ECLI:NL:RVS:2025:3599
BRS.25.000834 ECLI:NL:RVS:2025:3599 Datum uitspraak: 1 augustus 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, gedateerd 4 juli 2025 in zaak nr. NL25.26254 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop Bij besluit van 30 mei 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak gedateerd 4 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. B. Snoeij, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Op verzoek van de Afdeling heeft de rechtbank schriftelijke inlichtingen gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
Overwegingen 1. In zijn enige grief betoogt appellant dat de rechtbank niet binnen de bij artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000 gestelde termijn van zeven dagen na sluiting van het onderzoek uitspraak heeft gedaan en dat dit gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de bewaring.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier. w.g. de Moor-van Vugt lid van de enkelvoudige kamer w.g. Dallinga griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2025 18-1137