202501183/1/V3. Datum uitspraak: 1 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 februari 2025 in zaak nr. NL25.4324 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 18 januari 2025 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij mondelinge uitspraak van 11 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J-A. Nijland, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen Inleiding 1. Betrokkene is op 18 januari 2025 vanuit Dubai op Schiphol aangekomen. Daar heeft hij asiel aangevraagd. De minister heeft hem vervolgens in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. De rechtbank heeft geoordeeld dat de grensdetentie onrechtmatig is door de detentieomstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol (hierna: het JCS), waar de grensdetentie ten uitvoer werd gelegd, en ook omdat de grensdetentie te lang zou voortduren in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Uit deze bepaling volgt dat een vreemdeling alleen voor een zo kort mogelijke termijn in grensdetentie mag worden gehouden. 1.1. Deze uitspraak gaat over de vraag wanneer grensdetentie in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn te lang voortduurt, en wat de gevolgen daarvan zijn. De Afdeling ziet in de feiten van deze zaak aanleiding deze vraag in het algemeen te beantwoorden, met het oog op de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling en de rechtsbescherming in algemene zin. Om tot haar oordeel te komen, put de Afdeling inspiratie uit Unierechtelijke regelgeving die in werking is getreden op 11 juni 2024, maar pas van toepassing wordt op 12 juni 2026. 1.2. Omdat deze uitspraak gaat over het Unierecht, gebruikt de Afdeling hierna de begrippen ‘verzoek’ en ‘verzoeker’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b en c, van de Procedurerichtlijn en artikel 2, aanhef en onder a en b, van de Opvangrichtlijn, in plaats van de nationaalrechtelijke begrippen ‘aanvraag’ en ‘aanvrager’. De Afdeling heeft in de bijlage de Unierechtelijke regelgeving opgenomen waarop zij haar oordeel baseert. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Grief 1, over de detentieomstandigheden in het JCS 2. De minister komt in grief 1 terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het JCS geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is vanaf de eerste dag. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789. 2.1. De grief slaagt. Grief 2, over de duur van de grensdetentie 3. De minister komt in grief 2 op tegen het oordeel van de rechtbank dat de grensdetentie van betrokkene onrechtmatig is, omdat die in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn te lang zou voortduren. De rechtbank heeft overwogen dat het haar, om organisatorische redenen die niet aan partijen te wijten zijn, niet is gelukt de asielzaak van betrokkene eerder op een zitting te plannen dan 29 april 2025 en dat het niet aannemelijk is dat deze zitting eerder kan plaatsvinden, zoals de minister heeft verzocht. Op die dag zou betrokkene ruim veertien weken in grensdetentie verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank was de grensdetentie daarom niet meer evenredig en daarom onrechtmatig op 11 februari 2025, de dag dat zij de grensdetentiezaak op een zitting behandelde. Volgens de minister is de duur van de grensdetentie van ruim veertien weken, die niet aan partijen te wijten is, geen reden om het grensbewakingsbelang prijs te geven. De vereisten voor grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 3.1. De Afdeling zet de vereisten uiteen voor grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Zij beperkt zich daarbij tot de vereisten die relevant zijn voor de beoordeling van deze zaak. Grensdetentie is geoorloofd als de minister in de grensprocedure moet beslissen of een verzoeker het grondgebied van Nederland mag betreden. Een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 wordt dus opgelegd ter bescherming van het grensbewakingsbelang (artikel 5.1a, derde lid, van het Vb 2000). Uit artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat de grensdetentie zo kort mogelijk moet duren. De duur van grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 3.2. Een vreemdeling mag in beginsel dus in grensdetentie worden gehouden op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, zolang hij of zij verzoeker is en de minister nog geen beslissing over de toegang heeft genomen. Een vreemdeling is verzoeker zolang er geen definitieve beslissing is genomen op zijn of haar asielverzoek. Dit volgt uit artikel 2, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn en artikel 2, aanhef en onder c, van de Procedurerichtlijn. Gelet op artikel 2, aanhef en onder e, van de Procedurerichtlijn is een ‘definitieve beslissing’ een beslissing waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat in het kader van Hoofdstuk V. Dit betekent dat een vreemdeling verzoeker is zolang de rechtbank nog geen uitspraak heeft gedaan op een beroep tegen het asielbesluit. De verzoeker mag de behandeling van een beroep tegen een asielbesluit dat is genomen in de grensprocedure, niet in Nederland afwachten, maar dit geldt wel voor de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening hangende zo’n beroep (artikel 46, zesde en achtste lid, van de Procedurerichtlijn, omgezet in artikel 82, tweede lid, van de Vw 2000 en artikel 7.3, eerste lid, van het Vb 2000). Als de rechtbank een dergelijk verzoek afwijst, moet de minister de verzoeker de toegang weigeren op grond van artikel 14, eerste lid, van de Schengengrenscode. 3.2.1. Grensdetentie op grond van het derde lid van artikel 6 van de Vw 2000 kan dus voortduren tot de rechtbank uitspraak doet op het asielberoep dan wel de voorzieningenrechter bepaalt dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven hangende dit beroep, of de beroepstermijn is verstreken zonder dat de verzoeker beroep heeft ingesteld tegen het asielbesluit dan wel geen verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening heeft ingediend. Rechtspraak over artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn 3.3. Het Hof van Justitie heeft zich niet uitgelaten over de vraag wanneer de grensdetentie van verzoekers te lang voortduurt in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. De Afdeling is op deze vraag ingegaan in de uitspraak van 28 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2639. Op basis van Unierechtelijke en nationaalrechtelijke bepalingen heeft zij in die uitspraak geoordeeld dat het niet in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn was dat de vreemdeling op het moment van de geplande behandeling van zijn beroep tegen het asielbesluit zes en een halve week in grensdetentie verbleef. De Afdeling heeft echter nog geen oordeel gegeven over de vraag wanneer de duur van grensdetentie wel strijd oplevert met deze bepaling. Dat doet zij in deze uitspraak. Zij bespreekt hieronder eerst de onder 1.1 bedoelde nieuwe Unierechtelijke regelgeving. Nieuwe Unierechtelijke regelgeving 3.4. Op 12 juni 2026 wordt Richtlijn (EU) 2024/1346, de hernieuwde Opvangrichtlijn, van toepassing. Uit artikel 11, eerste lid, van deze richtlijn volgt, net als uit artikel 9, eerste lid, van de huidige Opvangrichtlijn dat grensdetentie zo kort mogelijk moet duren. 3.5. Op 12 juni 2026 wordt Verordening (EU) 2024/1356 van toepassing. De Afdeling zal deze verordening in het vervolg aanhalen als de Screeningverordening. Uit artikel 5, eerste en tweede lid, van deze verordening volgt dat alle verzoekers uit derde landen die niet voldoen aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode, worden onderworpen aan een screening. Uit overweging 22 van de considerans en uit artikel 8, derde lid, volgt dat de screening niet langer mag duren dan zeven dagen. Gelet op artikel 18, tweede lid, worden verzoekers voor de behandeling van hun verzoek na de screening doorverwezen naar de bevoegde autoriteiten. 3.6. Op 12 juni 2026 wordt ook Verordening (EU) 2024/1348, ofwel de Procedureverordening, van toepassing. Uit overweging 68 van de considerans en uit artikel 51, tweede lid, volgt dat de grensprocedure zo kort mogelijk moet worden gehouden en in ieder geval moet worden voltooid binnen twaalf weken nadat het verzoek van een vreemdeling is geregistreerd, met inbegrip van de behandeling van een eventueel beroep of verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het asielbesluit. Wanneer duurt grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 te lang voort? 3.7. De Afdeling stelt voorop dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 zo kort mogelijk moet duren. De Afdeling benadrukt dat niet iedere langere duur van grensdetentie per definitie strijd oplevert met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Maar dit neemt niet weg dat artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, dat de grondrechten van vreemdelingen beoogt te waarborgen, vereist dat de grensdetentie zo kort mogelijk duurt. Als door organisatorische problemen bij de rechtbank, de behandeling van het asielberoep dan wel van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zeer lang op zich laat wachten, kan dit leiden tot de conclusie dat de grensdetentie niet zo kort mogelijk duurt. Daarom bepaalt de Afdeling hierna een maximaal toegestane duur voor grensdetentie, ook al kan dat betekenen dat de minister het grensbewakingsbelang moet prijsgeven. 3.8. Wanneer de nieuwe Unierechtelijke regelgeving, die de Afdeling heeft beschreven onder 3.5 en 3.6, op 12 juni 2026 van toepassing wordt, zal het besluit over de toegang van een verzoeker tot het Schengengebied ten hoogste dertien weken uitgesteld kunnen worden. Uit deze regelgeving volgt dat de screening aan de buitengrens maximaal zeven dagen mag duren, en de daaropvolgende grensprocedure maximaal twaalf weken. Daarom legt de Afdeling artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn zo uit dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 in ieder geval te lang voortduurt na dertien weken vanaf de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Wat betekent dit voor deze zaak? 3.9. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het voortduren van de grensdetentie onrechtmatig was, omdat zij het asielberoep niet eerder dan 29 april 2025 kon plannen op een zitting. Dat was ruim veertien weken nadat betrokkene in grensdetentie was geplaatst. Hieruit volgt dat de minister betrokkene voordat de rechtbank over het asielberoep heeft kunnen oordelen toegang zal moeten verlenen tot Nederland. De Afdeling overweegt dat het langer in grensdetentie houden van betrokkene daarom geen enkel doel meer dient. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de grensdetentie op het moment dat zij uitspraak deed al niet meer evenredig was. Wanneer treedt de onrechtmatigheid van de grensdetentie in? 3.10. Anders dan betrokkene in beroep heeft betoogd, treedt de onrechtmatigheid van de grensdetentie wegens strijd met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn niet in op het tijdstip dat de minister bekend wordt met de datum van de zitting in de asielzaak. De minister kan verzoeken de zaak eerder op een zitting te behandelen, wat zij ook heeft gedaan. Het is aan de rechtbank om de eventuele onrechtmatigheid van de grensdetentie en de ingangsdatum van deze onrechtmatigheid vast te stellen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de grensdetentie wegens strijd met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn onrechtmatig was vanaf de dag dat zij uitspraak deed. 3.11. De grief faalt. Conclusie 4. Gelet op het voorgaande was de grensdetentie onrechtmatig vanaf 11 februari 2025. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de grensdetentie vanaf een eerder moment onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank de schadevergoeding op grond van de tenuitvoerlegging van de grensdetentie in het JCS heeft vastgesteld op € 2.500,00. De uitspraak wordt voor het overige bevestigd. Betrokkene heeft recht op een schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000) van € 100,00 voor de dag dat hij onrechtmatig in grensdetentie is gehouden. Deze vergoeding wordt daarom aan betrokkene toegekend. De minister hoeft in hoger beroep geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 februari 2025 in zaak nr. NL25.4324, voor zover de rechtbank de schadevergoeding op grond van de tenuitvoerlegging van de grensdetentie in het JCS heeft vastgesteld op € 2.500,00; III. bevestigt de uitspraak voor het overige; IV. kent aan betrokkene een vergoeding toe van € 100,00, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Kraak griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2025 846-1020 BIJLAGE Richtlijn 2013/32/EU Artikel 2 In deze richtlijn wordt verstaan onder: […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.