← Nederland

ECLI:NL:RVS:2025:3076

202301565/1/R

  1. Datum uitspraak: 9 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:
  2. Stichting Groen Parkhaven, gevestigd in Rotterdam,
  3. Stichting Rotterdam Natuurlijk, gevestigd in Rotterdam,
  4. Shopping Centre Oriental Parkhaven B.V., gevestigd in Rotterdam (hierna: Shopping Centre),
  5. Rotterdam Leisure Group B.V., gevestigd in Rotterdam (hierna: Rotterdam Leisure Group),
  6. Partyservice Nederland, gevestigd in Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee, en anderen,
  7. Bewoners Organisatie Scheepvaartkwartier, gevestigd in Rotterdam, en anderen (hierna: de bewonersorganisatie en anderen),
  8. [appellant sub 7], wonend in Rotterdam,
  9. [appellant sub 8], wonend in Rotterdam,
  10. [appellant sub 9], wonend in Rotterdam, appellanten, en de raad van de gemeente Rotterdam, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 2 februari 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Parkhaven" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben Stichting Groen Parkhaven, Stichting Rotterdam Natuurlijk, Shopping Centre, Rotterdam Leisure Group, Partyservice Nederland en anderen, de bewonersorganisatie en anderen, [appellant sub 7], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] beroep ingesteld. Bij besluit van 15 februari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Parkhaven" op onderdelen gewijzigd vastgesteld. Alle appellanten, met uitzondering van [appellant sub 9], hebben over dit besluit een zienswijze naar voren gebracht. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: STAB-advies). Stichting Groen Parkhaven, Stichting Rotterdam Natuurlijk, Shopping Centre, Rotterdam Leisure Group, de bewonersorganisatie en anderen en [appellant sub 8] hebben naar aanleiding van het STAB-advies een zienswijze naar voren gebracht. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Stichting Groen Parkhaven, Stichting Rotterdam Natuurlijk, de bewonersorganisatie en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend. Ontwikkelcombinatie ParkHaven Beheer B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 juni 2025, waar zijn verschenen: - Stichting Groen Parkhaven, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door mr. drs. J. Wildschut; - Stichting Rotterdam Natuurlijk, vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en [gemachtigde D]; - Shopping Centre, vertegenwoordigd door [gemachtigde E], bijgestaan door mr. B.J.W. Walraven, advocaat in Rotterdam; - Rotterdam Leisure Group, vertegenwoordigd door [gemachtigde F], bijgestaan door mr. E.C.W. Timmer, advocaat in Amsterdam; - Partyservice Nederland en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde G], bijgestaan door mr. S.A.N. Geerling, rechtsbijstandverlener in Leusden; - de bewonersorganisatie en anderen, vertegenwoordigd door en bij monde van [gemachtigde H], [gemachtigde I] en [gemachtigde J]; - de natuurlijke personen [appellant sub 9] en [appellant sub 8]; - de raad, vertegenwoordigd door mr. A.M.H. Dellaert, mr. A.J. Wintjes, K. Lakerveld, M.J.C. de Kort, T.R. Vreeken, P.P.C.H.C. Verbunt, ir. M.E. Enderman, S. Pahlplatz en R. Krijnen. Ook is op de zitting als partij gehoord Ontwikkelcombinatie ParkHaven Beheer B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde K], bijgestaan door mr. T.G. Oztürk, advocaat in Amsterdam. Overwegingen SAMENVATTING
  11. Het bestemmingsplan "Parkhaven" maakt de bouw van 650 woningen mogelijk in acht woontorens aan weerszijden van de Euromast inclusief ondergrondse parkeergarages. De bouwhoogte van de woontorens varieert van maximaal 26 m tot maximaal 70 m. Ook biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid voor onder meer horeca, leisure, kantoren, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen. Zowel ondernemers in en nabij het plangebied, stichtingen als ook natuurlijke personen en een bewonersorganisatie hebben beroep ingesteld tegen het plan. Zij vrezen onder meer dat het plan de exploitatiemogelijkheden en bereikbaarheid van hun bedrijven in de Parkhaven zal aantasten, zal leiden tot verkeers- en parkeerhinder en tot een aantasting van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in en nabij het plangebied. In het bijzonder is daarbij gewezen op verschillende rijksmonumenten in en nabij het plangebied, zoals de Euromast en Het Park. De Afdeling concludeert in deze uitspraak dat voor verschillende aspecten die betrekking hebben op de inrichting van het plangebied nog een nadere uitwerking en ook borging wat betreft de realisatie en instandhouding van die inrichting in de planregels moet worden opgenomen. Het gaat daarbij onder meer om een hoogwaardige groene inrichting van het plangebied, welke inrichting volgens de raad noodzakelijk is om onder meer een aantasting van de cultuurhistorische waarden te voorkomen. De onderwerpen die een nadere uitwerking en ook borging in de planregels verlangen, zijn in overweging 89 van deze uitspraak opgenomen. Als gevolg hiervan vormt deze uitspraak voor alle appellanten een tussenuitspraak. Dit met uitzondering van appellant [appellant sub 9]. Voor haar vormt deze uitspraak een einduitspraak gezien de afstand van haar woning tot het plangebied. Dit is in overweging 15.2 van deze uitspraak toegelicht.
  12. Deze uitspraak bevat met het oog op de rechtspraktijk ook een nadere verduidelijking van de lijn in de uitspraken van de Afdeling over de vraag wanneer een voorwaardelijke verplichting in een bestemmingsplan is vereist. Dit is uitgewerkt in overweging 27.4 van deze uitspraak. Daaruit volgt dat de Afdeling in de hierna genoemde situaties niet langer een rechtvaardiging ziet dat de raad een uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening noodzakelijk geachte maatregel niet in de planregels hoeft te borgen. Het gaat om de situaties: - dat het bevoegd gezag stelt eigenaar, anderszins zakelijk gerechtigde of beheerder te zijn van de gronden waarop zo’n maatregel moet worden gerealiseerd en in stand gehouden, of - de verwachting uitspreekt in de toekomst eigenaar, anderszins zakelijk gerechtigde of beheerder van die gronden te zullen worden en ook toezegt die maatregel te zullen realiseren en in stand te houden, of - wijst op privaatrechtelijke afspraken die de realisatie en instandhouding van die maatregel moeten verzekeren. De rechtszekerheid vereist dat bij een maatregel die uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk wordt geacht voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, in de planregels wordt voorzien in een publiekrechtelijke borging van de realisatie en instandhouding van die maatregel, tenzij dit anderszins publiekrechtelijk is verzekerd. Dit kan veelal door een daarop toegespitste voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen. Dit is nader toegelicht in overweging 27.4 van deze uitspraak. INHOUDSOPGAVE
  13. Hieronder zal de Afdeling de beroepsgronden gericht tegen het bestemmingsplan "Parkhaven" dat de raad op 2 februari 2023 heeft vastgesteld (hierna: het bestemmingsplan) en het besluit van de raad van 15 februari 2024 tot gewijzigde vaststelling van dit bestemmingsplan (hierna: het herstelbesluit) gelijktijdig onderwerpsgewijs bespreken. De Afdeling kiest voor een bespreking per onderwerp, omdat in de beroepsgronden deels dezelfde onderwerpen aan de orde komen. De Afdeling volgt hierbij de hierna opgenomen inhoudsopgave. De getallen tussen haakjes verwijzen naar het nummer van de overweging waar het desbetreffende onderwerp begint. - Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

(4)- Inleiding (5 e.v.) - De appellanten (6 e.v.) - Toetsingskader (10 e.v.) - Goede procesorde, nieuwe beroepsgronden, inlassen stukken en relativiteit (12 e.v.) - Procedureel (16 e.v.) - Plangrensbezwaren (20 e.v.) - Behoefte aan nieuwe woningen (23 e.v.) - Alternatieve woningbouwlocaties (25 e.v.) - Provinciale omgevingsverordening: ruimtelijke kwaliteit
(27)- Cultuurhistorische waarden (28 e.v.) - Groen in het plangebied in het licht van het gemeentelijk beleid (35 e.v.) - Parkeren (39 e.v.) - Verkeer (56 e.v.) - Geluid (65 e.v.) - Stikstof (70 e.v.) - Luchtkwaliteit (72 e.v.) - Lichthinder en schaduwwerking
(76)- Buitendijks en klimaatadaptief bouwen (77 e.v.) - Hinder bouwwerkzaamheden
(79)- (Financiële) uitvoerbaarheid (80 e.v.) - Overig (86 e.v.) - Conclusie (88 e.v.) OVERGANGSRECHT INWERKINGTREDING OMGEVINGSWET
  1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 28 februari 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. INLEIDING
  2. De gemeente Rotterdam heeft vanwege de volgens de gemeente aanwezige woningbehoefte in de stad aan onder meer projectontwikkelaars en woningcorporaties de mogelijkheid geboden om zogenoemde "Unsolicited Proposals" in te dienen om zo de bouw van woningen in de stad te versnellen. De ontwikkelcombinatie ParkHaven Partners heeft een Unsolicited Proposal ingediend voor een gebiedsontwikkeling aan weerszijden van de Euromast in Rotterdam. De raad heeft op 30 januari 2020 besloten dat hij deze gebiedsontwikkeling als wenselijk beschouwt binnen de gestelde randvoorwaarden en uitgangspunten uit het document "Parkhaven; Ruimtelijk en programmatisch toetsingskader unsolicited proposal". Aan de hand van dit toetsingskader is het "Masterplan Parkhaven" (hierna: het Masterplan) opgesteld dat de raad op 18 februari 2021 heeft vastgesteld. Op basis van het Masterplan is vervolgens het in deze procedure aan de orde zijnde bestemmingsplan opgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw van 650 woningen mogelijk in acht woontorens aan weerszijden van de Euromast inclusief ondergrondse parkeergarages. De bouwhoogte van de woontorens varieert van maximaal 26 m tot maximaal 70 m. Ook biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid voor onder meer horeca, leisure, kantoren, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen. Het plangebied bevindt zich aan de westzijde van het Scheepvaartkwartier en daarmee in het uiterste zuidwesten van het op de noordoever van de Maas gelegen centrumgebied van Rotterdam. DE APPELLANTEN
  3. Er is beroep ingesteld door zowel ondernemers in en nabij het plangebied, stichtingen als ook natuurlijke personen en een bewonersorganisatie. Ondernemers
  4. De beroepschriften van de ondernemers in en nabij het plangebied zijn afkomstig van Shopping Centre, Rotterdam Leisure Group en Partyservice Nederland en anderen. 7.
  5. Shopping Centre exploiteert de supermarkt "Amazing Oriental" in de zogenoemde Chinese boot aan de Parkhaven 21 in Rotterdam. Deze boot is gelegen direct ten westen van het plangebied in de Parkhaven. 7.
  6. Rotterdam Leisure Group exploiteert meerdere ondernemingen in en grenzend aan het plangebied. Het gaat om de ondernemingen minigolfbaan Parkhaven, restaurant De Zwarte Zwaan, Lasergame Rotterdam, Café Ech Wel, de Pannenkoekenboot, River Cruise Rotterdam en Splash Tours. De minigolfbaan bevindt zich binnen het plangebied. De overige bedrijven bevinden zich direct ten westen van het plangebied in de Parkhaven. Dit met uitzondering van Café Ech Wel. Deze onderneming bevindt zich net ten zuidoosten van het plangebied. 7.
  7. Partyservice Nederland en anderen exploiteren ook meerdere ondernemingen in de Parkhaven grenzend aan de westzijde van het plangebied. Het gaat om Partyschip De Ameland en rondvarend partyschip De Beren Boot / Leckers op de Maas. De stichtingen
  8. Ook is beroep ingesteld namens Stichting Groen Parkhaven en Stichting Rotterdam Natuurlijk. Stichting Groen Parkhaven heeft blijkens haar statuten onder meer als doel het behouden van de ten noorden en ten zuiden van de Euromast gelegen groene ruimte, het beschermen van de flora en fauna ter plaatse en het behouden van het monumentale aanzien van de rijksmonumenten. Stichting Rotterdam Natuurlijk heeft blijkens haar statuten als doel het bevorderen van ruimte voor water en natuur in Rotterdam, waarbij zij zich onder meer richt op het behouden van open water, het bevorderen van openbaar groen en recreatie voor mensen en dieren in Rotterdam en het tegenhouden van wijzigingen van bestemmingsplannen waarbij openbaar groen en/of recreatievoorzieningen worden vervangen door bebouwingen in Rotterdam. Natuurlijke personen en bewonersorganisatie
  9. Als natuurlijke personen hebben [appellant sub 8], [appellant sub 7] en [appellant sub 9] beroep ingesteld. Ook is een gezamenlijk beroepschrift ingediend namens een bewonersorganisatie en natuurlijke personen. 9.
  10. [appellant sub 8] woont ten westen van het plangebied, vanuit het plangebied gezien aan de overzijde van de Parkhaven. Haar woning bevindt zich op ongeveer 200 m van het plangebied. Vanuit haar woning heeft zij zicht op het plangebied. 9.
  11. [appellant sub 7] en de natuurlijke personen die zijn genoemd in het beroepschrift van de bewonersorganisatie en anderen wonen allen in het Scheepvaartkwartier. De bewonersorganisatie behartigt de belangen van de bewoners van het Scheepvaartkwartier. 9.
  12. [appellant sub 9] woont aan de [locatie] in Rotterdam. Haar woning staat op ongeveer 1,5 km van het plangebied. De beroepsgronden die zij naar voren brengt zijn gericht op de gevolgen voor haar leefomgeving. In onderstaande overweging 15.2 gaat de Afdeling nader in op het belang waarvoor [appellant sub 9] in beroep komt. TOETSINGSKADER
  13. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
  14. Het voorliggende plan is een zogenoemd "bestemmingsplan met verbrede reikwijdte" als bedoeld in artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) en artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: BuChw). Daarom kunnen in het bestemmingsplan ook regels worden opgenomen die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. Dit volgt uit artikel 7c, eerste lid, onder a en b, van het BuChw, in aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. GOEDE PROCESORDE, NIEUWE BEROEPSGRONDEN, INLASSEN STUKKEN EN RELATIVITEIT Goede procesorde
  15. In artikel 8:58, eerste lid, van de Awb is bepaald dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Dit betekent echter niet dat stukken die meer dan tien dagen voor de zitting zijn ingediend, zonder meer worden toegelaten tot de procedure. De vraag of stukken worden toegelaten tot de procedure wordt mede bepaald door de goede procesorde. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:844, overwegingen 5.1 tot en met 5.4, kunnen stukken, hoewel die meer dan tien dagen voor de zitting zijn ingediend, wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten. Dat is het geval als het nadere stuk zo laat wordt ingediend en/of zodanig complex of omvangrijk is, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren, de Afdeling wordt belemmerd in haar voorbereiding van de zitting of de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere wijze wordt belemmerd. 12.
  16. Op 13 mei 2025 heeft Ontwikkelcombinatie ParkHaven Beheer B.V. als derdebelanghebbende een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Stichting Groen Parkhaven en Stichting Rotterdam Natuurlijk hebben de Afdeling verzocht deze schriftelijke uiteenzetting wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Daarvoor ziet de Afdeling geen aanleiding. Naast het feit dat de schriftelijke uiteenzetting ruimschoots voor de termijn van tien dagen voor de zitting is ingediend, is de schriftelijke uiteenzetting ook niet zodanig omvangrijk of complex dat andere partijen zouden zijn belemmerd daar adequaat op te reageren. Het stuk bevat hoofdzakelijk een reactie op de beroepsgronden van appellanten, waarmee de voorbereiding van de zitting en de behandeling op de zitting naar het oordeel van de Afdeling juist zijn bespoedigd. Zowel de Afdeling als andere partijen hebben namelijk ruim voor de zitting de reactie van de derdebelanghebbende op de aangevoerde beroepsgronden kunnen lezen en dit vervolgens bij de behandeling van de zaak op de zitting kunnen betrekken. Nieuwe beroepsgronden
  17. Op het bestemmingsplan is de Chw van toepassing. Dit volgt uit artikel 1.1, eerste lid, onder a, gelezen in samenhang met bijlage I, onderdeel 3.1 van de Chw. In artikel 1.6a van de Chw is bepaald dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Om die reden bespreekt de Afdeling niet de beroepsgronden van appellanten die pas in een nader stuk, bijvoorbeeld voor het eerst in de zienswijze op het STAB-advies, zijn aangevoerd. Wanneer dat het geval is, zal de Afdeling dat in de uitspraak vermelden. De Afdeling merkt in dit verband op dat zij, anders dan wordt betoogd, geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de Chw onverbindend is dan wel in dit geval niet zou mogen worden toegepast. De Afdeling verwijst naar onderstaande overweging 19.1, waar nader op deze betogen wordt ingegaan. Inlassen stukken
  18. Verder overweegt de Afdeling dat enkele appellanten in algemene zin hebben gesteld dat eerdere stukken die zij over de planontwikkeling naar voren hebben gebracht, moeten worden ingelast, zoals de zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan. Dit geldt onder meer voor [appellant sub 7] die zijn zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan integraal wenst in te lassen. De Afdeling gaat in deze uitspraak niet in op ingelaste zienswijzen en daarbij horende stukken, indien een appellant niet heeft aangegeven op welke punten de weerlegging van die zienswijze in de zienswijzennota onjuist is. Relativiteit en beroep [appellant sub 9]
  19. Ook wijst de Afdeling erop dat in artikel 8:69a van de Awb het zogenoemde relativiteitsvereiste is opgenomen. In dit artikel is bepaald dat de Afdeling een besluit niet mag vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. 15.
  20. In deze uitspraak zal de Afdeling bij de bespreking van de verschillende beroepsgronden, indien nodig ingaan op het relativiteitsvereiste. Daarbij merkt de Afdeling op dat indien zij bij de bespreking van een beroepsgrond niet ingaat op het relativiteitsvereiste, dat niet hoeft te betekenen dat het relativiteitsvereiste niet aan de desbetreffende appellant kan worden tegengeworpen. Dit betekent uitsluitend dat de Afdeling in het kader van die beroepsgrond geen aanleiding ziet nader op het relativiteitsvereiste in te gaan, bijvoorbeeld omdat die beroepsgrond niet slaagt. 15.
  21. Voorafgaand aan de bespreking van de beroepsgronden ziet de Afdeling aanleiding specifiek in te gaan op de belangen waarvoor [appellant sub 9] in beroep komt. Zoals hiervoor onder 9.3 is overwogen, woont [appellant sub 9] op ongeveer 1,5 km van het plangebied. De afstand van 1,5 km tot het plangebied is te groot om te kunnen concluderen dat het bestemmingsplan gevolgen heeft voor de leefomgeving van [appellant sub 9]. De toelichting van [appellant sub 9] op de zitting dat zij zich, net als vele Rotterdammers, verbonden voelt met het volgens haar unieke stuk groen dat in het plangebied aanwezig is en dat zij opkomt voor het algemene belang gericht op het behoud daarvan, betekent niet dat de normen waarop [appellant sub 9] zich in deze procedure beroept strekken ter bescherming van haar belang, dat is gericht op een bescherming van haar woon- en leefklimaat. Daarvoor is de afstand van 1,5 km tot het plangebied te groot. Gelet hierop staat het relativiteitsvereiste in de weg aan vernietiging van het bestemmingsplan vanwege de door [appellant sub 9] aangevoerde beroepsgronden. De Afdeling zal deze beroepsgronden daarom niet inhoudelijk bespreken. Het beroep van [appellant sub 9] is om die reden ongegrond. PROCEDUREEL Participatie en "Unsolicited Proposal"
  22. [appellant sub 7], Stichting Groen Parkhaven, Stichting Rotterdam Natuurlijk, de bewonersorganisatie en anderen en [appellant sub 8] hebben beroepsgronden naar voren gebracht over de mogelijkheden van inspraak en over de zogeheten "Unsolicited Proposal"-constructie. Zij vinden dat vanwege deze constructie geen deugdelijke besluitvorming heeft kunnen plaatsvinden en onvoldoende en te laat overleg met hen is gevoerd. Volgens Stichting Groen Parkhaven mag deze constructie niet worden toegepast, omdat het plan niet innovatief is. [appellant sub 7], Stichting Groen Parkhaven en Stichting Rotterdam Natuurlijk betogen in dit verband ook dat zich strijd voordoet met de Wet open overheid. Stichting Rotterdam Natuurlijk wijst erop dat haar verzoek om milieu-informatie nog niet is beantwoord. Dit is volgens haar in strijd met het Verdrag van Aarhus, waarin in artikel 4 is voorgeschreven dat milieu-informatie binnen een maand openbaar moet worden gemaakt. [appellant sub 7] voert aan dat hij ondanks een verzoek daartoe niet beschikt over een totaaloverzicht van alle beschikbare informatie over het initiatief om te gaan bouwen aan weerszijden van de Euromast. Hij is daarom beperkt in zijn mogelijkheden om goed onderbouwd tegen het bestemmingsplan op te komen. [appellant sub 7] betoogt verder dat ten onrechte niet inhoudelijk gemotiveerd op de over het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijzen is ingegaan. De negatieve adviezen van de gebiedscommissies zijn ook genegeerd. Dat komt volgens hem ook omdat de raad zich gebonden voelt aan eerder gemaakte afspraken. Volgens Stichting Groen Parkhaven doet zich strijd voor met de "Erfgoedagenda Rotterdam", omdat burgers niet zijn betrokken bij de planvorming. Dat is volgens de stichting ook in strijd met het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving (Verdrag van Faro). Stichting Rotterdam Natuurlijk betoogt dat zich strijd voordoet met het Verdrag van Aarhus, omdat inspraak pas heeft plaatsgevonden op het moment dat de plannen al gereed waren. Ook Stichting Groen Parkhaven vindt dat zich strijd voordoet met het Verdrag. 16.
  23. Zoals hiervoor onder 5 is overwogen, heeft de raad vanwege de woningbehoefte in de stad aan onder meer projectontwikkelaars en woningcorporaties de mogelijkheid geboden om zogenoemde "Unsolicited Proposals" in te dienen om zo de bouw van woningen in de stad te versnellen. Dit betekent op zichzelf niet dat het besluit waarbij het bestemmingsplan is vastgesteld niet zorgvuldig genomen is of in strijd is genomen met het verbod van vooringenomenheid. Vergelijk wat de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:180, onder 8.
  24. De Afdeling stelt vast dat de raad het bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.8 van de Wro heeft voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Vooraf is een ontwerpplan ter inzage gelegd waarover zienswijzen naar voren konden worden gebracht. Daaraan voorafgaand zijn bijeenkomsten en informatieavonden georganiseerd, die ook tot aanpassing van de planvorming hebben geleid. Het bieden van inspraak voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan maakt geen deel uit van de in de wet geregelde bestemmingsplanprocedure. De Afdeling stelt verder vast dat, anders dan Stichting Groen Parkhaven naar voren brengt, hierover ook geen regels zijn opgenomen in de "Erfgoedagenda Rotterdam" en overigens ook niet in het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving (Verdrag van Faro), nog daargelaten dat dit verdrag geen dwingende regels bevat. Zoals de Afdeling al eerder heeft geoordeeld, is de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze over een ontwerpbesluit, die op grond van afdeling 3.4 van de Awb met betrekking tot een besluit als in deze procedure aan de orde moet worden geboden, een correcte omzetting van de inspraakverplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Aarhus. Vergelijk de uitspraak van 14 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2335, onder 14.
  25. 16.
  26. Het enkele betoog van [appellant sub 7] dat niet inhoudelijk gemotiveerd op alle zienswijzen is ingegaan, geeft geen aanleiding voor de conclusie dat bepaalde zienswijzen niet bij de beoordeling zijn betrokken en de besluitvorming daarom niet op deugdelijke wijze heeft plaatsgevonden. In de Nota Zienswijzen Parkhaven is ingegaan op de over het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijzen. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken en [appellant sub 7] heeft daarvoor ook geen concrete argumenten aangedragen. Daarbij is van belang dat het in artikel 3:46 van de Awb opgenomen motiveringsvereiste zich er niet tegen verzet dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Voor een voldoende motivering is het ook niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan. 16.
  27. Uit artikel 3:11 van de Awb volgt dat alle op het bestemmingsplan betrekking hebbende stukken met het ontwerpplan ter inzage moeten worden gelegd. Dat betekent niet dat alle informatie die er is over het voornemen om woningen te bouwen daarbij hoort. [appellant sub 7] heeft niet geconcretiseerd welke specifieke stukken niet met het ontwerpplan ter inzage hebben gelegen, zoals artikel 3:11 van de Awb voorschrijft. Het betoog van [appellant sub 7] dat hij geschaad is in zijn rechtsbeschermingsmogelijkheden omdat hij niet een totaaloverzicht heeft van alle beschikbare informatie over het initiatief om te gaan bouwen aan weerszijden van de Euromast slaagt daarom niet. 16.
  28. Wat [appellant sub 7], Stichting Groen Parkhaven en Stichting Rotterdam Natuurlijk hebben aangevoerd over de Wet open overheid valt buiten de omvang van dit geschil. De Afdeling overweegt in dit verband dat de door Stichting Rotterdam Natuurlijk opgevraagde stukken in het kader van de Wet open overheid en de vraag of die stukken in het kader van die wet openbaar gemaakt moeten worden, en zo ja, of daarbij is voldaan aan de termijnen uit het Verdrag van Aarhus, andere vragen zijn dan de in deze procedure aan de orde zijnde vraag, namelijk of sprake is van stukken die op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb met het ontwerpbesluit ter inzage gelegd hadden moeten worden. Een verzoek gedaan op grond van de Wet open overheid ligt in deze procedure namelijk niet voor. Voor de conclusie dat de door de stichting opgevraagde stukken, waarbij zij onder meer wijst op stukken die betrekking hebben op milieueffecten op het nabij het plangebied gelegen rijksmonument Het Park, op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb ter inzage hadden moeten worden gelegd, ziet de Afdeling in het betoog van de Stichting onvoldoende aanknopingspunten. 16.
  29. De betogen slagen niet.
  30. De Afdeling overweegt dat in deze zaak alleen het bestemmingsplan "Parkhaven" en de daarvoor gevolgde procedure voorligt. Dat betekent dat de betogen die Stichting Rotterdam Natuurlijk naar voren heeft gebracht over het beleid van de raad in het algemeen en andere besluiten van de raad niet in deze uitspraak worden besproken.
  31. De beroepsgronden over de aanbestedingsprocedure komen aan de orde onder
  32. Crisis- en herstelwet en milieueffectbeoordeling
  33. Stichting Groen Parkhaven stelt dat de Chw moet worden beschouwd als een plan of programma als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Richtlijn 2001/42/EG (SMB-richtlijn), omdat de Chw het kader vormt voor afwijkende milieukwaliteitsnormen. Omdat daarvoor geen beoordeling heeft plaatsgevonden volgens deze richtlijn, moet deze wet onverbindend worden verklaard. Ook Stichting Rotterdam Natuurlijk betoogt dit. Volgens Stichting Rotterdam Natuurlijk had moeten worden getoetst aan de SMB-richtlijn en niet aan de Chw. Zij stelt dat de Chw ook niet mag worden toegepast omdat geen sprake is van een ontwikkeling met een groot en urgent belang. Stichting Groen Parkhaven betoogt dat, als de Chw wel verbindend is, een milieueffectrapport (MER) had moeten worden gemaakt omdat wordt voorzien in afwijkende milieunormering en omdat het plan nadelige gevolgen heeft voor flora, fauna en cultuurhistorische waarden. Bovendien is het plan volgens Stichting Groen Parkhaven niet innovatief. Stichting Groen Parkhaven stelt dat het bestemmingsplan moet worden beschouwd als een plan of programma als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Richtlijn 2001/42/EG (SMB-richtlijn), omdat sprake is van intensief grondgebruik en van overschrijding van milieukwaliteitsnormen, omdat hogere waarden zijn vastgesteld. Daarnaast is geen sprake van een kleine ontwikkeling. Zij betoogt ook dat de SMB-richtlijn niet juist is omgezet, omdat afwijkende grenswaarden voor omgevingskwaliteit niet in kolom 3 van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn genoemd. Zij verwijst daarvoor naar het arrest "Nevele" en naar de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:
  34. Stichting Groen Parkhaven vindt ook dat de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling niet volledig is, vanwege de gevolgen die het plan heeft voor de omgeving. Ook Stichting Rotterdam Natuurlijk betoogt dat een MER had moeten worden gemaakt vanwege gevolgen voor de luchtkwaliteit, vermindering van zonlicht en toename van geluidhinder. Stichting Rotterdam Natuurlijk betoogt dat de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling vanwege de gevolgen die het plan heeft niet voldoet aan de selectiecriteria uit bijlage III van de Richtlijn 2011/92/EU (Mer-richtlijn). 19.
  35. Aan het betoog dat de Chw op grond van de SMB-richtlijn onverbindend moet worden verklaard, leggen appellanten ten grondslag dat de Chw de mogelijkheid bevat om afwijkende milieunormen in een bestemmingsplan op te nemen. De Afdeling stelt echter vast dat in dit geval in de planregels van het bestemmingsplan alleen toepassing is gegeven aan de op basis van artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder o, van de Chw gelezen in samenhang met artikel 7c van het BuChw geboden mogelijkheid om regels te stellen waarvan de uitleg bij de uitoefening van een bij die regels aan te geven bevoegdheid afhankelijk is gesteld van beleidsregels. Dat betreft in dit geval de "Beleidsregels Hoogwaardige stedenbouwkundige inrichting" en de "Beleidsregels Duurzaamheid en mobiliteit". In de planregels zijn geen afwijkende milieukwaliteitsnormen opgenomen. Reeds om die reden komt de Afdeling niet toe aan de vraag of de Chw, voor zover deze wet op grond van artikel 2.4 voorziet in de mogelijkheid om afwijkende milieunormen in een bestemmingsplan op te nemen, onder de SMB-richtlijn valt. Voor zover Stichting Groen Parkhaven, ter onderbouwing van haar betoog, verwijst naar de hogere geluidwaarden die zijn vastgesteld, stelt de Afdeling vast dat deze hogere geluidwaarden zijn vastgesteld op basis van de Wet geluidhinder en niet op basis van de Chw. Verder overweegt de Afdeling dat de toepasselijkheid van de Chw in dit geval van rechtswege voortvloeit uit artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw en de aard van het bestreden besluit. Op het plan is de Chw van toepassing, omdat het plan de bouw mogelijk maakt van meer dan elf woningen in een aaneengesloten gebied (bijlage I, onderdeel 3.1 van de Chw). Niet is dus vereist dat het gaat om een ontwikkeling met een groot en urgent belang. 19.
  36. Het plan maakt de realisatie mogelijk van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Hiervoor geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor het plangebied gaat het om een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht, omdat de drempelwaarden zoals bij deze categorie staan vermeld niet worden overschreden. Het plan maakt op grond van artikel 7.2.2, onder a, van de planregels maximaal 650 woningen mogelijk, en de bedrijfsvloeroppervlakte is maximaal 8.625 m
  37. Daarmee voldoet dit project niet aan de drempelwaarde van 2.000 of meer woningen en ook niet aan een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer uit kolom 2 van deze categorie. De Afdeling ziet in wat appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de SMB-richtlijn op dit punt op een ontoereikende wijze in het Besluit milieueffectrapportage is geïmplementeerd. Dat het bestemmingsplan een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte is, als bedoeld in artikel 2.4 van de Chw en artikel 7c van het BuChw, geeft daarvoor geen grond, voor zover Stichting Groen Parkhaven met haar betoog daarop doelt. De door Stichting Rotterdam Natuurlijk genoemde uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021 leidt ook niet tot een ander oordeel. Deze uitspraak ging over plannen en programma’s die niet in het Besluit milieueffectrapportage waren aangewezen. Die situatie doet zich nu niet voor. 19.
  38. Zoals hiervoor onder 19.2 is overwogen, geldt in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Daarbij dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is in dit geval uitgevoerd. In het m.e.r.-beoordelingsbesluit voor het bestemmingsplan Parkhaven staat dat er geen MER hoeft te worden opgesteld, omdat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Daarvoor zijn de onderzoeken gebruikt die aan het bestemmingsplan ten grondslag zijn gelegd. Dat betreft onderzoeken naar de geluidbelasting, de luchtkwaliteit, cultuurhistorie en natuuraspecten. De overige beroepsgronden van Stichting Rotterdam Natuurlijk en Stichting Groen Parkhaven gaan ook over deze onderzoeken. De Afdeling zal deze beroepsgronden hieronder bespreken. Daarna zal de Afdeling beoordelen of de raad terecht tot de conclusie is gekomen dat geen MER hoefde te worden opgesteld. De Afdeling verwijst naar overweging
  39. 19.
  40. De betogen slagen niet. PLANGRENSBEZWAREN Kadeverbreding
  41. De Afdeling stelt voorop dat zowel Rotterdam Leisure Group, Shopping Centre als ook [appellant sub 8] hebben gewezen op plannen om de kade van de Parkhaven met ongeveer 6,5 m te verbreden. Volgens hen hangen het project van de kadeverbreding en de gebiedsontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt onlosmakelijk met elkaar samen en had de kadeverbreding om die reden meegenomen moeten worden in het bestemmingsplan. Dit betoog kan echter niet slagen. De raad heeft in het verweerschrift vermeld dat de kadeverbreding niet aan de orde is. Volgens de raad bestond in het verleden het idee om de kade van de Parkhaven te verbreden, omdat dit noodzakelijk leek te zijn voor het kadeherstel. Daarvan is volgens de raad inmiddels geen sprake meer. Het kadeherstel is afgerond zonder dat de kade daarvoor verbreed hoefde te worden, aldus de raad. Reeds om die reden kunnen de betogen over de kadeverbreding niet leiden tot het oordeel dat sprake zou zijn van een planbegrenzing in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Bestaande bedrijven in de Parkhaven
  42. Shopping Centre wijst erop dat de begrenzing van het plangebied eindigt bij het einde van de kade van de Parkhaven. Haar bedrijf, supermarkt "Amazing Oriental" gevestigd op de zogenoemde Chinese boot in het water van de Parkhaven, valt buiten het plangebied. Volgens Shopping Centre hadden haar bedrijf en de andere aan de kade gevestigde bedrijven binnen de grenzen van het plangebied moeten worden gebracht, omdat de bedrijven in de Parkhaven voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van hoe het plangebied, waaronder de kade, wordt ingericht. Dit geldt onder meer voor de toegangswegen, laad- en losplaatsen en parkeerplaatsen die in het plangebied, waaronder op de kade, moeten worden gerealiseerd om de toegankelijkheid van de bedrijven in de Parkhaven te kunnen waarborgen. Ook kunnen de nieuwe woningen in het plangebied volgens Shopping Centre op het gebied van bijvoorbeeld geluid gevolgen ondervinden van de bedrijven in de Parkhaven. Een goede ruimtelijke ordening vereist dat in een dergelijke situatie de bestaande bedrijven in de Parkhaven binnen de grenzen van het plangebied worden gebracht, aldus Shopping Centre. 21.
  43. De Afdeling stelt voorop dat de raad beleidsruimte toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 21.
  44. De raad heeft de begrenzing van het plangebied beperkt tot de gronden die onderdeel zijn van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Aangrenzende gronden waar planologisch niets wijzigt, heeft de raad buiten de grenzen van het plangebied gelaten. Dat is een keuze die de raad mag maken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld, door de bedrijven gevestigd in het water van de Parkhaven buiten de grenzen van het plangebied te laten. De omstandigheid dat de ruimtelijke ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt gevolgen kan hebben voor deze bedrijven, betekent namelijk niet dat die bedrijven om die reden binnen de grenzen van het bestemmingsplan moeten worden gebracht. Het was aan de raad om de gevolgen voor deze bedrijven voorafgaand aan de planvaststelling in beeld te brengen en te beoordelen of deze bedrijven door het bestemmingsplan niet onevenredig worden belemmerd in bijvoorbeeld de bereikbaarheid en exploitatiemogelijkheden. De betogen die Shopping Centre en ook de andere bestaande bedrijven in de Parkhaven in dit verband hebben aangevoerd, zal de Afdeling in deze uitspraak inhoudelijk beoordelen. 21.
  45. Het betoog slaagt niet. Planbegrenzing in relatie tot het totale Scheepvaartkwartier
  46. De bewonersorganisatie en anderen wijzen erop dat plangebied voorheen deel uitmaakte van het plangebied van het bestemmingsplan "Scheepvaartkwartier". Volgens de bewonersorganisatie en anderen is het vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet te verantwoorden dat uitsluitend voor een deel van het plangebied van het bestemmingsplan "Scheepvaartkwartier" een gewijzigd bestemmingsplan is vastgesteld. Zij betogen dat sprake is van een onderlinge samenhang tussen de verschillende deelgebieden van het bestemmingsplan "Scheepvaartkwartier". Ter onderbouwing verwijzen zij naar de rijksmonumenten in het Scheepvaartkwartier, waaronder ook het nabijgelegen rijksmonument Het Park, en de effecten van de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt op deze rijksmonumenten en de groene waarden nabij het plangebied. Ook wijzen zij op de effecten van het bestemmingsplan op het gebied van verkeer in het Scheepvaartkwartier. Zij wensen dat de gevolgen van het bestemmingsplan in samenhang met andere ontwikkelingen in de wijk het Scheepvaartkwartier in één bestemmingsplan waren beoordeeld. 22.
  47. De Afdeling stelt voorop dat de omstandigheid dat zich buiten de grenzen van het plangebied rijksmonumenten en andere cultuurhistorisch waardevolle locaties bevinden waarop het plan ruimtelijke invloed heeft, niet betekent dat die rijksmonumenten en cultuurhistorisch waardevolle locaties om die reden binnen de grenzen van het plangebied moeten worden gebracht. Dat is alleen vereist indien sprake is van een zodanige ruimtelijke samenhang met de omliggende rijksmonumenten en cultuurhistorisch waardevolle locaties dat door deze buiten de grenzen van het plangebied te laten, sprake zou zijn van een planbegrenzing in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor ziet de Afdeling geen aanleiding. Dit laat echter onverlet dat de raad wel de effecten van het plan op de omliggende gronden en de daarop aanwezige rijksmonumenten en andere cultuurhistorisch waardevolle locaties moet beoordelen. Daar gaat de Afdeling hieronder onder 28 en verder aan de hand van de beroepsgronden nader op in. 22.
  48. Ook geldt dat de omstandigheid dat het bestemmingsplan gevolgen heeft voor bijvoorbeeld de verkeerssituatie in het Scheepvaartkwartier, niet betekent dat het Scheepvaartkwartier om die reden volledig binnen de grenzen van het plangebied moet worden gebracht. Op dit punt geldt hetzelfde als hiervoor onder 21.2 en 22.1 is overwogen, namelijk dat de raad deze gevolgen bij de vaststelling van het bestemmingsplan moet onderzoeken en moet beoordelen of die mogelijke gevolgen aanvaardbaar zijn uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Die beoordeling kan plaatsvinden zonder dat het Scheepvaartkwartier binnen de grenzen van het plangebied is gebracht. Van een zodanige ruimtelijke samenhang tussen de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt en de overige delen van het Scheepvaartkwartier, dat hiervoor één bestemmingsplan dient te worden vastgesteld, is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake. 22.
  49. De betogen slagen niet. BEHOEFTE AAN NIEUWE WONINGEN
  50. Stichting Rotterdam Natuurlijk betoogt dat in de plantoelichting bij het gemeentelijk beleid en de woningbouwbehoefte ten onrechte is verwezen naar de "Woonvisie Rotterdam; koers naar 2030, agenda tot 2020" uit 2016 (hierna: de Woonvisie). Uit een rapport van de Rekenkamer Rotterdam uit 2022 blijkt volgens de stichting dat de cijfers die zijn opgenomen in de Woonvisie uit 2016 wankel en onjuist zijn. Ook betoogt de stichting dat ten onrechte wordt gesproken van woningnood. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt volgens de stichting dat geen sprake is van een woningnood in het aantal vierkante meters, maar van behoefte aan klimaatneutrale woningen in het betaalbare segment. Rotterdam Leisure Group stelt zich op een vergelijkbaar standpunt. Zij betoogt dat in de plantoelichting onvoldoende is onderbouwd dat behoefte bestaat aan het type woningen waarin het plan voorziet. Ter onderbouwing stelt zij dat voor een groot deel woningen worden gebouwd in het hogere prijssegment, terwijl de behoefte aan dit type woningen minder is dan waarvan werd uitgegaan in 2019, de periode waarin de behoefteramingen werden opgesteld waar de raad bij de planvaststelling bij is aangesloten. De behoefteraming had dan ook voor de planvaststelling moet worden geactualiseerd, aldus Rotterdam Leisure Group. 23.
  51. De Afdeling stelt voorop dat in de planregels niet is voorgeschreven wat voor typen woningen worden gerealiseerd. Het bestemmingsplan staat er dus niet aan in de weg dat alleen of grotendeels woningen in het lagere prijssegment worden gerealiseerd, waaraan volgens appellanten de meeste behoefte bestaat. De keerzijde is dat het bestemmingsplan er ook niet aan in de weg staat dat woningen worden gerealiseerd in het hogere prijssegment, maar de opvatting van Stichting Rotterdam Natuurlijk en Rotterdam Leisure Group dat aan dit type woningen geen behoefte zou bestaan, deelt de Afdeling niet. Na 2019, het jaartal waar in de beroepschriften in het kader van de behoefteramingen naar is verwezen, is in 2022 kort voorafgaand aan de planvaststelling op provinciaal niveau een nieuwe woningbehoefteraming opgesteld. Het gaat om het "Geactualiseerd Regioakkoord 2022; nieuwe woningmarktafspraken Regio Rotterdam" (hierna: het Regioakkoord 2022), waarin de woningbehoefte voor de periode 2021 tot en met 2030 inzichtelijk is gemaakt. Dit is een actualisatie van het Regioakkoord uit
  52. In het Regioakkoord 2022 staat dat drie jaar na het afsluiten van het Regioakkoord uit 2019 de woningbouwopgave ingrijpend is veranderd. Er is sprake van een woningmarktcrisis, omdat de bevolking sterk is gegroeid en de bevolkingsprognose voor het komende decennium aanzienlijk is verhoogd, zo staat in het Regioakkoord
  53. De raad stelt onder verwijzing naar het Regioakkoord 2022 dat er in de periode tot en met 2030 behoefte is aan 38.200 nieuwe woningen in Rotterdam, waarvan 15.100 in het dure segment. De woningnood is volgens de raad dan ook niet beperkt tot het goedkope segment. De Afdeling stelt vast dat dit standpunt van de raad wordt ondersteund door wat is vermeld in het Regioakkoord
  54. Zo staat als doel in het Regioakkoord 2022 dat de gemeenten in de regio Rotterdam staan voor een uitdaging om in de periode 2021 tot en met 2030 een netto groei van 71.600 woningen te realiseren. Deze doelstelling is nader uitgewerkt in de tabellen 1 en 2 van het Regioakkoord 2022, waarbij uit tabel 1 blijkt dat het voor de gemeente Rotterdam gaat om 38.940 woningen tot en met
  55. Uit de doelstellingen 2 en 3 van het Regioakkoord 2022 blijkt dat het akkoord er onder meer op is gericht dat voldoende woningen in de sociale voorraad en de middeldure voorraad worden gerealiseerd. Uit het Regioakkoord 2022 blijkt dat voor de sociale woningen de streefvoorraad nog niet wordt bereikt, maar dat betekent niet dat dit bestemmingsplan het bestemmingsplan is dat in het oplossen van dit tekort zou moeten voorzien. Uit het Regioakkoord 2022 blijkt voldoende dat ook behoefte bestaat aan woningen in het dure segment. Gelet hierop ziet de Afdeling in wat appellanten hebben aangevoerd - mede gezien de huidige ontwikkelingen op de woningmarkt - geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat het plan wat betreft woningbouw voorziet in een behoefte. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat deze behoefte, met het oog op artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), waarin is voorgeschreven dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, ook is toegelicht in paragraaf 2.4 van de plantoelichting. De betogen slagen niet.
  56. Naast Stichting Rotterdam Natuurlijk en Rotterdam Leisure Groep, heeft ook [appellant sub 8] gewezen op de behoefte aan betaalbare huur- en koopwoningen in de regio Rotterdam en gesteld dat het bestemmingsplan onvoldoende tegemoetkomt aan deze behoefte. Dit betoog van [appellant sub 8] bespreekt de Afdeling niet in deze uitspraak, omdat [appellant sub 8] dit betoog voor het eerst naar voren heeft gebracht in de zienswijze op het STAB-advies en niet in het beroepschrift van 6 april 2023 gericht tegen het bestemmingsplan. Artikel 1.6a van de Chw verzet zich tegen een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond. De Afdeling verwijst naar overweging 13 waar dit nader is toegelicht. Hetzelfde geldt voor het betoog van Stichting Groen Parkhaven in haar zienswijze op het STAB-advies, waarin zij onder verwijzing naar cijfers van Funda en de al in uitvoering zijnde bouwplannen betoogt dat er geen woningnood zou bestaan. ALTERNATIEVE WONINGBOUWLOCATIES
  57. De bewonersorganisatie en anderen betogen dat gekeken dient te worden naar alternatieve locaties voor de in het plangebied voorziene woningbouw. Ter onderbouwing stellen zij dat de gemeente inmiddels al voor 50.000 woningen locaties heeft bedacht, welke locaties volgens hen staan in de in 2019 vastgestelde "Strategische Verkenning Verstedelijking". Ook wijzen zij op de bouwmogelijkheden genoemd in het rapport "Ruimte zat in de stad" van de Koöperatieve Architekten Werkplaats, het rapport "Ruimtelijke ordening en bouwlocaties" van het Economisch Instituut voor de Bouw en een artikel "Groot plan voor woningbouw aan de randen van steden" van de NEPROM. [appellant sub 7] stelt zich op een vergelijkbaar standpunt en betoogt dat de gemeente alternatieve locaties voor ogen heeft voor 50.000 woningen, waartoe de openbare groenstrook bij de Parkhaven niet behoort. 25.
  58. De Afdeling stelt voorop dat de omstandigheid dat het plangebied bij de Parkhaven in gemeentelijke beleidsstukken niet eerder als woningbouwlocatie is aangewezen, niet betekent dat ter plaatse geen woningbouw kan en mag worden ontwikkeld. Dat kan anders zijn wanneer beleid of regelgeving, zoals bijvoorbeeld provinciale regels, aan woningbouw ter plaatse in de weg staan, of wanneer woningbouw ter plaatse om andere redenen niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Of dat het geval is zal de Afdeling in deze uitspraak aan de hand van de beroepsgronden beoordelen. De algemene verwijzing van de bewonersorganisatie en anderen naar verschillende rapporten over woningbouw in algemene zin in Nederland, zoals van de Koöperatieve Architekten Werkplaats, het Economisch Instituut voor de Bouw en de NEPROM acht de Afdeling onvoldoende concreet om te oordelen dat de keuze voor woningbouw in het plangebied onvoldoende zou zijn onderbouwd. Dat geldt ook voor de uitsluitend algemene verwijzing naar het op gemeentelijk niveau vastgestelde rapport "Strategische Verkenning Rotterdam". In dit rapport is onderzocht wat kansrijke verdichtingslocaties zijn. Met de raad is de Afdeling van oordeel dat hieruit geen uitputtende lijst kan worden gedestilleerd van voorziene woningbouwlocaties in Rotterdam. De verkenning staat er niet aan in de weg dat ook op andere locaties wordt voorzien in woningbouw. Daarnaast is de woningbouwopgave volgens de raad te groot om alleen op al aangewezen woningbouwlocaties hierin te voorzien en wordt om die reden woningbouw ook mogelijk gemaakt op nieuwe locaties. Bijvoorbeeld wanneer daarvoor, zoals in dit geval, door een externe partij een concreet plan wordt ingediend, dat plan bijdraagt aan de Rotterdamse woningbouwambities en het plan ook in overeenstemming is met een goede ruimtelijk ordening. Dat is een keuze die de raad mag maken. De vraag of de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid van woningbouw in het plangebied voldoende heeft onderbouwd, zal de Afdeling in het vervolg van deze uitspraak aan de hand van de beroepsgronden beoordelen. De betogen slagen niet.
  59. Naast de bewonersorganisatie en anderen en [appellant sub 7], betoogt ook Stichting Groen Parkhaven in haar zienswijze op het STAB-advies dat het plangebied niet is opgenomen in eerdere beleidsstukken over de beoogde woningbouwlocaties. Dit is een nieuwe beroepsgrond die na de beroepstermijn naar voren is gebracht. Zoals hiervoor onder 13 is toegelicht, laat de Afdeling een dergelijke nieuwe beroepsgrond op grond van artikel 1.6a van de Chw buiten inhoudelijke bespreking. PROVINCIALE OMGEVINGSVERORDENING: RUIMTELIJKE KWALITEIT
  60. De bewonersorganisatie en anderen betogen onder verwijzing naar artikel 6.9, vijfde lid, onder c, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (hierna: de Omgevingsverordening) dat in dit geval sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling die niet past binnen de bestaande gebiedsintensiteit, ook wel transformeren genoemd. Zij wijzen erop dat wanneer sprake is van transformeren, de ruimtelijke ontwikkeling op grond van artikel 6.9, vijfde lid, onder c, van de Omgevingsverordening uitsluitend is toegestaan wanneer de ruimtelijke kwaliteit is gewaarborgd in een integraal ontwerp, waarin onder meer aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd. Hieraan wordt volgens de bewonersorganisatie en anderen onvoldoende voldaan, onder meer omdat een inrichtingsplan ontbreekt. De opvatting van de raad dat geen sprake is van transformeren, maar van inpassen als bedoeld in artikel 6.9, vijfde lid, onder a, van de Omgevingsverordening delen de bewonersorganisatie en anderen niet. Van inpassen kan volgens hen slechts worden gesproken wanneer sprake is van een ontwikkeling op kavelniveau, zoals een nieuwe woning in een lint. In dit geval ontstaat echter een geheel nieuwe gebiedsidentiteit, namelijk van openbaar groen naar wonen en commerciële bedrijvigheid, zo betogen de bewonersorganisatie en anderen. Stichting Groen Parkhaven en Stichting Rotterdam Natuurlijk stellen zich op een vergelijkbaar standpunt. Daarbij wijzen zij ter onderbouwing van hun standpunt dat sprake is van transformeren ook op de impact die het bestemmingsplan volgens hen heeft op de in en nabij het plangebied gelegen rijksmonumenten, zoals de Euromast, Het Park en het Maastunnelcomplex. Van een gelijkblijvende ruimtelijke kwaliteit, zoals artikel 6.9 van de Omgevingsverordening vereist, is volgens hen daarom geen sprake. 27.
  61. In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is het volgende bepaald: "
  62. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. […]
  63. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. […].
  64. Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van: a. duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt; b. wegnemen van verharding; c. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; d. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij i. aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering; […]." 27.
  65. Naar het oordeel van de Afdeling is in dit geval sprake van een ontwikkeling die kwalificeert als ‘aanpassen’ als bedoeld in artikel 6.9, vijfde lid, onder b, van de Omgevingsverordening. De ontwikkeling past namelijk bij de bestaande gebiedsidentiteit. Zo is het plangebied op provinciaal niveau aangewezen als onderdeel van het stedelijk centrumgebied en sluit de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt aan bij de nieuwbouwontwikkelingen in de directe omgeving van het plangebied, zoals de bebouwing in Little Coolhaven en het Lloydkwartier. Om die reden is naar het oordeel van de Afdeling in dit geval, anders dan door appellanten wordt betoogd, geen sprake van transformeren, als bedoeld in artikel 6.9, vijfde lid, onder c, van de Omgevingsverordening. Bij transformeren gaat het om een ontwikkeling van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat, waarbij niet meer wordt aangesloten bij de bestaande identiteit van het gebied. Daarbij worden in de toelichting op de Omgevingsverordening voorbeelden genoemd als een uitleglocatie voor woningbouw of een bedrijventerrein. Gelet op de omstandigheid dat het plangebied in dit geval al onderdeel is van het stedelijk centrumgebied, met in de directe omgeving diverse stedelijke en commerciële functies, is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van transformeren. Naast aanpassen en transformeren, wordt in artikel 6.9, eerste lid, onder a, van de Omgevingsverordening ook de ruimtelijk minst ingrijpende categorie genoemd, namelijk inpassen. Daarvan is volgens de Afdeling, anders dan de raad stelt, in dit geval geen sprake, omdat het dan, mede gelet op de toelichting bij de Omgevingsverordening, gaat om een relatief kleine ontwikkeling die zich afspeelt op het niveau van een kavel, waarbij de ontwikkeling nauwelijks van invloed is op de ruimtelijke kwaliteit van de kavel en omgeving. Het bouwen van acht nieuwe woontorens in een grotendeels op dit moment onbebouwd gebied past naar het oordeel van de Afdeling niet bij deze omschrijving van inpassen. De Afdeling volgt de raad dus niet in de opvatting dat in dit geval sprake is van inpassen. De Afdeling verbindt hieraan op zichzelf echter geen consequenties, omdat de raad wel heeft beoogd om te voldoen aan de voorwaarden onder artikel 6.9, vijfde lid, onder b, van de Omgevingsverordening, die gelden in geval van aanpassen. Dit is hierna onder 27.3 toegelicht. 27.
  66. Wanneer een ontwikkeling kwalificeert als aanpassen, zoals in dit geval, vereist artikel 6.9, vijfde lid, onder b, van de Omgevingsverordening onder meer dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving. Uit het zevende lid volgt dat het in een dergelijke situatie nodig kan zijn om aanvullende ruimtelijke maatregelen te nemen, waaronder het wegnemen van verharding en het toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen. De raad heeft in het verweerschrift en ook op de zitting benadrukt dat de gronden rondom de woongebouwen worden ingericht als een hoogwaardige groene openbare ruimte. Het gebied krijgt volgens de raad een duidelijke kwaliteitsimpuls, onder meer omdat de verharding op de kade van de Parkhaven wordt weggenomen en de kade groen wordt ingericht. Met de hoogwaardige groene openbare inrichting van het plangebied, wordt voorzien in de ruimtelijke maatregelen die op basis van de Omgevingsverordening zijn vereist, aldus de raad. De Afdeling stelt echter vast dat die hoogwaardige groene inrichting, zoals die door de raad wordt benadrukt, onvoldoende volgt uit de planregels bij het bestemmingsplan. Zo is weliswaar op verschillende plaatsen in de planregels bij de bouwregels opgenomen dat sprake moet zijn van een hoogwaardige inrichting van de openbare ruimte als bedoeld in de bij de planregels gevoegde beleidsregel "Hoogwaardige stedenbouwkundige inrichting en beeldkwaliteit", maar naast het feit dat uit die beleidsregel niet duidelijk volgt hoe de hoogwaardige groene inrichting van het plangebied wordt vormgegeven, is in de planregels ook niet geborgd dat die groene inrichting in stand wordt gehouden. Een nadere uitwerking van de groene inrichting en een verplichting tot realisatie en instandhouding daarvan, had in dit geval door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels moeten worden opgenomen, omdat blijkens de planstukken en ook de toelichting van de raad op de zitting de hoogwaardige groene inrichting van het plangebied door de raad wordt gezien als een noodzakelijk onderdeel van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bestemmingsplan. De raad heeft op de zitting zelf ook te kennen gegeven dat die hoogwaardige groene inrichting onderdeel is van zijn oordeel dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft en de ontwikkeling zorgvuldig wordt ingebed in de omgeving, zoals artikel 6.9, vijfde lid, onder b, van de Omgevingsverordening vereist. Door de aanleg en instandhouding van die hoogwaardige groene inrichting niet in de planregels te borgen, is het bestemmingsplan in strijd met artikel 6.9, vijfde lid, onder b, gelezen in samenhang met artikel 6.9, zevende lid, van de Omgevingsverordening vastgesteld. 27.
  67. Met het oog op de rechtspraktijk benadrukt de Afdeling in dit verband dat, anders dan uit eerdere uitspraken van de Afdeling kan volgen, de Afdeling in de hierna genoemde situaties niet langer een rechtvaardiging ziet dat de raad een uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening noodzakelijk geachte maatregel niet in de planregels hoeft te borgen. Het gaat om de situaties: - dat het bevoegd gezag stelt eigenaar, anderszins zakelijk gerechtigde of beheerder te zijn van de gronden waarop zo’n maatregel moet worden gerealiseerd en in stand gehouden, of - de verwachting uitspreekt in de toekomst eigenaar, anderszins zakelijk gerechtigde of beheerder van die gronden te zullen worden en ook toezegt die maatregel te zullen realiseren en in stand te houden, of - wijst op privaatrechtelijke afspraken die de realisatie en instandhouding van die maatregel moeten verzekeren. De reden hiervoor is dat de enkele (toekomstige) eigendoms- of beheersituatie in combinatie met een toezegging omtrent realisatie en instandhouding of een verwijzing naar daarover gemaakte privaatrechtelijke afspraken, onvoldoende afdwingbare waarborgen biedt voor derden die afhankelijk zijn van een publiekrechtelijke regeling die waarborgen biedt voor hun rechtspositie. De rechtszekerheid vereist dat bij een maatregel die uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk wordt geacht voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, in de planregels wordt voorzien in een publiekrechtelijke borging van de realisatie en instandhouding van die maatregel, tenzij dit anderszins publiekrechtelijk is verzekerd. Dit kan veelal door een daarop toegespitste voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen. De Afdeling benadrukt hierbij dat een voorwaardelijke verplichting uitsluitend is vereist voor maatregelen die uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk worden geacht. Daarnaast zijn bijvoorbeeld ook noodzakelijk maatregelen die nodig zijn om aan de vereisten uit een andere wettelijke regeling te kunnen voldoen, zoals bijvoorbeeld de aanleg van een geluidwal om aan een wettelijke geluidgrenswaarde te voldoen, of, zoals in dit geval, maatregelen die nodig zijn om aan de vereisten over de ruimtelijke kwaliteit te voldoen die zijn opgenomen in een provinciale verordening. Ook voor dergelijke maatregelen is een voorwaardelijke verplichting vereist in de hiervoor beschreven situaties, tenzij deze maatregelen anderszins publiekrechtelijk zijn verzekerd. Maatregelen die bijvoorbeeld uitsluitend tot doel hebben om onverplicht tegemoet te komen aan derden, zullen meestal niet als noodzakelijk uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening worden gezien. Dit betekent dat daarvoor de opname van een voorwaardelijke verplichting in de planregels niet is vereist. 27.
  68. De vermelding van de raad in het verweerschrift en ook op de zitting dat de gronden in het plangebied waar de hoogwaardige groene inrichting is voorzien eigendom zijn van de gemeente en dat wordt toegezegd dat de beoogde hoogwaardige groene inrichting ter plaatse zal worden gerealiseerd en in stand gehouden, is in dit geval dan ook geen reden om af te kunnen zien van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan. Die hoogwaardige groene inrichting is namelijk, zoals hiervoor onder 27.3 is overwogen, in dit geval noodzakelijk uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar onderstaande overweging 31.7, waaruit volgt dat de hoogwaardige groene inrichting ook een noodzakelijk onderdeel is van het voorkomen van een aantasting van de cultuurhistorische waarden van de in het plangebied gesitueerde Euromast. De rechtszekerheid vereist in een dergelijke situatie dat niet alleen de aanleg en instandhouding van de hoogwaardige groene inrichting in de planregels met een voorwaardelijke verplichting wordt geborgd, maar ook dat al bij de planvaststelling duidelijk is hoe die inrichting wordt vormgegeven, bijvoorbeeld via een opgesteld inrichtingsplan dat bij de planregels is gevoegd. 27.
  69. De betogen slagen op dit punt. Onder 88 en verder van deze uitspraak zal de Afdeling nader ingaan op de vraag of aanleiding bestaat de raad in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen. CULTUURHISTORISCHE WAARDEN
  70. In en rondom het plangebied bevinden zich meerdere rijksmonumenten, waaronder de Euromast, Het Park, de Parksluizen en het Maastunnelcomplex. De Euromast en een deel van de Maastunnel bevinden zich in het plangebied.
  71. Stichting Groen Parkhaven, Stichting Rotterdam Natuurlijk, de bewonersorganisatie en anderen, [appellant sub 7] en [appellant sub 8] vrezen dat de realisatie van de acht woongebouwen zal leiden tot een aantasting van de cultuurhistorische waarden van de rijksmonumenten in en rond het plangebied. De rijksmonumenten zijn volgens hen van groot belang voor de Rotterdamse identiteit. De bouw van een ‘muur’ van acht woontorens zal grote afbreuk doen aan de samenhang en de betekenis van de rijksmonumenten, zo wordt betoogd. Zij verwijzen hierbij onder meer naar het advies van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (hierna: RCE) van 8 januari 2021, waarin de RCE vanuit cultuurhistorisch oogpunt adviseert om van het plan af te zien, ondanks wat is vermeld in de ten behoeve van het plan opgestelde rapporten, zoals het Masterplan en de bij de planstukken gevoegde cultuurhistorische onderzoeken van SteenhuisMeurs. Volgens genoemde appellanten heeft de raad zich bij de planvaststelling onvoldoende rekenschap gegeven van het negatieve advies van de RCE en is de raad hiervan onvoldoende gemotiveerd afgeweken. Stichting Groen Parkhaven wijst in dit verband nog specifiek op artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarin volgens de stichting aan de raad is opgedragen om cultureel erfgoed te behouden en aantastingen van rijksmonumenten te voorkomen.
  72. De Afdeling zal deze betogen hieronder beoordelen. De Afdeling gaat daarbij, anders dan Stichting Groen Parkhaven wenst, niet in op artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, omdat dit artikel geen onderdeel uitmaakt van het geldende toetsingskader, zoals hiervoor onder 4 is toegelicht. Ook stelt de Afdeling voorop dat zij, anders dan onder meer Stichting Groen Parkhaven betoogt, in de enkele omstandigheid dat de bij de planstukken gevoegde cultuurhistorische onderzoeken van SteenhuisMeurs pas later in het planproces zijn opgesteld en volgens de stichting niet meer hebben geleid tot wijziging van het plan, op voorhand geen aanleiding ziet voor het oordeel dat aan de cultuurhistorische waarden onvoldoende betekenis is toegekend bij de beoordeling van de gevolgen van het plan. Of de raad de effecten van het plan op in en nabij het plangebied gelegen rijksmonumenten voldoende in zijn afweging heeft betrokken, moet worden beoordeeld aan de hand van de beroepsgronden over de effecten van het plan op die rijksmonumenten. Daar zal de Afdeling hieronder nader op ingaan. Euromast
  73. Stichting Groen Parkhaven betoogt dat het bestemmingsplan de monumentale waarden van de Euromast niet respecteert. De bij de planstukken gevoegde onderzoeken van SteenhuisMeurs bieden, in tegenstelling tot wat de raad stelt, volgens de stichting geen ondersteuning voor het standpunt van de raad dat het bestemmingsplan de monumentale waarden van de Euromast respecteert. Zo wordt volgens de stichting in de onderzoeken van SteenhuisMeurs, net als door de RCE, benadrukt dat het open en groene karakter van de Parkhavenstrook en de vrije ligging van de Euromast aan de Maasoever van essentieel belang zijn voor het behoud van de monumentale waarden van de Euromast. Op basis van de rapporten van SteenhuisMeurs kan volgens Stichting Groen Parkhaven niet anders worden geconcludeerd dan dat de waarden van de Euromast substantieel worden aangetast wanneer de mast niet langer als solitair hoog referentiepunt in de open groene ruimte zichtbaar zal zijn, maar in plaats daarvan in verstening zal opgaan. In reactie op het STAB-advies betoogt Stichting Groen Parkhaven dat in de planstukken en het STAB-advies weliswaar staat dat rond de Euromast sprake zal zijn van een open groene ruimte vanwege de onderlinge afstand van 105 m tussen het woonblok noordelijk en het woonblok zuidelijk van de Euromast, maar wanneer rekening wordt gehouden met de breedte van de schacht en de uitkragende onderbouw van de Euromast, dan is de afstand volgens Stichting Groen Parkhaven veel beperkter. De Parkhavenstrook dient volgens de stichting volledig onbebouwd te blijven om de Euromast in zijn geheel, inclusief de voet van de mast, ook op grotere afstand goed te kunnen waarnemen. Wanneer de acht woontorens worden gerealiseerd, zal vanuit verschillende richtingen het zicht op de Euromast verdwijnen, aldus de stichting. In reactie op het STAB-advies betoogt Stichting Groen Parkhaven ook dat, anders dan in het STAB-advies wordt gesuggereerd, de RCE de bevindingen van SteenhuisMeurs wel degelijk in het advies heeft betrokken. Uit verschillende stukken die in het kader van de Wet open overheid zijn verkregen blijkt dat de RCE en SteenhuisMeurs geruime tijd in overleg zijn geweest, waarbij de RCE aan SteenhuisMeurs de kritiekpunten heeft geuit dat de Euromast te veel in de rij van de acht woongebouwen op gaat, zijn exclusiviteit verliest en meer grondvlak nodig heeft om tot zijn recht te komen als solitair bouwwerk in het groen, zo betoogt Stichting Groen Parkhaven. Verder wijst Stichting Groen Parkhaven erop dat in het STAB-advies staat dat de vraag in hoeverre de te beschermen visuele waarden van de rijksmonumenten behouden blijven, voor een belangrijk deel afhankelijk is van de wijze waarop het bestemmingsvlak "Groen" rondom de nieuwe woontorens wordt ingericht. Die groene inrichting is volgens de stichting echter niet in het bestemmingsplan uitgewerkt. Het inrichtingsplan waar in dit kader over wordt gesproken, is ook nog niet vastgesteld. De impressies die van de projectsituatie beschikbaar zijn, zijn bovendien misleidend, zo betoogt Stichting Groen Parkhaven. 31.
  74. Stichting Rotterdam Natuurlijk, de bewonersorganisatie en anderen, [appellant sub 7] en [appellant sub 8] stellen zich op een vergelijkbaar standpunt. Volgens de bewonersorganisatie en anderen is in de gemeentelijke Erfgoedagenda 2017-2020 prioriteit gegeven aan de bescherming van naoorlogse wederopbouwmonumenten, zoals de Euromast. Naast de RCE hebben volgens [appellant sub 7] ook de gebiedscommissies Centrum en Delfshaven negatief over het plan geadviseerd. Hetzelfde geldt volgens de bewonersorganisatie en anderen voor de gemeentelijke commissie voor Welstand en Monumenten. De bewonersorganisatie en anderen betogen dat dergelijke negatieve adviezen ten onrechte niet bij de planstukken zijn gevoegd en ook niet zijn genoemd in de reacties uit het vooroverleg. [appellant sub 8] benadrukt dat naar haar mening de vrije ligging van de Euromast onderdeel is van de te beschermen monumentale waarden van de Euromast. Die monumentale waarden worden volgens haar aangetast wanneer de Euromast achter een rij woontorens komt te liggen en daardoor niet meer goed zichtbaar zal zijn. 31.
  75. Wat betreft het procedurele aspect, namelijk de vraag over de terinzagelegging van de planstukken bij het ontwerpplan, verwijst de Afdeling naar artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. In dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage legt. Het advies van de RCE, dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam in het kader van het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro heeft gevraagd, was in dit geval naar het oordeel van de Afdeling een op het plan betrekking hebbend stuk dat redelijkerwijs nodig was voor de beoordeling van het ontwerp. Dat geldt echter niet voor de adviezen van de gebiedscommissies Centrum en Delfshaven die ongevraagd zijn gegeven. Wanneer de informatie uit het RCE-advies is verwerkt in bijvoorbeeld een nota van inspraak of in de toelichting bij het bestemmingsplan en daarin alle relevante informatie uit het advies is verwerkt, dan geldt dat niet is vereist dat het advies ook nog ter inzage wordt gelegd (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2187, overweging 10.5). Om die reden is in de "Nota Zienswijzen Parkhaven" ten aanzien van het RCE-advies verwezen naar de samenvatting van dit advies in paragraaf 6.2 van de plantoelichting. In paragraaf 6.2 van de plantoelichting wordt ingegaan op de vooroverlegreacties, waaronder van de RCE. De Afdeling stelt vast dat in die paragraaf echter de strekking van het advies van de RCE onvoldoende is weergegeven. Zo volgt daaruit niet duidelijk dat het advies negatief is en welke argumenten de RCE daaraan ten grondslag heeft gelegd. Om die reden concludeert de Afdeling dat sprake is van een schending van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. De Afdeling ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. In dit artikel is namelijk bepaald dat een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Omdat in de plantoelichting staat dat de RCE een advies heeft uitgebracht, konden appellanten en andere belanghebbenden weten dat het advies bestond. Appellanten en andere belanghebbenden hebben gedurende de terinzagelegging van het plan de mogelijkheid gehad dit advies op te vragen om dit te kunnen betrekken bij hun zienswijze. Uit de ingediende beroepschriften blijkt ook dat appellanten over het advies beschikken. Dat Afdeling acht gelet op deze omstandigheden niet aannemelijk dat appellanten en andere belanghebbenden zijn benadeeld doordat het advies van de RCE niet ter inzage heeft gelegen. 31.
  76. Inhoudelijk stelt de Afdeling, net zoals appellanten stellen, allereerst vast dat de RCE, maar ook gebiedscommissies Centrum en Delfshaven, negatief over het plan hebben geadviseerd. In het advies van de RCE staat onder meer dat het plan met grootschalige woningbouw negatieve effecten heeft op het cultureel erfgoed en dat de RCE een dergelijke ingrijpende ontwikkeling niet ondersteunt en om die reden adviseert om van het plan af te zien. Over de Euromast staat in het advies dat de strook rondom de Euromast als groenstrook essentieel is voor de betekenis en de beleving van de Euromast. Volgens de RCE reduceert het plan de zeggingskracht/betekenis van de Euromast als mast solitair oprijzend uit het groen tot een mast oprijzend tussen een reeks stedelijke hoogbouwvolumes. Het open karakter van het gebied neemt sterk af en dat heeft volgens de RCE negatieve invloed op de monumentale waarde en daarmee de belevingswaarde van onder meer de Euromast. De markante vrije ligging en de nog gave relatie met de groene omgeving gaan verloren, aldus de RCE. De adviezen van de gebiedscommissies Centrum en Delfshaven bevatten dezelfde strekking. 31.
  77. De omstandigheid dat de RCE en ook de gebiedscommissies Centrum en Delfshaven negatief over het plan hebben geadviseerd, betekent niet op voorhand dat de raad niet tot vaststelling van het bestemmingsplan heeft kunnen overgaan. Deze, in dit geval, niet verplichte adviezen zijn namelijk niet bindend. Dit laat echter onverlet dat de raad op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onder a, van het Bro in de plantoelichting de wijze dient te beschrijven waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Dit is opgenomen in paragraaf 4.8 van de plantoelichting. Ook geldt op grond van de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Awb, dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering en een zorgvuldige afweging van de betrokken belangen, waarbij geldt dat nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Hieruit volgt dat wanneer de raad advies inwint, zoals in dit geval van bijvoorbeeld de RCE, en hij dat advies vervolgens niet volgt, hij gehouden is deugdelijk te motiveren waarom hij van dit advies afwijkt. Deze motivering zal de Afdeling hieronder beoordelen. Daarbij tekent de Afdeling nadrukkelijk aan dat zij begrip heeft voor de wens van appellanten om de ruimte rondom de Euromast onaangetast te laten, maar dat het niet aan de Afdeling is om te bepalen of, en zo ja, op welke wijze naar de visie van de Afdeling het beste invulling kan worden gegeven aan de huidige groene ruimte rond de Euromast. De Afdeling kan namelijk niet haar eigen oordeel in de plaats stellen van dat van de raad, aan wie bij de te maken afwegingen bij de planvaststelling beleids- en beoordelingsruimte toekomt. Het is bij of ten overstaan van de democratisch gelegitimeerde gemeentelijke bestuursorganen waar voorafgaand aan de planvaststelling politieke discussies konden worden gevoerd over de gemaakte keuzes in het plan. Voor het voeren van dergelijke politieke discussies is bij de Afdeling geen plaats. De Afdeling beoordeelt in deze procedure aan de hand van de beroepsgronden uitsluitend of de keuze van de raad om de woontorens naast de Euromast mogelijk te maken berust op voldoende kennis over de relevante feiten en belangen, of die keuze deugdelijk is gemotiveerd en of de nadelige gevolgen van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. 31.
  78. Op dit punt stelt de Afdeling vast dat in het verweerschrift voorop wordt gesteld dat het bestemmingsplan niet leidt tot wijzigingen aan de Euromast als rijksmonument. De Afdeling volgt op dit punt de vermelding in het verweerschrift. Anders dan appellanten stellen, is de Euromast zelf als oriëntatiepunt in het stadssilhouet van Rotterdam aangewezen als rijksmonument. De omliggende gronden waar de woontorens zijn voorzien, zijn geen onderdeel van dit rijksmonument. Wel is in de omschrijving van de Euromast als rijksmonument melding gemaakt van de markante vrije ligging langs de Maasoever en de nog gave relatie met de omgeving waarop de mast vrije uitzichten geeft. Volgens de raad is hier bij de planvaststelling voldoende rekening mee gehouden en boet de uitstraling van de Euromast als gevolg van het plan niet in aan zeggingskracht. De raad stelt dat het advies van de RCE is betrokken in de belangenafweging en dat ondanks het negatieve advies is geconcludeerd dat het bestemmingsplan voldoende rekening houdt met de cultuurhistorische waarden van de Euromast en dat de nadelige gevolgen van het plan voor de belevingswaarde van de Euromast niet onevenredig uitvallen in verhouding tot de met het bestemmingsplan te dienen doelen. Hieronder zal de Afdeling de hiervoor door de raad gegeven onderbouwing beoordelen. 31.
  79. De raad verwijst voor de onderbouwing van zijn standpunt onder meer naar het Masterplan, waarin in de paragrafen 6.9 tot en met 6.11 nader is ingegaan op de effecten van het plan op de Euromast. In die paragrafen staat dat de betekenis van de Euromast als icoon en oriëntatiepunt voor de stad vrijwel ongewijzigd blijft. De nieuwe bebouwing aan weerszijden van de mast is ten opzichte van zowel de korf van de mast die begint op 86 m als de masthoogte van 185 m, laag te noemen, zo staat in het Masterplan. In het verweerschrift is er daarbij nog op gewezen dat de uitkijkplatforms (het "Kraaiennest) zich bevinden op 100 m en 112 m hoogte. De bebouwingshoogte van de nieuwe woontorens is volgens de raad substantieel lager en varieert van 26 m (direct ten zuiden van de Euromast), 35 m (basishoogte) tot 45 m (twee gebouwaccenten). Deze maximale bouwhoogtes zijn geborgd op de verbeelding en in de planregels van het bestemmingsplan. Het gebouw op de kop is 70 m, maar deze heeft volgens het Masterplan zoveel afstand tot de Euromast dat dit niet met elkaar concurreert. In het totale ensemble is de Euromast duidelijk de baas, aldus het Masterplan. Daarbij is in het Masterplan ter illustratie onderstaande afbeelding opgenomen. Ook is in de paragrafen 6.10 en 6.11 van het Masterplan ingegaan op de zichtlijnen op de Euromast, waaruit blijkt dat in de projectsituatie de Euromast nog vanaf verschillende locaties in de omgeving in zijn geheel is te ervaren. De Afdeling ziet op basis van wat in het Masterplan is toegelicht, geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom het plan volgens de raad geen onevenredige afbreuk doet aan de vrije en solitaire ligging van de Euromast. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar het STAB-advies, waarin de STAB in paragraaf 3.7 concludeert dat rekening is gehouden met de zichtlijnen van en naar de Euromast door middel van de bouwhoogten van de gebouwen en de afstand van de nieuwe bebouwing tot de Euromast. In het STAB-advies wordt onderkend dat de ervaring van de Euromast als solitair element oprijzend uit het groen zal veranderen in een element oprijzend uit een rij losstaande gebouwen, maar volgens de STAB heeft de Euromast de meeste ruimte in deze rij van gebouwen en zal de Euromast door het hoogteverschil als een speciaal element uitrijzend boven de gebouwen waarneembaar blijven. Daarbij wijst de STAB er ook op dat de Euromast als icoon voor Rotterdam waarneembaar is en blijft vanuit grote delen van de stad en dat de nieuwe gebouwen hieraan niets zullen veranderen. Het specifieke element, namelijk de Euromast oprijzend uit het groen, is nu ook al in het grootste deel van de stad niet waar te nemen, zo stelt de STAB. 31.
  80. Echter, in het STAB-advies staat ook dat in hoeverre de te beschermen visuele waarden bij de Euromast behouden blijven, voor een belangrijk deel afhangt van de wijze waarop het bestemmingsvlak "Groen" rondom de Euromast wordt ingericht. Een meer groene inrichting van de oostelijke kade van de Parkhaven, zoals de raad voorstaat, zal het beeld van de Euromast als bijzonder element hoog uitrijzend in een rij losstaande gebouwen in het groen volgens de STAB versterken. Dat de groene inrichting van het plangebied ook voor de raad een belangrijk onderdeel is van het behoud van de monumentale waarden van de Euromast, blijkt onder meer uit de plantoelichting. Daarin staat in de paragrafen 3.2 en 4.8 dat de samenhang tussen de Euromast en het groene grondvlak van de Parkhavenstrook van belang is en dat rondom de Euromast de groene ruimte behouden blijft, zodat de Euromast als icoon van de stad nog steeds blijft "oprijzen uit het groen". Ook in het door SteenhuisMeurs opgestelde rapport "Parkhaven Rotterdam; transformatiekader" wordt in de uitgangspunten voor de woningbouwontwikkeling gesproken over het herkenbaar laten zijn van de Euromast als baken in een groene setting en dat het bouwinitiatief moet worden getoetst aan het behoud van de samenhang tussen de Euromast en het grondvlak, de openheid van de Parkhavenstrook en het groene karakter. Gebaseerd op de genoemde uitgangspunten, bevat het rapport van SteenhuisMeurs een aantal ontwerpprincipes. Net als de STAB, stelt de Afdeling vast dat is aangesloten bij het in het transformatiekader genoemde ontwerpprincipe "paviljoens". Dit ontwerpprincipe is in het transformatiekader omschreven als losse paviljoens in een groenstrook, met elkaar verbonden door een stelsel van publiek toegankelijke tuinen en parkelementen, waarbij op de uiteindes hoogbouwaccenten denkbaar zijn en waarbij richting de Euromast de bouwhoogtes van de paviljoens vermindert, waardoor de mast als solitair element herkenbaar blijft. De gekozen bouwvolumes in het bestemmingsplan passen bij dit ontwerpprincipe van paviljoens. Ook hierbij plaatst de Afdeling echter de kanttekening dat bij dit ontwerpprincipe de groene inrichting rondom de Euromast en de nieuwe woontorens, bestaande uit zogenoemde "greens" tussen de woontorens, een noodzakelijk onderdeel is van het ontwerpprincipe. Omdat de groene inrichting van het plangebied een noodzakelijk onderdeel is van het behoud van de monumentale waarden van de Euromast, is naar het oordeel van de Afdeling vereist dat die groene inrichting is uitgewerkt in het bestemmingsplan en dat de realisatie en instandhouding van die groene inrichting in de planregels is geborgd. Dit heeft de raad op de zitting ook onderkend. Zoals hiervoor onder 27.3 en verder is overwogen, is de groene inrichting van het plangebied en de instandhouding daarvan naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende uitgewerkt en geborgd in de planregels. Dit betekent dat het bestemmingsplan ook in het licht van de bescherming van de monumentale waarden van de Euromast niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De betogen slagen op dit punt. Zoals hiervoor onder 27.6 is overwogen, zal de Afdeling onder 88 en verder van deze uitspraak nader ingaan op de vraag of aanleiding bestaat de raad in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen. Het Park
  81. Stichting Groen Parkhaven betoogt dat de Parkhavenstrook en het rijksmonument Het Park als een eenheid worden ervaren. De openbare toegankelijkheid en recreatieve belevingswaarde van Het Park als ook de ruimtelijke samenhang tussen Het Park en de Parkhavenstrook komen volgens de stichting als gevolg van het bestemmingsplan onder druk te staan. Stichting Groen Parkhaven verwijst hierbij naar de plannen die in 2011 zijn opgesteld voor de renovatie van Het Park, waarin voor de Parkhavenstrook in relatie tot Het Park de voorkeur is gegeven aan een groen- en recreatief programma in plaats van aan verdichting. Om die reden is in het voorheen geldende bestemmingsplan "Scheepvaartkwartier" uit 2014 bebouwing van de Parkhavenstrook ook niet mogelijk gemaakt, om zo de groene buffer aan de westzijde van Het Park te behouden, aldus Stichting Groen Parkhaven. Stichting Rotterdam Natuurlijk, de bewonersorganisatie en anderen, [appellant sub 7] en [appellant sub 8] stellen zich op een vergelijkbaar standpunt. Volgens hen zal de beleving van Het Park ingrijpend veranderen als gevolg van de negatieve uitstraling die acht hoge woontorens hebben op Het Park. Wat betreft de monumentale waarden van Het Park wijst [appellant sub 8] aanvullend op de omstandigheid dat Het Park in de huidige situatie, vanwege de groene open setting van de Parkhavenstrook, aan twee zijden grenst aan het water. Deze unieke ligging wordt volgens [appellant sub 8] aangetast wanneer de Parkhavenstrook wordt bebouwd, omdat dan de verbinding tussen Het Park en de haven vervalt. 32.
  82. De Afdeling stelt voorop dat de omstandigheid dat in het vorige bestemmingsplan "Scheepvaartkwartier" uit 2014 het plangebied hoofdzakelijk was bestemd voor groen en recreatie niet betekent dat hier geen ingrijpende nieuwe planologische ontwikkelingen mogelijk zijn. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. 32.
  83. Over de effecten van het plan op Het Park, heeft de raad voorop gesteld dat Het Park buiten de grenzen van het plangebied ligt en dat met de uitvoering van het bestemmingsplan dus geen activiteiten plaatsvinden in Het Park. De structuur van Het Park zelf blijft hiermee onaangetast. Wat betreft de vraag of de nieuwbouw in het plangebied desondanks de monumentale waarden van Het Park kan aantasten, verwijst de raad naar paragraaf 6.3 van het Masterplan. Daar is erop gewezen dat de westelijke parkrand aan de zijde van het plangebied bestaat uit een dicht aangeplante strook met struiken en bomen die de achterliggende gronden aan het zicht onttrekt. De Euromast is vanuit Het Park zichtbaar, als een naald op de achtergrond, zo staat in het Masterplan. In de projectsituatie blijft, kijkend vanuit de belangrijkste open ruimtes in Het Park richting het westen, de Euromast als icoon de aandachtstrekker. De nieuwbouw van de Parkhaven valt volgens het Masterplan grotendeels weg achter de boomtoppen. Alleen de toren op de kop bij het Droogleever Fortuynplein van 70 m zal zichtbaar zijn. Ook wijst de raad erop dat de ruimtes tussen de woontorens gemiddeld 15 m bedraagt. Dit is volgens de raad voldoende om nog een sfeer van openheid te behouden in relatie tot Het Park. Het voorgaande wordt bevestigd in het STAB-advies. In het STAB-advies staat dat het westelijke deel van Het Park nabij het plangebied relatief dicht is beplant met bomen, waardoor er geen zicht is op het gebied daarachter. Hierdoor vormt de westelijke grens van Het Park volgens de STAB een visuele scheiding met de gronden in het plangebied en is er door het afschermende groen nauwelijks sprake van een visuele samenhang met Het Park. Daarnaast staat in het STAB-advies dat de voorziene gebouwen het zicht op de Euromast vanuit Het Park niet wijzigen en dat pas als men Het Park verlaten heeft de nieuwe gebouwen goed te zien zullen zijn. 32.
  84. De Afdeling ziet geen aanleiding het voorgaande niet te volgen. Hoewel, zoals enkele appellanten op de zitting hebben gesteld, vanuit Het Park in het najaar en de winter wanneer de bomen het blad hebben verloren, meer zicht zal bestaan op het plangebied, acht de Afdeling gelet op de relatief dichte beplanting nog steeds sprake van een voldoende visuele scheiding, zoals in het STAB-advies staat. Naar het oordeel van de Afdeling is dan ook voldoende gemotiveerd dat de woontorens die zijn voorzien in het plangebied de monumentale waarden, waaronder de belevingswaarden, van Het Park, niet onevenredig aantasten. 32.
  85. De betogen slagen niet. Maastunnelcomplex
  86. [appellant sub 7], [appellant sub 8] en de bewonersorganisatie en anderen wijzen ook specifiek op het rijksmonument het Maastunnelcomplex en de nieuwe fiets- en voetgangersbrug die in het bestemmingsplan over dit Maastunnelcomplex is mogelijk gemaakt. Zij vrezen dat de nieuwe fiets- en voetgangersbrug de monumentale waarden van het Maastunnelcomplex zal aantasten. Ook hebben zij betogen naar voren gebracht over de aanlanding van deze nieuwe brug. 33.
  87. Op de zitting is vastgesteld dat zowel [appellant sub 8] als de (leden van) de bewonersorganisatie en anderen geen zicht hebben op het deel van het Maastunnelcomplex waar de fiets- en voetgangersbrug is voorzien. Het op dit punt ontbreken van zicht, geldt naar het oordeel van de Afdeling ook voor [appellant sub 7] die niet op de zitting is verschenen. Gelet hierop is het betoog van [appellant sub 7], [appellant sub 8] en de bewonersorganisatie en anderen dat de monumentale waarden van het Maastunnelcomplex worden aangetast een betoog dat geen betrekking heeft op hun eigen belang waarvoor zij in deze beroepsprocedure opkomen. Het standpunt van onder meer [appellant sub 8] dat zij opkomt voor het algemene belang van alle Nederlanders gericht op het behoud van de monumentale waarden van rijksmonumenten, is een algemeen belang en niet haar eigen belang. Voor een dergelijk algemeen belang kan bijvoorbeeld een stichting opkomen die zich inzet voor het behoud van de monumentale waarden van rijksmonumenten. [appellant sub 8] is niet een dergelijke stichting die opkomt voor het algemene belang. Zij komt, net als [appellant sub 7] en de bewonersorganisatie en anderen, in deze procedure op voor haar eigen belang dat is gelegen in het voorkomen van een aantasting van haar woon- en leefklimaat als gevolg van de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Tot dit woon- en leefklimaat behoort niet het Maastunnelcomplex waarvoor [appellant sub 8], [appellant sub 7] en de bewonersvereniging en anderen in deze procedure ook opkomen. Om die reden laat de Afdeling, zoals hiervoor onder 15 ook is toegelicht, op grond van het relativiteitsvereiste opgenomen in artikel 8:69a van de Awb de beroepsgronden van [appellant sub 8], [appellant sub 7] en de bewonersorganisatie en anderen over de gevolgen van het plan voor de monumentale waarden van het Maastunnelcomplex verder buiten inhoudelijke bespreking. Overige cultuurhistorische waarden
  88. De Afdeling ziet geen aanleiding om naast de Euromast, Het Park en het Maastunnelcomplex ook nog in te gaan op de andere nabij het plangebied gelegen rijksmonumenten of andere cultuurhistorische waardevolle locaties in en nabij het plangebied, omdat hierover geen specifieke beroepsgronden naar voren zijn gebracht. GROEN IN HET PLANGEBIED IN HET LICHT VAN HET GEMEENTELIJK BELEID
  89. [appellant sub 7], Stichting Groen Parkhaven, de bewonersorganisatie en anderen, [appellant sub 8] en Stichting Rotterdam Natuurlijk betogen dat het bestemmingsplan ten koste gaat van waardevol openbaar groen en waardevolle bomen. Volgens hen is het bestemmingsplan in strijd met het daarvoor opgestelde gemeentelijk beleid. Zij vinden dat daaruit volgt dat de Parkhavenstrook groen en onbebouwd moet blijven. Stichting Groen Parkhaven, de bewonersorganisatie en anderen, [appellant sub 8] en Stichting Rotterdam Natuurlijk brengen verder naar voren dat niet is verzekerd dat zal worden voorzien in groencompensatie en dat de buitenruimte groen zal worden ingericht. Deze beroepsgronden zullen hierna worden besproken.
  90. [appellant sub 7], [appellant sub 8], Stichting Groen Parkhaven en de bewonersorganisatie en anderen betogen dat het plan in strijd is met het gemeentelijk beleid dat is neergelegd in het bestemmingsplan "Scheepvaartkwartier" omdat het plangebied daarin is aangewezen als openbaar groen en woningbouw niet mogelijk is. 36.
  91. Zoals hiervoor onder 32.1 ook is overwogen, betekent de omstandigheid dat het plangebied in het voorheen geldende bestemmingsplan "Scheepvaartkwartier" hoofdzakelijk was bestemd voor groen en recreatie, niet dat het niet mogelijk is om een bestemmingsplan vast te stellen waarin in bebouwing wordt voorzien. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De betogen van [appellant sub 7], [appellant sub 8], Stichting Groen Parkhaven en bewonersorganisatie en anderen dat het plan in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan, slagen daarom niet.
  92. Stichting Groen Parkhaven en Rotterdam Natuurlijk betogen ook dat het bestemmingsplan in strijd is met de gemeentelijke omgevingsvisie van 2 december
  93. Stichting Groen Parkhaven wijst erop dat daarin staat dat spreiding van evenementen over verschillende groengebieden nodig is om te voorkomen dat één park te veel wordt belast en dat rustige plekken in het groen moeten worden gegarandeerd. Rotterdam Natuurlijk vindt verder dat de Omgevingsvisie evenals de Woonvisie niet aan het bestemmingsplan ten grondslag mogen worden gelegd, omdat concrete procedures voor participatie en concrete doelen voor de gezondheid, klimaat en leefbaarheid daarin ontbreken. 37.
  94. Uit paragraaf 2.3 van de plantoelichting volgt dat is getoetst aan de "Omgevingsvisie Rotterdam", die is vastgesteld op 2 december 2021, aan de "Woonvisie Rotterdam, koers naar 2020 agenda tot 2020", die op 15 december 2016 is vastgesteld, en aan de aanvulling op de Woonvisie Rotterdam, dat is de nota "Thuis in Rotterdam" die in 2019 is vastgesteld. Deze beleidsdocumenten gaan niet in op concrete projecten en liggen nu ook niet ter beoordeling voor. Gevolgen voor de leefomgeving van bepaalde projecten worden onderzocht in het kader van de voor deze projecten te volgen ruimtelijke procedures, zoals het nu voorliggende bestemmingsplan. Uit de plantoelichting volgt dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de omgevingsvisie en de woonvisie. De betogen geven geen aanknopingspunten voor de conclusie dat dit niet kan worden gevolgd. Uit deze documenten volgt niet dat het plangebied niet mag worden bebouwd. De betogen slagen niet.
  95. De bewonersorganisatie en anderen betogen verder dat het bestemmingsplan ook in strijd is met het "Programma Rivieroevers 2019-2022", het "Masterplan Het Park" uit 2011, het Actieplan "Rotterdam gaat voor groen" uit 2019 en de "Drie Kades Visie". Stichting Groen Parkhaven betoogt ook dat zich strijd voordoet met het "Masterplan Het Park" uit 2011 en het Actieplan "Rotterdam gaat voor groen". Ook [appellant sub 8] wijst op het Actieplan "Rotterdam gaat voor groen". Volgens de bewonersorganisatie en anderen en Stichting Groen Parkhaven volgt uit deze beleidsvisies dat het plangebied niet mag worden bebouwd en is het beleid juist gericht op meer groen en een betere verbinding tussen de stad en het water. De bewonersorganisatie en anderen en Stichting Groen Parkhaven wijzen er op dat in het "Masterplan 2011" staat dat een groen- en recreatief programma gunstiger is dan woonbebouwing en dat vergroting van het parkareaal aan de rivier met hoogwaardige en flexibele groene ruimte te prefereren is boven verdichting. Stichting Groen Parkhaven wijst er verder op dat in het "Masterplan 2011" het plangebied een duidelijke maatschappelijke functie heeft voor evenementen en festivals, om zo Het Park te ontlasten. De bewonersorganisatie en anderen brengen naar voren dat de kwaliteit van de groene Parkhavenstrook ernstig wordt aangetast, onder meer door de kap van monumentale bomen. Ook [appellant sub 8] voert dit aan. De bewonersorganisatie en anderen en [appellant sub 8] wijzen erop dat niet is verzekerd dat het nieuwe groen het verlies aan groen compenseert. Volgens de bewonersorganisatie en anderen en [appellant sub 8] is de groene inrichting ten onrechte niet in de planregels geborgd. [appellant sub 8] wijst in dit verband ook op de ruime omschrijving van wat volgens de planregels onder "Groen" valt en op het overgangsrecht op grond waarvan de hele inrichting van de kade kan blijven zoals dat nu het geval is. Ook Stichting Groen Parkhaven wijst erop dat de groene inrichting van het gebied niet is vastgelegd in de planregels. [appellant sub 8] brengt verder naar voren dat de kade niet groen kan worden ingericht, omdat de aangemeerde schepen van de bestaande bedrijven aan de kade van de Parkhaven zullen blijven liggen. 38.
  96. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de bouw van nieuwe woningen in het plangebied in strijd is met de door appellanten genoemde beleidsdocumenten. Wat betreft de genoemde "Drie Kades Visies" en het "Masterplan Het Park", wijst de Afdeling erop dat deze documenten lange tijd geleden zijn opgesteld in het kader van een renovatie van Het Park en het opknappen van de kade bij de Parkhaven. Dat destijds woningbouw in het plangebied niet in beeld was, betekent niet dat de raad daar na verloop van tijd na veranderde inzichten niet alsnog voor kan kiezen. Ook uit het meer recentere "Programma Rivieroevers 2019-2022" en het document "Rotterdam gaat voor Groen 2019" kan niet worden afgeleid dat het plangebied niet mag worden bebouwd. Het Programma Rivieroevers 2019-2022 is erop gericht om naast de verdichting van het bebouwde gebied vanwege de noodzaak om woningen te bouwen, ook te voorzien in voldoende ruimte voor groen en recreatie. In het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat het Programma Rivieroevers 2019-2022 strategieën bevat voor meer recreatie aan de rivier, betere langzame verkeersroutes en meer en beter groen langs de rivier en een versterking van de beleefbaarheid en identiteit. Volgens de raad draagt de ontwikkeling van Parkhaven daaraan bij, doordat hoogwaardig groen wordt aangelegd en de bestaande route langs de kade een upgrade krijgt. In paragraaf 3.2 van de plantoelichting staat in dit verband onder meer dat de oever van de Parkhaven betekenis krijgt als hoogwaardige groene openbare ruimte met aantrekkelijke groene (recreatieve) routes voor langzaam verkeer. In het verweerschrift heeft de raad verder toegelicht dat de ontwikkeling van de Parkhaven nieuwe verbindingen mogelijk maakt naar Het Park, waaronder een wandel- en een fietsbrug. Verder heeft de raad toegelicht dat al voldaan is aan de doelstelling in het document "Rotterdam gaat voor Groen 2019" om in de collegeperiode 2018-2022 20 hectare groen toe te voegen aan de stad. Bovendien zorgt het bestemmingsplan volgens de raad ook voor een netto toename van het groen. De raad wijst erop dat daktuinen worden gerealiseerd en dat voor de 98 bomen die worden gekapt er 298 bomen worden teruggeplant. 38.
  97. Gelet op wat hiervoor onder 38.1 is overwogen, ligt aan de conclusie dat zich geen strijd voordoet met de door appellanten genoemde beleidsvisies ten grondslag dat een hoogwaardige groene inrichting in het plangebied wordt gerealiseerd, welke inrichting voldoet aan de uitgangspunten van het onder 38.1 genoemde beleid. Onderdeel van die hoogwaardige groene inrichting is blijkens de planstukken onder meer dat de oever bij de Parkhaven wordt ingericht als hoogwaardige groene openbare ruimte met recreatieve routes voor langzaam verkeer, dat wordt voorzien in zogenoemde greens tussen de gebouwen, een groene inrichting rondom de Euromast en de herplant van een groter aantal bomen dan dat er in het plangebied als gevolg van de realisatie van het plan verloren gaat. Zoals hiervoor onder 27.3 tot en met 27.5 en 31.7 is overwogen, is de groene inrichting van het plangebied en de realisatie en instandhouding daarvan naar het oordeel van de Afdeling echter onvoldoende uitgewerkt en geborgd in de planregels. Zo blijkt uit de planregels niet duidelijk hoe de groene inrichting wordt vormgegeven en is in de planregels ook niet geborgd dat die groene inrichting moet worden gerealiseerd en in stand gehouden. De betogen over de groene inrichting van het plangebied in relatie tot het gemeentelijk beleid, slagen daarom eveneens. Het is aan de raad om die groene inrichting via bijvoorbeeld een inrichtingsplan nader vorm te geven, dit inrichtingsplan vervolgens te voegen bij de planregels en de realisatie en instandhouding daarvan te borgen via een voorwaardelijke verplichting in de planregels. In dit inrichtingsplan zal de raad de groene inrichting op zodanige wijze moeten vormgeven dat wordt voldaan aan de uitgangspunten van het onder 38.1 genoemde beleid. Ook zal daarbij rekening moeten worden gehouden met de inpassing van de bestaande bedrijven aan de kade van de Parkhaven, waaronder hun bereikbaarheid, in relatie tot de groene inrichting van de kade. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar wat hierna onder 63 en 63.1 over de bereikbaarheid van de bestaande bedrijven in de Parkhaven is overwogen. Zoals hiervoor onder 27.6 is overwogen, zal de Afdeling onder 88 en verder van deze uitspraak nader ingaan op de vraag of aanleiding bestaat de raad in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen. PARKEREN
  98. Over het aspect parkeren zijn beroepsgronden naar voren gebracht door Rotterdam Leisure Groep, Partyservice Nederland en anderen, Shopping Centre, [appellant sub 8] en de bewonersorganisatie en anderen. Zij vrezen dat het bestemmingsplan leidt tot extra parkeerdruk en zijn van mening dat hiernaar onvoldoende onderzoek is verricht.
  99. Stichting Groen Parkhaven richt zich in haar zienswijze naar aanleiding van het herstelbesluit en haar zienswijze op het STAB-advies ook op het aspect parkeren, maar de Afdeling ziet dit niet terug in het beroepschrift van de stichting. Zij noemt het aspect parkeren in het beroepschrift uitsluitend zijdelings in relatie tot het aspect verkeer, waar onder 56 en verder van deze uitspraak nader op wordt ingegaan. Beroepsgronden dat het bestemmingsplan zou voorzien in onvoldoende parkeerruimte, zoals de Stichting Groen Parkhaven betoogt in haar zienswijze naar aanleiding van het herstelbesluit en haar zienswijze naar aanleiding van het STAB-advies, ontbreken in het beroepschrift van de stichting. Om die reden gaat de Afdeling op grond van artikel 1.6a van de Chw niet in op wat Stichting Groen Parkhaven over het aspect parkeren naar voren heeft gebracht. De Afdeling verwijst hierbij naar wat hiervoor onder 13 over artikel 1.6a van de Chw is toegelicht. De planregels en plantoelichting van het bestemmingsplan en het herstelbesluit
  100. In het bestemmingsplan zoals dat op 2 februari 2023 is vastgesteld, is in artikel 14 van de planregels een voorwaardelijke verplichting over parkeren opgenomen die als volgt luidt: "14.1 Voorwaarden verlenen omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden of bouwwerken kan uitsluitend worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig de 'Beleidsregeling parkeernormen voor auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. Indien dit beleid wordt gewijzigd of herzien, wordt een aanvraag voor een omgevingsvergunning getoetst aan het op dat moment geldende beleid. 14.2 Autoparkeren voor gebruikers van de voorheen bestaande parkeerplaatsen aan de Parkhaven a. In aanvulling op het aantal te realiseren parkeerplaatsen dat volgt uit het parkeerbeleid als bedoeld in het eerste lid, geldt dat de omgevingsvergunning(en) voor de gebiedsontwikkeling aan weerszijden van de Euromast, al dan niet gefaseerd, uitsluitend verleend kunnen worden indien ter plaatse van de gronden met de functieaanduiding 'specifieke vorm van verkeer - parkeergarage 1’ voorzien wordt in minimaal 200 parkeerplaatsen voor autoparkeren voor gebruikers van de voorheen bestaande parkeerplaatsen aan de Parkhaven; b. Indien in de omgevingsvergunning voor de gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - parkeergarage 1’ uitgegaan wordt van minder dan 200 parkeerplaatsen als hiervoor bedoeld onder lid 2, sub a, dan dient door indiener aangetoond te worden dat de resterende parkeerplaatsen elders binnen de gronden met de aanduiding ‘parkeergarage’ worden gerealiseerd. 14.3 Indien toepassing is gegeven aan artikel 14, lid 2, sub dient bij een volgende aanvraag voor een omgevingsvergunning in acht te worden genomen dat 200 parkeerplaatsen of zoveel minder dan al voorzien is op de gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer -parkeergarage 1’, voorzien wordt binnen de gronden met de aanduiding ‘parkeergarage’."
  101. Met het herstelbesluit heeft de raad aan artikel 14 van de planregels het volgende onderdeel toegevoegd: "14.4 Maximum aantal parkeerplaatsen Er mogen niet meer dan 515 parkeerplaatsen voor autoparkeren in het plangebied gerealiseerd worden." Artikel 14 van de planregels is verder ongewijzigd gebleven. Ook heeft de raad met het herstelbesluit paragraaf 3.3 van de plantoelichting over parkeren gewijzigd.
  102. De bewonersorganisatie en anderen betogen in algemene zin dat zij de voorwaardelijke verplichting die op het gebied van parkeren is opgenomen in artikel 14 van de planregels onleesbaar en onbegrijpelijk achten. Zij hebben dit betoog echter niet geconcretiseerd, waardoor dit betoog niet kan slagen.
  103. Hieronder bespreekt de Afdeling de beroepsgronden die betrekking hebben op het aspect parkeren. Daarbij worden achtereenvolgens de volgende aspecten besproken: - maximum van 515 parkeerplaatsen in relatie tot de parkeerbehoefte en parkeerdruk; - te verplaatsen 200 parkeerplaatsen: gebruiksmogelijkheden en locatie; - parkeer-/opstelplaatsen touringcars en gehandicaptenparkeerplaatsen; - overige betogen over parkeren. Maximum van 515 parkeerplaatsen in relatie tot de parkeerbehoefte en parkeerdruk
  104. De Afdeling stelt voorop dat in zowel de plantoelichting en de daarbij gevoegde bijlagen bij het bestemmingsplan als bij het herstelbesluit geen inzicht is gegeven in de gemaakte parkeerberekeningen inclusief een toelichting op de daarbij gehanteerde reductiefactoren, op grond waarvan de raad de conclusies heeft getrokken dat geen sprake zal zijn van een tekort aan parkeerplaatsen. De Afdeling acht zowel het bestemmingsplan als het herstelbesluit op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. De betogen van Rotterdam Leisure Groep, Partyservice Nederland en anderen, Shopping Centre, [appellant sub 8] en de bewonersorganisatie en anderen over parkeren slagen reeds daarom.
  105. De raad heeft bij het verweerschrift in een memo "Toelichting parkeerbehoefte parkhaven" (hierna: de parkeermemo) alsnog inzicht gegeven in de gemaakte berekeningen op grond waarvan de raad de conclusie heeft getrokken dat geen sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen. Met het oog op een finale geschilbeslechting zal de Afdeling in het vervolg van deze uitspraak de beroepsgronden aan de hand van de door de raad alsnog overgelegde parkeermemo beoordelen.
  106. Bij de beoordeling van de beroepsgronden die betrekking hebben op de vraag of het in de planregels opgenomen maximum van 515 parkeerplaatsen toereikend is in het licht van de verwachte parkeerbehoefte van de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, maakt de Afdeling onderscheid tussen twee aspecten: - is in de parkeermemo bij de berekening van de parkeerbehoefte uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden? - zijn de in de parkeermemo gehanteerde reductiefactoren voldoende onderbouwd? In het onderstaande zal de Afdeling op deze twee aspecten nader ingaan. Representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden
  107. In de parkeermemo is een parkeerbalans opgenomen. In de parkeerbalans is voor de 650 woningen die het bestemmingsplan maximaal mogelijk maakt een verdeling gemaakt in sociale huurwoningen, huurwoningen in het middensegment en koopwoningen van verschillende oppervlaktes. De daarbij gehanteerde parkeernormen komen uit de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geldende "Beleidsregeling parkeernormen voor auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" (hierna: de Beleidsregeling), waar in de planregels naar wordt verwezen. In de parkeerbalans staat dat de voor de woningen gehanteerde verdeling een realistische en representatieve invulling vormt van de maximale planologische mogelijkheden, gelet op onder meer de maximale oppervlakte van de in het bestemmingsplan toegekende bestemmingsvlakken voor "Wonen". Ook staat in de parkeermemo dat het in de parkeerbalans gehanteerde woonprogramma is overeengekomen in een tussen de ontwikkelaar en de gemeente gesloten ontwikkelovereenkomst. De Afdeling ziet in de beroepschriften geen concrete argumenten waarom het in de parkeerbalans gehanteerde woonprogramma geen representatieve invulling vormt van de maximale planologische mogelijkheden. Partyservice Nederland en anderen stellen weliswaar in algemene zin dat in de parkeerbehoefteberekening voor de woningen moet worden uitgegaan van 0,8 parkeerplaats per woning, maar deze stelling acht de Afdeling te algemeen. In de memo bij het verweerschrift is immers mede aan de hand van het totaal beschikbare woonoppervlak toegelicht hoe het woonprogramma, zoals dat in de parkeerbalans is gehanteerd, tot stand is gekomen. Partyservice Nederland en anderen hebben niet geconcretiseerd waarom dit woonprogramma geen representatieve invulling vormt van het maximum van 650 woningen. 48.
  108. Hetzelfde geldt ook voor het in de parkeerbalans gehanteerde programma voor de overige functies die het bestemmingsplan mogelijk maakt. In de planregels is de oppervlakte van deze overige functies begrensd op maximaal 8.625 m2, welk maximum ook in de parkeerbalans voor de overige functies is gehanteerd. Dit maximum is in de parkeerbalans onderverdeeld in verschillende functies, zoals horeca en leisure, maatschappelijk en cultureel, commerciële dienstverlening en kantoren. In de beroepschriften wordt naar het oordeel van de Afdeling ook niet voldoende geconcretiseerd op welke punten die invulling te kort zou schieten. Partyservice Nederland en anderen stellen weliswaar in algemene zin dat in de berekeningen geen rekening zou zijn gehouden met de horecafunctie, maar die stelling mist feitelijke grondslag, aangezien in de parkeerbalans wel een horecafunctie is opgenomen. Ook de stelling van Partyservice Nederland en anderen dat voor horeca/restaurant op basis van de Beleidsregeling zou moeten worden uitgegaan 8 parkeerplaatsen per 100 m2 mist feitelijke grondslag. Dit is volgens de Beleidsregeling de parkeerbehoefte voor een restaurant in geval van gebiedstype B, terwijl in dit geval sprake is van gebiedstype A (hoogstedelijk gebied), waarvoor in de Beleidsregeling een lagere parkeernorm is opgenomen. Rotterdam Leisure Group heeft er op de zitting weliswaar op gewezen dat in de parkeerbalans voor sommige overige functies, zoals horeca en leisure, een gemiddelde parkeernorm is gehanteerd, gebaseerd op het gemiddelde van de twee parkeernormen die volgens de Beleidsregeling voor deze twee functies moeten worden gehanteerd, maar dat betekent niet dat de parkeerbalans op dit punt ontoereikend is. Het gaat immers om een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden, waarbij het volgens de raad representatief is om ervan uit te gaan dat een deel van de overige functies evenredig zal worden ingevuld door zowel horeca als leisure, waarvoor om die reden in de parkeerbalans een gemiddelde van de parkeernormen van beide functies is gehanteerd. 48.
  109. Bij het voorgaande tekent de Afdeling nadrukkelijk ook aan dat de parkeerbalans in de parkeermemo uitsluitend tot doel heeft om een inschatting te maken van de toekomstige parkeerbehoefte gebaseerd op een representatieve invulling van het maximale woonprogramma en het maximale programma overige functies in het plangebied. Dit om in het kader van het bestemmingsplan te beoordelen of een maximum van 315 parkeerplaatsen, zoals dat in de planregels is voorgeschreven voor de nieuwe woningen en nieuwe overige functies die in het plangebied zijn mogelijk gemaakt, toereikend kan zijn om in de parkeerbehoefte van deze nieuwe woningen en nieuwe overige functies te voorzien. Bij de uiteindelijke vergunningverlening zal, wanneer het definitieve woonprogramma en definitieve programma aan overige functies bekend is, op grond van artikel 14.1 van de planregels moeten worden getoetst of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid aan de hand van de Beleidsregeling of de opvolger van deze Beleidsregeling. Daarbij zal de parkeerbehoefte van het te realiseren programma het in de planregels opgenomen maximum van 315 parkeerplaatsen niet mogen overschrijden. Daarbij merkt de Afdeling op dat voor de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen en nieuwe overige functies in het plangebied bij de parkeerbehoefteberekening een maximum geldt van 315 parkeerplaatsen, omdat uit artikel 14.2 gelezen in samenhang met artikel 14.4 van de planregels volgt dat van het in artikel 14.4 van de planregels vermelde maximum van 515 parkeerplaatsen 200 parkeerplaatsen dienen ter vervanging van de bestaande parkeerplaatsen op de kade van de Parkhaven. Deze 200 bestaande parkeerplaatsen die de gemeente voornemens is op te heffen, dienen op grond van artikel 14.2 van de planregels volledig te worden gecompenseerd in de nieuwe parkeergarages in het plangebied. Dit betekent dat voor de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen en nieuwe overige functies in het plangebied, 315 parkeerplaatsen resteren. 48.
  110. De betogen over de representativiteit van het in de parkeermemo gehanteerde woonprogramma en programma aan overige functies slagen niet. Reductiefactoren
  111. In de parkeermemo zijn naast een correctie voor dubbelgebruik ook verschillende reductiefactoren toegepast afkomstig uit de Beleidsregeling. Op basis daarvan is in de parkeermemo geconcludeerd dat de parkeerbehoefte van het doorgerekende woonprogramma en programma aan overige functies het maximum van 315 parkeerplaatsen niet overschrijdt. In de Beleidsregeling zijn reductiefactoren opgenomen voor de nabijheid van openbaar vervoer, extra fietsparkeerplaatsen, commercieel aangeboden deelauto’s en de toepassing van Mobility as a Service (hierna: MaaS). Daarbij geldt in de Beleidsregeling voor de laatste drie genoemde reductiefactoren het vereiste dat sprake is van een gebied waarvoor betaald parkeren geldt. Daarvan is in dit geval sprake. Zoals in het STAB-advies staat, is in het plangebied en omgeving, waaronder in het gehele Scheepvaartkwartier sprake van betaald parkeren tegen het hoge centrumtarief van ongeveer € 6 per uur. Aan de gebruikers van de nieuwe woningen en nieuwe overige functies in het plangebied wordt geen parkeervergunning verleend voor parkeren op straat in het betaald parkeergebied. Dit is geregeld in artikel 16 van de Beleidsregeling. In de parkeermemo zijn bij de berekening van de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen en nieuwe overige functies in het plangebied de genoemde reductiefactoren uit de Beleidsregeling toegepast, met uitzondering van MaaS. 49.
  112. Voor fietsparkeren is in de parkeermemo een kortingspercentage op de berekende parkeerbehoefte toegepast van 10%. Dit komt overeen met de Beleidsregeling, waarin in artikel 13, eerste lid, is bepaald dat indien een ontwikkeling in betaald parkeergebied voorziet in extra fietsparkeerplaatsen op eigen terrein, de autoparkeereis met ten hoogste 10% kan worden verlaagd in de verhouding twee fietsparkeerplaatsen in plaats van één autoparkeerplaats. Rotterdam Leisure Group betoogt weliswaar in algemene zin dat onvoldoende is onderbouwd hoe een collectieve fietsenstalling een reductie van 10% van het aantal benodigde parkeerplaatsen kan bewerkstelligen, maar die opvatting deelt de Afdeling niet. In de parkeermemo staat op dit punt dat het realiseren van minder autoparkeerplaatsen ten gunste van extra fietsparkeerplaatsen opportuun is en past bij de trend die sinds 2010 waarneembaar is, waarbij het aantal fietsers in de stad is verdubbeld en elk jaar verder stijgt. Ongeveer 200.000 mensen in Rotterdam pakken dagelijks de fiets, aldus de parkeermemo. Met name de opkomst van elektrische fietsen, deelfietsen, MaaS en bakfietsen draagt volgens de parkeermemo bij aan het stijgende fietsgebruik. In de parkeermemo staat dat de korting van maximaal 10% voor extra fietsparkeerplaatsen verder kan worden onderbouwd door de gunstige fietsverbindingen van en naar de Parkhaven, vanwege de centrale ligging in de stad. Gewezen wordt op de doorgaande hoofdfietsroutes naar het centrum en Delfshaven via de Westzeedijk en naar Zuid via de Maastunnel. Binnen 10 minuten fietsafstand zijn het centrum, Rotterdam CS, historisch Delfshaven, Zuidplein en de Kop van Zuid bereikbaar, zo staat in de parkeermemo. Door de goede fietsverbindingen en stallingsvoorzieningen is het volgens de parkeermemo aannemelijk dat to

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.