(2017)af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Bij de beantwoording van deze vraag dient volgens de jurisprudentie van de Afdeling te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur (…)." 5.
- Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het plangebied terecht aangemerkt als een bestaand stedelijk gebied. Anders dan [appellant] meent is niet alleen het huidige gebruik van de gronden relevant, maar is van belang of het plangebied kan worden beschouwd als een bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorend geheel van openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. De raad vindt terecht dat dit bij het plangebied het geval is. Volgens de raad is sprake van een herkenbare en samenhangende structuur van de omgeving, waar het plangebied onderdeel van uitmaakt. Daarbij heeft de raad terecht gekeken naar de eerder aan de gronden toegekende bestemming "Bedrijf" en naar de ligging van het plangebied tussen gronden met een woonbestemming, in de lintbebouwing van de Willem van der Veldenweg die aansluit op de kern van Leimuiden. De bestaande woonpercelen in de lintbebouwing vormen een duidelijke ruimtelijke eenheid. Weliswaar is de locatie van het bouwplan achter deze bestaande woningen gesitueerd, maar de raad heeft toegelicht dat de nieuwe woningen via een bestaande ontsluiting zijn verbonden met het openbaar gebied. Het voorgaande betekent dat de Omgevingsvisie in zoverre aan de beoogde ontwikkeling op deze locatie niet in de weg staat. Het betoog slaagt niet. Ontwikkeling past niet in de landelijke omgeving
- [appellant] betoogt dat het plan niet past in de landelijke omgeving, want het gebouw wordt te hoog en te groot. Door de grootte en positie van de bebouwing wordt een stedelijk gebied gecreëerd. 6.
- De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat het beoogde appartementencomplex ruimtelijk aanvaardbaar is. De raad heeft toegelicht dat het toekennen van een woonbestemming aan de gronden niet leidt tot een aantasting van het agrarisch gebied, of uitbreiding van het bebouwd areaal in het buitengebied. Het nieuwe gebouw wordt gerealiseerd op gronden die voorheen een bedrijfsbestemming hadden en waarop tot een hoogte van 6 m mocht worden gebouwd. De maximale bouwhoogte van het nieuwe gebouw is 9 m, en deze hoogte sluit aan op de hoogtemaatvoering van de bestaande woningen in het lint. Het betoog slaagt niet. Open landschap
- [appellant] betoogt dat het plan zorgt voor een onaanvaardbare aantasting van zichtlijnen, terwijl in de Omgevingsvisie staat dat de raad het behoud van het open landschap belangrijk vindt. 7.
- De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit, want de doorzichten naar het polderlandschap zijn in de huidige situatie al beperkt. Weliswaar wordt het appartementencomplex hoger en groter dan de huidige bedrijfsloods, maar bezien vanaf de Willem van der Veldenweg gaat het qua zichtlijnen om een kleine wijziging. Vanaf de straatkant ziet men nu de bedrijfsloods en in de beoogde situatie zal dat de zijgevel van het appartementencomplex zijn. Ook ontneemt de bestaande lintbebouwing aan deze zijde van de weg al grotendeels de mogelijkheid op doorzichten naar het open landschap. Vanaf de Molenkade bezien wordt het zicht op het polderlandschap al gedeeltelijk ontnomen door de bestaande bedrijfsloods met bijbehorende mogelijkheid voor opslag. In wat [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen reden om aan dit standpunt van de raad te twijfelen. Het betoog slaagt niet. Bezonningsstudie
- [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte geen bezonningsstudie heeft gedaan, terwijl het plan zorgt voor onevenredige schaduwwerking op de percelen rechts naast het plangebied. 8.
- Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt. 8.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste, ligt in artikel 8:69a van de Awb besloten dat degene die vernietiging van een besluit beoogt, zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen (uitspraak van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706), onder 6.4). 8.
- [appellant] komt met het betoog over de bezonningsstudie op voor de bescherming van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de percelen van anderen. Daarmee beroept hij zich op een aspect van de norm van de goede ruimtelijke ordening, als neergelegd in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, die niet ziet op bescherming van zijn belangen. De Afdeling bespreekt de beroepsgrond hierover daarom niet inhoudelijk. Conclusie en proceskosten
- Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
- De raad en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Kemerink op Schiphorst-Hofman, griffier. w.g. Ten Veen lid van de enkelvoudige kamer w.g. Kemerink op Schiphorst-Hofman griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025 933