202301220/1/R4. Datum uitspraak: 29 oktober 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Amersfoort, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2023 in zaak nr. 22/2503 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort. Procesverloop Bij besluit van 4 februari 2022 heeft het college geweigerd aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het verbouwen van een woning op het perceel [locatie] in Amersfoort (hierna: de woning onderscheidenlijk het perceel). Bij besluit van 25 mei 2022 heeft college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 januari 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.C.H. van de Sande-van de Ven, rechtsbijstandsverlener in ‘s-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H. Maaijen, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 15 december 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. [appellante] is eigenaresse van de woning. Op grond van het bestemmingsplan "Soesterkwartier" (hierna: het bestemmingsplan) geldt op het perceel de bestemming " Wonen - 1". [appellante] heeft op 15 december 2021 bij het college een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het verbouwen van de woning tot vier zelfstandige wooneenheden die uit meerdere ruimten bestaan (hierna: het bouwplan), te weten twee studio’s op de begane grond en twee studio’s op de eerste etage met daarboven elk een slaapkamer onder de kap van de woning. Het college heeft de aanvraag met toepassing van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geweigerd, omdat het bouwplan volgens het college in strijd is met de bestemming "Wonen - 1". Binnen die bestemming mag alleen aaneen worden gebouwd, terwijl de studio’s volgens het college geen aaneen gebouwde woningen zijn. Het college heeft hierbij gewezen op de systematiek van de vijf onderscheiden woonbestemmingen in het bestemmingsplan. In het besluit van 4 februari 2022 heeft het college gesteld dat het bouwplan voorziet in gestapelde woningen die alleen mogen worden gebouwd binnen de bestemming "Wonen - 4". In het besluit van 25 mei 2022 heeft het college gesteld dat de studio’s het karakter hebben van meergezinswoningen die alleen mogen worden gebouwd binnen de bestemming "Wonen - 5". In beroep heeft het college weer gesteld dat het bouwplan voorziet in gestapelde woningen. Strijd met het bestemmingsplan? 3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan geen betrekking heeft op aaneen gebouwde woningen, maar op gestapelde woningen en dat het bouwplan daarom in strijd is met artikel 17.2.1, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan (hierna: de planregels). [appellante] voert aan dat de vier studio’s woningen zijn als bedoeld in het bestemmingsplan en dat uit het bestemmingsplan niet volgt dat aaneen gebouwde woningen niet mogen worden gestapeld, maar grondgebonden moeten zijn. [appellante] wijst erop dat in de planregels niet is omschreven wat onder ‘wonen’, ’aaneen gebouwd‘ en ‘gestapelde woningen’ moet worden verstaan. 3.1. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo luidt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het bouwen van een bouwwerk." Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, luidt: "Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, […] tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12." 3.2. Artikel 1.70 (Begrippen) van de planregels luidt: "meergezinswoning: een woning die samen met andere woningen een geheel pand vormt." Artikel 1.87 (Begrippen) luidt: "woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding." Artikel 17.1 (Wonen - 1, bestemmingsomschrijving), aanhef en onder a, luidt: "De voor "Wonen - 1" aangewezen gronden zijn bestemd voor: wonen." Artikel 17.2 (Wonen - 1, bouwregels) luidt: "Op en in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming." Artikel 17.2.1 (Wonen - 1, gebouwen - algemeen), aanhef en onder a, luidt: "Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: de woningen mogen uitsluitend aaneen worden gebouwd." Artikel 20.2.1 (Wonen - 4, bouwregels, gebouwen - algemeen), aanhef en onder a, luidt: "Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: er mogen uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd." Artikel 21.2.1 (Wonen - 5, bouwregels, gebouwen - algemeen), aanhef en onder a, luidt: "Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: er mogen uitsluitend meergezinswoningen worden gebouwd." 3.3. Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.