202308010/1/R3. Datum uitspraak: 30 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Ambt Delden, gemeente Hof van Twente, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 november 2023 in zaak nr. 22/1975 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente. Procesverloop Bij besluit van 23 september 2022 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van 16.805 m2 aan teeltondersteunende voorzieningen op het perceel [locatie] in Ambt Delden. Bij uitspraak van 16 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 20 juni 2025 behandeld, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door G.M. Jannink en B.J.M. Beernink-Rouweler, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 5 november 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. [appellant] exploiteert op het perceel [locatie] een kwekerij die zich in hoofdzaak bezig houdt met de teelt van asperges. [appellant] wil de kwekerij uitbreiden door ook fruit te telen. Om deze uitbreiding mogelijk te maken wil [appellant] op het perceel 16.805 m2 aan teeltondersteunende voorzieningen realiseren. Daarvoor heeft hij een omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" aangevraagd. 3. Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente" hebben de gronden van het perceel de bestemming "Agrarisch". Aan het noordelijke deel van het perceel is ook de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Uit artikel A van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2020" blijkt dat, als op de verbeelding geen bestemming is opgenomen, de bestemming op de verbeelding van het bestemmingsplan ervoor geldt, met de aangepaste regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2020" (hierna: de planregels). 4. Bij besluit van 23 september 2022 heeft het college geweigerd om een omgevingsvergunning te verlenen. Volgens het college is het bouwplan in strijd met artikel 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels in samenhang bezien met de verbeelding, omdat dit de maximale bebouwingsoppervlakte overschrijdt. Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo is de aanvraag daarom mede aangemerkt als aanvraag voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Het college is niet bereid om op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan af te wijken, omdat de raad bij besluit van 13 september 2022 heeft geweigerd de vereiste verklaring van geen bedenkingen af te geven. Toetsingskader 5. Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is het toetsingskader voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’. Dat is een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo houdt in dat het college uitsluitend moet beoordelen of zich één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet het de gevraagde vergunning verlenen. Als dat wel zo is, dan moet het de gevraagde vergunning weigeren. Het college heeft daarbij dus geen ruimte om een belangenafweging te maken. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo moet de vergunning onder meer worden geweigerd als het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het tweede lid van artikel 2.10 van de Wabo bepaalt dat de aanvraag in dat geval ook wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’. Dan gaat het dus ook om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. 6. De relevante wet- en regelgeving, voor zover niet geciteerd in de overwegingen, is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak. Beoordeling van het hoger beroep Is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan? 7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dat er dus ook geen omgevingsvergunning nodig was voor het afwijken van het bestemmingsplan. Daartoe voert [appellant] allereerst aan dat artikel 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels geen rol kan spelen bij de toetsing van het bouwplan aan het bestemmingsplan, aangezien de daarin opgenomen bouwregel alleen ziet op de bouw van teeltondersteunende voorzieningen die zijn aan te merken als bedrijfsgebouw. Volgens [appellant] is artikel 3.2.1 van de planregels namelijk alleen van toepassing op teeltondersteunende voorzieningen die zijn aan te merken als bedrijfsgebouw omdat artikel 3.2.1 staat vermeld onder het kopje "Bedrijfsgebouwen". Hij verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2612, onder 8.1. De rechtbank heeft in dit verband volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat het bouwplan voorziet in de bouw van teeltondersteunende voorzieningen die zijn aan te merken als bedrijfsgebouw. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte gewicht toegekend aan de grootte en hoogte van de teeltondersteunende voorzieningen, en deze ten onrechte vergeleken met een kas. [appellant] voert verder aan dat artikel 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels onverbindend moet worden verklaard. Daarover heeft hij op de zitting toegelicht dat de planregel onverenigbaar is met de op het perceel rustende bestemming "Agrarisch" omdat de planregel die bestemming ter plaatse niet realiseerbaar maakt. De teelt van gewassen vindt immers voornamelijk plaats op de gronden rondom het bouwvlak en niet slechts ter plaatse van het bouwvlak. Artikel 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels is om die reden evident in strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), aldus [appellant]. 7.1. De relevante planregels luiden als volgt: "Artikel 1 Begrippen […] 1.125 teeltondersteunende voorzieningen: bouwwerken, niet zijnde kassen, die door grondgebonden agrarische bedrijven toegepast worden om de teelt van fruit, bomen, groente of potplanten te bevorderen en te beschermen; hieronder wordt mede begrepen afdekfolies; […]" "Artikel 3 Agrarisch […] 3.2 Bouwregels 3.2.1 Bedrijfsgebouwen Bedrijfsgebouwen, teeltondersteunende voorzieningen en bedrijfswoningen voldoen aan de volgende kenmerken: a. gebouwd binnen het bouwvlak; […]" 7.2. Over het betoog van [appellant] dat artikel 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels onverbindend moet worden geacht, overweegt de Afdeling als volgt. De mogelijkheid om de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen in een procedure die is gericht tegen een besluit over de verlening van een omgevingsvergunning, strekt niet zover dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. Als in een procedure over vergunningverlening wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, dan moet de bestemmingsregeling alleen onverbindend worden geacht of buiten toepassing worden gelaten als de bestemmingsregeling evident in strijd is met de hogere regeling. Om evident te zijn, is onder meer vereist dat de hogere regelgeving zo concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent. Wat [appellant] heeft aangevoerd dwingt niet zonder meer tot de conclusie dat artikel 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels in strijd moet worden geacht met de goede ruimtelijke ordening zoals neergelegd in artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. Dat met deze planregel de gronden buiten het bouwvlak niet voor agrarische activiteiten kunnen worden gebruikt, omdat daar geen bouwwerken voor teeltondersteuning op zijn toegestaan - wat daar ook van zij - is verder niet concreet onderbouwd. Omdat het bestemmingsplan niet evident in strijd is met een hogere regeling, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in zoverre onverbindend moet worden geacht. Het betoog slaagt in zoverre niet. 7.3. Over het betoog van [appellant] dat de bouwregels in artikel 3.2.1 van de planregels alleen betrekking hebben op teeltondersteunende voorzieningen die zijn aan te merken als bedrijfsgebouw, overweegt de Afdeling als volgt. Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.