BRS.25.001822 ECLI:NL:RVS:2025:5720 Datum uitspraak: 28 november 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen en het opheffen van een voorlopige voorziening (artikelen 8:81 en 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, hangende het hoger beroep van: de minister van Buitenlandse Zaken, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 oktober 2025 in zaak nr. NL25.12235 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de minister een aanvraag om betrokkene een faciliterend visum te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 14 februari 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak met inachtneming ervan een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt en bepaald dat de minister betrokkene moet behandelen als ware hij in het bezit van een faciliterend visum ten minste tot zes weken na het nemen van een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om de door de rechtbank getroffen voorlopige voorziening op te heffen en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.