← Nederland

ECLI:NL:RVS:2025:2855

202200497/1/R

  1. Datum uitspraak: 25 juni 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:
  2. [appellant sub 1A], wonend in Ewijk, gemeente Beuningen, [maatschap] en maten], allen gevestigd of wonend in Beuningen, [appellante sub 1B], wonend in Beuningen, [appellant sub 1C], wonend in Ewijk, gemeente Beuningen, [appellant sub 1D], wonend in Ewijk, gemeente Beuningen, [appellant sub 1E), wonend in Beuningen, [appellant sub 1F), wonend in Ewijk, gemeente Beuningen, en [melkveebedrijf], gevestigd in Winssen, gemeente Beuningen (hierna gezamenlijk: [appellant sub 1] en anderen),
  3. Rondeel Ewijk B.V., gevestigd in Ewijk, gemeente Beuningen,
  4. Stichting Tegenwind(molens) en anderen (hierna: de Stichting en anderen), gevestigd of wonend in Bergharen, gemeente Wijchen,
  5. [appellant sub 4], wonend in Winssen, gemeente Beuningen, appellanten, en
  6. de raad van de gemeente Beuningen,
  7. het college van burgemeester en wethouders van Beuningen (hierna: het college van B en W),
  8. het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college van GS), verweerders. Procesverloop Bij besluit van 23 november 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Windpark Beuningen" vastgesteld. Bij besluit van 13 december 2021 heeft het college van B en W een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) voor de bouw en het oprichten en in werking hebben van een windpark met vijf windturbines. Bij besluit van 13 december 2021 heeft het college van GS een ontheffing verleend voor het overtreden van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) als gevolg van de aanleg en het in gebruik hebben van een windpark met vijf windturbines. Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Daartoe heeft de raad op 17 december 2019 een coördinatiebesluit genomen. Tegen deze besluiten, behalve het coördinatiebesluit, hebben [appellant sub 1] en anderen, Rondeel Ewijk B.V., de Stichting en anderen en [appellant sub 4] beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen, Rondeel Ewijk B.V. en de Stichting en anderen hebben nadere stukken ingediend. De raad en het college van B en W hebben een verweerschrift ingediend. [appellant sub 4] heeft een nader stuk ingediend. Het college van GS heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 1] en anderen hebben een nader stuk ingediend. Bij besluit van 28 februari 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Windpark Beuningen" gewijzigd en opnieuw vastgesteld (hierna: het herstelbesluit). [appellant sub 1] en anderen, Rondeel Ewijk B.V., de Stichting en anderen, [appellant sub 4] en het college van B en W hebben hierop zienswijzen ingediend. [appellant sub 4] heeft een nader stuk ingediend. De raad heeft een nader verweerschrift ingediend. Het college van GS heeft een nader verweerschrift ingediend. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] hebben nadere stukken ingediend. De raad heeft nog een nader verweerschrift ingediend. De Stichting en anderen hebben een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 19 september 2024, waar de volgende partijen zijn verschenen: - [appellant sub 1] en anderen, bijgestaan door mr. A.M.L. Josten, rechtsbijstandverlener te Tilburg, en [gemachtigde], - Rondeel Ewijk B.V., bijgestaan door [gemachtigde], - De Stichting en anderen, waarvan [gemachtigden] zijn verschenen, bijgestaan door mr. P.A. de Lange, advocaat te Barendrecht, - [appellant sub 4], - de raad en het college van B en W, vertegenwoordigd door G. Jansen en T.N. Hagelaar, bijgestaan door mr. J. van Vulpen, advocaat te Nijmegen, M.T. Dijkstra en S.T. Velthuijsen, - het college van GS, vertegenwoordigd door mr. T.P.P. Paas, - Windpark Beuningen B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden]. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en de Stichting en anderen in de gelegenheid gesteld om een nader stuk in te dienen. De Stichting en anderen hebben een nader stuk ingediend. De raad en het college van B en W hebben hierop schriftelijk gereageerd. De Afdeling heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
  9. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. 1.
  10. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 18 maart 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. 1.
  11. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 10 december
  12. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 1.
  13. Als een aanvraag om ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een ontheffing is ingediend op 10 december
  14. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding
  15. De gecoördineerd voorbereide besluiten maken de ontwikkeling en het gebruik van het windpark Beuningen mogelijk. Het windpark bestaat uit vijf windturbines met een maximale tiphoogte van 245 m. Het windpark is gelegen in de gemeente Beuningen, ten zuiden van de A73 en ter hoogte van het knooppunt Ewijk, waar de A73 en de A50 elkaar kruisen. De windturbines zijn parallel aan de A73 voorzien. De windturbineopstelling wordt onderbroken door de A50, met ten westen daarvan twee windturbines en ten oosten daarvan drie windturbines. Initiatiefnemer is Windpark Beuningen B.V. Het herstelbesluit van 28 februari 2023
  16. Met het herstelbesluit heeft de raad het bestemmingsplan "Windpark Beuningen" gewijzigd en opnieuw vastgesteld. De wijzigingen hebben met name betrekking op het amoveren van de windturbines en op verlichting. Ook is de plantoelichting aangepast, waarbij een "Veegmemo" met aanvullingen op de plantoelichting en onderzoeken is opgenomen. Het herstelbesluit is gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van dit geding. De beroepen zijn van rechtswege mede gericht tegen het herstelbesluit. De Afdeling zal in deze tussenuitspraak eerst de van rechtswege ontstane beroepen tegen het herstelbesluit behandelen. In het kader daarvan worden zowel de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen het besluit van 23 november 2021 als de nadere beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen het herstelbesluit besproken. Toetsingskader
  17. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen Toepasselijke regelgeving in bijlage
  18. Voor zover de wettelijke bepalingen en de planregels niet in de uitspraak zijn geciteerd, is de relevante regelgeving opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Ingetrokken beroepsgronden
  19. [appellant sub 1] en anderen en Rondeel Ewijk B.V. hebben op de zitting hun betoog dat aan de algemene windturbinebepalingen uit de paragrafen 3.2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) en 3.2.3 van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling) geen milieueffectrapport (hierna: MER) ten grondslag ligt en dat het niet mogelijk is om in plaats daarvan eigen normen te hanteren indien voor die eigen normen geen MER is gemaakt, ingetrokken. [appellant sub 1] en anderen hebben op de zitting hun betoog dat de realisatie van het windpark leidt tot nadelige stikstofeffecten in het nabijgelegen Natura 2000-gebied ingetrokken. Beroepsgronden Wezenlijk ander plan - herstelbesluit
  20. Rondeel Ewijk B.V. voert aan dat het herstelbesluit tot een zodanige wijziging van de ruimtelijke gevolgen voor de omgeving leidt dat sprake is van een wezenlijk ander plan, waarvoor opnieuw afdeling 3.4 van de Awb had moeten worden doorlopen. Door het verlichtingsplan dat met dat besluit aan de planregels is gekoppeld zal op een hoogte van 50 tot 100 m verlichting worden aangebracht op de windturbines. Dit kan optisch een heel ander beeld geven. De raad heeft de gevolgen van de horizonvervuiling die als gevolg hiervan kan optreden, in het geheel niet afgewogen, laat staan de gevolgen van de cumulatieve lichthinder. Ook de gevolgen voor flora en fauna zijn niet beoordeeld. 7.
  21. De raad stelt zich op het standpunt dat van een wezenlijk ander plan ten opzichte van het oorspronkelijke besluit geen sprake is. De bepaling over obstakelverlichting betreft een ondergeschikte wijziging over een bijbehorende voorziening. De wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke plan zijn naar aard en omvang niet zo groot dat daardoor een wezenlijk ander plan is vastgesteld. De raad meent daarom dat hij op goede gronden de procedure van afdeling 3.4 van de Awb achterwege heeft kunnen laten. 7.
  22. Een bestuursorgaan dient in beginsel een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, dat strekt tot wijziging van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor te bereiden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, indien het oorspronkelijke besluit met toepassing van die afdeling is voorbereid. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk. De raad kan na de vaststelling van het plan waarbij de zienswijze van een appellant niet of niet geheel is gehonoreerd, alsnog besluiten dat deze zienswijze dient te leiden tot een aanpassing van het plan, zonder dat afdeling 3.4 opnieuw behoeft te worden toegepast, mits deze aanpassingen naar aard en omvang niet zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan wordt vastgesteld. Verder wordt als uitzondering aangenomen de situatie dat het besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb wijzigingen van ondergeschikte aard bevat die de raad in het plan wil doorvoeren, zonder dat de tegen het ontwerpplan ingediende zienswijzen daartoe aanleiding gaven. Zie de uitspraken van 22 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV6546, onder 2.2.3, en 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:681, onder 9.
  23. 7.
  24. Met de vaststelling van het herstelbesluit is onder meer artikel 4.4.6 aan de regels van het plan toegevoegd. Dit artikel bepaalt dat de windturbines slechts in gebruik mogen worden genomen en gehouden als de obstakelverlichting is gerealiseerd conform het bij de planregels gevoegde verlichtingsplan. Deze obstakelverlichting is nodig en wettelijk verplicht voor de luchtverkeersveiligheid. Om hinder van de obstakelverlichting voor de omgeving zo veel mogelijk te beperken is een verlichtingsplan opgesteld dat ook voldoet aan de luchtvaartveiligheidseisen van de Inspectie Leefomgeving en Transport - Luchtvaart (hierna: de ILT). 7.
  25. De Afdeling is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat door de toevoeging van het verlichtingsplan en de verankering daarvan in de planregels het plan voor het windpark zodanig is gewijzigd dat de raad zich bij het herstelbesluit niet heeft mogen baseren op het ontwerp van het oorspronkelijke besluit. De enkele omstandigheid dat op een hoogte van 50 tot 100 m verlichting zal worden aangebracht op de windturbines, leidt er niet toe dat sprake is van een aanpassing die naar aard en omvang zodanig groot is, dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld. Het betoog slaagt niet. Strijd met het Verdrag van Aarhus
  26. De Stichting en anderen betogen dat de besluitvorming in strijd is met het Verdrag van Aarhus, omdat geen sprake is geweest van vroegtijdige inspraak waarbij alle opties nog open waren. 8.
  27. De Afdeling stelt vast dat omwonenden in een vroeg stadium hebben kunnen meepraten over de ontwikkeling. Zo heeft van 5 juni 2020 tot 16 juli 2020 een voorontwerpbestemmingsplan met een voorlopig plan- en projectmilieueffectrapport (hierna: combiMER) ter inzage gelegen. Gedurende die periode heeft eenieder de gelegenheid gehad om een inspraakreactie in te dienen over het voorontwerpbestemmingsplan en de bijbehorende onderzoeken. De ingekomen inspraakreacties zijn van een inhoudelijke reactie voorzien in de Nota inspraak en vooroverleg op het voorlopige combiMER en het voorontwerpbestemmingsplan Windpark Beuningen van 8 september
  28. In de plantoelichting is vermeld dat deze inspraakreacties hebben geleid tot diverse aanpassingen in de regels, toelichting en bijlagen van het ontwerpbestemmingsplan. Verder overweegt de Afdeling dat de bestreden besluiten zijn voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. De ontwerpbesluiten en de daarbij behorende stukken, waaronder het combiMER, zijn ter inzage gelegd en er is aan eenieder de gelegenheid geboden tot het naar voren brengen van zienswijzen. De ingekomen zienswijzen zijn van een inhoudelijke reactie voorzien in de Nota van Beantwoording zienswijzen Windpark Beuningen van 27 mei
  29. Blijkens deze nota zijn de reacties inhoudelijk in de besluitvorming meegewogen. Anders dan de Stichting en anderen betogen, is met deze inspraakprocedure een inspraakmogelijkheid geboden op een vroeg genoeg moment, waarop alle opties nog open waren. De Afdeling kan de Stichting en anderen dan ook niet volgen in hun betoog dat geen inspraak heeft plaatsgevonden op een moment dat deze nog daadwerkelijk invloed kon hebben op de besluitvorming. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling voldaan aan de inspraakverplichting die voortvloeit uit artikel 6, derde en vierde lid, van het Verdrag van Aarhus. Het betoog slaagt niet. Besluitvormingsproces
  30. De Stichting en anderen hebben een groot aantal punten naar voren gebracht over tekortkomingen in de voorbereidingsprocedure en het aan de planprocedure voorafgaande besluitvormingsproces. Daarbij gaat het onder meer om zaken als het Energiespel dat zou zijn gemanipuleerd, de rol van de Gebiedsraad, leden van de raad en de wethouder, de organisatie van inspraakavonden, het functioneren van de website Energie Beuningen, coronabeperkingen en de Rol Energiecoöperatie Energie voor Vier. De Afdeling overweegt dat veel van de door de Stichting en anderen naar voren gebrachte punten over de voorbereidingsfase van de besluitvorming de rechtmatigheid van herstelbesluit niet raken. Dit betekent dat deze punten niet tot gegrondverklaring van het beroep kunnen leiden. In het navolgende bespreekt de Afdeling daarom alleen de punten die mogelijk wel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit kunnen raken. - De Gebiedsraad
  31. De Stichting en anderen betogen dat de rol van de Gebiedsraad in het besluitvormingsproces dubieus is. Afgezien van het feit dat dit orgaan niet onafhankelijk opereerde van de gemeente, was het niet mogelijk om inspraak te hebben op het door de Gebiedsraad over de gebiedsopgave uitgebrachte advies. Volgens de Stichting en anderen kan niet worden gesproken van een adequate invulling van de eisen die worden gesteld aan het bieden van inspraak. 10.
  32. De raad stelt zich op het standpunt dat hij zich in voldoende mate heeft ingespannen om adequate voorlichting en inspraak te bieden. De wijze waarop de Gebiedsraad is vormgegeven en de wijze waarop dit orgaan mocht meepraten over de voorgestelde alternatieven/scenario’s, is volgens de raad een goede invulling van het participatieproces. De raad heeft daarbij toegelicht dat de Gebiedsraad bestaat uit inwoners uit de vier dorpen en het buitengebied en is samengesteld op basis van aanmelding en via een intakegesprek op het gemeentehuis. Het betreft geen vertegenwoordiging van de inwoners, maar een kerngroep van mensen die bereid waren om intensief in gesprek te gaan over de te maken keuzes. 10.
  33. In paragraaf 2.4 van de plantoelichting is ingegaan op de rol van de Gebiedsraad. Daarin staat dat in 2017 de Energievisie ‘Energiek Beuningen’ (hierna: de Energievisie) is vastgesteld met als doel aan te geven waar Beuningen op het gebied van duurzame energie staat, en wat er gedaan moet worden om in uiterlijk 2040 energieneutraal te zijn. In de Energievisie is aangegeven dat invulling van deze opgave in samenwerking met de inwoners van de gemeente moet worden opgepakt. De Gebiedsraad adviseert in het gebiedsproces over financiële participatie, het duurzaamheidsfonds en de rol van een lokale energiecoöperatie. Daarbij adviseert de Gebiedsraad ook over eigendom en opbrengst (in geld en in stroom) van grootschalige energieprojecten binnen de gemeente. 10.
  34. De Afdeling overweegt dat de Energievisie de gebiedsraad een adviserende rol geeft bij energieprojecten binnen de gemeente Beuningen. Maar uit de Energievisie, noch uit wat daarover in de plantoelichting is opgenomen, volgt dat de Gebiedsraad een beslissende stem heeft in de uiteindelijke keuze voor het windpark. De gebiedsraad bracht alleen maar een advies uit, waarop geen inspraak benodigd is. Het advies heeft er, zo begrijpt de Afdeling uit onder meer het verweerschrift, wel (mede) toe geleid dat is gekozen voor inrichtingsvariant 1, bestaande uit vijf grote windturbines, waarvan twee ten westen van de A50 en drie ten oosten daarvan. Maar deze keuze van de raad is niet volledig gebaseerd op het advies van de Gebiedsraad, maar vloeit voort uit de afweging die de raad heeft gemaakt op basis van het combiMER, waarin diverse inrichtingsvarianten zijn onderzocht, waarover inspraak is geweest. Het betoog slaagt niet. - Belangenverstrengeling en vooringenomenheid
  35. De Stichting en anderen voeren aan dat er sprake is geweest van vooringenomenheid bij de gemeente met betrekking tot het voornemen om het windpark te realiseren op de locatie A83/N233, zoals dat nu in het plan is vastgelegd. Een serieus onderzoek naar alternatieve locaties is niet aan de orde geweest. Verder wijzen zij erop dat bij een commissievergadering op 5 juni 2021 diverse partijen werden uitgenodigd om een positief verhaal over windturbines af te steken. De Stichting en anderen waren bij deze vergadering niet welkom, wat ook getuigt van vooringenomenheid. De Stichting en anderen betogen daarnaast dat er sprake is geweest van belangenverstrengeling. De partij Beuningen Nu & Morgen heeft via de wethouder voortdurend druk uitgeoefend op het besluitvormingsproces ten faveure van vijf windturbines van grote omvang. Hierbij hebben belangen van partijleden een rol gespeeld. 11.
  36. Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult een bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid. Ingevolge artikel 2:4, tweede lid, van de Awb waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. - Vooringenomenheid 11.
  37. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1434) is in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2:4 van de Awb (Kamerstukken II 1998/89, 21 221, nr. 3, blz. 53-55) benadrukt dat met het eerste lid van dat artikel niet beoogd is dat een bestuursorgaan niet vanuit bepaalde beleidskeuzes zou mogen werken. Het gaat erom dat het de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden. Zoals in de toelichting is opgemerkt, moet de overheid de nodige objectiviteit betrachten en zich niet door vooringenomenheid laten leiden. Naar het oordeel van de Afdeling is er geen blijk van vooringenomenheid van de raad. Zoals blijkt uit overweging 18 e.v., is serieus naar alternatieven gekeken en heeft de raad ook de negatieve aspecten van de betrokken windturbines op deze plaats onder ogen gezien. Het betoog van de Stichting en anderen dat zij bij een commissievergadering op 5 juni 2021 niet waren uitgenodigd en dat alleen voorstanders van de windturbines zijn gehoord, wat daarvan ook zij, leidt er niet toe dat zonder meer kan worden gesproken van vooringenomenheid. Zoals blijkt uit het vervolg van deze uitspraak, heeft de raad voldoende oog gehad voor de tegenstanders van de windturbines en hun belangen. Van vooringenomenheid is dus geen sprake. - Belangenverstrengeling 11.
  38. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0796, strekt artikel 2:4, tweede lid, van de Awb ertoe de burger een waarborg te bieden voor naleving van de in het eerste lid neergelegde norm. Daartoe wordt, niet aan de in de bepaling bedoelde personen individueel, maar aan het tot besluiten bevoegd bestuursorgaan, een zorgplicht opgelegd die in elk geval inhoudt dat het orgaan voorkomt dat de besluitvorming niet meer voldoet aan de in het eerste lid neergelegde norm. Met het begrip ‘persoonlijk’ is blijkens de wetgeschiedenis van artikel 2:4 van de Awb (Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 55) gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen. In aanmerking genomen dat het hier gaat om besluitvorming door de gemeenteraad die een belangenafweging vergt, waarbij politieke inzichten een belangrijke rol spelen, ligt het in de rede voor de invulling van het begrip ‘persoonlijk belang’ aansluiting te zoeken bij artikel 28, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet. Deze bepaling dient strikt te worden uitgelegd, omdat daarbij het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen aan een stemming wordt ingeperkt. 11.
  39. Uit artikel 2:4 van de Awb volgt in het algemeen niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een besluit een belang heeft, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Dit zou afbreuk doen aan de taak en de fundamentele rechten van een gekozen volksvertegenwoordiger en daarmee aan het democratische proces. De gemeenteraad mag met het oog op het democratische proces dan ook niet verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen. Maar het voorgaande neemt niet weg dat deelname van een lid met zo’n persoonlijk belang ertoe kan leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het betreffende besluit is genomen in strijd met artikel 2:4 van de Awb. Maar de conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft genomen, kan pas worden getrokken, als zich bijkomende omstandigheden voordoen die maken dat de behartiging van een persoonlijk belang van een raadslid in het bijzonder aan de orde is bij het besluitvormingsproces. 11.
  40. Van zulke bijkomende omstandigheden is de Afdeling in deze procedure niet gebleken. Dat er bij diverse leden van de raad en de Commissie Ruimte, in het bijzonder bij de partij Beuningen Nu & Morgen, een positieve grondhouding bestond tegenover windenergie, kan niet worden aangemerkt als zo’n omstandigheid. De Stichting en anderen hebben verder niet geconcretiseerd welke gedragingen de conclusie zouden moeten rechtvaardigen dat de leden van de raad of de commissie bij hun besluitvorming of het proces daarnaartoe de schijn van partijdigheid hebben gewekt. Het betoog slaagt niet. - Kosten deskundigenrapporten gedragen door initiatiefnemers
  41. De Stichting en anderen voeren aan dat de kosten van de ten behoeve van het plan gemaakte deskundigenrapporten zijn gedragen door de initiatiefnemers van het plan. Dit doet volgens hen afbreuk aan de onafhankelijkheid van de opstellers van de diverse rapporten en wekt de schijn van belangenverstrengeling. 12.
  42. De Afdeling overweegt dat alleen het feit dat onderzoeken zijn uitgevoerd in opdracht van het bevoegd gezag of de initiatiefnemer van een project, geen reden vormt om op voorhand te twijfelen aan de juistheid en de objectiviteit van de inhoud van die onderzoeken. Die omstandigheid is op zichzelf ook onvoldoende om aan te nemen dat door de raad de schijn van belangenverstrengeling is gewekt. De raad heeft in het voorliggende geval ook niet zonder meer de conclusies en bevindingen uit de diverse aan het plan ten grondslag gelegde rapporten overgenomen. De raad heeft deze rapporten betrokken in zijn afweging om te bezien in hoeverre het windpark in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor heeft de raad ook de expertise van voor de gemeente werkzame ambtenaren gebruikt. In wat de Stichting en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling niet dat de raad zich niet op de aan het herstelbesluit ten grondslag gelegde rapporten heeft kunnen baseren. Voor zover de Stichting en anderen concrete bezwaren naar voren hebben gebracht over de juistheid van de diverse onderzoeksrapporten, zal de Afdeling daarop ingaan bij de behandeling van de beroepsgronden over de betreffende onderwerpen, zoals geluid. Het betoog slaagt niet. Draagvlak
  43. [appellanten sub 1] betogen dat het participatieproces voorafgaand aan de planprocedure tekort heeft geschoten. Hierdoor is er onvoldoende draagvlak voor het project. Er is onder de omwonenden onvoldoende draagvlak voor hoge windturbines. De plantoelichting gaat niet in op het draagvlak in de omgeving. Hierdoor is het plan niet in lijn met de Beleidslijn Windenergie van de provincie Gelderland. 13.
  44. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de totstandkoming van het plan de Beleidslijn Windenergie is gevolgd. Er is een uitgebreid participatieproces gevolgd. In de gemeente is hiertoe vanaf 2017 een gebiedsproces doorlopen, waarmee aan de voorkant invulling is gegeven aan participatie en draagvlak. De gemeente heeft uitgebreid de mogelijkheid geboden aan omwonenden om te participeren in het proces. 13.
  45. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, betekent het ontbreken van draagvlak bij omwonenden niet dat de raad niet heeft kunnen overgaan tot vaststelling van het plan. De raad moet bij de vaststelling van het plan een afweging maken tussen alle betrokken belangen. Het ontbreken van draagvlak is in die belangenafweging niet zonder meer het meest zwaarwegend. De verwijzing naar de Beleidslijn Windenergie van de provincie leidt niet tot een andere conclusie. Daarin wordt benadrukt dat een windpark gebaat is bij een goede samenwerking tussen alle partijen en dat goede participatiemogelijkheden voor betrokkenen tot meer acceptatie en daardoor snellere planvorming kan leiden. Hiertoe worden een aantal handvatten geboden. Maar de Beleidslijn bevat geen bindende vereisten ten aanzien van het bieden van participatiemogelijkheden of het creëren van draagvlak. Dit betekent niet dat het aspect draagvlak geen enkele rol heeft gespeeld in de besluitvorming. Het streven naar draagvlak is een aspect dat zich vertaalt in de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het nieuwe windpark dient te maken. Dit betreft een afweging tussen de nationale, provinciale en gemeentelijke belangen bij een duurzame energievoorziening en onder meer de belangen van omwonenden. Dat het belang van draagvlak daarin niet zonder meer het meest zwaarwegend is geacht, acht de Afdeling niet onrechtmatig. Op zichzelf beschouwd kan de omstandigheid dat een aantal omwonenden bezwaren heeft tegen de realisatie van het windpark dan ook niet tot vernietiging van de bestreden besluiten leiden. De vraag of de belangen van omwonenden bij de besluitvorming over het windpark goed in beeld zijn gebracht en afgewogen, zal hierna aan de hand van de beroepsgronden over onder meer de locatiekeuze, de hinder door geluid en slagschaduw en de aantasting van de landschappelijke waarden worden beoordeeld. De betogen slagen niet. Omgevingsvisie Solitaire windmolens
  46. Rondeel Ewijk B.V. voert aan dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) voor zover het betreft de locatie van de dichtst bij de A50 gesitueerde windturbine. De gronden ter plaatse kennen in de Omgevingsvisie de aanduiding ‘windenergie - solitaire windturbines uitgesloten’. Hoewel sprake is van een lijnopstelling, meent Rondeel Ewijk B.V. dat gezien de substantiële infrastructurele voorzieningen, zoals de snelwegen A50/A73, waardoor de windturbine wordt gescheiden van de andere windturbines, sprake is van een solitaire windmolen. 14.
  47. De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een solitaire windturbine. Het plan ziet op vijf windturbines in een lijnopstelling, zodat geen sprake is van strijd met de Omgevingsvisie. 14.
  48. De Afdeling overweegt allereerst dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden is aan provinciaal beleid. De raad moet wel met dit beleid rekening houden, wat betekent dat dit beleid bij de belangenafweging moet worden betrokken. De Afdeling overweegt verder dat de beoogde locatie van de windturbine nabij het bedrijf van Rondeel Ewijk B.V. op de bij de Omgevingsvisie behorende Themakaart ‘Ruimtelijk beleid’ is aangeduid als ‘windenergie - solitaire windturbines uitgesloten’. De Afdeling stelt vast dat de tekst van de Omgevingsvisie noch de daarbij behorende themakaart een toelichting bevat over deze aanduiding. Wel staat daarin dat de gebieden waar de opwek van zonne- en windenergie mogelijk is, op de themakaart zijn aangeduid. Hiertoe is een aantal aanduidingen opgesomd. Het plangebied kent zo ook de aanduiding ‘Windenergie mogelijk’. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in het voorliggende geval redelijkerwijs op het standpunt mogen stellen dat met het plan niet wordt voorzien in solitaire windturbines en in zoverre voldoende rekening wordt gehouden met de Omgevingsvisie. Daarbij heeft de raad van belang mogen achten dat het plan voorziet in een samenstel van windturbines in lijnopstelling. Dat de opstelling wordt onderbroken door infrastructuur, zoals de A50/A73, maakt dit niet anders. Het betoog slaagt niet. Waardevol open gebied
  49. Rondeel Ewijk B.V. voert aan dat het plan in strijd is met de Omgevingsverordening Gelderland, omdat het plan een negatieve impact heeft op het te beschermen open landschap. De landschappelijke analyse die aan het plan ten grondslag is gelegd, noch de nadere landschappelijke beoordeling kan de motivering dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsverordening, dragen. Aan de gestelde mitigerende maatregelen wordt in het geheel geen invulling gegeven. Een ruimtelijk ontwerp dat ingaat op de in de Omgevingsverordening genoemde aspecten, ontbreekt. 15.
  50. Ingevolge de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening), zoals die luidde op het van belang zijnde moment, zijn de gronden ten zuiden van de A73 en ten oosten van de A50, waar een deel van het windpark wordt gerealiseerd, aangewezen als ‘Waardevol open gebied’. Artikel 2.55 van de Omgevingsverordening luidt: "
  51. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Waardevol open gebied maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan geen bestemming mogelijk die de openheid van een Waardevol open gebied aantast.
  52. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan binnen een Waardevol open gebied het oprichten van een windturbinepark mogelijk maken, voor zover de toelichting van het bestemmingsplan voldoet aan artikel 2.
  53. […]". Artikel 2.62 luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat de oprichting van een windturbine of windturbinepark mogelijk maakt, besteedt aandacht aan: a. de ruimtelijke kenmerken van het landschap; b. de maat, schaal en inrichting in het landschap; c. de visuele interferentie met een nabijgelegen windturbine of windturbines; d. de cultuurhistorische achtergrond en waarden van het landschap; e. de beleving van de windturbine of het windturbinepark in het landschap." 15.
  54. De raad stelt zich op het standpunt dat voldoende aandacht is besteed aan de landschappelijke kwaliteit. Dat is gebeurd in paragraaf 4.9 van de plantoelichting en door de landschappelijke beoordeling die als bijlage E bij de plantoelichting is gevoegd. Dat het plan per saldo tot een verslechtering van de landschappelijke kwaliteit leidt, betekent niet dat het plan in strijd is met artikel 2.62 van de Omgevingsverordening. De raad wijst nog op het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de Commissie mer) waarin staat dat de landschappelijke impact van het voorkeursalternatief (hierna: VKA) voldoende in beeld is gebracht. 15.
  55. In paragraaf 4.9 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect landschap. Omdat het plan gevolgen heeft voor het open landschap is getoetst aan de in artikel 2.62 genoemde aspecten. In totaal zijn zes landschapstypen gedefinieerd in het landschap rondom Beuningen, namelijk: uiterwaarden, oeverwallen, komgronden, rivierduinen, kampenlandschap en grootschalige infrastructuur. Voor de afzonderlijk genoemde landschapstypen bevat de toelichting een analyse en beoordeling. In paragraaf 4.9.1 staat dat het landschap in en rondom Beuningen zal worden aangetast door de komst van de windturbines van Windpark Beuningen. Vanwege de landschappelijke en cultuurhistorische waarden zal de negatieve impact zich voordoen bij de rivierduinen. Karakteristieken en belevingswaarden van de uiterwaarden, oeverwallen en komgronden zullen ook negatief worden beïnvloed. De beleving en aantasting ten aanzien van de snelwegen, die in de landschappelijke beoordeling zijn getypeerd als landschapstype ‘grootschalige infrastructuur’, kent de minst negatieve impact. Het VKA is bij enkele aspecten minder gewenst ten opzichte van de MER-alternatieven. Dat geldt in alle gevallen voor de beleving van de eenheid van de opstelling. Dit volgt ook uit bijlage E bij de plantoelichting, waarin aandacht is besteed aan de landschappelijke kwaliteit. Deze bijlage bevat een vergelijking en beoordeling van de verschillende MER-alternatieven. De conclusie hiervan is dat het VKA zeker niet als beste scoort op het onderdeel landschappelijke kwaliteit, en dat de negatieve impact in grote mate aanwezig is. Er zal daarom goed gekeken moeten worden naar welke mitigerende maatregelen getroffen kunnen worden om de ‘pijn te verzachten’. 15.
  56. De Afdeling is gelet op het bepaalde in artikel 2.62 van de Omgevingsverordening van oordeel dat in voldoende mate aandacht is besteed aan de impact van Windpark Beuningen op de landschappelijke kwaliteit. Dat artikel staat erop zichzelf bezien ook niet aan in de weg dat het windpark tot een verslechtering van de landschappelijke kwaliteit leidt. Dit volgt ook uit de toelichting op artikel 2.62 van de Omgevingsverordening. Daarin staat dat in het ruimtelijk ontwerp aandacht wordt besteed aan de wijze waarop een turbine reageert of turbines reageren op de schaal, maat en richting van het landschap. Bij méér dan één windturbine zijn keuzes in onderlinge afstand, patronen en richting van turbines bepalend voor de mate waarin ruimtelijke kwaliteit wordt bereikt. In wat Rondeel Ewijk B.V aanvoert, ziet de Afdeling niet dat aan deze elementen, beschouwd in onderlinge samenhang, onvoldoende aandacht is besteed in de plantoelichting of de daarbij behorende bijlagen. Van strijd met de door Rondeel Ewijk B.V. bedoelde bepalingen uit de Omgevingsverordening is dus geen sprake. Het betoog slaagt niet. Gemeentelijk beleid Structuurvisie
  57. [appellanten sub 1] voeren aan dat het plan in strijd is met de structuurvisie van 8 mei
  58. Daarin staat dat de gemeente ervoor kiest om de karakteristieke openheid van het Beuningse Veld als kwaliteit te behouden en dat het gebied zoveel mogelijk gevrijwaard moet blijven van stedelijke ontwikkelingen als woningbouw of de aanleg van windturbines. Rondeel Ewijk B.V. betoogt dat de raad beter had moeten motiveren waarom in afwijking van de structuurvisie het aanvaardbaar is om windturbines te plaatsen. De raad heeft de landschappelijke impact van het windpark niet betrokken bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Ook de toelichting geeft er onvoldoende blijk van dat dit aspect is betrokken bij het plan. De Stichting en anderen voeren aan dat met het herstelbesluit de structuurvisie ten onrechte met terugwerkende kracht is ingetrokken. 16.
  59. In de structuurvisie ‘Groen en dynamisch’ van 8 mei 2012 (hierna: de structuurvisie) staat als hoofdopgave geformuleerd het behoud en de versterking van het karakteristieke kommenlandschap. De openheid van het Beuningse Veld wordt hoog gewaardeerd. De opgave is om deze openheid te behouden en waar mogelijk ook de beleving van het Beuningse Veld te versterken. Verder staat in de structuurvisie als keuze dat de karakteristieke openheid van het Beuningse Veld als kwaliteit moet worden behouden. Dat betekent dat het gebied zo veel mogelijk gevrijwaard wordt van stedelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw of de realisatie van windturbines. Paragraaf 4.7 van de structuurvisie vermeldt over milieu en duurzaamheid dat het de ambitie is om duurzame energie op te wekken met toepassing van zonne-energie. Er wordt niet ingezet op windenergie, omdat de plaatsing van windmolens in het Beuningse Veld of langs de A73/Maas en Waal weg een grote impact heeft op het landschap. Nadien is op 24 januari 2017 de Energievisie vastgesteld. In deze visie staat aangegeven wat er gedaan moet worden om uiterlijk in 2040 energieneutraal te zijn in de gemeente. 16.
  60. De Afdeling stelt voorop dat de structuurvisie een beleidsdocument is dat is vastgesteld door de raad. De raad mag hiervan afwijken, maar moet dan wel goed motiveren waarom daar in een concreet geval van wordt afgeweken. In de structuurvisie staat dat het Beuningse Veld zoveel mogelijk wordt gevrijwaard van stedelijke ontwikkelingen. Het Beuningse Veld wordt gevormd door het open landschap dat aan de noordzijde wordt begrensd door de A73 en aan de westzijde door de A
  61. De raad heeft onderkend dat het landschap in en rondom Beuningen zal worden aangetast door de komst van het windpark. Vanwege de landschappelijke en cultuurhistorische waarden zal de meeste negatieve impact zich voordoen bij de rivierduinen. Karakteristieken en belevingswaarden van de uiterwaarden, oeverwallen en komgronden zullen ook negatief worden beïnvloed. De beleving en aantasting ten aanzien van de snelwegen, die in de landschappelijke beoordeling zijn getypeerd als landschapstype ‘grootschalige infrastructuur', kent de minst negatieve impact. Met het VKA is er uiteindelijk voor gekozen om een beperkt aantal grotere windturbines te plaatsen, zodat de energiedoelen kunnen worden gehaald en de openheid zo goed als mogelijk wordt gewaarborgd. Daarbij heeft de raad erop gewezen dat met de landschappelijke kwaliteit rekening is gehouden doordat de windturbines helemaal aan de noordelijke randen van het Beuningse en Ewijkse veld worden gesitueerd, zodat de aantasting daarvan wordt beperkt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad toereikend gemotiveerd waarom met het plan wordt afgeweken van de structuurvisie. Daarbij heeft de raad betrokken dat het windpark leidt tot een aantasting van het landschap, maar dat hij uiteindelijk een groter belang heeft willen toekennen aan het belang om de gemeentelijke doelen te halen ten aanzien van duurzame energieopwekking, zoals ook is verwoord in de Energievisie. In wat is aangevoerd, ziet de Afdeling niet dat de gevolgen voor het landschap onvoldoende bij de vaststelling van het plan zijn betrokken. De betogen slagen niet. 16.
  62. Het betoog van de Stichting en anderen dat het herstelbesluit onrechtmatig is, omdat de structuurvisie ten onrechte met terugwerkende kracht is ingetrokken, volgt de Afdeling niet. De rechtmatigheid van de intrekking van de structuurvisie staat hier niet ter toetsing. De raad heeft de structuurvisie ook niet ingetrokken om het herstelbesluit mogelijk te maken. De raad heeft de structuurvisie bij besluit van 28 februari 2023 ingetrokken, omdat inmiddels een nieuw beleidskader is vastgesteld in de vorm van de Omgevingsvisie, maar daarbij verzuimd is om de oude structuurvisie gelijktijdig in te trekken. Dat is bij besluit van 28 februari 2023 alsnog gebeurd. Dat de structuurvisie alleen maar is ingetrokken om het herstelbesluit te onttrekken aan strijdigheid daarmee, volgt de Afdeling daarom niet. Het betoog slaagt niet. MER, alternatievenonderzoek en voorkeursalternatief
  63. [appellanten sub 1], de Stichting en anderen en Rondeel Ewijk B.V. hebben bezwaren naar voren gebracht over de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde combiMER. Die zien onder meer op de daarin in beschouwing genomen locatie- en inrichtingsalternatieven en de keuze om een gecombineerd plan- en project-MER op te stellen. 17.
  64. In het rapport "Windpark Beuningen, Concept-CombiMER" van 3 juni 2021 van Bosch & Van Rijn (hierna: het MER) zijn zeven locatie-alternatieven (A t/m G) onderzocht, zoals is weergegeven in figuur 12 van het MER. De raad heeft een zoekzone aangewezen, zoals is weergegeven in figuur
  65. De uiteindelijke locatiekeuze vertoont overlap met de MER-alternatieven B en C. Vervolgens zijn voor het zoekgebied drie inrichtingsalternatieven uitgewerkt, zoals is beschreven in hoofdstuk 9 van het MER. Het VKA overlapt met inrichtingsalternatief 1, bestaande uit vijf grote windturbines, waarvan twee ten westen van de A50 en drie ten oosten daarvan. Alternatievenonderzoek
  66. [appellanten sub 1], de Stichting en anderen en Rondeel Ewijk B.V. voeren aan dat het alternatievenonderzoek dat is uitgevoerd in het combiMER, niet deugdelijk is. De raad heeft volgens hen niet goed gemotiveerd waarom is gekozen voor het VKA. [appellant sub 1] wijzen erop dat de Commissie mer heeft geconstateerd dat het VKA negatief scoort op veel aspecten, en op enkele aspecten, zoals slagschaduw, en externe veiligheid (buisleidingen en risicovolle installaties), zeer negatief. De keuze voor het VKA is in het combiMER volgens hen in dit licht niet goed onderbouwd. Het VKA verschilt ook van de in het combiMER onderzochte alternatieven. Ten opzichte van MER-alternatief 1 is één extra windturbine toegevoegd en de afstand van de windturbines tot de bebouwde kom is kleiner. Ook scoort het VKA qua effecten voor de omgeving slechter. Rondeel Ewijk B.V. betoogt dat in het combiMER wordt vermeld dat de keuze voor de uiteindelijke variant aan de initiatiefnemer is, en dat dit onjuist en te vrijblijvend is. Uit het advies van de Commissie mer volgt dat in het combiMER een rangorde is aangebracht waarin de praktische elementen een rol hebben gespeeld bij de weging van de diverse varianten. Het combiMER brengt hierin kennelijk een ordening aan waarin de praktische elementen prevaleren boven de milieutechnische. Rondeel Ewijk B.V. voert verder aan dat in het combiMER niet alleen had moeten worden gekeken naar alternatieve locaties voor windturbines, maar ook naar alternatieve manieren om energie op te wekken. De Stichting en anderen voeren aan dat geen van de alternatieven serieus is onderzocht. Zo heeft overleg met de gemeente Wijchen om te onderzoeken of het mogelijk is om windturbines dichter tegen de gemeentegrens te plaatsen nooit plaatsgevonden. Het alternatief om windturbines aan de andere kant van de Elzenpas te plaatsen is afgedaan met de opmerking dat fietsers kunnen worden getroffen door vallende stukken ijs van de wieken op een afstand van 200 m. Alternatief D is weggestreept omdat de combinatie van de A73 en N322 beter uit de bus kwam, terwijl de alternatieven B en C afzonderlijk slechter scoorden. Minder overlastgevende locaties zijn ten onrechte niet serieus genomen. De Stichting en anderen wijzen er daarnaast op dat alternatief E gunstiger zou zijn als het zoekgebied 200 m kleiner was gemaakt en het gebied minder dicht op bebouwing van Nijmegen was gekozen. De Stichting en anderen voeren verder aan dat inrichtingsalternatieven voor het VKA niet serieus zijn behandeld. De vijfde windturbine, gesitueerd in het uiterst oostelijke deel van het zoekgebied, is niet onderzocht op milieu- en andere effecten. 18.
  67. In de plantoelichting staat dat het oprichten van een windpark van meer dan 10 windturbines, of met een vermogen van 15 MW of meer is genoemd in categorie 22.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit mer). Dat betekent dat in het kader van een vergunningaanvraag ingevolge artikel 7.2, vierde lid, van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm), gelezen in samenhang met artikel 2, vierde lid, van het Besluit mer een besluit-mer-beoordelingsplicht geldt, als bedoeld in artikel 7.17, eerste lid, van de Wm. Uit artikel 7.2, tweede lid, van de Wm, gelezen in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Besluit mer volgt daarnaast dat, indien er een kaderstellend plan wordt vastgesteld voor deze activiteit, het verplicht is om daarvoor een plan-MER op te stellen. De raad heeft ervoor gekozen om een plan-MER op te stellen vooruitlopend op het instappen van een initiatiefnemer in het proces. Dit MER bevat de onderbouwing voor de locatiekeuze voor het bestemmingsplan (plan-MER), maar zal ook voor de projectinrichting en vergunningverlening als project-MER gebruikt worden. De raad heeft ervoor gekozen om een gecombineerd plan- en besluit-MER op te stellen. 18.
  68. Uit artikel 7.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wm volgt dat een plan-MER een beschrijving moet bevatten van de voorgenomen activiteit en de alternatieven daarvoor die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen. De keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven moet worden gemotiveerd. Uit onderdeel e van deze bepaling volgt dat in het plan-MER de gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven moeten worden beschreven. Vergelijkbare eisen gelden voor een besluit-MER, zo volgt uit artikel 7.23, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Wm. 18.
  69. De Afdeling stelt voorop dat het antwoord op de vraag welke alternatieven in een MER redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Pas wanneer met de uitvoering van een bepaald alternatief kan worden beantwoord aan de doelstelling van de initiatiefnemer, kan sprake zijn van een redelijkerwijs in ogenschouw te nemen alternatief (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1250, onder 10.2). 18.
  70. Paragraaf 2.1 van het combiMER gaat in op de doelstelling van het project. Er wordt vermeld dat in 2017 de Energievisie is vastgesteld door de raad. Deze visie geeft aan wat er gedaan moet worden om uiterlijk in 2040 energieneutraal te zijn. In april 2019 heeft de raad naar aanleiding van de bespreking van het locatieplan onder meer een zoekzone en randvoorwaarden voor windenergie vastgesteld. Met het windpark beoogt de gemeente een belangrijke bijdrage te leveren aan de doelstelling uit het nationale Klimaatakkoord, zoals vastgesteld op 28 juni 2019, waarin is opgenomen dat op land ten minste 35 terawattuur (TWh) aan hernieuwbare energie op land moet worden gerealiseerd. Daarbij wordt aangegeven dat windenergie één van de meest kosteneffectieve manieren is om hernieuwbare energie te produceren. Paragraaf 4.6 van het combiMER vermeldt dat het initiatief past binnen het nationale beleid en bijdraagt aan de doelstelling van 6.000 MW op land en aan de doelstelling van 35 TWh. De locatie past binnen het provinciaal beleid, gezien de aanduidingen ‘Windenergie kansrijke locaties extra ontwikkeling’ en ‘Windenergie mogelijk’, zoals weergegeven op kaart 5 van de Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’. Met het windpark wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de doelstelling van de gemeente om in 2040 energieneutraal te zijn. 18.
  71. Over het betoog van Rondeel Ewijk B.V. dat ten onrechte niet is gekeken naar alternatieve manieren om (duurzame) energie op te wekken overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat in het alternatievenonderzoek voornamelijk is gekeken naar alternatieven met kleinere windturbines. Een zonnepark komt volgens de raad niet in de plaats van de beoogde windturbines, maar in aanvulling daarop, zodat aan de energiedoelstellingen kan worden voldaan. Een andere alternatieve manier om energie op te wekken is niet onderzocht, omdat dit niet beantwoordt aan de projectdoelstelling. Dit volgt ook uit onder meer de paragrafen 2.1, 4.6 en 7.2 van het MER. In paragraaf 7.1 staat dat omdat met het project invulling is gegeven aan het gemeentelijk beleid voor duurzame energie, in het combiMER geen onderzoek is verricht naar overige vormen van opwekking van duurzame energie. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanknopingspunten voor de conclusie dat ten onrechte andere vormen van energieopwekking in het combiMER buiten beschouwing zijn gelaten. Daarbij heeft de raad doorslaggevend mogen achten dat zulke vormen van energieopwekking niet beantwoorden aan de projectdoelstelling. Alleen de omstandigheid dat appellanten een andere keuze voor de wijze van opwekking van duurzame energie voorstaan, betekent op zichzelf bezien nog niet dat de door de raad gemaakte afweging onzorgvuldig of onredelijk is. 18.
  72. Over de betogen die gaan over de totstandkoming van het VKA, overweegt de Afdeling het volgende. 18.
  73. In paragraaf 4.4 van de plantoelichting is beschreven hoe de selectie van het VKA tot stand is gekomen. Daarin staat dat op basis van de resultaten van het combiMER een VKA is gedefinieerd, bestaande uit vijf windturbines waarvan de locaties vastliggen. Het bepalen van het VKA is een iteratief proces geweest waarbij verschillende partijen een rol hebben gehad. Naast milieueffecten is het VKA ook gebaseerd op de uitvoerbaarheid en lokaal en politiek draagvlak. Hoewel de gemeente een sturende rol heeft bij de keuze, ligt de eindbeslissing bij de initiatiefnemer, die de vergunningaanvraag gaat indienen. Hoofdstuk 5 van het combiMER bevat een beschrijving van de wijze waarop de locatie-alternatieven zijn vastgesteld. Er zijn in totaal zeven locaties betrokken bij het onderzoek (A t/m G), zie ook figuur
  74. Hoofdstuk 6 bevat een effectbeoordeling van de gevolgen van de locatie-alternatieven. Paragraaf 6.7 bevat een overzichtstabel waarin te zien is hoe de verschillende locatie-alternatieven op de onderzochte elementen scoren volgens een multi-criteria-analyse. Hoofdstuk 7 beschrijft de totstandkoming van het VKA. Daarin staat dat de zoekzone windenergie, waarop het VKA mede is gebaseerd, voorafgaand aan de mer-procedure tot stand is gekomen. De uitkomsten van het combiMER hebben niet aan deze keuze ten grondslag gelegen. Uit de effectbeoordeling van de locatiealternatieven blijkt dat de zoekzone (bestaande uit de Plan-MER alternatieven B en C) redelijk scoort ten opzichte van de andere alternatieven (zie tabel 33). Paragraaf 7.2 bevat een beschrijving van de bestuurlijke voorgeschiedenis. Hieruit volgt dat er twee locaties in de gemeente Beuningen door de provincie zijn aangewezen als ‘windenergie kansrijke locaties extra ontwikkeling’. Dit zijn de locaties ten zuidwesten en zuidoosten van knooppunt Ewijk. Daarnaast heeft de gemeente op 24 januari 2017 de Energievisie vastgesteld. Verder heeft een gebiedsproces plaatsgevonden. In 2018 heeft de Gebiedsraad in opdracht van de gemeente toegewerkt naar een locatieplan. Dit behelst een advies aan de raad en bevat het speelveld en de spelregels voor windenergie en zonne-energie in de gemeente Beuningen. Op 9 april 2019 heeft de gemeenteraad besloten om grootschalige opwek van zonne- en windenergie, onder voorwaarden, mogelijk te maken. Hierbij heeft de gemeenteraad besloten om naar aanleiding van de bespreking van het locatieplan en het advies van de Gebiedsraad onder meer een zoekzone voor windenergie vast te stellen. De locatie van het windpark maakt hier deel van uit. Paragraaf 7.3 beschrijft ten slotte de randvoorwaarden waaraan de te onderzoeken inrichtingsalternatieven moeten voldoen. Hierbij is onder meer als randvoorwaarde gesteld dat het inrichtingsalternatief moet stroken met het advies van de Gebiedsraad. Hierdoor moeten de windturbines worden geplaatst in de zoekzone zoals is vastgesteld door de raad op 9 april
  75. Dat zoekgebied bevindt zich in de plan-MER-alternatieven B en C. In paragraaf 7.4 wordt geconcludeerd dat hoewel er in het combiMER zeven potentiële locaties naar voren zijn gekomen, uiteindelijk in overeenstemming met het advies van de Gebiedsraad is gekozen voor alternatieven B en C. 18.
  76. Over het betoog van de Stichting en anderen dat locatie-alternatieven in het kader van het combiMER onvoldoende zijn onderzocht, overweegt de Afdeling dat, zoals volgt uit hoofdstuk 6 van het combiMER, wel een effectbeoordeling van de diverse locatie-alternatieven is verricht. De keuze voor de locatiealternatieven in het combiMER is gemaakt aan de hand van de beperkingen die voortvloeien uit milieueffecten van het windpark als geluid, slagschaduw en veiligheid. Ook zijn hierbij milieuthema’s, zoals ecologie, bodem, water en landschap, betrokken. Hiertoe is een ‘Quickscan ruimtelijke beperkingen’ uitgevoerd, die is opgenomen in bijlage A van het MER. Hieruit komt naar voren dat er een zevental locaties is waar windturbines kunnen worden gerealiseerd. De positieve en negatieve effecten hiervan zijn volgens een beoordeling aan de hand van een multi-criteria-analyse uiteengezet in paragraaf 6.7 van het combiMER. Hieruit komt naar voren dat de gekozen alternatieven B en C redelijk scoren ten opzichte van de andere onderzochte locatiealternatieven. In wat is aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de milieugevolgen van de verschillende locatiealternatieven niet of onvoldoende duidelijk zijn geworden. Dat appellanten een andere weging voorstaan van het VKA ten opzichte van de onderzochte locatiealternatieven doet daar niet aan af. Hierbij betrekt de Afdeling dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 27 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ2639 (Rondweg Oudenbosch), er voor de raad geen verplichting bestaat om het meest milieuvriendelijke alternatief te kiezen. In wat is aangevoerd, ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de raad niet redelijkerwijs voor het door hem voorgestane locatie-alternatief heeft mogen kiezen. Het betoog dat het VKA afwijkt van de onderzochte alternatieven en de milieugevolgen daarvan niet zijn onderzocht, volgt de Afdeling niet. De windturbines van het VKA zijn gesitueerd binnen het zoekgebied dat in het combiMER voor de drie inrichtingsvarianten is gehanteerd en lijkt deels op inrichtingsvariant 1, zij het dat direct ten oosten van de A50 een vijfde, extra turbine is voorzien. In hoofdstuk 11 van het combiMER is aangegeven waarom voor vijf grote windturbines is gekozen. Daarbij is aangegeven dat de energieopbrengst aanzienlijk hoger ligt bij grotere afmetingen, en dat bij het bepalen van het VKA het aspect haalbaarheid een belangrijke rol heeft gespeeld. De posities van de windturbines zijn bepaald met het idee om de geluidbelasting op de woningen te minimaliseren, terwijl wordt voldaan aan de normen voor externe veiligheid. Het VKA is in hoofdstuk 11 van het combiMER op alle relevante milieuaspecten (waaronder geluid en slagschaduw) beoordeeld. Op basis van de effectbeoordeling scoort het VKA ten opzichte van de andere alternatieven redelijk. Dat sprake is van een gebrek in de totstandkoming van de locatiekeuze voor het VKA volgt de Afdeling gelet op voormelde omstandigheden dan ook niet. 18.
  77. Het betoog van Rondeel Ewijk B.V., dat de keuze voor de uiteindelijke variant aan de initiatiefnemer is, en dat dit onjuist en te vrijblijvend is, en dat bovendien uit het advies van de Commissie mer volgt dat in het combiMER een rangorde is aangebracht waarin de praktische elementen een rol hebben gespeeld bij de weging van de diverse varianten, waarbij die elementen ten onrechte hebben geprevaleerd boven milieutechnische aspecten, slaagt ook niet. Hoewel de keuze voor het uiteindelijke project dat wordt aangevraagd aan de initiatiefnemer is, zijn in het plan, mede op basis van de in het combiMER onderzochte locatie- en inrichtingsalternatieven, de locaties voor de verschillende windturbines aangewezen, en zijn bandbreedtes opgenomen (voor o.a. de grootte van de windturbines) waarbinnen het project kan worden vergund. Het betoog dat de keuze voor het windpark volledig aan de initiatiefnemer wordt gelaten, gaat in zoverre dus niet op. Over het betoog dat ten onrechte een afweging is gemaakt van de diverse varianten, waarbij praktische aspecten de doorslag hebben gegeven en niet milieutechnische, overweegt de Afdeling dat door de Commissie mer twee adviezen zijn uitgebracht. Op 25 mei 2021 is een voorlopig toetsingsadvies uitgebracht en op 8 juni 2021 een toetsingsadvies MER en aanvulling op MER. In het voorlopige advies wordt door de Commissie mer vastgesteld dat het VKA negatief scoort op een aantal aspecten. Ook wordt daarin vastgesteld dat in de keuze van het VKA naast milieuafwegingen ook eigendom van grond en vergunbaarheid een rol hebben gespeeld. De Commissie mer komt echter niet tot een negatief toetsingsadvies. In het advies staat dat de milieueffecten van de inrichtingsalternatieven en het VKA in het project-MER goed in beeld zijn gebracht. In zoverre ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat ten onrechte praktische elementen een doorslaggevende rol hebben gespeeld bij de uiteindelijke keuze voor het VKA. Daarbij betrekt de Afdeling dat, zoals hiervoor onder 18.8 is overwogen, geen verplichting bestaat om te kiezen voor het meest milieuvriendelijke alternatief. In wat Rondeel Ewijk B.V. aanvoert, ziet de Afdeling dan ook geen grond voor de conclusie dat de weging van het VKA ten opzichte van de andere inrichtingsalternatieven onrechtmatig is geweest. De betogen slagen niet. Overige mer-aspecten - Behandeling zienswijze
  78. Rondeel Ewijk B.V. betoogt dat in strijd is gehandeld met artikel 7.14, eerste lid, onder c, van de Wm omdat partijen niet de mogelijkheid hebben gehad om een zienswijze naar voren te brengen over de gewijzigde vaststelling van het plan. Hierdoor heeft Rondeel Ewijk B.V. niet de mogelijkheid gehad haar zienswijze naar voren te brengen over de in het plan opgenomen milieunormen. 19.
  79. Artikel 7.14, eerste lid, aanhef, en onder c, van de Wm luidde ten tijde van belang: "
  80. In of bij het plan wordt in ieder geval vermeld: c. hetgeen is overwogen omtrent de bij het ontwerp van het plan terzake van het milieueffectrapport naar voren gebrachte zienswijzen;". 19.
  81. De raad stelt zich op het standpunt dat uit bovenvermeld artikel niet volgt dat bij iedere aanpassing van het bestemmingsplan die gevolgen heeft voor de omgeving, de indieners in de gelegenheid moeten worden gesteld om opnieuw een zienswijze naar voren te brengen. In dit geval wordt voldaan aan artikel 7.14, eerste lid, aanhef, en onder c, van de Wm, omdat in de nota van beantwoording zienswijzen is vermeld wat de raad heeft overwogen omtrent de zienswijzen die over het combiMER gaan. De milieunormen voor windturbines die zijn toegevoegd aan het plan zijn niet toegevoegd als gevolg van een ingediende zienswijze, maar zijn het gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:
  82. 19.
  83. De Afdeling overweegt dat artikel 7.14, eerste lid, van de Wm, zoals dat gold op het moment van de vaststelling van het herstelbesluit, de verplichting bevatte voor het bevoegd gezag om bij de vaststelling van het plan-mer-plichtige plan te vermelden op welke wijze rekening is gehouden met de in het plan-MER beschreven milieugevolgen en wat is overwogen met betrekking tot de in dat rapport beschreven alternatieven, de naar voren gebrachte zienswijzen en het door de Commissie mer uitgebrachte toetsingsadvies. Met de expliciete motiveringsplicht wordt verzekerd dat het bevoegd gezag de gegevens over de gevolgen voor het milieu van een voorgenomen activiteit daadwerkelijk in de planvorming meeweegt. Alleen de omstandigheid dat het plan materieel is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp, is naar het oordeel van de Afdeling geen omstandigheid die tot de verplichting leidt om opnieuw de mogelijkheid te bieden tot het geven van zienswijzen. Dat de inhoudelijke, op de windturbines van toepassing zijnde milieunormen zijn gewijzigd ten opzichte van het ontwerp leidt ook niet tot deze conclusie. In de nota van beantwoording zienswijzen is naar het oordeel van de Afdeling toereikend gemotiveerd wat met de zienswijzen over het combiMER is gedaan. Hiermee is voldaan aan de in artikel 7.14, eerste lid, aanhef, en onder c, van de Wm opgenomen verplichting. Het betoog slaagt niet. - Samenvoeging plan-MER en project-MER en ontbreken beoordeling enkele milieuaspecten en milieunormen
  84. Rondeel Ewijk B.V. betoogt dat door een plan-MER en een project-MER samen te voegen de opzet van het document onduidelijk is en de behandelde thema’s versnipperd zijn geraakt. Zo ontbreekt in de opzet een beoordeling van het landschap, de afweging ten aanzien van het bedrijf van Rondeel Ewijk B.V. en mist een beoordeling van laag frequent geluid en de invloed daarvan op bedrijven. Daarnaast zijn de milieunormen die ten gevolge van de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1395, in het plan zijn opgenomen, niet beoordeeld in het kader van het MER. 20.
  85. In paragraaf 3.2 van het combiMER staat beschreven waarom is gekozen voor een gecombineerd plan- en project-MER. Daarin staat dat de Wm het mogelijk maakt dat, wanneer zoals in dit geval voor één activiteit zowel een plan- als een project-MER worden opgesteld, deze gecombineerd kunnen worden tot één combi-MER. Voor een mer-beoordelingsplichtig windturbinepark moet het bevoegd gezag beoordelen of een project-MER ten behoeve van de vergunningaanvraag nodig is. Omdat er voor het plan al een MER opgesteld moest worden, is er voor het projectdeel gekozen aan te sluiten bij het plan-MER door middel van een combi-MER. Er is door de gemeente gekozen om geen mer-beoordeling uit te laten voeren voor het windpark, maar om direct een MER op te stellen. 20.
  86. In wat Rondeel B.V. aanvoert, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de raad redelijkerwijs niet voor een gecombineerd plan- en project-MER heeft mogen kiezen. De Wm verzet zich daar niet tegen. De Afdeling volgt ook het betoog niet dat door het plan- en project-MER samen te voegen, de in het MER opgenomen milieu-informatie versnipperd is geraakt, en de opzet van het document onduidelijk is geworden. Het combiMER bevat een voldoende duidelijke hoofdstukkenstructuur. Daarnaast bevatten de verschillende hoofdstukken de relevante inzichten over de milieueffecten van de plan-MER-alternatieven (hoofdstuk 5 en 6) en de project-MER-alternatieven (hoofdstuk 9 en 10) en het VKA (hoofdstuk 11). Het betoog slaagt niet. 20.
  87. Over het betoog dat in de opzet een beoordeling ontbreekt van de aspecten landschap, laagfrequent geluid en de gevolgen voor het bedrijf van Rondeel Ewijk B.V., overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het combiMER voldoende ingaat op de alternatieven en de gevolgen voor het landschap. Wat dit laatste aspect betreft, verwijst de raad naar paragraaf 4.9 van de plantoelichting. Deze paragraaf bevat een afweging ten aanzien van landschap. Aandacht is besteed aan de volgende elementen: a. de ruimtelijke kenmerken van het landschap; b. de maat, schaal en inrichting in het landschap; c. de visuele interferentie met een nabijgelegen windturbine of windturbines; d. de cultuurhistorische achtergrond en waarden van het landschap; e. de beleving van de windturbines of het windturbinepark in het landschap. Ook in het combiMER is landschap uitdrukkelijk betrokken in de effectbeoordeling. Zie onder meer de paragrafen 6.4, 10.7 en 11.
  88. In zoverre ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het combiMER op dit punt onvolledig is, en het niet aan het bestreden besluit ten grondslag kon worden gelegd. Het betoog slaagt in zoverre niet. 20.
  89. Over het aspect laagfrequent geluid en de invloed daarvan op het bedrijf van Rondeel Ewijk B.V., overweegt de Afdeling dat in het combiMER is beschreven dat een norm van 47 dB Lden ook voldoende bescherming biedt tegen laagfrequent geluid (zie paragraaf 10.2.5). Over de gevolgen van het windpark op de bedrijfsvoering van Rondeel Ewijk B.V. heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat er geen effecten te verwachten zijn op de gezondheid van dieren. Daarom is er ook geen reden om aan te nemen dat het windpark nadelige gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van Rondeel Ewijk B.V. Er is geen onderzoek bekend waaruit een verband blijkt dat windturbines effect hebben op dierenwelzijn de gezondheid van dieren. Daarbij betrekt de raad dat de Afdeling in de uitspraken van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228 en 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1146 (Windpark Bijvanck), heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat slagschaduw bij paarden tot stress gerelateerde klachten leidt. In wat Rondeel Ewijk B.V. in het kader van het combiMER heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor de conclusie dat onvoldoende rekening is gehouden met aspecten als laagfrequent geluid en gezondheidseffecten van windturbines of het windturbinepark voor dieren, waaronder kippen in het bedrijf van Rondeel B.V.. De betogen slagen niet. 20.
  90. Over het betoog dat de milieunormen die in het plan zijn opgenomen ten gevolge van de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1395, niet zijn beoordeeld in het kader van het combiMER en dat het daarom onvolledig is, overweegt de Afdeling het volgende. Het combiMER is aangevuld met drie oplegnotities van Bosch & Van Rijn van 1 oktober 2021, waarin is ingegaan op de normstelling voor het windpark voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid, en de gevolgen daarvan voor het milieu. In wat Rondeel B.V. heeft aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het combiMER onvolledig is geweest. Het betoog slaagt niet. Eigen normen milieuaspecten formeel
  91. De Stichting en anderen betogen dat de raad en het college van B en W in de planregels en de voorschriften van de omgevingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo (hierna: omgevingsvergunning voor de activiteit milieu) ten onrechte in plaats van de algemene windturbinebepalingen uit de paragrafen 3.2.3 van het Activiteitenbesluit en 3.2.3 van de Activiteitenregeling, eigen normen hebben gehanteerd voor de aspecten geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid, zonder dat voor die eigen normen een MER is gemaakt. Volgens de Stichting en anderen wordt daarmee het Unierecht, waaronder de SMB-richtlijn omzeild. Daarnaast moet volgens de Stichting en anderen worden gewacht op de nieuwe landelijke windturbinenormen. Verder betogen de Stichting en anderen dat de Regionale Energiestrategie (hierna: RES) en de Energievisie als kaderstellend plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn moeten worden aangemerkt. Ook daarvoor is volgens de Stichting en anderen dus ten onrechte geen MER gemaakt. 21.
  92. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1395 (hierna: de Delfzijltussenuitspraak), over de algemene windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling overwogen dat deze, in strijd met de SMB-richtlijn, niet vooraf zijn gegaan door een milieubeoordeling als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de SMB-richtlijn. Anders dan de Stichting en anderen betogen, betekent het feit dat voor de algemene windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling geen milieubeoordeling op grond van de SMB-richtlijn is verricht, niet dat de raad en het college voor de door hen gekozen eigen normen als zodanig nu zo’n milieubeoordeling/MER moeten maken. De SMB-richtlijn, de Mer-richtlijn, de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage verplichten daar niet toe. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1433 (hierna: de Delfzijleinduitspraak), onder 17.4 en 17.5, en haar uitspraak van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1446 (hierna: de Karolinapolderuitspraak), onder 32.1 en 32.
  93. Gelet hierop was het opstellen van een MER voor de gehanteerde eigen normen in dit geval niet vereist. Anders dan de Stichting en anderen betogen, hoefde niet te worden gewacht op de nieuwe landelijke windturbinenormen, maar kunnen de raad en het college kiezen voor eigen normen. De Afdeling verwijst naar de Delfzijltussenuitspraak, onder 65-
  94. Ook betekent de omstandigheid dat voor de RES en de Energievisie geen MER is gemaakt niet dat aan het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu een Unierechtelijk gebrek kleeft. Daarvoor is al van belang dat de RES en de Energievisie voor het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu niet kaderstellend waren, als is bedoeld in de Delfzijltussenuitspraak, onder 39 tot en met
  95. In alleen de stelling van de Stichting en anderen dat naar aanleiding van de Energievisie nieuwe en meer integrale beleidskaders zijn ontstaan als basis voor "het proces van wind", ziet de Afdeling geen aanleiding voor een andere conclusie. Verder is wat betreft de RES door de raad en het college van B en W op de zitting nader toegelicht dat in dit geval de zogenoemde RES 1.0 van toepassing was, dat een vrijwillig karakter heeft, zonder externe werking. Ook hebben de raad en het college van B en W op de zitting onweersproken verklaard dat de RES niet bepalend of sturend is geweest voor de besluitvorming over het windpark. Het betoog slaagt niet. Uitspraken van de Afdeling van 18 september 2024
  96. De Stichting en anderen betogen in hun nader stuk van 11 oktober 2024 in reactie op de uitspraken van de Afdeling van 18 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3744 (Windplan Blauw) en ECLI:NL:RVS:2024:3745 (windpark De Rietvelden) dat het plan en de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu in strijd zijn met het Unierecht, omdat de SMB-richtlijn niet correct is geïmplementeerd. Volgens de Stichting en anderen verplicht het Unierecht daarom om het plan en de omgevingsvergunning te vernietigen. 22.
  97. Zoals hiervoor onder 21.1 is vermeld, heeft de Afdeling in de Delfzijltussenuitspraak, over de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling overwogen dat deze, in strijd met de SMB-richtlijn, niet vooraf zijn gegaan door een milieubeoordeling als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de SMB-richtlijn. Zoals in de Delfzijltussenuitspraak is overwogen, kleefde aan de besluiten die in die zaak in het geding waren geen gebrek vanwege strijd met de SMB-richtlijn, maar een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Omdat de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling wegens het geconstateerde SMB-beoordelingsgebrek buiten toepassing moeten blijven, hadden de bevoegde bestuursorganen in hun besluiten niet van de veronderstelling mogen uitgaan dat de initiatiefnemer zich bij het gebruik van het windpark aan deze windturbinebepalingen moest houden. 22.
  98. Het in de Delfzijltussenuitspraak geconstateerde SMB-beoordelingsgebrek heeft dus betrekking op de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Maar de raad en het college van B en W zijn in de onderhavige zaak voor het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu niet van de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling uitgegaan. In plaats daarvan hebben de raad en het college van B en W voor de aspecten geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid eigen normen gehanteerd. Deze eigen normen zijn geen landelijke normen voor windturbines, waarvoor op grond van de SMB-richtlijn een SMB-milieubeoordeling (MER) moet worden verricht. Het zijn normen die door de raad en het college van B en W zijn bepaald aan de hand van een op dit windpark toegespitste motivering. Ze gelden alleen voor dit windpark. Anders dan de Stichting en anderen betogen, betekent het op de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling betrekking hebbende SMB-beoordelingsgebrek daarom niet dat aan het plan en de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu in deze zaak een Unierechtelijk gebrek kleeft. De windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling waren in dit geval voor het plan en de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu namelijk niet kaderstellend, als is bedoeld in de Delfzijltussenuitspraak, onder 39 tot en met
  99. 22.
  100. Verder volgt uit de Delfzijltussenuitspraak en daaropvolgende uitspraken van de Afdeling, zoals de Delfzijleinduitspraak, onder 17.4 en 17.5, en de Karolinapolderuitspraak, onder 32.1 en 32.2, dat de SMB-richtlijn niet in de weg staat aan het hanteren van eigen normen in plaats van de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling, als die eigen normen zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. Of de door de raad en het college gehanteerde eigen normen in dit geval van een dergelijke motivering zijn voorzien, komt hierna onder 23 e.v. aan de orde. 22.
  101. In het nader stuk van 11 oktober 2024 hebben de Stichting en anderen, nadat zij op de zitting om de gelegenheid daartoe hebben verzocht, een reactie gegeven op de uitspraken van de Afdeling van 18 september 2024 over Windplan Blauw en windpark De Rietvelden. In die uitspraken was de situatie aan de orde dat bij het verlenen van de betreffende omgevingsvergunningen voor de betreffende windparken er voor de beoordeling van de activiteiten met gevolgen voor het milieu van was uitgegaan dat de betreffende windturbines zouden moeten voldoen aan de toen geldende windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Het gaat in die uitspraken dus om omgevingsvergunningen waarvoor de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling kaderstellend waren als is bedoeld in de Delfzijltussenuitspraak, onder 39 tot en met
  102. Verder waren de betreffende omgevingsvergunningen onherroepelijk geworden en zien de uitspraken van 18 september 2024 op verzoeken om die omgevingsvergunningen wegens strijd met het Unierecht in te trekken. Deze uitspraken zien dus op een wezenlijk andere situatie dan in de onderhavige zaak aan de orde is. Zoals hiervoor is overwogen, zijn in de onderhavige zaak de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling namelijk niet kaderstellend voor het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu en hebben de raad en het college van B en W in plaats daarvan voor de aspecten geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid eigen normen gehanteerd. Verder zijn de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde besluiten niet onherroepelijk en is niet verzocht om intrekking daarvan. 22.
  103. De uitspraken van de Afdeling van 18 september 2024 over Windplan Blauw en windpark De Rietvelden zien dus op een andere situatie dan in de onderhavige zaak aan de orde is. Verder vallen die uitspraken en de rechtbankuitspraken die daarin aan de orde zijn, als zodanig buiten de omvang van het geding. In de onderhavige uitspraak kan de Afdeling alleen ingaan op de gronden die de Stichting en anderen hebben aangevoerd tegen de in het procesverloop vermelde besluiten. Wat de Stichting en anderen in het nader stuk van 11 oktober 2024 aanvoeren tegen de uitspraken van de Afdeling van 18 september 2024 en de daarin aan de orde zijnde rechtbankuitspraken als zodanig, moet daarom onbesproken worden gelaten. De betogen slagen niet. Eigen normen milieuaspecten inhoudelijk: geluid
  104. [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen betogen dat de eigen normen die de raad en het college van B en W in de planregels van het bestemmingsplan en de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu hebben opgenomen, niet zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering, als is bedoeld in de Delfzijltussenuitspraak, onder 65 en
  105. 23.
  106. Artikel 4.4.4 van de planregels luidt: "a. De geluidsbelasting van alle windturbines van Windpark Beuningen samen mag ten behoeve van het beperken van geluidhinder niet hoger zijn dan 47 dB Lden en 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen en terreinen. b. Het laagfrequente geluidsbronvermogen van een windturbine, gedefiniëerd als de opgetelde geluidsbronvermogens in de octaafbanden 31,5; 63 en 125 Hz, mag niet hoger zijn dan 96 dB(A). Toetsing van deze waarde geschiedt door een meting conform de IEC 61400-11 of de uitbreide methode van het reken- en meetvoor-schrift windturbines uit te voeren. Hierbij mag rekening worden gehouden met een meetonzekerheid van 3 dB." 23.
  107. Voorschrift 3.1.2 van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu luidt: "De geluidbelasting van alle windturbines van Windpark Beuningen samen moet voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein." - Jaargemiddelde dosismaat
  108. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad en het college van B en W niet hadden mogen kiezen voor een normstelling van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight voor geluid, omdat deze normstelling uitgaat van jaargemiddelden, waarbij op sommige momenten een hoger geluidniveau kan optreden en piekgeluiden kunnen optreden. Volgens [appellant sub 1] en anderen had de raad daarom moeten kiezen voor grenswaarden voor de dag- avond- en nachtperiode. 24.
  109. De Afdeling heeft eerder in de uitspraak van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4038 (BurgerWindPark A2 Lage Rooijen), onder 26.2 overwogen dat het feit dat het bij een normstelling van dB Lden en dB Lnight om jaargemiddelde dosismaten gaat, niet maakt dat daarmee onvoldoende bescherming tegen geluid wordt geboden. De Afdeling heeft daarbij in zoverre verwezen naar de Delfzijleinduitspraak, onder 22.
  110. In wat [appellant sub 1] en anderen hierover aanvoeren, ziet de Afdeling geen aanleiding om hierover in dit geval anders te concluderen. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de raad en het college van B en W niet de normstelling van 47 dB Lden en 41 dB Lnight hebben mogen hanteren omdat het daarbij om jaargemiddelde dosismaten gaat. Het betoog slaagt niet. - Dosishinderrelatie
  111. [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen betogen dat in de Oplegnotitie geluid Windpark Beuningen van Bosch & van Rijn van 1 oktober 2021 (hierna: de Oplegnotitie geluid), op basis waarvan de eigen geluidnorm van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight is gekozen, ten onrechte is uitgegaan van publicaties van TNO over de dosishinderrelatie. Het gaat daarbij om het rapport van TNO "Hinder door geluid van windturbines, Dosis-effectrelaties op basis van Nederlandse en Zweedse gegevens", door Janssen, Vos en Eisses, uit 2008, waarvan de resultaten ook in 2011 zijn gepubliceerd (hierna gezamenlijk: de TNO-publicaties). Volgens [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen zijn de TNO-publicaties over de dosishinderrelatie niet meer actueel en kan daarom geen sprake zijn van een actuele en deugdelijke motivering voor de eigen geluidnorm. [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen voeren daartoe aan dat windturbines steeds groter zijn geworden en dat ook de hier aan de orde zijnde windturbines groter zijn dan waarvan in de TNO-publicaties over de dosishinderrelatie is uitgegaan. Bij deze grote windturbines zou ter voorkoming van gezondheidsklachten door geluidhinder een afstandsnorm van minstens tien keer de tiphoogte moeten worden gehanteerd. Dit wordt ook geadviseerd in de position paper "Windturbinegeluid & gezondheid" van 3 februari 2022, die door een klinisch-fysicus-audioloog van het Leids Universitair Medisch Centrum is opgesteld voor een rondetafelgesprek met de Tweede Kamer (hierna: de position paper). Verder is volgens de Stichting en anderen in de Oplegnotitie geluid ten onrechte vermeld dat de TNO-publicaties over de dosishinderrelatie nog actueel zouden zijn gelet op het WHO-rapport "Environmental Noise Guidelines fort the European Region" uit 2018 (hierna: de WHO-richtlijnen 2018), omdat de WHO zich daarin op de TNO-publicaties zou baseren en tot dezelfde conclusies zou komen. Volgens de Stichting en anderen is in de WHO-richtlijnen 2018 juist aanbevolen om een norm van ten hoogste 45 dB Lden te hanteren, waarbij nog steeds sprake zou zijn van 10% ernstig gehinderden. Ook is volgens de Stichting en anderen in de WHO-richtlijnen 2018 vermeld dat Lden niet geschikt is als geluidnorm en dat nader onderzoek moet worden gedaan naar de impact van windturbinegeluid op de volksgezondheid. Verder gaan de WHO-richtlijnen 2018 uit van hogere percentages gehinderden en ernstig gehinderden bij dezelfde decibellen dan de TNO-publicaties en de Oplegnotitie geluid. Volgens de Stichting en anderen is daarnaast ook in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving van Arcadis van 19 december 2021 (hierna: de Notitie Reikwijdte en Detailniveau) vermeld dat de ouderdom van de TNO-publicaties over de dosishinderrelatie problematisch is. Verder is volgens de Stichting en anderen onjuist dat er geen onderzoeken zijn op grond waarvan de dosishinderrelatie uit de TNO-publicaties kan worden betwist. De Stichting en anderen verwijzen daarbij naar het onderzoek "Exposure to wind turbine noise: Perceptual responses and reported health effects" van David S. Michaud en anderen uit 2016 (hierna: het Canadese onderzoek) en het onderzoek van Tatsuya Ishitake "Wind Turbine Noise and Health Effects" uit 2018 (hierna: het Japanse onderzoek). 25.
  112. In de Oplegnotitie geluid is naar het oordeel van de Afdeling aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten uiteengezet hoe de milieugevolgen van Windpark Beuningen zouden kunnen worden genormeerd. De raad en het college van B en W hebben erkend dat de TNO-publicaties relatief oud zijn en dat windturbines steeds groter zijn geworden, maar hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen wetenschappelijke inzichten zijn waaruit volgt dat de TNO-publicaties niet meer bruikbaar zijn of dat de dosishinderrelatie bij grotere windturbines significant anders zou zijn. In wat [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan deze toelichting van de raad en het college van B en W te twijfelen. Daarbij houdt de Afdeling ook rekening met de aard en omvang van de onderzoeksplicht die van de raad en het college van B en W mag worden verwacht, zoals uiteengezet in de Delfzijleinduitspraak onder 18.1-18.2, en de Karolinapolderuitspraak, onder 33.1 en 33.
  113. Ook anderszins biedt wat [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen hebben aangevoerd, geen aanknopingspunt om ervan uit te gaan dat op het moment van het nemen van de bestreden besluiten andere algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de dosishinderrelatie beschikbaar waren dan die door de raad en het college van B en W zijn gehanteerd. De Afdeling verwijst naar de Delfzijleinduitspraak onder 23.4, en de Karolinapolderuitspraak, onder 37.3, waarin de Afdeling ook heeft overwogen dat de omstandigheid dat een robuust onderzoek naar geluidhinder van grotere windturbines ontbreekt, niet maakt dat de dosishinderrelatie uit de TNO-publicaties niet meer als beschikbare wetenschappelijke inzichten kunnen worden gehanteerd. In alleen de verwijzing naar de in de position paper geadviseerde afstandsnorm van minstens tien keer de tiphoogte, ziet de Afdeling geen grond voor een ander oordeel. Uit de position paper valt namelijk op zichzelf niet af te leiden op basis van welke concrete nieuwe inzichten tot dat advies wordt gekomen. Ook in de enkele stellingen van de Stichting en anderen dat uit het Canadese onderzoek volgt dat het aantal mensen dat ernstige geluidhinder ondervindt in de praktijk hoger is dan verondersteld en dat uit het Japanse onderzoek volgt dat slaapstoornissen twee keer zo vaak voorkomen bij omwonenden van een windturbine dan daarbuiten, ziet de Afdeling geen aanleiding om ervan uit te gaan dat op het moment van het nemen van de bestreden besluiten andere algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de dosishinderrelatie beschikbaar waren dan die door de raad en het college van B en W zijn gehanteerd. Daarbij betrekt de Afdeling dat de Stichting en anderen alleen met deze stellingen over deze onderzoeken hebben volstaan. Voor wat de Stichting en anderen verder aanvoeren over de WHO-richtlijnen 2018, verwijst de Afdeling naar de Delfzijleinduitspraak onder 27.3, en de Karolinapolderuitspraak, onder 41.3, waarin de Afdeling heeft overwogen dat de WHO-richtlijnen 2018 een voorwaardelijk advies vormen, met, zoals ook in de "Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluid

(2018)" van het RIVM uit 2020 staat, als laag te beschouwen bewijs. De Afdeling heeft daarin dan ook uitgemaakt dat de WHO-richtlijnen 2018 niet tot de conclusie kunnen leiden dat niet mag worden gekozen voor een norm van ten hoogste 47 dB Lden. De betogen slagen niet. - Afstandsnorm
  1. [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen betogen, onder verwijzing naar onder meer de inzichten van een klinisch-fysicus-audioloog van het Leids Universitair Medisch Centrum en een artsencollectief, dat niet goed is gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een afstandsnorm. Daarbij zou een afstand van minstens tien keer de tiphoogte tot woningen moeten worden aangehouden. 26.
  2. De raad en het college van B en W hebben toegelicht dat de Lden-systematiek een minder grove bescherming biedt dan een afstandsnorm, omdat een afstandsnorm geen rekening houdt met het daadwerkelijk optredende geluidniveau, dat afhangt van verschillende factoren waar in de Lden-systematiek wel rekening mee wordt gehouden. Bij de Lden-systematiek wordt een grens gesteld aan de geluideffecten ter plaatse van gevoelige objecten, waarbij de momenten waarop een bepaalde geluidbelasting optreedt, meewegen. Ook hebben de raad en het college van B en W gewezen op de beperkte ruimte op land in Nederland en het grote belang bij duurzame energieopwekking. Een afstandsnorm van minstens tien keer de tiphoogte tot woningen of andere gevoelige objecten zou ertoe leiden dat de opwekking van windenergie op land niet mogelijk is. De raad en het college van B en W hebben hiermee naar het oordeel van de Afdeling deugdelijk gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een afstandsnorm. De betogen slagen niet. - Handhaafbaarheid
  3. [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen betogen tevergeefs dat de handhaafbaarheid van een normstelling van dB Lden problematisch is ten opzichte van een afstandsnorm, omdat bij een jaargemiddelde normstelling van dB Lden pas na lange tijd en achteraf kan worden geconstateerd dat de geluidnorm is overschreden. De Afdeling heeft eerder geoordeeld, in bijvoorbeeld de uitspraak van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1064 (Windlocatie Battenoord), onder 36 en verder, dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat een normstelling van dB Lden niet is te handhaven en dat op ieder moment met een steekproefsgewijze controle van het geluidvermogen met behulp van modellen kan worden berekend of de jaargemiddelde geluidnorm bij omliggende woningen zal worden overschreden. [appellant sub 1] en anderen betogen verder tevergeefs dat de in de onderzoeken vermelde geluidreducerende maatregelen om te kunnen voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight in de planregels moeten worden opgenomen. De geluidnorm is namelijk in de planregels en de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu opgenomen. Als de geluidreducerende maatregelen niet zouden worden getroffen waardoor niet aan de geluidnorm zou worden voldaan, kan op grond van de in de planregels en de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu opgenomen geluidnorm worden gehandhaafd. De betogen slagen niet. - Berekeningen Oplegnotitie geluid
  4. De Stichting en anderen betogen dat onduidelijk is waar de aantallen ernstig gehinderden bij verschillende geluidsniveaus in de Oplegnotitie geluid op zijn gebaseerd. Ook ontbreken berekeningen en is onduidelijk van welke aannames in de modellen is uitgegaan. Verder is in de Oplegnotitie geluid vermeld dat geen metingen zijn verricht bij windturbines met een diameter groter dan 126 m, terwijl de voorziene windturbines een diameter van 150 tot 180 m zullen hebben, zo betogen de Stichting en anderen. 28.
  5. De Afdeling stelt vast dat in Bijlage A van de Oplegnotitie geluid is vermeld dat in de daarbij gevoegde tabel voor meer dan 2.900 woningen is weergegeven hoeveel geluid op de gevel zal worden ontvangen als gevolg van het doorgerekende, representatieve windturbinetype, bij verschillende mogelijke geluidsnormen. Daarbij is vermeld dat op basis van de dosis-effectrelatie en het gemiddelde aantal bewoners per huishouden een statistische schatting is gemaakt van het aantal ernstig gehinderden, zowel per woning als in totaal per scenario. Anders dan de Stichting en anderen betogen, is hiermee naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk op welke berekeningen en uitgangspunten de aantallen ernstig gehinderden bij verschillende geluidsniveaus in de Oplegnotitie geluid zijn gebaseerd. Dat verder in de Oplegnotitie geluid is vermeld dat geen metingen zijn verricht bij windturbines met een diameter groter dan 126 m, betekent niet dat in de Oplegnotie geluid geen rekening is gehouden met de geluidsgevolgen van windturbines met een diameter groter dan 126 m. In de Oplegnotitie geluid is namelijk vermeld dat het representatieve windturbinetype dat voor de berekeningen is gehanteerd, het grootst mogelijke momenteel commercieel verkrijgbare windturbinetype is. Het betoog slaagt niet. - Definitie Lden en reken- en meetmethode
  6. [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen betogen, onder verwijzing naar paragraaf 2.1.2 van de Notitie "Windpark Beuningen: geluidsaspecten" van Peutz van 26 januari 2023 (hierna: de Notitie van Peutz van 26 januari 2023) en paragraaf 2.2 en 2.3 van de Notitie "Windpark Beuningen: geluidsaspecten in beroep tegen bestemmingsplan en omgevingsvergunning" van Peutz van 5 februari 2024 (hierna: de Notitie van Peutz van 5 februari 2024) dat in artikel 4.4.4, onder a, van de planregels ten onrechte niet is bepaald van welke definitie van Lden wordt uitgegaan en welke reken- en meetmethode daarbij van toepassing is. 29.
  7. Over dit betoog oordeelt de Afdeling als volgt. Weliswaar is in de plantoelichting vermeld dat het Reken- en meetvoorschrift Windturbines, zoals te vinden in Bijlage 4 van de Activiteitenregeling, van toepassing is en dat Lden conform dat reken- en meetvoorschrift wordt gedefinieerd, maar dat is niet in artikel 4.4.4, onder a, van de planregels opgenomen. De planregeling is daarmee in zoverre rechtsonzeker. De betogen slagen. - Laagfrequent geluid
  8. [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen voeren verschillende betogen aan over laagfrequent geluid. De Stichting en anderen betogen, onder verwijzing naar een in de Karolinapolderuitspraak onder 37.2 vermelde conclusie van de STAB en een overzichtsartikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, dat in de verrichte geluidsonderzoeken voor laagfrequent geluid onvoldoende rekening is gehouden met het formaat van de voorziene windturbines. Daarnaast betogen de Stichting en anderen dat in de Oplegnotitie geluid ten onrechte is verwezen naar literatuuronderzoeken van het RIVM, waaruit zou volgen dat er geen bewijs is voor een specifiek gezondheidseffect van laagfrequent geluid van windturbines. Die literatuuronderzoeken van het RIVM zien volgens de Stichting en anderen op kleinere windturbines. Ook verwijzen de Stichting en anderen naar verschillende kritieken op de literatuuronderzoeken van het RIVM. 30.
  9. De Afdeling stelt allereerst vast dat de raad een specifieke bepaling voor laagfrequent geluid in de planregels heeft opgenomen. In artikel 4.4.4, onder b, van de planregels is bepaald dat het laagfrequente geluidsbronvermogen van een windturbine, gedefinieerd als de opgetelde geluidsbronvermogens in de octaafbanden 31,5, 63 en 125 Hz, niet hoger mag zijn dan 96 dB(A). Deze specifieke norm voor laagfrequent geluid is in hoofdstuk 4 van de Oplegnotitie geluid onderzocht. Daarbij is het maximale laagfrequente geluidsbronvermogen in de octaafbanden 31,5, 63 en 125 Hz van zeven verschillende windturbinetypes met een rotordiameter van minimaal 150 en maximaal 180 m berekend. Dit is dezelfde minimale en maximale rotordiameter als in artikel 4.2.1, onder d en e, van de planregels voor dit windpark is bepaald. Het maximale laagfrequente geluidsbronvermogen van windturbines van deze afmetingen ligt volgens de berekening in de Oplegnotitie geluid rond de 96 dB(A). Dit is dus gelijk aan het maximum dat als eigen norm voor laagfrequent geluid in artikel 4.4.4, onder b, van de planregels is bepaald. Gelet op het voorgaande, is, anders dan de Stichting en anderen betogen, voor het bepalen van de eigen norm voor laagfrequent geluid wel degelijk rekening gehouden met het formaat van de voorziene windturbines. Verder is naar het oordeel van de Afdeling niet relevant dat in paragraaf 2.1.2 van de Oplegnotitie geluid is verwezen naar de literatuuronderzoeken van het RIVM, waaruit zou volgen dat er geen bewijs is voor een specifiek gezondheidseffect van laagfrequent geluid van windturbines. De raad heeft in dit geval namelijk een specifieke norm voor laagfrequent geluid in de planregels opgenomen. De betogen slagen in zoverre niet.
  10. [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen betogen, onder verwijzing naar de Notitie van Peutz van 26 januari 2023 en de Notitie van Peutz van 5 februari 2024, dat de eigen norm voor laagfrequent geluid in artikel 4.4.4, onder b, van de planregels onvoldoende bescherming biedt tegen onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid. In artikel 4.4.4, onder b, van de planregels is bepaald dat toetsing van het maximaal toegestane laagfrequente geluidsbronvermogen geschiedt door "een meting conform de IEC 61400-11 of de uitbreide methode van het reken- en meetvoorschrift windturbines uit te voeren. Hierbij mag rekening worden gehouden met een meetonzekerheid van 3 dB". In de Notitie van Peutz van 26 januari 2023 en de Notitie van Peutz van 5 februari 2024 is uiteengezet waarom hiermee volgens Peutz onvoldoende bescherming tegen onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid wordt geboden. Zo is de juistheid van het reken- en meetvoorschrift windturbines volgens Peutz momenteel onduidelijk en ligt het daarom voor de hand alleen de internationale meting conform de IEC 61400-11 te hanteren. Maar daarbij is volgens Peutz onduidelijk welke versie van de IEC 61400-11 volgens de planregel precies van toepassing is. Verder moet volgens Peutz ter voorkoming van onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid de Vercammencurve worden gehanteerd in plaats van de hier gekozen normstelling. Ook de verdeling van de geluidsbronvermogens in de octaafbanden 31,5, 63 en 125 Hz in combinatie met een meetonzekerheid van 3 dB volstaat volgens Peutz niet om onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid te voorkomen. 31.
  11. De raad heeft op de zitting nader toegelicht dat het uitgangspunt van de raad is dat de geluidnorm van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight in beginsel al voldoende bescherming biedt tegen onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid. Maar de raad heeft een goed handhaafbare norm willen formuleren op grond waarvan in uitzonderingsgevallen, waarbij een windturbine meer laagfrequent geluid produceert dan volgens de fabrieksgegevens zou moeten, kan worden opgetreden. Met de in artikel 4.4.4, onder b, van de planregels bepaalde meetmethode kan volgens de raad direct bij de windturbine zelf worden gemeten, waarbij aan de hand van de fabrieksgegevens van de windturbine duidelijk kan worden geconstateerd of de in de planregel opgenomen norm voor laagfrequent geluid is overschreden. Dit is op de zitting in zoverre ook nader toegelicht door de deskundige van de raad. 31.
  12. De Afdeling heeft in eerdere uitspraken, zoals de Karolinapolderpolderuitspraak, onder 39.2, overwogen dat bij windturbines, naast een algemene geluidnorm van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight in beginsel geen afzonderlijke norm voor laagfrequent geluid is vereist. De raad mocht zich dus op het standpunt stellen dat de geluidnorm van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight in beginsel al voldoende bescherming biedt tegen onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid. De gronden over de Vercammencurve en de verdeling van de geluidsbronvermogens over de octaafbanden, die zien op de vraag of voldoende bescherming tegen laagfrequent geluid wordt geboden, kunnen dus niet slagen. Dat neemt niet weg dat de raad er in dit geval voor mocht kiezen om, in aanvulling op de geluidnorm van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight, een specifieke norm voor laagfrequent geluid te hanteren ten behoeve van de handhaafbaarheid. Wat in voormelde notities van Peutz over de in artikel 4.4.4, onder b, van de planregels opgenomen norm en meetmethode is vermeld, leidt naar het oordeel van de Afdeling niet tot de conclusie dat die planregel ongeschikt is om beter te kunnen handhaven tegen onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid. Daarvoor is van belang dat de raad heeft mogen kiezen voor de insteek van een zo goed mogelijk handhaafbare norm en meetmethode, waarbij door een meting direct bij de windturbine en de fabrieksgegevens duidelijk kan worden geconstateerd of de in de planregel opgenomen norm voor laagfrequent geluid is overschreden. Verder is tussen partijen niet in geschil dat met de in de planregel bedoelde meting conform de IEC 61400-11 wordt bedoeld de op het moment van vaststelling van het plan geldende NEN-EN-IEC 61400-11:2013/A1:2018/C1:
  13. In zoverre is naar het oordeel van de Afdeling dan ook geen sprake van een rechtsonzekere planregeling. De betogen slagen ook in zoverre niet.
  14. De Stichting en anderen betogen, onder verwijzing naar de Notitie van Peutz van 26 januari 2023, tevergeefs dat de planregel over laagfrequent geluid ten onrechte niet ook als voorschrift in de omgevingsvergunning is opgenomen. De Afdeling wijst in dit verband op wat hiervoor is overwogen over de bescherming die met de geluidnorm van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight al wordt geboden tegen onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid. Verder wijst de Afdeling overigens nog op de in artikel 4.4.4, onder b, van de planregels opgenomen norm, waarmee voldoende is geborgd dat de daarin opgenomen norm voor laagfrequent geluid niet mag worden overschreden. De betogen slagen ook in zoverre niet. - Tonaal geluid
  15. Naar aanleiding van de betogen van [appellant sub 1] en anderen en de Stichting en anderen over tonaal geluid, heeft de raad de Afdeling op de zitting verzocht om zelf voorziend aan artikel 4.4.4 van de planregels een bepaling toe te voegen ter voorkoming van het incidenteel optreden van onaanvaardbare hinder door tonaal geluid. Hierin zou moeten worden opgenomen dat een windturbine, gemeten volgens IEC-61400-11, op het referentiepunt, de "reference position" zoals omschreven in IEC-61400-11, maximaal +3 dB "tonal audibility" mag veroorzaken. 33.
  16. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het besluit van 28 februari 2023 heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is dat besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb. De betogen slagen in zoverre.
  17. Op de zitting hebben partijen aangegeven dat zij ermee kunnen instemmen als de Afdeling zelf voorziend de door de raad voorgestelde bepaling ter voorkoming van onaanvaardbare hinder door tonaal geluid aan artikel 4.4.4 van de planregels toevoegt. Niet aannemelijk is dat derden daarmee in hun belangen zouden worden geschaad. Omdat de Afdeling de raad en het college van B en W in deze uitspraak echter al opdracht zal geven om andere, hiervoor en hierna geconstateerde gebreken te herstellen, ziet de Afdeling geen aanleiding deze bepaling zelf voorziend aan artikel 4.4.4 van de planregels toe te voegen. In plaats daarvan zal de Afdeling het toevoegen van de door de raad voorgestelde bepaling ter voorkoming van onaanvaardbare hinder door tonaal geluid aan de planregels betrekken in de aan de raad te geven opdracht om de in deze uitspraak geconstateerde gebreken te herstellen. - Geertjesgolf
  18. De Stichting en anderen betogen dat bij het bepalen van de eigen normen voor het aspect geluid onvoldoende rekening is gehouden met de geluidreflectie door de (toekomstige) wateroppervlakten van het zandwinningsproject Geertjesgolf. Volgens de Stichting en anderen zou voor het aspect geluid een afstandsnorm moeten worden gehanteerd van minstens tien keer de ashoogte. Die afstand zou bij reflectie door water nog anderhalf keer zo groot moeten zijn. Daartoe verwijzen de Stichting en anderen naar een citaat in een artikel van de Volkskrant van een klinisch-fysicus-audioloog van het Leids Universitair Medisch Centrum en een "brandbrief" van verschillende medici van eind maart 2021 aan de gemeenteraad van Amsterdam. Volgens de Stichting en anderen blijkt uit de verschillende geluidsonderzoeken onvoldoende dat de geluidreflectie door de (toekomstige) wateroppervlakten van Geertjesgolf bij het bepalen van de eigen normen voor het aspect geluid is betrokken. 35.
  19. De Afdeling stelt vast dat in figuur 4 van het Akoestisch onderzoek t.b.v. combiMer voor Windpark Beuningen van Bosch & van Rijn van 20 mei 2021 (hierna: het Akoestisch onderzoek) het westelijke deel van Geertjesgolf als reflecterende bodem met een bodemfactor van 0 is aangemerkt. Het oostelijke deel van Geertjesgolf is in figuur 4 van het Akoestisch onderzoek als zachte bodem met een bodemfactor van 1 aangemerkt. Dat deel zal namelijk deels uit water en deels uit gras bestaan. In het Memo "Aanvullende berekeningen en overwegingen n.a.v. beroepsgronden tegen bestemmingsplan windpark Beuningen" van Bosch & van Rijn van 30 november 2022 (hierna: het Veegmemo) is de situatie van Geertjesgolf "worst case" in beeld gebracht door ook het oostelijke deel als reflecterende bodem met een bodemfactor van 0 aan te merken. Dit is weergegeven in figuur 2 van het Veegmemo. Uit tabel 2 van het Veegmemo blijkt dat de toename van het geluidniveau bij het bovengrens-voorkeursalternatief, indien ook voor het oostelijke deel van Geertjesgolf wordt uitgegaan van een reflecterende bodem met een bodemfactor van 0, voor alle onderzochte woningen in de omgeving minder dan 1 dB is en dat het geluidsniveau bij al die woningen ruim onder de norm van 47 dB Lden blijft. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor de conclusie dat bij het bepalen van de eigen normen voor het aspect geluid onvoldoende rekening is gehouden met de geluidreflectie door de (toekomstige) wateroppervlakten van het zandwinningsproject Geertjesgolf. Ook bestaat alleen al gelet op de in tabel 2 van het Veegmemo weergegeven resultaten geen aanleiding voor de conclusie dat ten onrechte geen afstandsnorm van minstens tien keer de ashoogte, vermenigvuldigd met anderhalf, is gehanteerd. De enkele, niet onderbouwde of nader toegelichte stellingen van de Stichting en anderen dat de afgebeelde geluidscontouren in figuur 2 van het Veegmemo onduidelijk zijn en dat onduidelijk is op welke reken- en meetmethoden de resultaten in tabel 2 van het Veegmemo zijn gebaseerd, zijn onvoldoende voor de conclusie dat niet van het Veegmemo mocht worden uitgegaan. Daarnaast betogen de Stichting en anderen tevergeefs dat het aanmerken van de wateroppervlakten als harde, reflecterende bodem onvoldoende is omdat water meer geluid kan reflecteren dan harde bodems. De (toekomstige) wateroppervlakten van Geertjesgolf zijn in het Veegmemo namelijk met de laagst mogelijke bodemfactor van 0 aangemerkt. Verder betogen de Stichting en anderen tevergeefs dat in figuur 1 van het Veegmemo een te klein gedeelte van het oostelijke deel van Geertjesgolf als water is aangemerkt. Figuur 1 van het Veegmemo ziet namelijk niet op de reflecterende waarden van de bodem. Het betoog slaagt niet. - Afweging geluidnorm
  20. De Stichting en anderen betogen dat bij de keuze voor de geluidnorm van ten hoogste 47 dB Lden onvoldoende rekening is gehouden met het aantal ernstig gehinderden en met de negatieve gezondheidseffecten voor omwonenden. Daarbij wijzen zij op het voorzorgsbeginsel. Ook wijzen de Stichting en anderen op verschillende, deels buitenlandse, publicaties over het verband tussen negatieve gezondheidseffecten en geluidhinder bij omwonenden van windturbines. Verder stellen de Stichting en anderen dat in verschillende andere landen veel strengere normen gelden, bijvoorbeeld afstandsnormen. Dat bij de keuze voor de norm van ten hoogste 47 dB Lden een bepaald percentage ernstig gehinderden aanvaardbaar is geacht is volgens de Stichting en anderen in de strijd met de doelstelling van de SMB-richtlijn om bij te dragen aan de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en de bescherming van de gezondheid van de mens. 36.
  21. In de Oplegnotitie geluid is op basis van de dosishinderrelatie het aantal ernstig gehinderden in beeld gebracht bij verschillende mogelijke geluidnormen. Dit is vervolgens afgezet tegen het gemiddeld productieverlies van de verschillende windturbinetypes. Op basis van de Oplegnotitie geluid hebben de raad en het college van B en W gekozen voor de norm van ten hoogste 47 dB Lden. Daarbij hebben de raad en het college van B en W betrokken dat het aantal ernstig gehinderden in absolute zin beperkt is en dat de milieuwinst van een strengere norm zo gering is dat deze niet opweegt tegen het nadeel van een beperking van de energieproductie en daarmee een lagere bijdrage aan het maatschappelijke doel van vermindering van de CO2-uitstoot door middel van de opwekking van duurzame energie. In de Oplegnotitie geluid is er daarbij op gewezen dat het hanteren van bijvoorbeeld een norm van ten hoogste 45 dB Lden zou leiden tot circa vier minder ernstig gehinderde omwonenden, maar zou betekenen dat er jaarlijks circa 5.000 MWh minder elektriciteit wordt geproduceerd, evenveel als het verbruik van 1.800 huishoudens. 36.
  22. In wat is aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad en het college van B en W niet redelijkerwijs voor een norm van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight hebben mogen kiezen. Zoals is geoordeeld in meerdere uitspraken over windparken, waaronder de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 (Windpark De Drentse Monden en Oostermoer), onder 119.3, strekt het voorzorgsbeginsel niet zover dat de raad en het college van B en W op basis van publicaties, waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten, van de vergunningverlening hadden behoren af te zien. De omstandigheid dat er publicaties zijn die, om ieder risico bij voorbaat uit te sluiten, een hogere mate van bescherming of een grotere afstand tot windturbines aanbevelen, of dat het wenselijk is dat nader onderzoek wordt verricht, betekent dan ook op zichzelf niet dat de raad het plan niet had mogen vaststellen en het college van B en W de omgevingsvergunning niet mocht verlenen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat zulk nader onderzoek jaren vergt en bij voorkeur op landelijke schaal zou moeten worden uitgevoerd. Verder betrekt de Afdeling hierbij dat, zoals ook in de Delfzijleinduitspraak onder 27.3, en de Karolinapolderuitspraak, onder 41.3, is overwogen, voorzorg van betekenis kan zijn bij de door het bestuursorgaan te maken afweging, maar dat het beoordelen van een voor de maatschappij al dan niet aanvaardbaar risico primair een bestuurlijke taak is. De Afdeling ziet in dit licht geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de door de raad en het college van B en W gemaakte belangenafweging onzorgvuldig is geweest. Dat de raad en het college van B en W vanwege de beperkte milieuwinst niet voor een strengere geluidnorm hebben gekozen acht de Afdeling ook niet onredelijk. Verder betekent de in de SMB-richtlijn geformuleerde doelstelling om bij te dragen aan de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en de bescherming van de gezondheid van de mens niet dat een ontwikkeling die leidt tot een bepaald percentage ernstig gehinderden alleen al daarom in strijd is met de SMB-richtlijn. De betogen slagen niet. - Overige gronden Oplegnotitie geluid
  23. De Stichting en anderen betogen dat in de Oplegnotitie geluid ten onrechte is gesteld dat het aantal ernstig gehinderden door het geluid van het voorziene windpark vergelijkbaar is met de norm die geldt voor weg- en railverkeer. Volgens de Stichting en anderen heeft windturbinegeluid een geheel eigen karakter en is het daarom totaal niet vergelijkbaar met geluid van weg- en railverkeer. De Stichting en anderen verwijzen daarbij naar verschillende, deels buitenlandse, publicaties. Daarnaast betogen de Stichting en anderen dat de Oplegnotitie geluid is opgesteld door Bosch & van Rijn, die belang hebben bij de aanleg van windparken. In plaats daarvan zou objectief advies moeten worden ingewonnen, bijvoorbeeld bij de GGD of de STAB. 37.
  24. In paragraaf 2.5 van de Oplegnotitie geluid is vermeld dat het aantal gehinderden bij het hanteren van een norm van 47 dB Lden voor dit windpark vergelijkbaar is met de hinder als gevolg van weg- en railverkeer. Naar het oordeel van de Afdeling is hiermee evident bedoeld dat het aantal ernstig gehinderden bij het hanteren van een norm van 47 dB Lden voor dit windpark vergelijkbaar is met het aantal ernstig gehinderden dat bij geluid als gevolg van weg- en railverkeer aanvaardbaar wordt geacht. Anders dan de Stichting en anderen lijken te betogen, is in de Oplegnotitie geluid verder niet gesteld dat hinder door windturbinegeluid vergelijkbaar is met hinder door weg- en railverkeer. In de eveneens door Bosch & van Rijn opgestelde plantoelichting is in paragraaf 4.4.1.3 ook juist vermeld dat uit de daarbij opgenomen grafiek blijkt dat het hinderpercentage van 9-11% ernstig gehinderden bij windturbines al bij een lager geluidniveau optreedt dan bij andere geluidbronnen, zoals weg- en railverkeer en industrielawaai, omdat windturbinegeluid als hinderlijker wordt ervaren dan geluid van andere bronnen, onder meer door de amplitudemodulatie. Verder is de enkele omstandigheid dat Bosch & van Rijn in opdracht onderzoeken voor windparken verricht onvoldoende voor twijfel aan de juistheid van de door Bosch & van Rijn verrichte onderzoeken. De betogen slagen niet. Eigen normen milieuaspecten inhoudelijk: Slagschaduw
  25. [appellant sub 1] en anderen, de Stichting en anderen en Rondeel Ewijk B.V. betogen dat onvoldoende is geborgd dat de windturbines geen onaanvaardbare hinder door slagschaduw zullen veroorzaken, doordat, zo is op de zitting nader gespecificeerd, de technische stilzettijd niet juist is geborgd. 38.
  26. Artikel 4.4.3, aanhef en onder a, van de planregels luidt: "Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering gelden de volgende regels: a. de windturbine dient voorzien te zijn van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voor zover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en voor zover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige objecten of woonwagens ramen bevinden. In verband met de technische stilzettijd mag per jaar gemiddeld maximaal 30 minuten slagschaduw optreden ter plaatse van gevoelige objecten." 38.
  27. Voorschrift 4.4.1 van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu luidt: "Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van: a. gevoelige objecten; […] voor zover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten en […] minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en voor zover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen, woonwagens of […] ramen bevinden. In verband met de technische stilzettijd mag gemiddeld per jaar maximaal 30 minuten slagschaduw optreden ter plaatse van gevoelige objecten. […] 38.
  28. Op de zitting hebben de raad en het college van B en W de Afdeling verzocht om zelf voorziend artikel 4.4.3, onder a, van de planregels en voorschrift 4.4.1 van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu zodanig aan te passen dat duidelijk is dat in verband met de technische stilzettijd per jaar maximaal 30 minuten slagschaduw per gevoelig object mag optreden. 38.
  29. Omdat de raad en het college van B en W zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het besluit van 28 februari 2023 en het besluit van 13 december 2021 hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, zijn die besluiten genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb. De betogen slagen in zoverre. 38.
  30. Op de zitting hebben [appellant sub 1] en anderen, de Stichting en anderen en Rondeel Ewijk B.V. aangegeven dat zij ermee kunnen instemmen als de Afdeling zelf voorziend artikel 4.4.3, onder a, van de planregels en voorschrift 4.4.1 van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu op de door de raad en het college van B en W verzochte wijze aanpast. Niet aannemelijk is dat derden daarmee in hun belangen zouden worden geschaad. Omdat de Afdeling de raad en het college van B en W in deze uitspraak echter al opdracht zal geven om andere, hiervoor en hierna geconstateerde gebreken te herstellen, ziet de Afdeling geen aanleiding zelf voorziend artikel 4.4.3, onder a, van de planregels en voorschrift 4.4.1 van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu op de door de raad en het college van B en W verzochte wijze aan te passen. In plaats daarvan zal de Afdeling het aanpassen van die bepalingen betrekken in de aan de raad en het college van B en W te geven opdracht om de in deze uitspraak geconstateerde gebreken te herstellen. Lichthinder
  31. [appellanten sub 1] vrezen als gevolg van het plan voor lichthinder. In de eerste plaats voeren zij aan dat de regeling in het herstelbesluit voor verlichting onduidelijk is. In het wijzigingsdocument schrijft de gemeente dat wordt gekozen voor vast brandende lampen om hinder zoveel mogelijk te beperken. Het verlichtingsplan dat als bijlage is opgenomen bij de planregels van het herstelplan beschrijft echter dat ook wit flitsende lampen in de dag- en schemerperiode zijn toegestaan. Daarnaast laten de in het verlichtingsplan opgenomen tekeningen lichten zien die zowel in de dag- als de nachtperiode 20 tot 60 keer per minuut flitsen. Het verlichtingsplan zegt verder dat de exacte uitvoering van de verlichting afhankelijk is van de te kiezen lichtarmaturen, die op hun beurt weer afhankelijk zijn van het definitieve windturbinetype dat wordt gekozen. Gelet hierop is allerminst duidelijk wat voor type lampen gebruikt gaat worden. Rondeel Ewijk B.V. vreest dat het verlichtingsplan leidt tot horizonvervuiling. Zij voert aan dat de verwijzing naar het verlichtingsplan in artikel 4.4.6 rechtsonzeker is, omdat deze pas na ver door te klikken vindbaar is en niet zichtbaar is via de verbeelding op www.ruimtelijkeplannen.nl. Rondeel Ewijk B.V. voert verder aan dat de in artikel 4.4.6 van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting onvoldoende waarborgen biedt voor het verzekeren van de vliegverkeersveiligheid. De voorwaardelijke verplichting is namelijk gekoppeld aan het gebruik van de windturbines. Dit impliceert dat zolang deze stilstaan, de windturbines geen gevaar opleveren voor het vliegverkeer. Dit volgt echter nergens uit, en lijkt ook niet logisch, zodat de veiligheid van het vliegverkeer onvoldoende is gewaarborgd. Rondeel Ewijk B.V. voert verder aan dat in het kader van de ontheffing op grond van de Wnb ten onrechte geen rekening is gehouden met de obstakelverlichting. Rondeel Ewijk B.V. voert ten slotte aan dat artikel 4.4.6, onder b, van de planregels een hele ruime afwijkingsbepaling bevat voor het college om te bepalen op welke andere geschikte wijze kan worden voldaan aan de eisen omtrent obstakelverlichting van de ILT. 39.
  32. De raad stelt zich op het standpunt dat het bepaalde in artikel 4.4.6 van de planregels een toereikende waarborg biedt voor het verzekeren van de vliegverkeersveiligheid. Deze bepaling is volgens de raad ook voldoende duidelijk. De planregel verwijst naar het verlichtingsplan dat als bijlage bij de planregels is gevoegd. Hieruit blijkt voldoende duidelijk waaraan de obstakelverlichting op de windturbines moet vold

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.