(1980)kan worden opgemaakt dat bij een populatie van boven de 500 wordt verondersteld dat op langere termijn geen variantie verloren gaat, maar dat anderen stellen dat dit getal hoger moet zijn (Lande 1995 en Frankham et al 2014). Per soort moet dit worden bezien. Het edelhert is een polygame soort waarbij inteelt eerder optreedt, zo vervolgt de Quickscan. Voor zover voor edelherten studies beschikbaar zijn, zou dat voor edelherten leiden tot een minimale levensvatbare populatie van ongeveer 400 in het geval van een open populatie en ongeveer 4.000 dieren in een geheel geïsoleerde populatie, aldus de Quickscan. 11.
- De Afdeling maakt uit al deze rapporten en de toelichting daarop ter zitting op dat er op het moment van uitbrengen van het Alterra-rapport op basis van onderzoeksresultaten uit 2007 geen aanleiding was te vrezen voor genetisch verarming of inteelt, die de gunstige staat van instandhouding van de populatie edelherten in de Oostvaarderplassen in gevaar zou brengen. In 2007 waren er volgens de Notitie echter ongeveer 1.750 edelherten aanwezig. Uit het Alterra-rapport kan dus niet de conclusie worden getrokken dat bij een doelstand van 500 edelherten geen aanleiding bestaat te vrezen voor genetisch verarming of inteelt die de gunstige staat van instandhouding van de populatie edelherten in de Oostvaarderplassen in gevaar zou brengen. Het onderzoek van Alterra ziet namelijk op de situatie in 2007 met 1.750 edelherten. Specifieke onderzoeksresultaten over de genetische diversiteit van de populatie edelherten in de Oostvaardersplassen van na 2007 en bij minder dan 1.750 dieren zijn niet bekend. Dat klemt te meer omdat ook uit het Alterra-rapport blijkt dat het monitoren van de situatie aanbevolen is, omdat de genetische samenstelling door de tijd heen sterk kan veranderen. Ook in de Notitie is vermeld dat het niet bekend is hoe de genetische variatie van de edelherten in de Oostvaardersplassen zich na 2007 heeft ontwikkeld en wat het effect van het huidige populatiebeheer op de genetische diversiteit is. 11.
- Vast staat verder dat uit wetenschappelijke literatuur bovendien niet kan worden opgemaakt hoe groot een genetisch voldoende diverse en levensvatbare populatie edelherten exact moet zijn. Er is namelijk geen wetenschappelijke consensus over hoe groot een populatie moet zijn om op de langere termijn levensvatbaar te zijn. Uit de verschillende onderzoeken is wel op te maken dat er sprake is van een bandbreedte van tussen de 400 en 4.000 dieren. Daarbij wordt het aantal hoger bij polygame dieren en bij een volledig geïsoleerde populatie. De Afdeling leidt hieruit af dat de ondergrens van de bandbreedte weliswaar onder de 500 edelherten ligt, maar dat die ondergrens hoger is bij polygame dieren, zoals edelherten en als de populatie geheel geïsoleerd is. 11.
- Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de populatie in de Oostvaardersplassen niet geheel geïsoleerd is. Er zijn ‘inspring’-poorten en dieren kunnen worden bijgeplaatst. De Afdeling overweegt dat alle rapporten ervan uitgaan dat de populatie in de Oostvaardersplassen volledig geïsoleerd is. Voor zover er op dit moment al bruikbare ‘inspring’-poorten zijn, wat Stamina betwist, hebben die er nog niet toe geleid dat de populatie op het moment van die rapporten niet geïsoleerd was. Het college heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat edelherten van buiten de Oostvaardersplassen al gebruik hebben gemaakt van de ‘inspring’-poorten zodat de populatie edelherten in de Oostvaardersplassen als een volledig geïsoleerde populatie moet worden aangemerkt. Uitgaande van polygame dieren en een geheel geïsoleerde populatie moet dus worden geconcludeerd dat niet kan worden uitgegaan van de ondergrens van de aangegeven bandbreedte voor een levensvatbare populatie. 11.
- Het college heeft met het Alterra-rapport en de Notitie dus niet aannemelijk gemaakt dat een populatie van 500 edelherten in de Oostvaardersplassen voldoende genetisch divers zou zijn. Deze tekortkoming kan niet worden ondervangen door maatregelen om de populatie te monitoren en/of het via natuurlijke of kunstmatige weg zorgen voor nieuwe dieren. Die maatregelen zijn niet vastgelegd in de aan de ontheffing verbonden voorschriften, zodat de tijdige uitvoering en instandhouding hiervan onvoldoende verzekerd zijn. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat met de ontheffing geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie edelherten in de Oostvaardersplassen in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Het betoog slaagt in zoverre. 11.
- Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de beoordeling van het betoog van Stamina dat de rechtbank het verzoek om Jansman als deskundige op te roepen niet heeft mogen afwijzen. 11.
- Het college heeft bij de beoordeling van de gunstige staat van instandhouding in de ontheffing niet de staat van instandhouding van edelherten in andere gebieden in Nederland betrokken. Wat Stamina hierover heeft aangevoerd, kan daarom niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Conclusie en definitieve beslechting van het geschil in zaak nr. 202500629/1/A2
- Uit wat hiervoor onder 11.6 is overwogen volgt dat het college het besluit van 6 december 2023 in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet zorgvuldig heeft voorbereid.
- Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college opdragen om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak het hiervoor onder 11.6 geconstateerde gebrek in het besluit van 6 december 2023 te herstellen. Bij de voorbereiding van het gewijzigde of nieuwe besluit behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast.
- In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Hoger beroep met zaak nr. 202103510/1/A2 over het besluit van 27 mei 2020, zoals gewijzigd bij besluit van 9 februari 2023
- De bij het besluit van 18 september 2019 verleende ontheffing is geldig tot en met 31 december 2023, zodat de geldigheidsduur daarvan is verstreken. Bij het wijzigingsbesluit van 9 februari 2023 is de looptijd van de ontheffing ongewijzigd gebleven. Dit maakt dat Stamina geen procesbelang heeft bij het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 april 2021 en het beroep tegen het besluit van 9 februari
- De Afdeling zal daarom het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 april 2021 en het beroep van rechtswege tegen het besluit van 9 februari 2023 niet-ontvankelijk verklaren. Overschrijding redelijke termijn in zaak nr. 202103510/1/A2
- Stamina heeft in zaak nr. 202103510/1/A2 een verzoek ingediend om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
- Of de redelijke termijn is overschreden, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop deze door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, is de redelijke termijn, overschreden, indien de duur van de totale procedure te lang is. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste zes maanden, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren.
- Het college heeft het bezwaar van de stichting ontvangen op 29 oktober
- De procedure is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van vandaag. De procedure heeft dus in totaal vijf jaar en negen maanden geduurd. De redelijke termijn is dus overschreden met een jaar en negen maanden. Omdat de behandelduur bij de Afdeling gerekend vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift op 1 juni 2021 meer dan vier jaar heeft geduurd, moet de overschrijding van de redelijke termijn aan de Afdeling worden toegerekend. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan Stamina toe te kennen schadevergoeding in totaal € 2.000,
- Proceskosten in zaak nr. 202103510/1/A2
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: - in de zaak met zaak nr. 202500629/1/A2 I. draagt het college van gedeputeerde staten van Flevoland op om binnen zestien weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen onder 11.6 is overwogen het gebrek in het besluit van 6 december 2023 te herstellen en de Afdeling de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen; - in de zaak met zaak nr. 202103510/1/A2 II. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; III. verklaart het beroep tegen het besluit van 9 februari 2023 niet-ontvankelijk; IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) om aan Stichting Aanpak Misstanden Natuurbeheer een schadevergoeding van € 2.000,00 te betalen. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier. w.g. Willems voorzitter w.g. Komduur griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025 809 BIJLAGE Wet natuurbescherming Artikel 1.1
- In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […] - gunstige staat van instandhouding van een soort: staat van instandhouding van een soort waarvoor geldt dat: a. uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en b. het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en c. er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden; […] Artikel 1.11
- Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
- De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. […] Artikel 3.5
- Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. […] Artikel 3.8
- Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. […]
- Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: 1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4°. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5°. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Artikel 3.10
- Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; […]
- Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: […] c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; […] Artikel 3.12
- Er zijn faunabeheereenheden die voor hun werkgebied een faunabeheerplan vaststellen. Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan. […]
- Faunabeheereenheden stellen een of meer faunabeheerplannen vast voor hun werkgebied. Ten aanzien van door Onze Minister vanwege de omvang van hun leefgebieden aangewezen diersoorten stellen de faunabeheereenheden, in wier werkgebied het leefgebied is gelegen, gezamenlijk een faunabeheerplan vast. […]
- Het faunabeheerplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie waarin de faunabeheereenheid werkzaam is. Ingeval een gezamenlijk faunabeheerplan is vastgesteld door faunabeheereenheden in verschillende provincies, geschiedt de goedkeuring door gedeputeerde staten van de provincie waarin het leefgebied van de soort grotendeels is gelegen, in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het leefgebied mede is gelegen. Een goedgekeurd faunabeheerplan wordt openbaar gemaakt door de betreffende faunabeheereenheid. […] Artikel 3.17
- Ten behoeve van de beperking van de omvang van een populatie van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, of van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, verlenen gedeputeerde staten ontheffing als bedoeld artikel 3.3, eerste, vierde en vijfde lid, 3.4, tweede lid, 3.8, eerste en vijfde lid, 3.9, tweede lid, of 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, indien deze beperking nodig is: […] b. in geval van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid: 1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom, of 3°. in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, of c. ingeval dieren van soorten als bedoeld in 3.10, eerste lid, met uitzondering van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid: 1°. om de redenen genoemd in onderdeel b; 2°. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, industrieterreinen of begraafplaatsen, 3°. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren, en 4°. in het algemeen belang.
- Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend aan een faunabeheereenheid, die handelt overeenkomstig het daartoe vastgestelde en goedgekeurde faunabeheerplan.
- De faunabeheereenheid kan bij schriftelijke en gedagtekende toestemming de haar ingevolge het eerste en tweede lid toegestane handelingen door een wildbeheereenheid of anderen doen uitoefenen. […] Artikel 3.18
- Gedeputeerde staten kunnen aan faunabeheereenheden of wildbeheereenheden, aan andere samenwerkingsverbanden van personen, of aan personen opdracht geven om, in afwijking van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.1, 3.4, eerste lid, 3.5, 3.9, eerste lid, en 3.10, eerste lid, de omvang van een bij de opdracht aangeduide populatie van vogels of van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, te beperken als dat nodig is om de onderscheidenlijke redenen, genoemd in artikel 3.17, eerste lid, onderdelen a, b en c. De artikelen 3.3, vierde en vijfde lid, 3.8, vijfde lid, en 3.10, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op die opdracht. […] Artikel 3.24
- Een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt. […] Bijlage, behorende bij artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming Onderdeel A (behorende bij artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a) […] Edelhert […]