← Nederland

ECLI:NL:RVS:2025:2879

202503246/1/V3 en 202503246/2/V

  1. Datum uitspraak: 26 juni 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [appellante], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 mei 2025 in zaak nr. NL24.15491 in het geding tussen: appellante en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 28 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 5 april 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante, vertegenwoordigd door mr. E. Ceylan, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen
  2. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet kan worden aangemerkt als ten laste komend familielid van referent. Omdat er tussen het moment dat appellante het land van oorsprong heeft verlaten en zich bij referent in Nederland heeft gevoegd en het moment waarop ze onderhavige aanvraag heeft ingediend pas een paar maanden zijn verstreken, zijn de overwegingen van het arrest van het Hof van Justitie van 10 april 2025, XXX, ECLI:EU:C:2025:264, de punten 59 en 71, waarop appellante zich beroept, hier niet van toepassing. Die overwegingen zien namelijk op de situatie dat er tussen die twee momenten meerdere jaren zijn verstreken. 1.
  3. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
  4. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Boom, griffier. w.g. Den Heyer voorzieningenrechter w.g. Boom griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2025 1058

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.