ECLI:NL:RVS:2025:4532
202305151/1/A2.
Datum uitspraak: 24 september 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 30 juni 2023 in zaak nr. 21/4220 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Procesverloop Bij besluit van 10 maart 2021 heeft de minister het verzoek van [appellante] om vergoeding van schade afgewezen.
Bij besluit van 28 juni 2021 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 juni 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 januari 2025, waar [appellante] en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.F.J.M. Hendricks en mr. R.J.Th. Vos, zijn verschenen.
De enkelvoudige kamer van de Afdeling heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
De Afdeling heeft de zaak opnieuw op een zitting behandeld op 5 augustus 2025, waar [appellante] en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.J.A. Soupart en mr. A.F.J.M. Hendricks, zijn verschenen.
Overwegingen Inleiding 1. [appellante] heeft in 2003 een woonark van iets meer dan 19 meter lang en iets meer dan 5 meter breed laten bouwen en in eigendom verkregen. De woonark bestaat uit een betonnen casco met een houten opbouw. Zij heeft deze woonark aan de Bergse [locatie] te Rotterdam laten leggen. De woonark ligt vast door middel van twee metalen beugels, die elk zijn bevestigd rond een meerpaal, en drijft op het water. De waterkavel, de grond daaronder en de grond aan de wal zijn eigendom van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: het Hoogheemraadschap). Het Hoogheemraadschap heeft [appellante] een vergunning verleend voor het hebben en onderhouden van een woonark en twee meerpalen met ligplaats. Het Hoogheemraadschap heft precariobelasting voor de woonark. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft [appellante] een overdraagbare ligplaatsvergunning voor onbepaalde tijd verleend. Hiervoor betaalt zij maandelijks liggeld.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 is de Tracéwet ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.17 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
De door [appellante] in het verzoek van 27 juli 2020 aangewezen oorzaak van de gestelde schade is een besluit als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet. Dat betekent dat in dit geval de Tracéwet, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Besluitvorming 4. Een hiertoe door de minister ingestelde adviescommissie heeft op 8 december 2020 advies aan de minister uitgebracht over het verzoek van [appellante]. De minister heeft op basis hiervan geconcludeerd dat de maatstaven voor tegemoetkoming in planschade van overeenkomstige toepassing zijn op schadevergoeding krachtens artikel 22 van de Tracéwet en artikel 16 van het tracébesluit. Op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) komt, voor zover hier van belang, alleen waardevermindering van een onroerende zaak in aanmerking voor tegemoetkoming in planschade. Voor het onderscheid tussen een onroerende zaak en een roerende zaak bestaat een objectieve en redelijke rechtvaardiging. De minister ziet daarom geen aanleiding om een uitzondering te maken op de vereisten van de wet en vaste rechtspraak. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de woonark van [appellante] niet duurzaam met de grond is verenigd en daarom een roerende zaak is die buiten de invloedssfeer van de planologische ontwikkeling kan worden geplaatst.
Uitspraak van de rechtbank 5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht het verzoek heeft afgewezen, omdat de woonark een roerende zaak is en een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het onderscheid tussen roerende en onroerende zaken in het stelsel van de tegemoetkoming in planschade.
Hoger beroep 6. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de woonark de nabijgelegen lage bruggen niet kan passeren en dat er geen mogelijkheid is om de woonark elders in het gebied tussen deze bruggen af te meren op een locatie die buiten de invloedssfeer van de planologische ontwikkeling is gelegen. Haar woonark is dus praktisch niet verplaatsbaar. Zij vindt dat bewoners van woonboten worden benadeeld ten opzichte van eigenaren van een woning aan de wal, die wel in aanmerking kunnen komen voor een schadevergoeding.
Oordeel van de Afdeling 8. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:160) is in artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet slechts in zoverre afgeweken van de regeling voor tegemoetkoming in planschade, dat de minister bevoegd is tot het nemen van het besluit. Omdat de rechtspositie van de belanghebbende voor het overige niet anders is dan bij toepassing van de planschaderegeling, is er aanleiding voor overeenkomstige toepassing van afdeling 6.1 van de Wro op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet.
Niet in geschil is dat de woonark van [appellante] niet met de grond is verenigd in de zin van artikel 3:3 eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Deze woonark is daarom een roerende zaak.
Zo een publiekrechtelijke vergunning geeft de vergunninghouder in zoverre een mate van zekerheid dat deze woonark op de plaats waarvoor vergunning is verleend in beginsel kan blijven liggen en dat hij deze woonboot kan verkopen aan een derde die ook ter plaatse met vergunning kan blijven liggen, zolang de belangen die de publiekrechtelijke regeling, waarop de ligplaatsvergunning gebaseerd is, beoogt te dienen zich niet verzetten tegen het nog langer ter plaatse blijven liggen van deze woonark. Zo een vergunning biedt de eigenaar van een woonark en zijn eventuele rechtsopvolgers, anders dan een erfpachtrecht, geen zekerheid dat deze woonark op de plaats waarvoor ligplaatsvergunning is verleend kan blijven liggen, wanneer de eigenaar zich daar niet (langer) mee kan verenigen.
Conclusie 20. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier. w.g. Van Ravels voorzitter w.g. Schuurman griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2025 452-1100