(3)cement- of betonwaren met behulp van persen, triltafels of bekistingstrillers met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000 kg per dag of meer. Voor andere betoncentrales bepaalde artikel 2.2a, vijfde lid, onder b, dat een obm-vergunning nodig was voor: "het vervaardigen van betonmortel en de daarbij behorende op- en overslag van grind, zand, cement en vulstof […]". Op 1 juli 2013 trad een wijziging van artikel 2.2a van het Bor in werking die inhield dat het vijfde lid vernummerd werd tot het vierde lid (Stb. 2013/205). Op 1 maart 2014 wijzigde de tekst van artikel 2.2a, vierde lid, onder b, van het Bor. Vanaf dat moment was geregeld dat een obm-vergunning nodig is voor "het aanvangen met of het veranderen van het vervaardigen van betonmortel […] en daarbij de op- en overslag van grind, zand, cement en vulstof […]". 5.
- Uit de nota van toelichting bij de wijziging van het Bor per 1 maart 2014 kan worden afgeleid dat de wijziging van de tekst van artikel 2.2a, vierde lid, onder b van het Bor is doorgevoerd omdat uit de tekst die vanaf 1 januari 2013 geldt zou kunnen worden afgeleid dat eenmalig een obm-vergunning nodig is en niet voor latere veranderingen van de activiteit (Stb. 2014/20 p. 64). 5.
- Niet in geschil is dat de Hinderwetvergunning, die gelijkgesteld werd met een omgevingsvergunning milieu, door de wijzigingen van het Activiteitenbesluit en het Bor per 1 januari 2013 is vervallen. Verder staat vast dat, anders dan bij veel andere wijzigingen van artikel 2.2a van het Bor waarbij de ‘e-vergunningplicht’ voor activiteiten werd gewijzigd in een obm-vergunningplicht, bij de wijziging die op 1 januari 2013 van kracht werd niet is bepaald dat een onherroepelijke en in werking getreden omgevingsvergunning milieu gelijkgesteld wordt met een obm-vergunning. De vraag die in deze zaak speelt is welke betekenis toekomt aan het vervallen van de Hinderwetvergunning (omgevingsvergunning milieu) en het ontbreken van een gelijkstellingsbepaling bij de uitleg van de op 1 januari 2013 geïntroduceerde obm-vergunningplicht voor het ‘vervaardigen van betonmortel’, als bedoeld in artikel 2.2a, vijfde lid, onder b, van het Bor zoals deze bepaling tot 1 maart 2014 gold. De rechtbank heeft die bepaling betrokken in haar uitspraak en dat oordeel is door het college en Nautisch Centrum B.V. bestreden. Kort gezegd is de vraag hoe de obm-vergunningplicht voor ‘het vervaardigen van betonmortel’ die vanaf 1 januari 2013 geldt, moet worden uitgelegd voor bedrijven die vóór die datum over een onherroepelijke en in werking getreden omgevingsvergunning milieu beschikten. 5.
- De wijziging van de regelgeving op 1 januari 2013 betekent volgens de rechtbank dat vanaf die datum voor het vervaardigen van betonmortel een obm-vergunning nodig was, ook al beschikte het bedrijf voor die datum over een omgevingsvergunning milieu. Een redelijke uitleg van artikel 2.2a, vijfde lid, onder b, van het Bor brengt volgens de rechtbank echter met zich, dat een bedrijf dat bezig was met het vervaardigen van betonmortel op 31 december 2012 op basis van een omgevingsvergunning milieu, niet ineens op 1 januari 2013 in overtreding was van het verbod in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, omdat het bedrijf een obm-vergunning nodig had. Zolang het vervaardigen niet stopt en later weer aanvangt of verandert, hoeft het bedrijf geen obm-vergunning aan te vragen. Omdat het bedrijf al lang gestopt was met het vervaardigen van betonmortel - volgens de rechtbank vanaf 2007 - heeft het bedrijf voor de opstart van de centrale na 1 januari 2013 en het aanvangen met het vervaardigen van betonmortel, een obm-vergunning nodig. De rechtbank gaat er met andere woorden vanuit dat Nautisch Centrum B.V., of haar rechtsvoorganger, vanaf 1 januari 2013 niet langer over een toestemming voor het vervaardigen van betonmortel beschikte. 5.
- De Afdeling is van oordeel dat Nautisch Centrum B.V. en het college terecht betogen dat de rechtbank een onjuiste uitleg geeft aan de wijziging van de regelgeving per 1 januari
- Zij licht dat als volgt toe. 5.
- De Afdeling is van oordeel dat artikel 2.2a, vijfde lid, onder b, van het Bor, zoals deze bepaling gold tot 1 maart 2014, zo moet worden gelezen dat een obm-vergunning voor het vervaardigen van betonmortel nodig is voor de oprichting en verandering van die activiteit. Die lezing sluit aan bij de regeling over de omgevingsvergunning milieu en de meldingsplicht op grond van het Activiteitenbesluit, die beide gekoppeld zijn aan de oprichting en verandering van een inrichting. Verder is ook de obm-vergunningplicht voor betoncentrales die vallen onder het derde lid, onder b, gekoppeld aan het oprichten of veranderen van de inrichting. In de nota van toelichting bij de wijziging van het Bor wordt op p. 142 toegelicht dat de obm-vergunningplicht bij de activiteit in het derde lid, onder b nodig is vanwege geluid en bij de activiteit in het vijfde lid, onder b, vanwege luchtkwaliteit. In de nota van toelichting wordt niet ingegaan op het verschil in redactie van beide bepalingen die beide betrekking hebben op inrichtingen voor het vervaardigen van betonmortel. De nota van toelichting biedt geen aanknopingspunten dat met het verschil in redactie is bedoeld de obm-vergunningplicht voor de activiteit in artikel 2.2a, vijfde lid, onder b, op een ander moment te laten ontstaan dan bij de activiteit in artikel 2.2a, derde lid, onder b. 5.
- Een logische en redelijke uitleg bij die lezing van artikel 2.2a, vijfde lid, onder b, is dan dat activiteiten die voor 1 januari 2013 een onherroepelijke en in werking getreden milieuvergunning voor het vervaardigen van betonmortel hadden, obm-vergunningplichtig worden als zij die activiteit gaan veranderen ten opzichte van de milieuvergunde situatie. Deze uitleg is ook te vinden in de nota van toelichting bij een eerdere wijziging van artikel 2.2a van het Bor waarbij andere activiteiten onder de obm-vergunningplicht werden gebracht en niet voorzien werd in een gelijkstellingsbepaling (Stb. 2010/781, p. 34). 5.
- De Afdeling volgt dus niet de uitleg die de rechtbank en de Milieuvereniging geven aan het ontbreken van een gelijkstellingsbepaling, namelijk dat op 1 januari 2013 alle betoncentrales obm-vergunningplichtig werden, ook al beschikten zij voor die datum over een onherroepelijke en van kracht zijnde omgevingsvergunning milieu. Die uitleg houdt, zoals de rechtbank ook onderkende, in dat betoncentrales vanaf 1 januari 2013 in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo in werking zijn. De Afdeling ziet in de nota van toelichting bij deze en ook andere wijzigingen van artikel 2.2a van het Bor geen aanknopingspunten voor deze, uit oogpunt van rechtszekerheid van de "e-vergunninghouders", verstrekkende uitleg. Integendeel, uit de nota’s van toelichting bij de verschillende wijzigingen van artikel 2.2a van het Bor, kan juist worden afgeleid dat niet beoogd werd dat met het vervallen van de "e-vergunning" opnieuw een omgevingsvergunning - ditmaal een obm-vergunning - moest worden aangevraagd. 5.
- De opvatting van de rechtbank dat een redelijke uitleg van artikel 2.2a, vijfde lid, onder b, van het Bor met zich brengt dat een bedrijf dat op 31 december 2012 op basis van een omgevingsvergunning milieu bezig was met het vervaardigen van betonmortel, op 1 januari 2013 niet obm-vergunningplichtig werd zolang het vervaardigen niet stopt en wel obm-vergunningplichtig werd als het vervaardigen, na feitelijk gestopt te zijn geweest, weer aanvangt, onderschrijft de Afdeling ook niet. De Afdeling ziet in de tekst van artikel 2.2a, vijfde lid, onder b, van het Bor en de nota van toelichting, geen aanknopingspunten voor de uitleg dat het daadwerkelijk vervaardigen van betonmortel op 31 december 2012 relevant is voor het ontstaan van de obm-vergunningplicht voor bedrijven die voor 1 januari 2013 over een onherroepelijke en van kracht zijnde omgevingsvergunning milieu beschikten. 5.
- Het voorgaande betekent dat Nautisch Centrum B.V. en het college terecht betogen dat op 1 januari 2013 de uit de Hinderwetvergunning voortvloeiende toestemming voor het vervaardigen van betonmortel niet is vervallen. In het licht van de 18 december-uitspraak betekent dit dat Nautisch Centrum B.V. beschikt over een milieutoestemming die is verleend voor de referentiedatum en die sindsdien is gecontinueerd. De omvang van de referentiesituatie
- Nautisch Centrum B.V. en het college betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor intern salderen niet alleen de vergunde maar ook de feitelijke situatie relevant is. Voor het bepalen van de omvang van de referentiesituatie is volgens hen, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, niet van belang of het bedrijf steeds in werking is geweest en de emissieruimte daadwerkelijk is benut. 6.
- Zoals hiervoor onder 4.2 is uiteengezet is in de 18 december-uitspraak de rechtspraak over het bepalen van de omvang van de referentiesituatie die ontleend wordt aan een milieutoestemming gewijzigd. De gevolgen die zijn toe te rekenen aan bestaande onderdelen van de milieuvergunde activiteit mogen in de referentiesituatie worden betrokken, voor zover die onderdelen feitelijk zijn gerealiseerd en, voor zover deze structureel niet meer in gebruik zijn, zonder natuurtoestemming opnieuw in gebruik kunnen worden genomen. Hierbij geldt als peilmoment bij intern salderen met een eigen milieutoestemming, de aanvraag voor een natuurvergunning of een ander objectief bepaalbaar moment. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld, zij het op andere gronden, dat ook de feitelijke situatie relevant is voor het bepalen van de omvang van de referentiesituatie die aan de Hinderwetvergunning kan worden ontleend. Het betoog slaagt niet. 6.
- De Afdeling gaat in deze uitspraak niet in op het verzoek van Nautisch Centrum B.V. en het college om uitsluitsel te geven over de omvang van de referentiesituatie die aan de Hinderwetvergunning kan worden ontleend, in het licht van wat in de 18 december-uitspraak staat over onderdelen van een milieutoestemming die feitelijk zijn gerealiseerd, maar structureel niet meer in gebruik zijn. De reden daarvoor is dat het college, met inachtneming van wat in de 18 december-uitspraak staat, eerst aan zet is om de relevante feiten en omstandigheden voor het bepalen van de omvang van de referentiesituatie te inventariseren en te beoordelen, zoals de periode waarin de centrale niet in werking is geweest en de invloed van de brand die in 2015 plaatsvond. Conclusie hoger beroepen
- De hoger beroepen van Nautisch Centrum B.V. en het college zijn gegrond. Omdat hun hoger beroepen niet zijn gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de vergunning te vernietigen (zie 4.3) heeft de gegrondverklaring van het hoger beroep geen gevolgen voor die beslissing. 7.
- Het college moet een nieuw besluit op de aanvraag nemen. Daarbij moet het college deze uitspraak, de uitspraak van de rechtbank voor zover niet aangevallen en het beoordelingskader uit de uitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, in acht nemen. Zoals onder 1 van deze uitspraak is weergegeven, is op dat besluit het recht van toepassing zoals dat onmiddellijk vóór 1 januari 2024 gold. Dat zijn in dit geval de relevante bepalingen over de verlening van een natuurvergunning uit de Wnb, het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming (hierna: Rnb). Daarbij geldt dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 2.1 van de Rnb, de versie van AERIUS-Calculator moet worden gebruikt die op grond van artikel 1.4, eerste lid, van de Omgevingsregeling in samenhang gelezen met bijlage II bij de Omgevingsregeling, geldt op het moment van het nemen van het nieuwe besluit (vergelijk de uitspraak van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3356).
- Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
- Het college moet de proceskosten van Nautisch Centrum B.V. vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de hoger beroepen van Nautisch Centrum B.V. en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant gegrond; II. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij Nautisch Centrum B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00; IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan Nautisch Centrum B.V. het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 548,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier. w.g. Kaajan lid van de enkelvoudige kamer w.g. Verbeek griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2025 388 Bijlage Wet- en regelgeving Besluit omgevingsrecht (vanaf 1 januari 2013) Artikel 2.2a [..]
- Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, niet zijnde een inrichting waarin zich een IPPC-installatie bevindt, wordt tevens aangewezen: a. […] b. het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het inwerking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 11.3, onder c, onder 2° en 3°, van onderdeel C van bijlage I.
- Als categorieën activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de wet, wordt tevens aangewezen: a. [..] b. het vervaardigen van betonmortel en de daarbij behorende op- en overslag van grind, zand, cement en vulstof, het vervaardigen en bewerken van betonproducten met behulp van persen, triltafels of bekistingstrillers met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000 kg per dag of meer en het breken van restproducten ten behoeve van de vervaardiging van betonmortel. Categorie 11.3, onder c, onder 2° en 3°, van onderdeel C van bijlage I luidt: het vervaardigen van: 1°[..]. 2°.cement- of betonmortel met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000 kg per uur of meer; 3°.cement- of betonwaren met behulp van persen, triltafels of bekistingstrillers met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000 kg per dag of meer; Besluit omgevingsrecht (vanaf 1 maart 2014) Artikel 2.2a [..]
- Als categorieën activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de wet, wordt tevens aangewezen: a. [..] b. het aanvangen met of het veranderen van het vervaardigen van betonmortel, het vervaardigen en bewerken van betonproducten en daarbij de op- en overslag van grind, zand, cement en vulstof en het breken van restproducten ten behoeve van de vervaardiging van betonmortel.