozen voor een stiller windturbinetype is door provinciale staten onderbouwd door erop te wijzen dat zij de initiatiefnemer niet bij voorbaat willen vastleggen op een stiller windturbinetype. Daarmee hebben provinciale staten aangegeven gewicht toe te kennen aan de keuzeruimte van de initiatiefnemer voor een type windturbine en daarmee aan de financiële uitvoerbaarheid van het project en de bijdrage van dit project aan de duurzame energiedoelstellingen. Aan de andere kant hebben provinciale staten, zoals ook onder 51.1 is weergegeven, de aard van het gebied waarin de windturbines zijn geprojecteerd van betekenis geacht waarin als gevolg van verschillende bronnen al de nodige geluidbelasting aanwezig is. In hun afweging hebben provinciale staten aan de hand van de methode Miedema geoordeeld dat de cumulatieve geluidbelasting op de woningen in de omgeving van de windturbines beperkt toeneemt en daarmee het woon- en leefklimaat maar in beperkte mate verslechtert. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten redelijkerwijs tot deze afweging kunnen komen. Daarbij tekent de Afdeling nog aan dat provinciale staten voor de geluidbelasting die buitenshuis kan worden ondervonden, van betekenis hebben kunnen achten dat de verblijfstijd daar beperkter is en op specifieke momenten plaatsvindt (zie de uitspraak van de Afdeling in de zaak van het windpark Drentse Monden en Oostermoer, 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, ro. 116.2). De betogen slagen niet. - Vertrouwensbeginsel 54. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat de provincie in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. In de OmgevingsAdviesRaad Windpark IJsselwind is op 8 oktober 2019 toegezegd dat de maximale piekbelasting op de gevel van [appellante sub 2] 42 dB zou zijn. Een jaargemiddelde dosisnorm beschermt niet tegen piekbelasting en de provincie is dus in zoverre de toezegging niet nagekomen, aldus [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting. 54.1. Provinciale staten stellen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen omdat zij niet aanwezig waren bij de genoemde bijeenkomst en bovendien niet uit het verslag van deze bijeenkomst valt op te maken dat een dergelijke toezegging is gedaan. 54.2. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. De Afdeling overweegt allereerst dat [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting op de zitting hebben erkend dat er op de bijeenkomst van de OmgevingsAdviesRaad op 8 oktober 2019 niemand namens de provincie aanwezig was. In zoverre kan er dus geen sprake zijn van een toezegging of uitlating vanuit de provincie. Voor zover zij bedoeld hebben te betogen dat het provinciebestuur zich rekenschap had moeten geven van de toezeggingen die destijds zijn gedaan en dat dit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel uit artikel 3:2 van de Awb niet is gebeurd, overweegt de Afdeling als volgt. In het verslag staat het volgende: "In de notitie zijn o.a. de slagschaduw contouren in uren per jaar opgenomen en een worst case geluidsberekening. Deze wijst uit dat de maximale belasting op de gevel door de windturbines 42 dB is. [persoon B] had graag gezien dat er meer "uur-lijntjes" op de kaart hadden gestaan. Zij vraagt ook de garantie dat er nooit meer dan 42 dB belasting is. Aangeven wordt dat het een worst case is, maar dat in uitzonderlijke omstandigheden weersomstandigheden de belasting een keer hoger kan uitvallen". Naar het oordeel van de Afdeling is de reactie op de vraag om een garantie een constatering en geen toezegging over de maximale geluidsbelasting. De betogen slagen niet. Gebreken in het geluidsonderzoek - Ontbrekende gegevens; onnauwkeurige en onjuiste modellering 55. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting stellen dat de akoestische gegevens ontbreken van het type windturbine dat is gebruikt in het akoestisch onderzoek dat ten grondslag heeft gelegen aan het PIP en dat de modellering van beoordelingspunten, woningen, onderliggende bodemgebieden en gebouwen in de omgeving onnauwkeurig is. Zij verwijzen daarbij naar het rapport Review akoestiek windpark IJsselwind van DGMR van 28 december 2022 (hierna: het DGMR-rapport). In dit rapport is het akoestisch rekenmodel in het Akoestisch onderzoek en onderzoek naar slagschaduw van Pondera van 9 maart 2022 (hierna: het Pondera-rapport) beoordeeld. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen ook dat er ten onrechte geen rekening mee is gehouden dat de windturbines op verschillende hoogtes staan. Vooral WT3 ligt aanmerkelijk hoger en veroorzaakt dus op grotere afstand geluidhinder. [appellant sub 1] betoogt dat zijn woning ten onrechte niet is meegenomen in het Pondera-rapport. 55.1. Volgens provinciale staten zijn de invoergegevens uit het geluidsmodel als bijlage bij het akoestisch onderzoek gevoegd. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting hadden het geluidsmodel met de bijbehorende datasheet bij provinciale staten of initiatiefnemers kunnen opvragen. Aan hen is ook aangeboden om het geluidsmodel met de bijbehorende datasheet in te zien op het kantoor van Pondera, maar daarvan is geen gebruikt gemaakt. Provinciale staten verwijzen verder naar een notitie van Pondera van 11 april 2024 waarin is toegelicht dat bij de geluidmodellering verschillende aannames zijn gedaan om geluideffecten inzichtelijk te maken. Daarbij is gebruik gemaakt van realistische maar conservatieve aannames waarmee de beoordeling van milieueffecten voldoende nauwkeurig is. Pondera heeft ook nog inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen zijn indien de modellering wordt aangepast conform de input van DGMR. Daaruit blijkt dat een aanpassing op bijna alle toetspunten leidt tot een gelijke dan wel marginaal lagere berekende geluidproductie. Over de verschillende hoogtes van de windturbines stellen provinciale staten dat deze zijn meegenomen in het rekenmodel van Pondera. WT3 is op een hogere hoogte gemodelleerd. Dat betekent dat het jaargemiddelde geluidbronvermogen hoger is (vanwege hogere windsnelheden) en dat op grote afstand de windturbines een hogere geluidbelasting veroorzaken (vanwege de hogere bronhoogte). 55.2. In reactie op het betoog van [appellant sub 1] over het ontbreken van zijn woning in het akoestisch onderzoek hebben provinciale staten toegelicht dat het akoestisch onderzoek gebruik maakt van referentiewoningen. Dit zijn woningen die representatief zijn voor de geluidbelasting omdat zij in de verschillende richtingen de grootste geluidbelasting ondervinden. Hoewel provinciale staten met het in beeld brengen van de situatie bij representatieve woningen stellen dat zij de geluidbelasting op alle relevante woningen goed in beeld hebben gebracht, hebben zij ook de geluidbelasting op de woning van [appellant sub 1] laten berekenen. De geluidbelasting daar als gevolg van Windpark IJsselwind en Windpark De Mars gezamenlijk bedraagt maximaal 44 dB Lden en 38 dB Lnight. De cumulatieve geluidbelasting met andere bronnen in de omgeving bedraagt in de referentiesituatie 63 dB Lden en met Windpark IJsselwind wordt dat 64 dB Lden. 55.3. De Afdeling is, mede gelet op wat door provinciale staten is toegelicht en door [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting niet is weersproken, van oordeel dat hun betogen over de ontbrekende gegevens en de onnauwkeurige en onjuiste modellering niet slagen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat modellen noodzakelijkerwijs uit de aard van de zaak altijd een abstractie van de te verwachten werkelijkheid weergeven. Voor zover appellanten betogen dat het besluit pas door de in reactie op hun beroepsgronden gegeven toelichting een volledig kenbare motivering heeft gekregen, is de Afdeling van oordeel dat dit ook niet slaagt. Provinciale staten hebben met het akoestisch onderzoek een voldoende onderbouwing gegeven aan hun besluit. Dat naar aanleiding van de beroepsgronden een aantal punten nader is toegelicht, maakt niet dat de onderbouwing met het akoestisch onderzoek ontoereikend was. - De relatie met Windpark De Mars 56. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen dat de cumulatie van geluid niet goed is berekend. Voor de bestaande turbine WT4 van Windpark De Mars zijn er in de geldende bestemmingsplannen geen geluidsnormen opgenomen. Deze windturbine kan dus vervangen worden door een groter en luidruchtiger exemplaar. Voor de bestaande windturbines zouden volgens [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting momenteel wellicht de normen van de Tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken relevant kunnen zijn, maar de (Europeesrechtelijke) houdbaarheid van die regeling wordt door hen betwist. 56.1. Provinciale staten stellen dat de bestaande windturbine WT4 op juiste wijze is betrokken in het cumulatie-onderzoek. Het akoestisch onderzoek rekent met het windturbinetype dat feitelijk aanwezig is. Het voorbereidingsbesluit "Fort de Pol De Mars" voorkomt dat windturbine WT4 zomaar vervangen kan worden door een groter, luidruchtiger exemplaar. Er waren bij provinciale staten ten tijde van de vaststelling van het PIP ook geen plannen bekend om de bestaande windturbine te vervangen voor een groter, luider exemplaar. De bestaande windturbine staat op gronden die in eigendom zijn van de gemeente Zutphen. Voor de bouw en exploitatie van een grotere, luidere windturbine zijn ook omgevingsvergunningen nodig. In dat kader moet dan worden beoordeeld wat daarvan de gevolgen zijn, rekening houdend met Windpark IJsselwind. Verder stellen provinciale staten dat de bestaande windturbines op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken gebonden zijn aan geluidnormen die naar hun oordeel onverkort voor de bestaande windturbines op bedrijventerrein De Mars gelden. 56.2. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de bestaande windturbines op juiste wijze in het akoestisch onderzoek betrokken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het geluid van de bestaande windturbines is onderschat. De Afdeling ziet geen aanleiding om in deze zaak een exceptieve toetsing van de Tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken te verrichten. Het PIP is niet gebaseerd op de Tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken en de bepalingen uit deze regeling zijn ook niet van toepassing op de windturbines die met het voorliggende plan mogelijk worden gemaakt. Bovendien bevat het PIP een geluidsnorm voor de windturbines in het PIP in cumulatie met de bestaande windturbines. Verder kan de Afdeling het standpunt van provinciale staten volgen dat bij de beoordeling van een eventuele vervanging van een of meer van de bestaande windturbines van Windpark De Mars, rekening zal moeten worden gehouden met het geluid van het op dat moment toegestane Windpark IJsselwind. De mogelijkheid dat een nieuwe windturbine op die locatie cumulatief kan leiden tot meer geluid, is dus geen omstandigheid die provinciale staten bij het onderzoek naar geluid voor het Windpark IJsselwind hoefden te betrekken. De betogen slagen niet. Milieuaspecten: slagschaduw Inleiding 57. Artikel 3.3.2 van de planregels van het PIP luidt: "a. Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbines afschakelt indien als gevolg van alle windturbines die zijn aangeduid met de bestemming 'Bedrijf - Windturbinepark' tezamen op ramen binnen de gevel van: 1. slagschaduw gevoelige objecten gemiddeld meer dan 1 uur slagschaduw per jaar kan optreden voor zo ver dat object is gelegen binnen het slagschaduwgebied; 2. objecten met een kantoorfunctie op geluidgezoneerd industrieterrein De Mars gemiddeld meer dan 6 uur slagschaduw per jaar kan optreden, voor zo ver: - dat object is gelegen binnen het slagschaduwgebied; - personen in een object met kantoorfunctie gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven tijdens de daglichtperiode en gedurende kantoortijden; 3. bedrijfswoningen op geluidgezoneerd industrieterrein De Mars gemiddeld meer dan 6 uur per jaar slagschaduw per jaar kan optreden voor zo ver dat object is gelegen binnen het slagschaduwgebied; 4. de molenaarswoning gemiddeld meer dan 111 uur slagschaduw per jaar kan optreden; b. alvorens een windturbine voor energieproductie in gebruik genomen en gehouden mag worden, dient deze ten behoeve van het voorkomen of beperken van lichtschittering voorzien te zijn van niet reflecterende materialen of coatinglagen op betreffende onderdelen, waarbij het meten van reflectiewaarden plaatsvindt overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode." 58. In de toelichting van het PIP staat dat in de bestaande situatie al sprake is van slagschaduw van Windpark De Mars. Provinciale staten willen de extra hinder door slagschaduw voor omwonenden zo veel mogelijk beperken. Omdat het tijd kost om een windturbine stil te zetten als slagschaduw optreedt, zal enige slagschaduw niet te voorkomen zijn. Daarom is bepaald dat gedurende de tijd die nodig is om de windturbines af te schakelen, wel slagschaduw mag worden veroorzaakt. Volgens het Pondera akoestisch en slagschaduwonderzoek en het Bosch & van Rijn-advies zal dat bij de omliggende woningen niet meer zijn dan in totaal 1 uur per jaar. 59. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting betogen niettemin dat Windpark IJsselwind voor de omwonenden zal leiden tot onaanvaardbare slagschaduw en lichtschittering. Zij voeren daartoe het volgende aan. De gekozen normering 60. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3], de stichting en [appellant sub 1] betogen dat de normen die in het PIP zijn opgenomen over slagschaduw onvoldoende zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Zij wijzen daarbij op de volgende punten. - Onderbouwing lokale norm 61. Ten eerste gaan provinciale staten er volgens [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting ten onrechte van uit dat een norm van 1 uur slagschaduw per jaar aanvaardbaar is, omdat een grenswaarde van 5 uur en 40 minuten als interpretatie van de wettelijke norm uit de Activiteitenregeling eerder ook aanvaardbaar werd geacht. In het Bosch & van Rijn-advies is hiernaar verwezen. Deze norm was echter niet gebaseerd op een wetenschappelijk onderzoek, maar op (casuïstische) jurisprudentie, zo volgt uit het STAB-rapport in de Delfzijl zaak. De enige motivering komt neer op een verwijzing naar de verouderde onderzoeken van Pohl. Daarmee is geen deugdelijke, wetenschappelijk verantwoorde onderbouwing gegeven, aldus [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting. 61.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de in artikel 3.2.2, onder a, aanhef en sub 1, van de planregels opgenomen norm van maximaal 1 uur slagschaduw per jaar de hinder van slagschaduw in voldoende mate beperkt. De betreffende norm is gebaseerd op het Bosch & van Rijn-advies. Provinciale staten wijzen er daarnaast op dat onder het regime van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling een norm gold van maximaal 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag, wat veelal werd geïnterpreteerd als 5 uur en 40 minuten per jaar. Provinciale staten zijn zich ervan bewust dat de normen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet meer gebruikt kunnen worden, maar omdat de norm van 1 uur slagschaduw per jaar ver onder de norm uit de Activiteitenregeling blijft, is dat volgens provinciale staten een sterke aanwijzing dat deze norm passend is. Van de norm uit de Activiteitenregeling is immers jarenlang aangenomen dat deze een aanvaardbaar woon- en leefklimaat borgt. Volgens provinciale staten volgt uit het Bosch & van Rijn-advies dat de conclusies uit de wetenschappelijke onderzoeken naar slagschaduwhinder waar de norm uit de Activiteitenregeling op gebaseerd was, nog steeds relevant zijn. Er zijn sindsdien diverse onderzoeken uitgevoerd naar effecten van slagschaduw op hinderbeleving en gezondheidseffecten, maar er zijn geen nieuwe kwantitatieve inzichten die de conclusies uit deze onderzoeken tegenspreken of veranderen, aldus provinciale staten. 61.2. De Afdeling stelt vast dat provinciale staten bij hun afweging niet hebben volstaan met de constatering dat de gekozen norm van 1 uur slagschaduw per jaar aanzienlijk lager is dan de norm van 5 uur en 40 minuten die bij andere windparken aanvaardbaar is geacht. Zo volgt uit de plantoelichting dat provinciale staten het wenselijk achten om de hinder als gevolg van bewegende slagschaduw geheel te voorkomen bij slagschaduwgevoelige objecten. In de praktijk betekent dit dat de slagschaduw op gevoelige objecten tussen de 0 en 1 uur per jaar zal bedragen, omdat het tijd kost om de windturbine af

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.