(2009), van de VNG. Zij voeren aan dat zij in bezwaar zorgvuldig hebben gemotiveerd dat het gebied moet worden getypeerd als een 'rustige woonwijk'. Dat betekent volgens hen dat een minimale richtafstand van 30 m tussen het perceel en de gevels van hun woningen moet worden aangehouden in plaats van de 10 m die het college aanhoudt. Aan die afstand wordt niet voldaan, aldus [appellant A] en anderen. 8.
- De Antea Group heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In haar memo van 23 juli 2021 staat dat het aspect stemgeluid is beoordeeld aan de hand van de VNG-handreiking. De wijk waarin de school staat, is aangemerkt als 'gemengd gebied', waar een richtafstand van 10 m geldt tussen de perceelsgrens en de gevels van de omliggende woningen. De kortste afstand tussen de bestemming "Maatschappelijk" en een bouwvlak van een woning is 14 m. Er wordt voldaan aan de richtafstand van 10 m, ook indien rekening wordt gehouden met de mogelijkheden van vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken, aldus de memo. Concluderend staat in de memo dat, omdat aan de richtafstand wordt voldaan, sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de omliggende woningen en dat de school niet in de bedrijfsvoering wordt belemmerd. Het college heeft deze memo aan zijn besluit ten grondslag gelegd. 8.
- Het college heeft zich onder verwijzing naar de memo van Antea Group op het standpunt gesteld dat sprake is van 'gemengd gebied'. Het heeft gewezen op de aanwezigheid van een tandartspraktijk, zalencentrum en basisschool in de wijk en op de Zwolseweg, die kan worden aangemerkt als hoofdinfrastructuur in de zin van de VNG-Handreiking. De Zwolseweg is volgens het college een drukke doorgaande weg en zorgt voor de ontsluiting van de wijk. Dat het doorgaand verkeer niet over de Zwolseweg wordt geleid, maar via de Rembrandtkade en IJsselkade wordt omgeleid, zoals [appellant A] en anderen aanvoeren, staat daar volgens het college los van. Omdat de kortste afstand van het schoolplein tot de gevels van de omringende woningen aan de noordkant 14 meter bedraagt, wordt aan die richtafstand voldaan, aldus het college. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat, gelet op de systematiek van de VNG-handreiking, het gebied kan worden getypeerd als 'gemengd gebied'. Dat betekent dat voor de school van een richtafstand van 10 m kan worden uitgegaan. Het betoog slaagt niet.
- [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een zodanige slechte verkeerssituatie dat de omgevingsvergunning niet had kunnen worden verleend. Zij voeren aan dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan een verschil van 10 minuten dat de onder- en bovenbouw hebben in hun rooster om spreiding van leerlingen en verkeersbewegingen te bewerkstelligen. Zij wijzen erop dat dat de lessen van de onder- en bovenbouw dezelfde aanvangs- en eindtijden hebben en het bovendien ook roostertechnisch niet mogelijk is om verschillende tijden te hanteren. Zij voeren verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft meegewogen dat er nagenoeg geen ouders de scholieren met de auto brengen en halen. Zij wijzen erop dat zij nu al dagelijks overlast ondervinden van slordig geparkeerde auto's van ouders. 9.
- De rechtbank is gemotiveerd ingegaan op de grond van [appellant A] en anderen over de te verwachten slechte verkeerssituatie rondom de school. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.9 van de aangevallen uitspraak. De Afdeling betrekt daarbij dat [appellant A] en anderen op de zitting hebben laten weten dat er in de bestaande situatie, met alleen leerlingen in de onderbouw een chaotische situatie was, maar dat het in de nieuwe situatie met de overlast meevalt. Het betoog slaagt niet.
- Over het betoog van [appellant A] en anderen dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan hun betoog dat geen voorschriften aan de vergunning zijn verbonden, overweegt de Afdeling dat het college, anders dan zij lijken te veronderstellen, niet verplicht is om voorschriften aan een omgevingsvergunning te verbinden. Gelet op artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo kunnen alleen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven. [appellant A] en anderen hebben er in beroep wel op gewezen dat het college geen voorschriften aan de vergunning heeft verbonden, maar slechts adviezen aan de vergunninghouder heeft gegeven, maar zij hebben niet onderbouwd dat het college daar in dit geval niet mee kon volstaan. De Afdeling wijst er in dit verband op dat de Planadviesraad welstand, monumenten en beschermd stadsgezicht slechts een advies over de uitvoering van het achterterrein van de school heeft gegeven, wat het college onvoldoende heeft kunnen achten om dat als voorschrift aan de vergunning te verbinden. Het betoog slaagt niet. Conclusie
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van N.D.T. Pieters, griffier. w.g. Bangma lid van de enkelvoudige kamer w.g. Pieters griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025 473