202401741/1/R3. Datum uitspraak: 26 november 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante sub 1], gevestigd in Barendrecht, 2. Spring! Housing B.V., gevestigd in Barendrecht (hierna: Spring!), 3. [appellante sub 3A], gevestigd in [plaats], en Fresh 2 You, gevestigd in Barendrecht, (hierna: [appellante sub 3A] en Fresh), appellanten, en de raad van de gemeente Barendrecht, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 19 december 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "De Stationstuinen 1ste fase" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], Spring!, en [appellante sub 3A] en Fresh beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellante sub 1], Spring!, en de raad hebben een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 april 2025, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. C.J. Dekker, advocaat in Rotterdam, en Spring!, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], bijgestaan door mr. C.J. Dekker, advocaat in Rotterdam, [appellante sub 3A] en Fresh, vertegenwoordigd door [gemachtigde C], bijgestaan door mr. R.M. Königel, advocaat in Etten-Leur, en de raad, vertegenwoordigd door S. Meijerink, M. den Boer-Koolbeek, E. Goudriaan, mr. P. Kramer en J.P. van den Berg, bijgestaan door mr. L.C.G. Hoenselaar, advocaat in Eindhoven, zijn verschenen. Verder is op de zitting Emborion Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde D], bijgestaan door [gemachtigde E], als partij gehoord. Bij besluit van 27 mei 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "De Stationstuinen 1ste fase" opnieuw en gewijzigd vastgesteld (hierna: het reparatieplan). De Afdeling heeft naar aanleiding van het besluit van 27 mei 2025 het onderzoek heropend. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk op het besluit van 27 mei 2025 te reageren. Geen van de partijen heeft van die gelegenheid gebruikgemaakt. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten, nadat geen van de partijen binnen de door de Afdeling gestelde termijn verklaard heeft dat zij opnieuw gebruik wil maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Overwegingen OVERGANGSRECHT INWERKINGTREDING OMGEVINGSWET 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 6 april 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. INLEIDING 2. De Stationstuinen is een gebied ten oosten van Barendrecht, naast het NS-treinstation en grenzend aan het bedrijventerrein Barendrecht Oost (ook wel: het agrofood-bedrijventerrein Dutch Fresh Port). Het gebied is in artikel 3.1, onder ch, van de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet aangewezen als gebied waarop artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: BuChw) van toepassing is. Het voorliggende plan is een zogenoemd bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. De raad heeft dus gebruikgemaakt van extra mogelijkheden voor de inrichting van het plan op basis van artikel 2.4 van de Chw in verbinding met artikel 7c van het BuChw. 3. Met het plan wil de raad een herontwikkeling van De Stationstuinen mogelijk maken van (voornamelijk) een bedrijventerrein naar een gemengd programma van wonen, werken, onderwijs, bedrijvigheid en voorzieningen. Voor De Stationstuinen als geheel wordt uitgegaan van maximaal 517.000 m² bruto vloeroppervlak (hierna: bvo) voor wonen, werken, voorzieningen en gebouwd parkeren. Ten minste 67.500 m2 bvo wordt gereserveerd voor voorzieningen en werken. De resterende 449.500 m2 bvo wordt benut voor zo’n 3.500 woningen, een uitbreiding van werken en voorzieningen en de parkeeroplossing voor het hele programma. Verder is het de bedoeling dat het gebied voornamelijk autoluw wordt. Het gebied zal gericht zijn op langzaam verkeer en het gebruik van OV, waarbij voorrang wordt gegeven aan fietsers en voetgangers. Aan de randen van het gebied zijn mobilityhubs voorzien, waarin openbare gemeenschappelijke parkeervoorzieningen zullen worden aangelegd en ook deelmobiliteit in de vorm van deelauto’s, -scooters en -fietsen beschikbaar zal zijn. De herontwikkeling van het totale gebied zal gefaseerd verlopen. Naar verwachting zal de volledige ontwikkeling van De Stationstuinen ruim 10 jaar duren. Vanwege de lange ontwikkelperiode van het gebied, is ervoor gekozen om ‘flexibele’ plannen op te stellen, zodat op eventuele veranderingen en ontwikkelingen in de (woning)markt kan worden ingespeeld. 4. Het voorliggende plan heeft betrekking op een gedeelte van het gebied van De Stationstuinen, het gebied rondom de hoofdentree van het treinstation Barendrecht. Het plangebied ligt aan het Zuideinde en de Dwarsligger. Door het plangebied loopt de Spoorlaan. Op basis van het plan komen de volgende bestemmingen voor in het plangebied: "Gemengd", "Verkeer" en "Groen". Binnen de bestemming "Gemengd" biedt het plan onder meer ruimte voor maximaal 815 woningen, detailhandel tot een maximum van 1.000 m2 bvo, horeca tot een maximum van 1.000 m2 bvo, kantoren en dienstverlening tot een maximum van 4.800 m2 bvo en overige niet-woonfuncties tot een maximum van 2.000 m2 bvo. Ook zijn binnen de daarvoor bestemde aanduidingen twee mobilityhubs binnen de bestemming "Gemengd" toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van gemengd - mobilityhub 1’ zijn ook, naast een mobilityhub, niet-woonfuncties tot maximaal 5.000 m2 toegestaan. Op basis van het voorgaande plan "Bedrijventerrein Barendrecht Noordoost" rustten op de gronden van het plangebied de bestemmingen "Gemengd", "Verkeer", "Groen", "Water" en "Bedrijventerrein". In de huidige situatie is een groot deel van de gronden onbebouwd, zijn er verkeersvoorzieningen aanwezig en is er bedrijvigheid. De overige gronden van De Stationstuinen vallen buiten het plangebied. Daarvoor wil de raad afzonderlijke plannen vaststellen. 5. Appellanten [appellante sub 1], en [appellante sub 3A] en Fresh zijn gevestigd in de directe omgeving van het plangebied. [appellante sub 1] is een bedrijf dat automatiserings- en mechaniseringsvraagstukken in de verwerkingsruimte van de professionele jongplantenkweker oplost. Haar kantoorpand ligt aan [locatie 1] en de productielocatie aan [locatie 2], in Barendrecht, op ongeveer 55 m van het plangebied. Fresh exploiteert aan de Transportweg 19 in Barendrecht een groothandel in groente en fruit. De bedrijfslocatie grenst direct aan het plangebied. [appellante sub 3A] is eigenaar van die gronden en verhuurt die aan Fresh. Zij vrezen allen nadelige gevolgen voor hun bedrijfsvoering. Ook Spring! is gevestigd in de directe omgeving van het plangebied, aan Zuideinde 80 in Barendrecht. Zij heeft op die locatie een kantoorgebouw getransformeerd tot appartementencomplex en verhuurt de woonunits in dat complex. Spring! wil graag een goed woon- en leefklimaat behouden voor de bewoners en is bang dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting daarvan. 6. In deze uitspraak wordt regelmatig verwezen naar verschillende wetsartikelen en bepalingen uit de planregels, waarvan de inhoud is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. HET REPARATIEPLAN 7. Het besluit van 27 mei 2025 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De beroepsgronden tegen het bestemmingsplan worden geacht ook te zijn gericht tegen het reparatieplan. De Afdeling zal zich bij de beoordeling van de beroepsgronden richten op het reparatieplan. Daarna zal worden bezien of nog aan de beoordeling van het besluit van 19 december 2023 wordt toegekomen. OPZET UITSPRAAK 8. De Afdeling zal hierna eerst ingaan op de goede procesorde en vervolgens op nieuwe beroepsgronden, waarna de Afdeling zal beschrijven welke beroepsgronden op de zitting zijn ingetrokken. Vervolgens zal de Afdeling toelichten hoe zij een beroep tegen een bestemmingsplan beoordeelt. Daarna komen per onderwerp de verschillende beroepsgronden aan de orde. GOEDE PROCESORDE 9. De raad heeft naar voren gebracht dat het nadere stuk van Spring! van 17 april 2025 zodanig laat is ingezonden, dat hij niet in de gelegenheid is geweest om daar volledig op te reageren. Daarbij wijst de raad ook op de omvang van het nadere stuk inclusief de bijlagen. [appellante sub 3A] en Fresh hebben naar voren gebracht dat het aanvullende verweerschrift van de raad van 18 april 2025, inclusief de daarbij gevoegde notitie van LBP|Sight, te laat is ingezonden om daar adequaat op te kunnen reageren. Zowel de raad als [appellante sub 3A] en Fresh hebben de Afdeling verzocht om de betreffende stukken wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. 9.1. In artikel 8:58, eerste lid, van de Awb staat dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. De Afdeling heeft het stuk van Spring! op 17 april 2025 en het stuk van de raad op 18 april 2025 ontvangen. Dat is dus tijdig. De aard en de omvang van de stukken geven geen aanleiding om deze niettemin wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Weliswaar bevat het stuk van Spring! een behoorlijk aantal bijlagen (in totaal bijna 170 pagina’s), maar de raad heeft ook te kennen gegeven dat de bijlagen vrijwel uitsluitend gemeentelijke documenten zijn die hem al bekend zijn. En hoewel het aanvullende verweerschrift van de raad een nieuwe notitie van LBP|Sight van 1 april 2025 over de bedrijfslocatie van [appellante sub 3A] en Fresh bevat, is dit een notitie van beperkte omvang, namelijk 6 pagina’s, die op de zitting is besproken en waar [appellante sub 3A] en Fresh adequaat op hebben kunnen reageren. De Afdeling zal dus, zoals op de zitting ook is meegedeeld, het nadere stuk van Spring! van 17 april 2025 en het aanvullende verweerschrift van de raad van 18 april 2025 in haar beoordeling van de beroepen betrekken. ARTIKEL 1.6A VAN DE CHW 10. In dit geval is sprake van een bestemmingsplan als bedoeld in bijlage I, onderdeel 3.1, van de Chw. Afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw is van toepassing op het bestemmingsplan omdat met het plan meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk worden gemaakt. Bij de bekendmaking van het besluit van 19 december 2023 en het besluit van 27 mei 2025 heeft de raad dat overeenkomstig artikel 11 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet ook vermeld. Artikel 1.6a van de Chw bepaalt dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. 10.1. [appellante sub 1] en Spring! hebben allebei afzonderlijk een vrijwel gelijkluidend beroepschrift ingediend, waarin zij per onderwerp via bulletpoints hun beroepsgronden naar voren hebben gebracht. In de beroepschriften is aangekondigd met een aanvullend stuk te komen waarin de beroepsgronden verder worden uitgewerkt. Zowel [appellante sub 1] als Spring! heeft voor de zitting een nader stuk ingediend in de vorm van een aanvullend beroepschrift. Voor [appellante sub 1] gaat het om het stuk van 20 maart 2025 en voor Spring! om het stuk van 17 april 2025. 10.2. Naar het oordeel van de Afdeling bevatten die stukken, naast nadere argumenten ter onderbouwing van eerder aangevoerde beroepsgronden, ook nieuwe beroepsgronden die op grond van artikel 1.6a van de Chw buiten beschouwing moeten blijven. In die nadere stukken zijn namelijk nieuwe gronden naar voren gebracht die niet als nader argument van in de beroepschriften aangevoerde concrete gronden kunnen worden beschouwd. Deze nieuwe gronden zijn niet of onvoldoende terug te voeren op de in het beroepschrift opgenomen bulletpoints. Het gaat dan om de beroepsgrond over artikel 4.4.4 van de planregels en om de gronden over financiële uitvoerbaarheid, voor zover die niet gaan over de vergoeding van planschade. De Afdeling zal die beroepsgronden dus niet inhoudelijk behandelen. INGETROKKEN BEROEPSGRONDEN 11. Op de zitting hebben [appellante sub 3A] en Fresh hun beroepsgrond over de planologische borging van de verkeersknippen ingetrokken. [appellante sub 1] heeft op de zitting haar beroepsgrond over milieuzonering en haar beroepsgrond over de bereikbaarheid van haar bedrijfslocatie tijdens de realisatiefase van het plan ingetrokken. BEOORDELING VAN DE BEROEPEN Toetsingskader 12. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. 13. Het voorliggende plan is een zogenoemd "bestemmingsplan met verbrede reikwijdte" als bedoeld in artikel 2.4 van de Chw en artikel 7c van het BuChw. Daarom kunnen in het bestemmingsplan ook regels worden gesteld die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. Dit volgt uit artikel 7c, eerste lid, onder a en b, van het BuChw, in aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Voor zover dat aan de orde is, zal de Afdeling daarom ook beoordelen of de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij het plan in overeenstemming met de in artikel 7c, eerste lid, onder a en b, van het BuChw vermelde criteria heeft vastgesteld. Strijd met de Omgevingsverordening Zuid-Holland 14. [appellante sub 3A] en Fresh betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met de provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland (hierna: Omgevingsverordening). Zij doen daarbij een beroep op de artikelen 6.9, 6.11, 6.12 en 6.13 van de Omgevingsverordening. Hieronder zal de Afdeling per ingeroepen bepaling de betogen van [appellante sub 3A] en Fresh beoordelen. Eerst ziet de Afdeling zich echter gesteld voor de vraag of [appellante sub 3A] en Fresh zich kunnen beroepen op de artikelen 6.11 en 6.13 van de Omgevingsverordening, gelet op de belangen waarvoor zij opkomen in relatie tot het beschermingsbereik van voornoemde artikelen. Relativiteit 14.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. 14.2. Artikel 6.11 van de Omgevingsverordening bevat instructieregels voor de raad over het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe kantoren. Het eerste lid van dat artikel wijst locaties aan waar in een bestemmingsplan nieuwe kantoren kunnen worden voorzien. Het tweede lid formuleert uitzonderingen daarop. Uit de toelichting bij de Omgevingsverordening blijkt dat het provinciale beleid voor kantoren aan deze bepaling ten grondslag ligt. Uit de toelichting volgt dat het doel van het beleid is om bij te dragen aan de vitaliteit en daarmee de kwaliteit van de stads- en dorpscentra en aan de versterking van de agglomeratiekracht (kantorenstructuur). Artikel 6.13 van de Omgevingsverordening bevat instructieregels voor de raad over het in een bestemmingsplan voorzien van detailhandel. Kort weergegeven beperkt dit artikel het toestaan van detailhandel bij bestemmingsplan tot gronden binnen (of aansluitend aan) winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken. Uit de toelichting bij de Omgevingsverordening blijkt dat ook aan dit artikel beleid ten grondslag ligt, namelijk het provinciale detailhandelsbeleid. De nagestreefde doelen van dit beleid zijn kort samengevat het behouden en versterken van de zorgvuldig opgebouwde ruimtelijke detailhandelsstructuur en het bevorderen en versterken van vitale stads- en dorpscentra. 14.3. [appellante sub 3A] en Fresh hebben op de zitting toegelicht dat [appellante sub 3A] de juridisch eigenaar is van het perceel waar Fresh haar bedrijfsvoering exploiteert. Zij komen allebei op voor behoud van een goed ondernemersklimaat. De belangen van [appellante sub 3A] zijn erin gelegen dat de verhuurbaarheid van haar perceel en de daarop aanwezige opstallen niet wordt aangetast. Fresh komt op voor haar belang bij het ongestoord kunnen voortzetten van haar bedrijfsactiviteiten als exploitant van een groothandel in groente en fruit. [appellante sub 3A] en Fresh stellen dat de artikelen 6.11 en 6.13 van de Omgevingsverordening wel strekken tot bescherming van haar belangen, omdat deze normen geschreven zijn om ongewenste leegstand te voorkomen. 14.4. De artikelen 6.11 en 6.13 hebben (samengevat) primair als doel om de kwaliteit en vitaliteit van stads- en dorpscentra te behouden en versterken, door bescherming van de kantorenstructuur en de detailhandelsstructuur. Op het perceel waar Fresh haar bedrijfsvoering heeft en waarvan [appellante sub 3A] eigenaar is, staat het ter plaatse geldende bestemmingsplan geen kantoren of detailhandel toe. Het perceel heeft namelijk de bestemming "Bedrijventerrein" waarbinnen (hoofdzakelijk) bedrijven zijn toegestaan. Omdat de artikelen 6.11 en 6.13 primair zijn geschreven voor de bescherming van de kantoren- en detailhandelsstructuur en (de bedrijfsvoeringen van) [appellante sub 3A] en Fresh daar geen onderdeel van zijn, strekken de artikelen 6.11 en 6.13 van de Omgevingsverordening naar het oordeel van de Afdeling kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellante sub 3A] en Fresh. Hoewel de artikelen 6.11 en 6.13 in zekere zin zien op het voorkomen van leegstand, zoals [appellante sub 3A] en Fresh betogen, betekent dat niet dat zij een beroep op die artikelen kunnen doen. Het gaat dan immers specifiek om het voorkomen van leegstand van kantoren en detailhandelsvestigingen, niet om het voorkomen van leegstand van panden op bedrijventerreinen die geen kantoor of detailhandel functie hebben. De Afdeling zal hun beroepsgronden over die artikelen van de Omgevingsverordening daarom niet inhoudelijk bespreken. Artikel 6.9 van de Omgevingsverordening 15. [appellante sub 3A] en Fresh betogen dat het plan in strijd met artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is vastgesteld. Dat artikel strekt ertoe dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft als een bestemmingsplan voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Daar is volgens [appellante sub 3A] en Fresh geen sprake van, althans, dat heeft de raad volgens hen onvoldoende gemotiveerd. [appellante sub 3A] en Fresh voeren daarvoor diverse argumenten aan die betrekking hebben op de leden 1 tot en met 5 en 7 van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening. Zo wordt niet voldaan aan de richtpunten van de kwaliteitskaarten waar in het tweede lid en in het vierde lid van artikel 6.9 naar wordt verwezen. Verder is in dit geval sprake van ‘transformeren’ als bedoeld in het vijfde lid van artikel 6.9, omdat een groot braakliggend terrein op een bedrijventerrein wordt getransformeerd naar een nieuwe woonwijk met diverse voorzieningen. In dat geval moet ook een zorgvuldige afweging plaatsvinden over de locatiekeuze. De raad heeft nagelaten om in de plantoelichting een motivering op te nemen waarom volgens hem wordt voldaan aan artikel 6.9 van de Omgevingsverordening. [appellante sub 3A] en Fresh benadrukken daarbij dat het plangebied in de huidige situatie nagenoeg onbebouwd en groen is. Dat gaat als gevolg van het plan verloren. Daardoor blijft de ruimtelijke kwaliteit hoe dan ook niet per saldo ten minste gelijk. 15.1. In artikel 6.9, eerste lid, van de Omgevingsverordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, staat dat een bestemmingsplan in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling kan voorzien, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. De daarna volgende leden van dat artikel geven invulling aan wat in het eerste lid is geregeld en stellen (verdere) voorwaarden aan het per saldo ten minste gelijk blijven van de ruimtelijke kwaliteit. 15.2. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met artikel 6.9 van de Omgevingsverordening. Volgens de raad tast het plan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied niet aan, maar versterkt en verbetert het plan deze juist. Daarvoor is volgens de raad van belang dat het plangebied voornamelijk bestaat uit een braakliggend gedeelte van het bedrijventerrein. Een groot gedeelte van de gronden had op grond van het voorgaande plan een gemengde bestemming of een bedrijfsbestemming met een bouwvlak, dat tot 60% mocht worden bebouwd met een maximale bouwhoogte variërend tussen de 16 m en de 30 m. Voor zover er bestaand groen zal verdwijnen, is dat groen niet waardevol en wordt dit bovendien gecompenseerd door de groenbestemmingen die in het voorliggende plan zijn opgenomen. Verder is rekening gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaarten. Het is volgens de raad juist dat in dit geval sprake is van het transformeren van een gebied als bedoeld in het vijfde lid van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening. Maar in dat kader is ook een zorgvuldige afweging gemaakt ten aanzien van de locatiekeuze, waarbij de richtpunten uit de kwaliteitskaarten zijn betrokken en is onderkend dat een gedeelte van een bedrijventerrein wordt getransformeerd naar een woonwijk met diverse voorzieningen. Vanwege de nabijheid van het treinstation, de al bestaande bebouwing in het gebied en de al bestaande planologische bouwmogelijkheden, is het gebied in het bijzonder geschikt voor de voorziene ontwikkelingen en is er geen sprake van aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. 15.3. De Afdeling ziet in wat [appellante sub 3A] en Fresh hebben aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten om de raad niet te volgen in zijn standpunt dat de ruimtelijke kwaliteit in het gebied per saldo ten minste gelijk blijft. Daarvoor is naar het oordeel van de Afdeling van belang dat het plangebied voornamelijk bestaat uit een braakliggend deel van het bestaande bedrijventerrein. Het voorgaande bestemmingsplan bood op een groot gedeelte van de gronden van het plangebied al aanzienlijke bouwmogelijkheden. Ook het gedeelte van het plangebied dat volgens [appellante sub 3A] en Fresh nu groen is en verloren gaat, namelijk de gronden die grenzen aan hun perceel, had op grond van het voorgaande plan een gemengde bestemming of een bedrijfsbestemming en kon voor een groot deel worden bebouwd. Over de relevante richtpunten voor het gebied die volgen uit de kwaliteitskaarten stelt de Afdeling voorop dat de enkele omstandigheid dat met het plan mogelijk niet wordt voldaan aan alle relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, niet betekent dat zich reeds om die reden strijd voordoet met artikel 6.9, tweede lid, van de Omgevingsverordening (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3413, onder 9.6). Uit dit artikellid volgt immers niet dat moet worden voldaan aan alle relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, maar dat daarmee rekening moet worden gehouden. Dat heeft de raad gedaan door in paragraaf 3.2.1 van de plantoelichting in te gaan op de relevante richtpunten uit de betreffende kwaliteitskaarten voor het gebied. De raad heeft in het verweerschrift verder gereageerd op wat [appellante sub 3A] en Fresh over de richtpunten hebben aangevoerd. De Afdeling ziet geen reden om de raad niet te volgen in zijn verweer. Dat in de plantoelichting niet op alle toepasselijke leden van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is ingegaan, maakt niet dat daarom het plan niet zorgvuldig is onderbouwd of voorbereid. De raad heeft ook voldoende inzicht gegeven in de afweging die is gemaakt over de locatiekeuze en de Afdeling acht die afweging, ook gelet op het voorgaande, niet onzorgvuldig. De conclusie is daarom dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plan niet in strijd met artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is vastgesteld. Het betoog slaagt niet. Artikel 6.12 van de Omgevingsverordening 16. Tussen partijen is niet in geschil dat het bestemmingsplan (gedeeltelijk) betrekking heeft op een bedrijventerrein zoals bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Omgevingsverordening. Een bestemmingsplan dient in dat geval de vestiging van bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten mogelijk te maken (ook wel: HMC-bedrijven). Daar voldoet het voorliggende plan niet aan, omdat een (gedeeltelijke) transformatie van het Bedrijventerrein Barendrecht Oost mogelijk wordt gemaakt naar een woon-werkgebied, waarbij ruimte voor HMC-bedrijven verloren gaat. Het vierde lid van artikel 6.12 biedt de mogelijkheid voor zo’n (gedeeltelijke) transformatie van een bedrijventerrein naar een andere bestemming. De toelichting verantwoordt in dat geval op welke wijze binnen de regio planologische compensatie van het bedrijventerrein zal plaatsvinden of reeds heeft plaatsgevonden. Planologische compensatie is onder meer nodig bij een bedrijventerrein met milieucategorie 3 en hoger. Op grond van artikel 6.12, zesde lid, van de Omgevingsverordening kan compensatie zoals bedoeld in het vierde lid achterwege blijven, als is aangetoond dat na de (gedeeltelijke) transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven afgezet tegen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of voldaan is aan de eisen uit artikel 6.12 van de Omgevingsverordening. Hierna zal eerst het standpunt van de raad daarover worden weergegeven en vervolgens het betoog van [appellante sub 3A] en Fresh, waarna de Afdeling dat betoog inhoudelijk beoordeelt. 16.1. De raad verwijst in het verweerschrift naar paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting. In die paragraaf is in het kader van de Omgevingsverordening ingegaan op de transformatie van het bedrijventerrein naar een woonwijk en andere voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naar het "Compensatieplan Stationstuinen Barendrecht" dat als bijlage 4 bij de plantoelichting is gevoegd (hierna: het compensatieplan). Het compensatieplan heeft betrekking op de gehele ontwikkeling van De Stationstuinen. In het compensatieplan staat dat in deelgebied 1 van De Stationstuinen, waar het plangebied onderdeel van is, ongeveer 16 ha aan bedrijventerrein met een hogere milieucategorie wordt onttrokken aan de voorraad. Van deze 16 ha was 13,6 ha bestemd voor agro-food-bedrijven (hierna: AGF-bedrijven) middels een functieaanduiding en 2,3 ha voor algemene bedrijvigheid. In het compensatieplan staat dat voor de 13,6 ha voldoende ruimte in de regio beschikbaar is om in de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte te voorzien. Die ruimte is aanwezig op het bedrijventerrein Nieuw-Reijerwaard. Die conclusie wordt getrokken op basis van twee onderzoeken van Buck Consultancy International. In het compensatieplan staat over een van die onderzoeken dat in het onderzoek een vraag-aanbod confrontatie centraal staat. In dat onderzoek is geconstateerd dat het planaanbod Nieuw-Reijerwaard de totale vraag naar agro-logistieke bedrijventerreinen tot 2030 overtreft, ook wanneer rekening wordt gehouden met een transformatie van (een deel van) Barendrecht-Oost. Verhuizende bedrijven vanuit gebiedsontwikkelingen kunnen worden gefaciliteerd op Nieuw-Reijerwaard. Voor de resterende 2,3 ha geldt dat in overleg met de provincie 1,2 ha niet hoeft te worden gecompenseerd en 1,1 ha binnen de gemeente kan worden gecompenseerd. Volgens de raad is daarmee voldaan aan artikel 6.12 van de Omgevingsverordening. 16.2. [appellante sub 3A] en Fresh betogen dat het plan in strijd met artikel 6.12 van de Omgevingsverordening is vastgesteld. Volgens hen heeft de raad onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe invulling wordt gegeven aan de op grond van artikel 6.12 van de Omgevingsverordening vereiste compensatieopgave. Zij voeren daarover aan dat een deugdelijke berekening van het aantal hectares bedrijventerrein dat aan de voorraad wordt onttrokken, ontbreekt. Verder is in het compensatieplan op basis van onderzoeken geconstateerd dat voor een gedeelte van het te verdwijnen bedrijventerrein, namelijk 13,6 ha, voldoende ruimte in de regio beschikbaar blijft, zodat op grond van het zesde lid geen compensatie benodigd zou zijn. Maar op basis van welke onderzoeken die conclusie wordt getrokken, is onduidelijk, ook omdat die onderzoeken niet bij de plantoelichting zijn gevoegd. Bovendien blijkt uit het bestemmingsplan "Barendrecht Noordoost" voor de 13,6 ha waarvoor de functieaanduiding voor een AGF-bedrijf gold, dat gronden met die aanduiding niet uitsluitend voor AGF-bedrijven bestemd waren. Ook andere (algemene) bedrijvigheid was toegestaan op gronden met die aanduiding en moet daarom ook worden gecompenseerd. Daarvoor is geen ruimte op Nieuw-Reijerwaard, omdat op dat bedrijventerrein alleen maar AGF-gerelateerde bedrijvigheid is toegestaan. Daar komt bij dat op het bedrijventerrein Barendrecht Oost bedrijven tot en met milieucategorie 4.2 zijn toegestaan, maar op Nieuw-Reijerwaard slechts bedrijven tot en met milieucategorie 4.1. Verder is niet inzichtelijk hoeveel ruimte op Nieuw-Reijerwaard nu precies aanwezig is voor het aantal ha bedrijventerrein dat als gevolg van het voorliggende bestemmingsplan verloren gaat. Volgens [appellante sub 3A] en Fresh is het bedrijventerrein al vrijwel volledig uitgegeven aan nieuwe bedrijven. Voor de resterende 2,3 ha is niet inzichtelijk gemaakt of daarvoor voldoende planologische compensatie plaatsvindt. Voor die benodigde compensatie is bovendien ook nog geen bestemmingsplan vastgesteld. Daarbij is ook onduidelijk of wordt voldaan aan het zevende lid van artikel 6.12 van de Omgevingsverordening. 16.3. Op de zitting hebben [appellante sub 3A] en Fresh verduidelijkt dat hun betoog over artikel 6.12 uitsluitend gaat over het voorliggende plangebied. Met [appellante sub 3A] en Fresh is op de zitting daarom vastgesteld dat wat zij over het compensatieplan hebben aangevoerd dat geen betrekking heeft op het plangebied, bijvoorbeeld over deelgebied 2 in het compensatieplan, geen bespreking behoeft. 16.4. De Afdeling overweegt het volgende over wat [appellante sub 3A] en Fresh hebben aangevoerd over artikel 6.12 van de Omgevingsverordening. 16.5. In het compensatieplan is (binnen het kader van de Omgevingsverordening) ingegaan op de vraag of compensatie nodig is voor het (gedeeltelijk) wegbestemmen van het bedrijventerrein Barendrecht Oost en zo ja, of en hoe dat mogelijk is. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen deelgebied 1 en deelgebied 2. Het plangebied is onderdeel van deelgebied 1, maar is (aanzienlijk) kleiner dan dat deelgebied. Voor het voorliggende plan zal alleen moeten worden bezien wat op grond van artikel 6.12 van de Omgevingsverordening de compensatieopgave is voor de gronden in het plangebied waarop op basis van het voorgaande bestemmingsplan bedrijven in een hogere milieucategorie waren toegestaan. Het gaat daarbij om gronden die op grond van het voorgaande plan de bestemming "Bedrijventerrein" hadden. Binnen die gronden waren alleen bedrijven tot en met categorie 3.2 toegestaan. Ook hadden die gronden de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - agf". De stelling van [appellante sub 3A] en Fresh dat ook bedrijven tot en met milieucategorie 4.2 waren toegestaan en daarvoor de benodigde compensatie ontbreekt, gaat weliswaar over gronden die liggen in deelgebied 1, maar die gronden zijn geen onderdeel van het plangebied. Dat geldt ook voor de stelling dat niet voldoende inzichtelijk is of de resterende 2,3 ha, waarop niet de functieaanduiding voor agf-bedrijven aanwezig is, gecompenseerd wordt. Die stellingen kunnen daarom niet leiden tot het oordeel dat het voorliggende plan in strijd met artikel 6.12 van de Omgevingsverordening is vastgesteld. 16.6. Over deelgebied 1, waar het plangebied dus onderdeel van is, staat dat ongeveer 16 ha aan bedrijventerrein als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Omgevingsverordening wordt onttrokken. Op pagina 8 van het compensatieplan staat opgesomd voor welke milieucategorieën de 16 ha is bestemd. Dat is onder andere voor bedrijven in milieucategorie 3.2, namelijk ongeveer 10.51 ha, die met het voorliggende plan voor een gedeelte worden wegbestemd. De raad heeft op die wijze naar het oordeel van de Afdeling voldoende inzichtelijk gemaakt hoeveel ha bedrijventerrein als gevolg van de ontwikkeling wordt onttrokken aan de voorraad, zodat het standpunt van [appellante sub 3A] en Fresh daarover niet wordt gevolgd. 16.7. De Afdeling volgt [appellante sub 3A] en Fresh evenmin in hun standpunt dat niet duidelijk is op basis van welke onderzoeken is geconstateerd dat voldoende aanbod in de regio beschikbaar blijft voor de gronden in het plangebied die op basis van het voorgaande plan de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - agf" hadden. Uit het compensatieplan, specifiek pagina 15, blijkt dat het gaat om onderzoeken van Buck Consultancy International, waarbij de titel van de onderzoeken en een korte toelichting daarop staat weergegeven. [appellante sub 3A] en Fresh wijzen er wel terecht op dat gronden met de functieaanduiding voor AGF-bedrijven niet uitsluitend voor dergelijke bedrijvigheid was bestemd. Het bedrijventerrein Nieuw-Reijerwaard is, zoals [appellante sub 3A] en Fresh ook hebben opgemerkt en de raad niet heeft weersproken, in hoofdzaak bestemd voor agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven. Maar dat maakt nog niet dat de raad, op basis van de in het compensatieplan genoemde onderzoeken, niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de regio voldoende bedrijventerrein beschikbaar zal blijven afgezet tegen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte zoals bedoeld in het zesde lid van artikel 6.12. [appellante sub 3A] en Fresh hebben de onderzoeken en de daarin getrokken conclusies zoals weergegeven in het compensatieplan, niet inhoudelijk bestreden. Hun stelling dat Nieuw-Reijerwaard inmiddels vrijwel volledig is uitgegeven aan nieuwe bedrijven hebben zij niet onderbouwd. Daarom ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte, op basis van die onderzoeken, op het standpunt heeft gesteld dat na transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven, zodat compensatie op grond van artikel 6.12, zesde lid, van de Omgevingsverordening achterwege kan blijven. 16.8. De conclusie is dat de Afdeling geen grond ziet voor het oordeel dat vanwege de transformatie van een gedeelte van het bedrijventerrein waarin het plan voorziet niet wordt voldaan aan artikel 6.12 van de Omgevingsverordening. Het betoog slaagt niet. Parkeren Inleiding 17. [appellante sub 3A] en Fresh hebben beroepsgronden naar voren gebracht over het aspect parkeren. Zij vrezen dat het bestemmingsplan leidt tot extra parkeerdruk in de omgeving. Zij zijn van mening dat hiernaar onvoldoende onderzoek is verricht. Ook Spring! en [appellante sub 1] hebben onder het kopje ‘Verkeer’ op een enkel punt een grond over het aspect parkeren aangevoerd. Die gronden zal de Afdeling bij de bespreking van het aspect parkeren meenemen. Het aspect verkeer komt na de bespreking van de gronden over parkeren aan de orde. Omdat [appellante sub 3A] en Fresh meer beroepsgronden over parkeren naar voren hebben gebracht, zal de Afdeling de gevolgen van het plan voor de parkeerdruk in de omgeving met name aan de hand van die beroepsgronden bespreken. 17.1. De raad stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare parkeerdruk op de omgeving. De raad verwijst daarbij naar het rapport "Mobiliteitsmilieu Stationstuinen Barendrecht" van Goudappel Coffeng van 27 maart 2020 en naar het rapport "De Stationstuinen Barendrecht, Deelrapport parkeren" van Goudappel van 4 september 2023, dat als bijlage 3 is gevoegd bij de aanvulling op het MER (bijlage 34 van de plantoelichting). Verder wijst de raad op het "Ontwikkelkader De Stationstuinen", dat als bijlage 1 bij de plantoelichting en als bijlage 3 bij de planregels is gevoegd. Uit het Ontwikkelkader blijkt voor wat betreft het mobiliteitsconcept in De Stationstuinen het volgende. In De Stationstuinen geldt als uitgangspunt het STOMP-principe. Op basis van dat principe wordt ingezet op een beperkt autogebruik en -bezit. Uitgangspunt is dat het gebied autoluw wordt. In het Ontwikkelkader zijn de parkeernormen opgenomen die op grond van artikel 4.4.4, onder b, van de planregels gelden voor het plangebied. Voor het plangebied is uitgegaan van relatief lage parkeernormen (‘sturende parkeernormen’), die zijn ingegeven door de gemeentelijke wens voor minder auto’s in dit deel van Barendrecht. Ook is in het Ontwikkelkader de mogelijkheid opgenomen om de inzet van deelmobiliteit als reductiefactor mee te nemen in de berekening van de parkeerbehoefte. Het is verder de bedoeling dat de benodigde parkeerplaatsen zoveel mogelijk in collectieve parkeervoorzieningen worden gerealiseerd. Dit zijn de zogenoemde mobilityhubs. Het voorliggende plan voorziet in twee van die mobilityhubs binnen de functie "Gemengd" binnen de specifiek daarvoor opgenomen functieaanduidingen. Daarnaast zullen ook parkeervoorzieningen onder de bouwblokken worden gerealiseerd en in beperkte mate ook parkeervoorzieningen op straat. Verder is het de bedoeling dat in De Stationstuinen parkeerregulering zal plaatsvinden door het invoeren van een vergunningensysteem en betaald parkeren. Om parkeeroverlast in omliggende wijken te voorkomen zullen ook daarvoor flankerende maatregelen worden genomen, zo volgt uit het Ontwikkelkader. 17.2. Hieronder bespreekt de Afdeling de beroepsgronden die betrekking hebben op het aspect parkeren. Daarbij worden achtereenvolgens de volgende onderwerpen besproken: - ontbreken deugdelijk parkeeronderzoek, - parkeernormen in het Ontwikkelkader, - maximale mogelijkheden van het plan, - deelmobiliteit, - verdeling van parkeerplaatsen, en - parkeerregulering. Ontbreken deugdelijk parkeeronderzoek 18. [appellante sub 3A] en Fresh betogen dat aan het plan geen deugdelijk parkeeronderzoek ten grondslag ligt. Weliswaar heeft de raad zich gebaseerd op het rapport van Goudappel van 27 maart 2020, nu dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, maar in dat rapport is de parkeervraag van de voorgenomen ontwikkeling niet inzichtelijk gemaakt en is ook niet bezien of die parkeervraag in de omgeving kan worden opgevangen. 18.1. De Afdeling stelt vast dat in het rapport van Goudappel van 27 maart 2020 inderdaad geen berekening is gemaakt van de parkeervraag die het plan genereert en of in die parkeervraag kan worden voorzien. Maar dat is, zoals blijkt uit het rapport en de toelichting van de raad, ook niet de bedoeling van het onderzoek. Het onderzoek is in de eerste fase van het project uitgevoerd om in beeld te brengen welke scenario’s in de nieuwe wijk mogelijk zijn. Het vormde input voor het Ontwikkelkader, aldus de raad. Dat blijkt ook uit het rapport, nu daarin een bereikbaarheidsanalyse is gemaakt, verschillende mobiliteitsscenario’s zijn geschetst en effecten daarvan zijn besproken. Vervolgens is het Ontwikkelkader opgesteld waarin de uitgangspunten voor het mobiliteitsconcept in De Stationstuinen zijn beschreven. In het Ontwikkelkader zijn ook de parkeernormen opgenomen die gelden voor het hele gebied. Op basis van die normen en uitgangspunten en het voorziene programma is per deelgebied en voor De Stationstuinen als geheel bezien tot welke parkeervraag dit leidt. Daarna heeft Goudappel geadviseerd over de in het Ontwikkelkader opgenomen parkeernormen en mobiliteitsuitgangspunten, wat geresulteerd heeft in het advies van 4 september 2023. In wat [appellante sub 3A] en Fresh hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat aan het plan geen deugdelijk parkeeronderzoek ten grondslag ligt. Of de onderzoeken van Goudappel en het Ontwikkelkader het standpunt van de raad kunnen dragen dat geen onaanvaardbare parkeerhinder te verwachten is, komt in het vervolg van de bespreking van de beroepsgronden aan de orde. Parkeernormen in het Ontwikkelkader 19. [appellante sub 3A] en Fresh betogen dat de parkeernormen die in het Ontwikkelkader zijn opgenomen voor de verschillende functies die het plan mogelijk maakt, te laag zijn. Uit het Ontwikkelkader blijkt dat de parkeernormen zijn gebaseerd op de gemeentelijke Parkeernota Barendrecht 2018 (hierna: de Parkeernota) waarin in deel 3 de parkeernormen staan vermeld die zijn gebaseerd op de CROW-publicatie 317. Op een aantal punten is echter afgeweken van die parkeernormen. Volgens [appellante sub 3A] en Fresh is dat niet in overeenstemming met de Parkeernota, omdat in paragraaf 4.3 expliciet staat dat voor De Stationstuinen de vigerende parkeernormering moet worden toegepast. De raad had voor De Stationstuinen dan ook de bij de Parkeernota behorende parkeernormen moeten hanteren en geen afwijkende parkeernormen mogen opnemen in het Ontwikkelkader. Als de Parkeernota al ruimte biedt om af te wijken van de voorgeschreven parkeernormen, dan stellen [appellante sub 3A] en Fresh dat de raad die afwijking onvoldoende heeft gemotiveerd. Zo heeft de raad de parkeernormen voor ‘Centrum’ toegepast in plaats van ‘rest bebouwde kom’, is de bezoekersnorm verlaagd en zijn ook de parkeernormen voor onderwijs, verschillende typen woningen en horeca flink lager. In de Parkeernota staat over het centrumgebied dat hier vooral door ondernemers, werkers en klanten wordt geparkeerd. Maar het plangebied zal voornamelijk worden ingericht als woongebied. Doordat ten onrechte is uitgegaan van een centrumgebied, worden al te lage normen gehanteerd, waarbij voor sommige functies dus ook nog eens van die normen is afgeweken. Dat in voldoende parkeergelegenheid zal worden voorzien, valt volgens [appellante sub 3A] en Fresh daarom ernstig te betwijfelen. 19.1. In artikel 4.4.4 van de planregels is een voorwaardelijke verplichting voor parkeren opgenomen. Zoals hiervoor al is genoemd, is in onder b van dat artikel voor het antwoord op de vraag "wanneer in voldoende mate is voorzien in ruimte voor parkeren of stallen van auto’s en fietsen" verwezen naar het Ontwikkelkader voor de invulling van het aantal benodigde parkeerplaatsen. In het Ontwikkelkader zijn parkeernormen opgenomen voor de functies die met het plan mogelijk worden gemaakt. Dat is toegelicht in paragraaf 3.3 van het Ontwikkelkader. Over de parkeernormen staat dat deze zijn gebaseerd op de gemeentelijke parkeernormen uit de Parkeernota, maar dat op een aantal punten daarvan is afgeweken. De passage van de Parkeernota waar [appellante sub 3A] en Fresh op doelen staat in paragraaf 4.3 van deel 2 van de Parkeernota. Daar gaat het over nieuwe ontwikkelingen in de Stationsomgeving en staat onder meer onder het kopje "Stationstuin": "In het gebied nabij het parkeerterrein bij het station wordt de nieuwe uitbreiding Stationstuin ontwikkeld. Binnen deze ontwikkeling dient ook het parkeren ten behoeve van de realisatie van woningen gerealiseerd te worden op basis van de vigerende parkeernormering." De raad heeft daarover op de zitting toegelicht dat die passage geen betrekking heeft op de ontwikkeling van De Stationstuinen, maar betrekking heeft op de ontwikkeling aan de westzijde van het NS-station, waarvoor in 2019 het bestemmingsplan "Stationstuin Barendrecht" is vastgesteld. De Afdeling ziet geen reden om daaraan te twijfelen, nu in de Parkeernota niet wordt gesproken van ‘De Stationstuinen’, maar van ‘Stationstuin’ en een gelijknamig bestemmingsplan in 2019 is vastgesteld. Op basis van deze passage uit de Parkeernota bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad niet heeft mogen afwijken van de gemeentelijke parkeernormering. De Afdeling zal die afwijking, op basis van wat [appellante sub 3A] en Fresh daarover hebben aangevoerd, hieronder bespreken. 19.2. Bij het bepalen van de parkeernormen is uitgegaan van een centrumgebied in een sterk stedelijke omgeving, in plaats van ‘rest bebouwde kom’ zoals de Parkeernota het gebied aanduidt. Dat is gebaseerd op onderzoek van Goudappel, zo staat in het Ontwikkelkader. Vanwege de ligging van het gebied naast het station, de hoge dichtheid van het bouwprogramma, het type woningen dat gerealiseerd gaat worden en de opzet met parkeren op afstand kan worden uitgegaan van een centrumgebied. Daarbij verwijst de raad in het verweerschrift naar het rapport van Goudappel van 4 september 2023. In de Parkeernota staat als kenmerkend voor het centrumgebied dat hier ondernemers, werkers en klanten parkeren. Maar dat betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat niet ook met andere kenmerken van een centrumgebied rekening kan worden gehouden. Uit het hiervoor genoemde rapport van Goudappel van 4 september 2023 blijkt dat een centrumgebied ook wordt getypeerd door goede OV-verbindingen en een hoge bebouwingsdichtheid, al dan niet met een hoog voorzieningenniveau in de vorm van supermarkten en detailhandel. Dat op basis van de kenmerken van het plangebied, de omgeving en de invulling van het plan is geconstateerd dat de parkeernormen voor centrumgebied kunnen worden toegepast, acht de Afdeling dan ook niet onjuist. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de raad voor het plangebied geen aansluiting heeft mogen zoeken bij de parkeernormen van een centrumgebied. 19.3. Van de parkeernormen voor een centrumgebied is in het Ontwikkelkader op sommige punten afgeweken. Die afwijkingen zijn volgens [appellante sub 3A] en Fresh niet goed onderbouwd. Het gaat om de volgende afwijkingen: - de bezoekersnorm van 0,3 naar 0,2; - de norm voor campus (ROC) van 4,2 naar 3,8; - de norm voor primaire sociale huurwoningen en secundaire sociale huurwoningen. In de gemeentelijke parkeernormen is geen onderscheid gemaakt in type woning. Voor een sociale huurwoning geldt een parkeernorm van 1,2. Op basis van het Ontwikkelkader is dit voor primaire sociale huur 0,7 en voor secundaire sociale huur 1,1; - de norm voor lage middeldure huur en koop. Voor midden/goedkope huur geldt een gemeentelijke parkeernorm van 1, en voor goedkope koop een norm van 1,2. Op basis van het Ontwikkelkader geldt voor allebei een norm van 0,7; - de norm voor horeca. Voor een café/bar/cafetaria geldt een gemeentelijke parkeernorm van 6,0 en voor restaurant van 9,0. Op basis van het Ontwikkelkader geldt voor horeca een norm van 4,0 per 100 m2 bvo. De parkeernormen zijn, voor zover dat van toepassing is, inclusief het bezoekersaandeel. 19.4. Op basis van het Ontwikkelkader en de rapporten van Goudappel van 27 maart 2020 en 4 september 2023 heeft de raad de parkeernormen onderbouwd. Ten aanzien van de afwijkingen wordt in algemene zin gewezen op de goede OV-bereikbaarheid en het hoge voorzieningenniveau in (de nabijheid van) het gebied, in combinatie met het voorziene gereguleerd parkeren in het gebied. Goudappel schrijft verder in het rapport van 4 september 2023 over de bezoekersnorm dat uit onderzoek blijkt dat een bezoekersnorm van 0,1 in sterk stedelijk gebied met parkeerregulering, zoals in De Stationstuinen wordt gecreëerd, voldoende is. Over de parkeernormen voor een campus staat in het Ontwikkelkader dat door het gereguleerd parkeren in het gebied een lagere parkeerbehoefte te verwachten is. Daarbij is, blijkens de zienswijzennota, ook rekening gehouden met een gecombineerd onderwijstype (avond- en dagonderwijs) en is vanwege het verschil in aanwezigheidspercentages de parkeernorm aangepast. Over de parkeernorm voor sociale huurwoningen staat in het Ontwikkelkader dat op basis van onderzoek blijkt dat het autobezit voor primaire sociale huur op gemiddeld 0,42 auto’s per huishouden, en voor secundaire sociale huur op 0,89 ligt (exclusief aandeel bezoekers). De raad heeft op de zitting toegelicht dat het hierbij gaat om een onderzoek dat aan de provinciale Omgevingsverordening ten grondslag ligt. Over de normen voor lage middeldure huur- en koopwoningen staat in het Ontwikkelkader dat daarvoor wordt aangesloten bij de norm voor primaire sociale huurwoningen. Anders dan in de gemeentelijke parkeernormen wordt in het Ontwikkelkader onderscheid gemaakt tussen lage middeldure huur en koop en middeldure huur en koop. Goudappel constateert op basis van onderzoek naar autobezit in Barendrecht en referentiegebieden dat de parkeernormen in het geval van sturend parkeerbeleid, zoals in dit geval, passend is voor dit type woningen. Verder wordt ten aanzien van de norm voor horeca in het Ontwikkelkader en door Goudappel gewezen op de specifieke buurt-/wijkfunctie die deze naar verwachting zal hebben. De verwachting is dat deze horecagelegenheden grotendeels gebruikt worden door bewoners, werknemers en andere doelgroepen uit het gebied zelf. Goudappel constateert dat in geval van een buurtgerichte functie met sturend parkeerbeleid voor een café/bar/cafetaria en voor een restaurant normen van respectievelijk 2,9 en 3,5 per 100 m2 gelden. Op basis van wat [appellante sub 3A] en Fresh hebben aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusies uit het Ontwikkelkader en de rapporten van Goudappel op basis waarvan de parkeernormen voor het plangebied zijn bepaald en beoordeeld. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat [appellante sub 3A] en Fresh geen concrete kritiek hebben geuit op het rapport van Goudappel van 4 september 2023 waarin specifiek is bezien of de parkeernormen die zijn opgenomen in het Ontwikkelkader passend zijn voor dit plan. Het betoog slaagt niet. Maximale mogelijkheden van het plan 20. [appellante sub 3A] en Fresh betogen dat bij de berekening van de parkeervraag die het plan genereert moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Daarbij verwijzen zij naar de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3968. Uit de onderzoeken van Goudappel en ook uit het Ontwikkelkader blijkt dat daar niet vanuit is gegaan. Daarover voeren [appellante sub 3A] en Fresh aan dat in het Ontwikkelkader een woonprogramma voor De Stationstuinen is opgenomen op basis waarvan de parkeerbehoefte is berekend. Maar dat het woonaanbod in het plangebied die samenstelling heeft, is niet geborgd. Er kunnen dus ook duurdere woningen komen waar een hogere parkeernorm voor geldt. Ook zijn de andere functies die het plan mogelijk maakt, niet of onvoldoende meegenomen. Of in dat geval kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid heeft de raad niet onderbouwd. 20.1. Het voorliggende plan voorziet in een globale bestemming "Gemengd" omdat de raad wenst te voorzien in een grootschalige en gefaseerde ontwikkeling van De Stationstuinen waarbij meerdere functies in een gebied mogelijk worden gemaakt. De raad heeft gekozen voor een globale bestemming om flexibiliteit te bieden bij de uitvoering van het plan. De Afdeling stelt voorop dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan moet nagaan of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Anders dan [appellante sub 3A] en Fresh stellen, mag daarbij een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden tot uitgangspunt worden genomen. 20.2. De Afdeling stelt vast dat in de planregels geen verdeling is opgenomen van de woningbouwcategorieën. In paragraaf 3.3.1 van het Ontwikkelkader is wel inzicht gegeven in het voorziene woonprogramma. Uitgaande van het beschikbare woonoppervlakte in De Stationstuinen is in totaal ruimte voor ongeveer 3.200 woningen. Voor het plangebied is het aantal toegestane woningen in artikel 4.1, onder a, van de planregels gemaximeerd op 815. In het Ontwikkelkader staat dat het woonprogramma is onderverdeeld in drie segmenten (sociaal, middelduur en hoger segment). De parkeerbehoefte die op pagina 60 van het Ontwikkelkader in kaart is gebracht, is gebaseerd op het programma voor De Stationstuinen zoals dat in hoofdstuk 3 is beschreven. Daargelaten of in het Ontwikkelkader is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden voor wat betreft de voorziene woningbouw, ziet de Afdeling in wat [appellante sub 3A] en Fresh hebben aangevoerd geen concrete argumenten waarom in zoverre niet in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien. Hoewel het plan er niet aan de in de weg staat dat alleen woningen in het hogere segment worden gerealiseerd, heeft de raad op de zitting toegelicht dat ook als uitsluitend woningen in het hogere segment in het gebied komen - wat uitdrukkelijk niet de bedoeling is - dat betekent dat het aan de ontwikkelaar(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.