202303032/1/R1. Datum uitspraak: 2 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Wageningen, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 april 2023 in zaak nr. 21/5575 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Wageningen. Procesverloop Bij besluit van 17 juni 2021 heeft het college een omgevingsvergunning voor het tijdelijk gebruik van de benedenverdieping van het pand aan de [locatie] in Wageningen als woonruimte geweigerd. Bij besluit van 28 oktober 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning in stand gelaten. Bij uitspraak van 4 april 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2025, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door A.G.J. PoIman, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 31 maart 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. [appellant] is eigenaar van het pand aan de [locatie] in Wageningen. De begane grond van het pand werd ten tijde van de aanvraag gebruikt als kapsalon. [appellant] wil de begane grond tijdelijk gebruiken als een zelfstandige eenkamerwoning. Volgens [appellant] is het gebruik van de begane grond als woning niet in strijd met de ter plaatse geldende beheersverordening "Stadcentrum", zodat daarvoor geen omgevingsvergunning nodig is. Om hierover duidelijkheid te krijgen, heeft hij een omgevingsvergunning aangevraagd. Het college heeft die omgevingsvergunning geweigerd. Volgens het college is het gebruik van de begane grond als woning in strijd met de beheersverordening. Ook is het college niet bereid om daarvan af te wijken. Strijd met de beheersverordening? 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het gebruik van de begane grond als woning in strijd met de beheersverordening is. Hij voert daartoe aan dat het gehele pand, dus inclusief de begane grond, moet worden gezien als één woonhuis. Het pand is als woonhuis gebouwd en daarin is een woning gerealiseerd, waardoor er een bestaand woonhuis aanwezig is. Op de begane grond bevinden zich de entree, hal en meterkast van de woonruimte daarboven en ook daarom is de begane grond een onderdeel van het bestaande woonhuis. De bepaling uit de beheersverordening dat op de begane grond alleen bestaande woonhuizen zijn toegestaan, staat volgens [appellant] dus niet aan het gebruik als woning in de weg. 3.1. De beheersverordening ontleent haar inhoud aan het daarvóór geldende bestemmingsplan "Stadscentrum 2003". Het perceel van [appellant] heeft daarin de bestemming "Centrumvoorzieningen II". Artikel 4, eerste lid, van de voorschriften van dat plan luidt: "De op de kaart als "Centrumvoorzieningen II" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. in de eerste bouwlaag en in de onderbouw van de gebouwen: - […]; - detailhandel, […]; - dienstverlenende bedrijven […]; - bestaande woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep op maximaal 30% van het bruto-vloeroppervlak van hoofd- en bijgebouwen tot een maximum per woning van: […]; b. in de bovengelegen bouwlagen van de gebouwen: - woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep op maximaal 30% van het bruto-vloeroppervlak van hoofd- en bijgebouwen tot een maximum per woning van […]; - de doeleinden onder a, alleen voor zover bestaand in de boven gelegen bouwlagen; […]." Artikel 1 luidt, voor zover hier van belang: "In deze voorschriften wordt verstaan onder: […] 11. bestaand: - bij bouwwerken: bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan; - bij gebruik: bestaand ten tijde van het van kracht worden van het desbetreffende gebruiksverbod; 33. gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 60. woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 61. woonhuis: een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden." 3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de bestaande situatie sinds de verbouwing in 1986 hetzelfde is als ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan en het van kracht worden van de beheersverordening: er is een gebouw aanwezig, met daarin op de eerste bouwlaag een werk- of winkelruimte en de entree, hal en meterkast van de woning die voor het overige aanwezig is in de tweede bouwlaag. 3.3. Voor het antwoord op de vraag of een voorgenomen gebruik in strijd is met - in dit geval - de beheersverordening, zijn de op de plankaart aangegeven bestemming(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.