← Nederland

ECLI:NL:RVS:2025:3534

202307632/1/V

  1. Datum uitspraak: 30 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 november 2023 in zaak nr. 23/5808 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 6 september 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 17 mei 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N.B. Swart, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld. Overwegingen
  2. Appellant klaagt in de zesde grief over het oordeel van de rechtbank, dat de minister in het besluit van 17 mei 2023 terecht alleen heeft verwezen naar een eerder genomen terugkeerbesluit zonder opnieuw te beoordelen of er sprake is van een risico op refoulement. De Afdeling stelt vast dat appellant volgens de verwijzing naar het eerder genomen terugkeerbesluit zou moeten terugkeren naar Armenië, terwijl de minister in deze procedure heeft beoordeeld of appellant bij vertrek naar Guinee in een medische noodsituatie terechtkomt. De Afdeling heeft de minister bij brief van 26 mei 2025 onder meer gevraagd om het eerder genomen terugkeerbesluit over te leggen en daarbij toe te lichten waarom appellant moet terugkeren naar Armenië en niet naar Guinee. De minister heeft geen reactie gegeven. Appellant betoogt daarom terecht dat de minister haar standpunt dat appellant moet terugkeren naar Armenië onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De grief slaagt.
  3. De overige grieven leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
  4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 17 mei
  5. De minister moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de minister dat niet te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 november 2023 in zaak nr. 23/5808; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 17 mei 2023, V-[...]; V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. B.P. Vermeulen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier. w.g. Vermeulen lid van de enkelvoudige kamer w.g. Pronk griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2025 1028

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.