(2017). Uit deze onderzoeken blijkt dat er geen direct verband bestaat tussen laagfrequent geluid en gevolgen voor de gezondheid van omwonenden van windturbines. Dit staat ook in paragraaf 2.1.2 van het Pondera-onderzoek. Het college heeft mede op basis hiervan gemeend dat het niet nodig is om aanvullende normen te stellen aan laagfrequent geluid dat kan optreden bij het in werking hebben van de windturbines. Het college heeft zich verder gebaseerd op de rapportage "Laagfrequent geluid van windturbines in de gemeente Oosterhout" van TNO van 22 juni 2021 (hierna: het TNO-rapport). Ook in het TNO-rapport wordt benadrukt dat er geen bewijs is voor extra hinder door het laagfrequent geluid van windturbines. De in de ruimtelijke onderbouwing gehanteerde literatuur kan worden beschouwd als een onderbouwing van de stelling dat de gehanteerde grenswaarden aan het dB(A)-gewogen geluidniveau voldoende bescherming bieden. TNO heeft vervolgens berekend op basis van twee (niet wettelijk vastgelegde) methoden, de Vercammencurve en de NSG-Curve, wat de gevolgen zijn van laagfrequent geluid dat kan worden geproduceerd door de vergunde windturbines op veertien toetspunten. 15.
- In wat [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat vanwege laagfrequent geluid aanvullende normen hadden moeten worden vastgesteld naast de van toepassing zijnde geluidsnormen uit het Abm. Zoals ook volgt uit het Pondera-onderzoek en het TNO-rapport is de verwachte toename van laagfrequent geluid gering. Wat [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd over het TNO-rapport geeft geen aanleiding voor het oordeel dat dit rapport zodanige onjuistheden of leemten in kennis vertoont dat het college zich daarop bij zijn afweging niet heeft kunnen baseren. In het TNO-rapport worden de conclusies uit het Pondera-onderzoek bevestigd. Daarnaast is daarin op basis van de Vercammencurve en de NSG-Curve inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen zijn van laagfrequent geluid. Dat het college ervoor heeft gekozen zich in zijn uiteindelijke afweging te baseren op de uitkomsten op basis van de Vercammencurve, acht de Afdeling niet onjuist. Zoals de Afdeling bijvoorbeeld eerder heeft overwogen in de uitspraak van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2233, is de Vercammencurve geschikt om de aanvaardbaarheid van laagfrequent geluid te beoordelen. Uit het TNO-rapport volgt dat er in de bestaande situatie al sprake is van een overschrijding van die curve op één van de rekenpunten die door TNO zijn gehanteerd. In de toekomstige situatie is alleen op dat rekenpunt eveneens sprake van een overschrijding. Hieruit concludeert TNO dat de nieuwe windturbines kunnen zorgen voor laagfrequent geluid dat binnenshuis hoorbaar kan zijn, maar dat de kans op hinder door laagfrequent geluid op 13 van de 14 toetspunten volgens de Vercammencurve klein is. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het college de gevolgen van laagfrequent geluid voor het woon- en leefklimaat en de kans op hinder bij [appellant sub 3] en [appellant sub 4] in dit licht onaanvaardbaar heeft moeten achten. Wat [appellant sub 3] en [appellant sub 4] verder hebben aangevoerd over niet-hoorbare effecten van laagfrequent geluid op de gezondheid, leidt niet tot een ander oordeel. Het betoog slaagt niet. - cumulatie 15.
- [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat ten onrechte de cumulatieve geluidbelasting vanwege de bestaande windturbines niet is betrokken in de afweging. 15.
- In het Pondera-onderzoek, paragraaf 2.7, staat dat de cumulatieve geluideffecten vanwege onder meer de bestaande windturbines in het onderzoek zijn betrokken. Deze worden beschreven in tabel 2.4 van dat onderzoek. Het betoog mist daarom feitelijke grondslag. Milieuaspecten: de verlichting
- [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat het college de vanwege de winturbines optredende lichthinder niet aanvaardbaar heeft kunnen achten. Aan de vergunning had volgens hen een voorschrift moeten worden verbonden met de strekking dat de windturbines alleen in werking mogen zijn wanneer de daarop aan te brengen obstakelverlichting wordt uitgerust met naderingsdetectie. 16.
- Voorschrift ‘p.’ van de omgevingsvergunning luidt: "(Obstakel)verlichting op de twee windturbines moet worden aangebracht met de best beschikbare techniek (minste kans op hinder op woningen van derden) op het moment van realisatie." 16.
- In de ruimtelijke onderbouwing, paragraaf 4.2, is ingegaan op de obstakelverlichting van de windturbines. Hierin staat dat voor de bouw van de windturbines een verlichtingsvoorstel wordt uitgewerkt gericht op het zoveel mogelijk beperken van hinder, overeenkomstig het Informatieblad "aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland", van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Ten tijde van het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing is een verlichtingsplan opgesteld dat in concept ter goedkeuring is voorgelegd aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: de ILT). Dit plan gaat uit van de op dat moment best beschikbare technieken gericht op het voorkomen van hinder. De ILT heeft op 30 mei 2022 ingestemd met dit verlichtingsplan. Bij de definitieve windturbinekeuze wordt door de initiatiefnemer beoordeeld of het verlichtingsplan een update vraagt op basis van de dán best beschikbare technieken om hinder te voorkomen. 16.
- In wat [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor de conclusie dat het college in de vergunning dwingend had moeten voorschrijven dat naderingsdetectie moet worden toegepast. Door de wijze van formuleren van voorschrift ‘p’ heeft het college ruimte willen behouden voor toekomstige verbeteringen in de best beschikbare technieken, zoals naderingsdetectie. Een dergelijk systeem was ten tijde van de vergunningverlening nog niet beschikbaar. De Afdeling is van oordeel dat de door het college gemaakte keuze niet onredelijk is. Het betoog slaagt niet. Overige milieuaspecten - (externe) veiligheid
- [appellant sub 2] en anderen vrezen dat het vergunde windturbineproject leidt tot een verslechtering van de (externe) veiligheidsrisico’s in en rond hun woningen. Uit de verrichte onderzoeken niet blijkt volgens hen niet dat rekening is gehouden met de aanwezigheid van de bovengrondse gasinstallaties bij hun woningen. 17.
- In paragraaf 5.4 van de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op het aspect (externe) veiligheid. Daarin wordt aandacht besteed aan onder meer de ligging van de maximale plaatsgebonden risicocontouren (PR) 10-5 en 10-6 die voor de windturbines binnen de bandbreedte liggen op een afstand van 85 m, respectievelijk 235 m. De woningen van [appellant sub 2] en anderen liggen hier (ruim) buiten, op een afstand van ongeveer 600 m van de dichtstbijzijnde windturbine. Verder liggen de woningen ook buiten de berekende maximale werpafstand van de windturbines. Deze is berekend op 463 m. In wat [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen aanknopingspunten voor de conclusie dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met de (externe) veiligheidsrisico’s bij hun woningen. Het betoog slaagt niet. Provinciale verordening
- MVO en anderen, [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] voeren aan dat de omgevingsvergunning in strijd is verleend met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit (hierna: de IOV), omdat geen sprake is van een clustervorming van ten minste drie windturbines. Daarbij wijzen MVO en anderen en [appellant sub 3] en [appellant sub 4] erop dat het door het college ingenomen standpunt, dat de windturbines géén windturbinepark zijn in de zin van het Besluit mer, maar wel een cluster in de zin van artikel 3.37 van de IOV, zich moeilijk met elkaar laat verenigen. Ook in zoverre berust het bestreden besluit volgens hen niet op een deugdelijke motivering. 18.
- Artikel 3.37, eerste lid, van de IOV luidt: "In Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van windturbines met een bouwhoogte van tenminste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas, als: a. de windturbines inpasbaar zijn in de omgeving; b. er sprake is van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines; […]". Niet in geschil is dat de twee windturbines zijn geprojecteerd op een locatie binnen de provinciale gebiedsaanduiding "Landelijk gebied". 18.
- In de toelichting op de IOV is uiteengezet waarom bovenstaande eisen worden gesteld aan de bouw van nieuwe (grote) windturbines in het landelijk gebied. Hieruit volgt dat de provincie ruimte wil bieden voor het opwekken van duurzame energie. Omdat windturbines grote invloed kunnen hebben op de omgevingskwaliteit bevat de IOV daarvoor randvoorwaarden. De regels in de IOV gaan over (middel)grote windturbines vanaf 25 m. Het is aan de gemeenten om te onderzoeken op welke plekken de plaatsing van windturbines inpasbaar is in de omgeving. In het algemeen geldt dat hierbij zo veel als mogelijk wordt aangesloten bij de karakteristiek van het landschap. Vanwege het grootschalige karakter van de turbines heeft de ontwikkeling bij zogenaamde grootschalige landschappen, zoals grootschalige (middel)zware bedrijventerreinen, hoofdinfrastructuur en het grootschalige polderlandschap de voorkeur. Bijkomend voordeel is dat in een dergelijke omgeving vaak ook minder hindergevoelige functies aanwezig zijn. Een plan dat de nieuwvestiging van windturbines mogelijk maakt bevat de onderbouwing dat de ontwikkeling past bij de maat en schaal van het gebied. Om verrommeling tegen te gaan zijn er geen mogelijkheden voor de ontwikkeling van solitaire windturbines. Er moet minimaal sprake zijn van drie windturbines in een lijn- of clusteropstelling. De realisatie van de windturbines kan gefaseerd en door meerdere exploitanten geschieden. 18.
- De Afdeling stelt voorop dat in de IOV geen definitie is gegeven van het begrip cluster. Het is naar het oordeel van de Afdeling aan het betrokken bestuursorgaan, in dit geval het college, om te beoordelen of sprake is van een geclusterde opstelling van windturbines. Bij die beoordeling komt het betrokken bestuursorgaan beoordelingsruimte toe. 18.
- De Afdeling overweegt dat het college gelet op de landschappelijke en visuele samenhang van de windturbines heeft beargumenteerd dat de twee windturbines een cluster vormen met de zes bestaande windturbines op het bedrijventerrein Weststad III en dus voldoen aan het bepaalde in artikel 3.37, eerste lid, onder b, van de IOV. Hierbij heeft het college zich op een tiental visualisaties gebaseerd. In paragrafen 4.2, 4.3 en 4.4 van de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de landschappelijke inpassing van de windturbines. Hierin staat dat de windturbines een ruimtelijk/visueel cluster vormen met de zes bestaande windturbines op het bedrijventerrein Weststad III. De kortste afstand van de westelijke turbine tot dichtstbijzijnde bestaande turbine bedraagt ongeveer 430 m, de onderlinge afstand tussen de twee nieuwe turbines bedraagt ongeveer 595 m. Deze twee windturbines zijn geprojecteerd nabij een grootschalig landschap in de vorm van een aaneengesloten bedrijventerrein (Weststad - Statendam), RWZI Dongemond en de A
- Uit de visualisaties blijkt ook dat de bestaande en de nieuwe windturbines vanuit verschillende gezichtspunten als een samenhangend geheel kunnen worden ervaren ondanks verschil in onderlinge afstand en afmetingen. Paragraaf 4.4 van de ruimtelijke onderbouwing onderschrijft dit standpunt aan de hand van een analyse van het landschappelijk beeld dat ontstaat na realisatie van de windturbines op drie schaalniveaus. 18.
- In wat is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het college zich niet redelijkerwijs op het standpunt heeft mogen stellen dat de twee nieuwe windturbines kunnen worden aangemerkt als onderdeel van een cluster met het bestaande windturbinepark. Dat de onderlinge afstand tussen de te realiseren windturbines groter is dan de afstand tot de dichtstbijzijnde bestaande windturbine maakt dit niet anders. Het college heeft zich zoals gezegd gebaseerd op een tiental visualisaties, waarbij op verschillende schaalniveaus is gekeken naar de aard, schaal en de onderlinge samenhang tussen de bestaande en de twee nieuwe windturbines. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat bij het voorliggende windturbineproject een lijnopstelling is gehanteerd die het landschapselement A59 volgt, en die in lijn is met de verkavelingsrichting. Daarbij geldt dat, zeker vanaf grotere afstand (2-5 km) de opstelling van de windturbines niet direct als zelfstandige, samenhangende opstelling herkenbaar is. De verschillen tussen de toegepaste turbinetypen zijn op dit schaalniveau niet altijd goed waarneembaar. Afhankelijk van de positie van de waarnemer én van het toe te passen type turbine zal duidelijk, dan wel minder duidelijk waarneembaar zijn dat het om twee zelfstandige opstellingen gaat. Zeker vanaf wat grotere afstand oogt het geheel als één cluster van meerdere windturbines. Wat is aangevoerd geeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het college het windturbineproject niet als cluster heeft mogen aanmerken met het bestaande windturbinepark op het bedrijventerrein Weststad III. Gelet hierop is geen sprake van strijd met artikel 3.37, eerste lid, onder b, van de IOV. Dat de beide windturbineprojecten in samenhang beschouwd niet kunnen worden aangemerkt als één windturbinepark in de zin van het Besluit mer, maar wel als een cluster in de zin van de IOV, leidt naar het oordeel van de Afdeling niet tot een inconsistentie of discrepantie in de besluitvorming. Dit zijn namelijk twee verschillende (wettelijke) kaders met ieder een eigen doel. Het betoog slaagt niet. Belangenafweging
- [appellant sub 2] en anderen betogen dat hun belangen onevenredig worden geschaad door de komst van de nieuwe windturbines. Daarbij wijzen zij erop dat zij al ernstige hinder ondervinden van de huidige windturbines op het bedrijventerrein Weststad III en dat zij vrezen voor nog meer hinder, overlast en (externe) veiligheidsrisico’s. Er is volgens hen geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 19.
- De Afdeling overweegt dat het college de belangen van omwonenden, waaronder die van [appellant sub 2] en anderen, in zijn afweging heeft betrokken. Dit volgt onder meer uit paragrafen 3.1 en 5.2.2 van de ruimtelijke onderbouwing, de daaraan ten grondslag liggende milieuonderzoeken en de Reactienota zienswijzen. Hieruit blijkt dat bij de woningen van [appellant sub 2] en anderen in de huidige situatie al sprake is van een akoestisch behoorlijk belaste situatie, maar dat deze woningen een andere mate van bescherming hebben vanwege de ligging op een gezoneerd industrieterrein. Het college heeft de gevolgen van de twee windturbines voor de woningen van [appellant sub 2] en anderen wel onderzocht en inzichtelijk gemaakt. Zowel wat (cumulatieve) geluidhinder als wat slagschaduwhinder betreft, volgt uit de diverse onderzoeken dat de woon- en leefsituatie ter plaatse van de woningen van [appellant sub 2] en anderen marginaal slechter wordt. Het college heeft deze geringe verslechtering niet dusdanig geacht, dat hij de komst van de windturbines voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] en anderen niet aanvaardbaar acht. Daarbij heeft het college betrokken dat met het project zo’n 10.000 woningen van duurzame elektriciteit kunnen worden voorzien, en dat met het project een grote bijdrage kan worden geleverd aan de lokale en regionale doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie. Hierbij heeft het college ook betrokken dat de woningen van [appellant sub 2] en anderen vanwege de ligging op een gezoneerd industrieterrein niet de meer beschermde status van een burgerwoning hebben. In wat is aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het college zich niet redelijkerwijs op dit standpunt heeft mogen stellen. Het betoog slaagt niet. Soortenbescherming
- MVO en anderen betogen dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met de mogelijk verstorende effecten tussen het elektromagnetische veld van de in de nabijheid van de windturbines geplande hoogspanningsverbinding en de windturbines. De verstorende effecten hiervan op beschermde dieren, zoals vleermuizen, zijn niet onderzocht. 20.
- Vast staat dat ten behoeve van het windturbineproject door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 10 augustus 2021 een ontheffing op grond van artikel 3.3, eerste lid, en artikel 3.8, eerste lid, van de Wnb is verleend voor het overtreden van verboden ten aanzien van beschermde soorten, waaronder vleermuissoorten, in verband met de bouw en exploitatie van de windturbines. Tegen deze Wnb-ontheffing hebben MVO en anderen geen beroep ingesteld. Voor zover MVO en anderen betogen dat de verleende ontheffing is gebaseerd op onjuiste gegevens of onvoldoende onderzoek naar de wisselwerking tussen de turbines en het elektromagnetische veld van de nabijgelegen hoogspanningsverbinding hadden zij dat in beroep tegen de Wnb-ontheffing kunnen aanvoeren. Daarvoor bestaat geen ruimte in het kader van het beroep tegen de voorliggende omgevingsvergunning. Het betoog slaagt niet. OMGEVINGSVERGUNNING (artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo)
- MVO en anderen hebben bezwaren tegen de bomenkap, waarvoor eveneens omgevingsvergunning is verleend. Volgens hen is die bomenkap niet nodig, en heeft het college ook onvoldoende onderbouwd waarom dat wel nodig zou zijn. 21.
- De omgevingsvergunning is onder meer verleend voor de activiteit ‘kappen’. In de omgevingsvergunning staat dat het daarbij gaat om het kappen van negen zomereiken aan de Statendamweg. Het kappen van deze bomen is omgevingsvergunningplichtig. In de omgevingsvergunning staat dat voor de aanleg en het onderhoud van de windturbines noodzakelijk is dat een bouw/onderhoudsweg wordt gerealiseerd. Voor het functioneel gebruik hiervan is vrijwel zeker dat 9 zomereiken aan de Statendamweg moeten worden gekapt. Het college heeft de vergunning verleend omdat hij in het kader van de energietransitie van belang acht dat in voldoende mate duurzame energie wordt opgewekt. Daarmee weegt het belang van het windturbineproject volgens het college zwaarder dan de (natuur)waarde die de bomen vertegenwoordigen. 21.
- De Afdeling ziet onvoldoende grond voor de conclusie dat het college deze afweging niet heeft mogen maken. Hiervoor acht de Afdeling het van belang dat MVO en anderen niet hebben geconcretiseerd waarom de kap van de bomen volgens hen niet nodig is. Overigens merkt de Afdeling op dat aan de omgevingsvergunning een voorschrift is verbonden dat voorziet in een duurzame vervanging van de te kappen bomen. Het betoog slaagt niet. Conclusie
- De beroepen zijn ongegrond.
- Het college hoeft de proceskosten niet te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Sommer, griffier. w.g. Ten Veen voorzitter w.g. Sommer griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2025 901 BIJLAGE Wet milieubeheer Artikel 7.2, eerste, derde en vierde lid
- Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. […]
- Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden de categorieën van besluiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
- Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag […] moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Besluit milieueffectrapportage Artikel 2, eerste en tweede lid
- Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de wet worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven […],
- Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de wet worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven, alsmede activiteiten die in onderdeel C van de bijlage zijn omschreven en die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt. Indien een activiteit behoort tot een categorie van activiteiten die zowel in onderdeel C als in onderdeel D van de bijlage omschreven is en zij tevens voldoet aan de in de daarbij aangegeven categorieën van gevallen genoemde criteria, behoort zij tot de in onderdeel C omschreven categorie van activiteiten. Artikel 1 van onderdeel A van de bijlage bij het Besluit windturbinepark: "park bestaande uit ten minste drie windturbines." In categorie 22.2 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer is als activiteit aanwezen: "De oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark." In categorie 22.2 van onderdeel C van de bijlage is als geval aangewezen: "In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 20 windturbines of meer." In categorie 22.2 van onderdeel D van de bijlage is als activiteit aanwezen: "De oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark." In categorie 22.2 van onderdeel D van de bijlage is als geval aangewezen: "In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een gezamenlijk vermogen van 15 megawatt (elektrisch) of meer, of 10 windturbines, of meer." Wet natuurbescherming Artikel 2.7, tweede lid Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om: […] g. houtopstand te vellen of te doen vellen, […] geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Algemene Plaatselijke Verordening Oosterhout 2022 Artikel 4:11
- Het college stelt een lijst van monumentale bomen vast waarop monumentale bomen in de gemeente worden vermeld.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de in het eerste lid genoemde Bomenlijst.
- In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuuristorische waarde van de houtopstand; of f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.