← Nederland

ECLI:NL:RVS:2025:4404

BRS.25.001241 ECLI:NL:RVS:2025:4404 Datum uitspraak: 19 september 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 augustus 2025 in zaak nr. NL24.5291 in het geding tussen: [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3], en de minister. Procesverloop Bij besluit van 28 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkenen verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en een aanvraag voor verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd voor betrokkenen 1 en 2 afgewezen. Bij besluit van 29 januari 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover het gaat over de afwijzing van de aanvraag voor verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd voor betrokkenen 1 en 2, het besluit van 28 juli 2021 herroepen, voor zover het gaat over de afwijzing van de aanvraag voor verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd voor betrokkenen 1 en 2, en bepaald dat de minister binnen vier weken na de verzending van de uitspraak de door betrokkenen 1 en 2 gevraagde verblijfsvergunningen verleent en dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 29 januari

  1. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. N. Vreede, advocaat in Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen
  2. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op haar hoger beroep heeft beslist.
  3. Gelet op de belangen die de minister en betrokkenen naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
  4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier. w.g. Soffers voorzieningenrechter w.g. Pronk griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2025 1028

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.