(2018)212 final) volgt dat vanwege veiligheidsoverwegingen die samenhangen met terrorisme, georganiseerde criminaliteit en identiteitsfraude, de Europese wetgever het noodzakelijk heeft geacht om de beveiliging van identiteitsdocumenten binnen de Europese Unie te versterken. Daarom is besloten om veiligheidskenmerken in te voeren voor de beveiliging van identificatiedocumenten die gemeenschappelijk zijn voor alle lidstaten die deze documenten uitgeven. Blijkens de toelichting wordt hiermee bewerkstelligd dat bestaande verschillen tussen de beveiligingskenmerken van identiteitskaarten van verschillende lidstaten worden weggenomen, het risico op identiteitsfraude wordt verminderd, de uitoefening van het vrije verkeer wordt vergemakkelijkt en de veiligheid binnen de EU wordt verbeterd. Daarbij heeft de wetgever gekozen voor biometrische identificatiemiddelen, waaronder de verplichte invoering van vingerafdrukken. Blijkens de toelichting is dat de meest betrouwbare manier om de identiteit van een persoon vast te stellen, en een evenredige maatregel in het licht van de veiligheidsdreigingen waarmee de Unie wordt geconfronteerd. 4.
- In het arrest van het Hof van 21 maart 2024, RL tegen Landeshauptstadt Wiesbaden (ECLI:EU:C:2024:251) heeft het Hof geoordeeld dat de verplichting die wordt opgelegd bij artikel 3, vijfde lid, van de Verordening 2019/1157, verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven zoals beschermd door artikel 7 van het EU Handvest en het recht op bescherming van persoonsgegevens zoals beschermd door artikel 8 van het EU Handvest. Het Hof heeft overwogen dat de verplichting tot opname van vingerafdrukken een doelstelling van algemeen belang nastreeft, geschikt en noodzakelijk is, en evenredig is in verhouding tot de met de Verordening nagestreefde doelstellingen. Het Hof overweegt daartoe als volgt. 4.
- In de punten 85 tot en met 88 stelt het Hof vast dat de verplichting tot opname van vingerafdrukken in identiteitskaarten een algemeen belang nastreeft, namelijk de authenticiteit van identiteitskaarten en een betrouwbare wijze van identificatie. Daarnaast draagt de verplichting bij aan de interoperabiliteit van de verificatiesystemen, zodat het risico op valse identiteitskaarten en identiteitsfraude wordt verminderd en Unieburgers het recht van vrij verkeer eenvoudiger kunnen uitoefenen. 4.
- Het Hof komt vervolgens in de punten 89 tot en met 105 tot de conclusie dat de verplichting geschikt en noodzakelijk is om deze doelstellingen te verwezenlijken. Daarvoor acht het Hof van belang dat de opname van biometrische gegevens in identiteitskaarten het vervalsen van identiteitskaarten bemoeilijkt en de fraudegevoeligheid wordt beperkt. Verder acht het Hof de opname van vingerafdrukken ook geschikt om de interoperabiliteit en comptabiliteit van de geautomatiseerde systemen te verzekeren die door alle lidstaten worden gebruikt voor de verificatie van de identiteitskaarten. 4.
- Tot slot komt het Hof in de punten 106 tot en met 123 tot het oordeel dat de opname van vingerafdrukken in identiteitskaarten niet onevenredig is. De verplichting zorgt ervoor dat elke Unieburger over een betrouwbaar identificatiemiddel kan beschikken en verzekert dat lidstaten vast kunnen stellen of personen die zich op het Unierecht beroepen, die rechten ook daadwerkelijk genieten. Het draagt er volgens het Hof in het bijzonder aan bij dat Unieburgers het recht van vrij verkeer en verblijf gemakkelijker kunnen uitoefenen. 4.
- Zoals onder 4.6 is overwogen, correspondeert artikel 7 van het EU Handvest met artikel 8 van het EVRM. Dat betekent dat het hierboven weergegeven oordeel van het Hof over de verenigbaarheid van artikel 3, vijfde lid, van de Verordening 2019/1157 met artikel 7 van het EU Handvest, van overeenkomstige toepassing is op de verenigbaarheid van de Verordening met artikel 8 van het EVRM. 4.
- Gelet op de overwegingen uit bovengenoemd arrest van het Hof van 21 maart 2024, bestaat dus geen grond voor twijfel dat artikel 3, vijfde lid, van de Verordening 2019/1157, geldig is. De uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1418, maakt dit niet anders. In die zaak overwoog de Afdeling dat de verordening (EG) nr. 444/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2009 geen wettelijke grondslag bood voor de verplichting tot afgifte van biometrische gegevens in identiteitskaarten. Artikel 3, vijfde lid, gelezen in samenhang met het zevende lid, van de Verordening 2019/1157, bevat daarentegen wel een wettelijke grondslag voor de verplichting tot afgifte van biometrische gegevens in identiteitskaarten. 4.
- Hetgeen [wederpartij] heeft aangevoerd in het kader van zijn beroep op de vrijheid van godsdienst, geeft ook geen aanleiding om aan het onder 4.9 tot en met 4.12 weergegeven oordeel van het Hof over de noodzakelijkheid, geschiktheid en evenredigheid van artikel 3, vijfde lid, van de Verordening, te twijfelen. De stelling van [wederpartij] dat de verplichting tot de opname van vingerafdrukken disproportioneel is omdat er andere denkbare alternatieven mogelijk zijn, volgt de Afdeling namelijk niet. Daarvoor acht de Afdeling van belang dat uit de toelichting bij het voorstel voor de Verordening volgt dat de wetgever er nadrukkelijk voor heeft gekozen dat alle lidstaten van de Europese Unie dezelfde minimum beveiligingsnormen moeten hanteren voor de beveiliging van identiteitskaarten. Dit is essentieel voor het tegengaan van identiteitsfraude, de veiligheid van Europese Unie en het effectief kunnen uitoefenen van het recht van vrij verkeer (vergelijk punten 119 en 120 van het arrest van het Hof van 21 maart 2024). Wanneer een lidstaat hiervan zou afwijken, doet dit afbreuk aan de doelstellingen die met de Verordening 2019/1157 worden nagestreefd. 4.
- Het betoog slaagt niet. Mocht de burgemeester weigeren de aanvraag in behandeling te nemen? 4.
- Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (hierna: PUN) wordt de aanvraag voor een Nederlandse identiteitskaart niet in behandeling genomen als niet aan de daarin bepaalde voorwaarden voor een aanvraag is voldaan. Een van die voorwaarden betreft de opname van vingerafdrukken. Omdat de Afdeling niet twijfelt aan de geldigheid van de verplichting van artikel 3, vijfde lid, van de Verordening 2019/1157, heeft de burgemeester zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen omdat door de afname van vingerafdrukken te weigeren, niet aan alle wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen van de aanvraag als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid en onder a, van de Awb is voldaan. 4.
- De burgemeester heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat [wederpartij] ook niet in aanmerking komt voor een vervangende Nederlandse identiteitskaart of een nooddocument ter vervanging van de reguliere Nederlandse identiteitskaart. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Paspoortwet, kan in bepaalde uitzonderingsgevallen een nooddocument worden verstrekt. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Paspoortwet, komen alleen Nederlanders als bedoeld in artikel 16a, eerste lid, van de Paspoortwet, aan wie een verbod is opgelegd als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, in aanmerking voor een vervangende Nederlandse identiteitskaart. Deze bepalingen zijn niet bedoeld als alternatief voor de aanvraag van de reguliere Nederlandse identiteitskaart. Bovendien is niet gebleken dat [wederpartij] voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 16, eerste lid, of 17, eerste lid, van de Paspoortwet. 4.
- Het betoog slaagt niet. Conclusie beroep tegen het besluit van 11 maart 2025
- Het beroep tegen het besluit van 11 maart 2025 is ongegrond. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 11 maart 2025 ongegrond; III. veroordeelt de burgemeester van Eindhoven tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 31,71; IV. bepaalt dat van de burgemeester van Eindhoven een griffierecht van € 579,00 wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier. w.g. Kuijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Soffner griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025 818-973