202402071/1/R3 Datum uitspraak: 10 december 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1] en anderen, wonend in Voorhout, gemeente Teylingen, 2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend in Voorhout, gemeente Teylingen, 3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend in Voorhout, gemeente Teylingen, 4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), wonend in Voorhout, gemeente Teylingen, 5. Vereniging De natuurlijke Boekhorstpolder, gevestigd in Voorhout, gemeente Teylingen, 6. Vereniging Business Platform Teylingen, gevestigd in Voorhout, gemeente Teylingen, appellanten, en de raad van de gemeente Teylingen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 1 februari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Nieuw Boekhorst, Voorhout" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], Vereniging De natuurlijke Boekhorstpolder en Business Platform Teylingen beroep ingesteld. Bij besluit van 14 november 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Nieuw Boekhorst, Voorhout" opnieuw en gewijzigd vastgesteld. [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en Business Platform Teylingen hebben een zienswijze naar voren gebracht naar aanleiding van het besluit van 14 november 2024. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 november 2025, waar [appellant sub 1] en anderen, in de persoon van [appellant sub 3A], [appellanten sub 3], bijgestaan door drs. S.A.N. Geerling, [appellant sub 4], Vereniging De natuurlijke Boekhorstpolder, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], Business Platform Teylingen, vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en [gemachtigde D], bijgestaan door mr. H. Kremers, advocaat te Leiden, en de raad, vertegenwoordigd door A. Stegeman en D. Best-Beemsterboer, bijgestaan door mr. S.W. Derksen en mr. D.C.E. de Haas, advocaten te Utrecht, zijn verschenen. Ook zijn [partij] en anderen, vertegenwoordigd door mr. V.A.C. de Gier, advocaat te Rotterdam, en Woonstichting Stek, vertegenwoordigd door [gemachtigde E], op de zitting als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 21 september 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. De raad wil een nieuwe wijk - Nieuw Boekhorst - met maximaal 1.300 woningen aan de noordwestrand van Voorhout laten bouwen. Het plan is vastgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken. De gronden in het plangebied bestaan nu grotendeels uit agrarisch gebied. Het plan is een zogenoemd "bestemmingsplan met verbrede reikwijdte". Dit betekent dat de raad gebruik heeft gemaakt van extra mogelijkheden voor de inrichting van het bestemmingsplan op basis van artikel 2.4 van de Crisis- en Herstelwet (hierna: Chw) in verbinding met artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Toetsingskader 3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Besluit van 14 november 2024 4. Bij besluit van 14 november 2024 (het herstelbesluit) heeft de raad het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. In de planregels is ter verduidelijking opgenomen wat moet worden verstaan onder "langzaam verkeer", om te borgen dat alleen langzaam verkeer over bruggen is toegestaan. De voorwaardelijke verplichting over een waterberging is vervallen omdat via een watervergunning verleend door de dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland volgens de raad publiekrechtelijk is verzekerd dat wateroverlast wordt voorkomen. Verder is de formulering van de voorwaardelijke verplichting over een openbare groenvoorziening aangepast. 4.1. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben." 4.2. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb tegen het herstelbesluit een beroep van rechtswege is ontstaan van appellanten. Voor zover [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en Business Platform Teylingen gronden hebben aangevoerd tegen het herstelbesluit zullen deze hierna behandeld worden. Verder wordt wat [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], Vereniging De natuurlijke Boekhorstpolder en Business Platform Teylingen tegen het oorspronkelijke besluit van 1 februari 2024 naar voren hebben gebracht, door de Afdeling aangemerkt als de gronden van het beroep van rechtswege, voor zover zij dat beroep handhaven. Participatie 5. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] betogen dat er ten onrechte geen overleg en communicatie over het plan met omwonenden heeft plaatsgevonden. Omwonenden hebben van de plannen kennis moeten nemen na publicatie van het ontwerpbestemmingsplan. Het gebrek aan participatie is volgens [appellant sub 1] en anderen niet te rijmen met de ongemakken die omwonenden gedurende jaren moeten ervaren en is niet in lijn met de geest van de Omgevingswet. [appellanten sub 3] storen zich eraan dat de raad hen en andere buurtbewoners ook niet bij de totstandkoming van het herstelbesluit heeft betrokken. Het projectbureau heeft slechts op het laatste moment de voorgenomen wijzigingen uitgelegd. 5.1. Het bestemmingsplan is overeenkomstig artikel 3.8 van de Wro voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Vooraf is een ontwerpplan ter inzage gelegd waarover zienswijzen naar voren konden worden gebracht. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Andere vormen van participatie en inspraak maken geen deel uit van deze voorbereidingsprocedure. Ten tijde van de voorbereiding van het bestemmingsplan was er nog geen participatiebeleid door de raad vastgesteld. Een verplichting tot participatie kan ook niet voortvloeien uit de Omgevingswet, omdat deze wet niet van toepassing is op het bestemmingsplan. De raad heeft overigens toegelicht dat er wel een participatietraject heeft plaatsgevonden. Zo hebben er onder meer informatieavonden en ontwerpateliers plaatsgevonden. De betogen slagen niet. Ontsluitingsroute / calamiteitenroute 6. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 3] betogen dat het herstelbesluit deels tegemoet komt aan hun gronden over de ontsluitingsroute, maar dat het plan ter plaatse ten onrechte nog steeds een calamiteitenroute toestaat. Ruim 100 m in zuidwestelijke richting is al een bestaande aansluiting aanwezig, voorzien van de functieaanduiding "ontsluiting". Volgens [appellant sub 1] en anderen kan die ontsluiting beter gebruikt worden als calamiteitenroute, deze ontsluiting behoeft namelijk nauwelijks verkeerskundige maatregelen. Ook voeren [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 3] aan dat de aansluiting op het plangebied van het plan "Dorp Voorhout" uit 2012 gebrekkig is. De bestemmingen "Water" en "Groen" voorzien in dat plan namelijk niet in de mogelijkheid tot het aanleggen van oeververbindingen en gebruiksmogelijkheden voor langzaam verkeer en calamiteitenroutes. [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] betogen dat artikel 6.1, onder c, van de planregels ten onrechte niet uitsluit dat de ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer (anders dan calamiteitenverkeer) gebruikt kan worden. Een onderscheid met ander gemotoriseerd verkeer dan hulpdiensten wordt in de planregels niet gemaakt. Daarmee ontstaat volgens [appellanten sub 3] de situatie dat ook de Boekenburglaan moet worden verhoogd om een brugverbinding mogelijk te maken en waarmee parkeervoorzieningen moeten verdwijnen. [appellanten sub 3] vrezen dat de ontsluiting toch door doorgaand verkeer gebruikt zal gaan worden als de ontsluiting er eenmaal ligt. 6.1. De raad stelt dat in het herstelbesluit is geborgd dat het plangebied niet via de Boekenburglaan zal worden ontsloten voor autoverkeer. Verder moeten alle voorziene en bestaande woningen in het geval van calamiteiten bereikbaar zijn voor hulpdiensten. De raad wijst erop dat dit verplicht is gesteld vanuit de Veiligheidsregio Hollands Midden. Bij calamiteiten zullen de hulpdiensten in beginsel gebruik maken van de wegen binnen het plangebied die voor "normaal" verkeer zijn ingericht (de interne ontsluitingslus). Enkel in het uitzonderlijke geval dat deze wegen zijn gestremd en hulpdiensten het plangebied moeten bereiken of verlaten, zal gebruik worden gemaakt van de speciaal daarvoor bestemde calamiteitenroutes (waaronder degene die aansluit op de Boekenburglaan). In het Beleidsdocument bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden staat hierover dat een willekeurig adres naast de voorkeursroute via een tweede onafhankelijke route (zoals een calamiteitenroute) bereikbaar moet zijn, omdat niet kan worden gegarandeerd dat de voor de hand liggende route altijd bruikbaar is. Wat [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 3] aanvoeren over de aansluiting op het plangebied "Dorp Voorhout" is volgens de raad niet relevant omdat dit geen betrekking heeft op het voorliggende plan. 6.2. Aan de gronden in het plangebied die in het verlengde van de Boekenburglaan 151-157 liggen, is de bestemming "Groen" en de functieaanduiding "ontsluiting" toegekend. Tussen de Boekenburglaan 151-157 en het plangebied ligt een watergang, aan de gronden in de watergang is de bestemming "Water" toegekend en de functieaanduiding "steiger uitgesloten". Artikel 6.1 van de planregels luidt: "De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor: […] c. ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' tevens voor de ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer over rijwegen, trottoirs en bijbehorende voorzieningen; […]." Artikel 11.1 luidt: "De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verkeer te water; b. oeververbindingen, waaronder in ieder geval wordt verstaan bruggen en duikers, voor langzaam verkeer en calamiteitenroutes; […]." Artikel 1.86 luidt: "langzaam verkeer alle vormen van niet zijnde gemotoriseerd verkeer, waaronder (brom)fietsers, voetgangers, en geleiders/berijders van een dier." 6.3. De Afdeling stelt vast dat gemotoriseerd verkeer op grond van artikel 6.1, onder c, van de planregels toegestaan is ter plaatse van de voorziene ontsluiting, maar dat op grond van artikel 11.1, onder b, alleen langzaam verkeer over een brug naar de Boekenburglaan toegestaan is. Van langzaam verkeer is een definitie opgenomen in het herstelbesluit, het gaat hierbij om niet-gemotoriseerd verkeer. Er mag alleen nog een oeververbinding voor langzaam verkeer en calamiteitenroutes over de bestemming "Water" worden gerealiseerd, nu de functieaanduiding "ontsluiting" niet voor de bestemming "Water" geldt in het verlengde van de Boekenburglaan. Een brug voor gemotoriseerd verkeer (niet zijnde calamiteitenverkeer) is daar niet toegestaan. Door het herstelbesluit is dus uitgesloten dat het plangebied voor autoverkeer (voor zover het geen calamiteitenverkeer betreft) ontsloten wordt via de Boekenburglaan. Voor zover [appellanten sub 3] vrezen dat de ontsluiting toch door gemotoriseerd verkeer gebruikt zal gaan worden overweegt de Afdeling dat dit een handhavingskwestie is, omdat dit gebruik in strijd met de planregels zou zijn. De raad heeft op de zitting toegelicht dat in ieder geval met bebording aangegeven zal worden dat dit niet is toegestaan. Wat het toestaan van een eventuele calamiteitenroute die aansluit op de Boekenburglaan betreft, overweegt de Afdeling dat de raad heeft onderbouwd dat het van belang is dat alle woningen in geval van calamiteiten goed bereikbaar zijn en dat dit ook verplicht is. De calamiteitenroute zal alleen in het geval van calamiteiten, en dus beperkt, door niet-langzaam verkeer worden gebruikt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de mogelijkheid voor een calamiteitenroute hier niet heeft kunnen toestaan. Verder heeft de raad toegelicht dat er nog verschillende opties zijn voor de locaties van de calamiteitenroutes. Omdat het nog onzeker is waar de calamiteitenroutes komen heeft de raad nog geen beslissing genomen over het afwijken van, of aanpassen van, het planologisch regime van "Dorp Voorhout". De raad zal hier wel toe overgaan als de calamiteitenroute eenmaal is gekozen en dit nodig blijkt te zijn. De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat het daarom op dit moment niet relevant is of het plan "Dorp Voorhout" de aansluiting van de calamiteitenroute toestaat. De betogen slagen niet. Verkeersveiligheid 7. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan tot verkeersonveiligheid zal leiden. Het parkeren aan de Boekenburglaan 151-157 wordt behouden maar er wordt ook langzaam verkeer aan toegevoegd. De ontsluitingsweg zal de Boekenburglaan drukker maken met (elektrische) fietsen. De kans dat er ongelukken gebeuren zal door deze extra ontsluiting vele male groter worden volgens [appellant sub 1] en anderen. Door de (bak)fietsen is er weinig ruimte om deel te nemen aan het verkeer, omdat er weinig ruimte is voor het fietsverkeer. [appellanten sub 2] betogen dat het plan ten onrechte een langzaam verkeersroute en calamiteitenroute toestaat die aansluit op het nu nog doodlopende stuk van de Boekenburglaan waar zij aan wonen. Het aantal fietsers op de Boekenburglaan zal hierdoor flink toenemen. [appellanten sub 2] vrezen voor een aantasting van de verkeersveiligheid door de toename van fietsverkeer. Hierbij wijzen [appellanten sub 2] op de aanwezigheid van haaksparkeerplaatsen, de smalheid van de Boekenburglaan en op de mogelijk grote aantallen fietsers in combinatie met de snelheid waarmee deze zich tegenwoordig kunnen voortbewegen. 7.1. De raad stelt dat het plan niet zal leiden tot een aantasting van de verkeersveiligheid op de Boekenburglaan, en verwijst hierbij naar de memo "fietsverbinding bestaande bebouwing" van 18 december 2024 (hierna: memo fietsverbinding) en het rapport "Verkeersveiligheidstoets fietsverbinding Boekenburglaan 151-159 te Voorhout" van De Baan Verkeersadvies B.V. van 17 september 2025 (hierna: de verkeersveiligheidstoets). 7.2. De memo fietsverbinding gaat over de fietsverbinding waar het hier om gaat (ook wel aangeduid als fietsverbinding 1, die uitmondt op een nu nog doodlopende zijtak/een parkeerstraatje, van de Boekenburglaan) en geeft een inschatting van het aantal fietsers dat gebruik zal gaan maken van deze fietsverbinding. De verkeersveiligheidstoets gaat vervolgens in op de verkeersveiligheid hier. In de verkeersveiligheidstoets is geconcludeerd dat het aantal fietsers ten opzichte van de huidige situatie zal toenemen en daarmee ook het aantal potentiële conflicten, maar dat de straat vergelijkbaar is met een gangbare weg in een 30km-zone waarop wordt geparkeerd en gefietst. De toename van de geringe verkeersveiligheidsrisico's is naar het oordeel van De Baan Verkeersadvies acceptabel en de nieuwe langzaamverkeersroute zal niet leiden tot onacceptabele verkeersonveilige situaties. Gelet hierop kon de raad zich naar oordeel van de Afdeling op het standpunt stellen dat het plan de verkeersveiligheid niet onevenredig aantast. De betogen slagen niet. Bouwverkeer 8. [appellant sub 4] betoogt dat tijdelijke bouwroutes ten onrechte niet zijn geregeld in het plan. Nergens is er een aanduiding hoe het bouwverkeer gefaciliteerd zal worden, [appellant sub 4] wil een aanduiding in het plan waarlangs de tijdelijke bouwroutes zich zullen bevinden. 8.1. Overlast door bouwwerkzaamheden heeft geen betrekking op het bestemmingsplan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten maken geen onderdeel uit van het besluitvormingsproces over de ruimtelijke keuzes en hoeven daarom niet te worden betrokken bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Uitvoeringsaspecten kunnen in een bestemmingsplanprocedure niet aan de orde komen. Dit geldt ook ten aanzien van het bouwverkeer. Waterhuishouding 9. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het van belang is dat de waterbergingsvoorziening wordt gerealiseerd om natte voeten in de toekomst te voorkomen. Dat de voorwaardelijke verplichting waterberging met het herstelbesluit is komen te vervallen, neemt ondanks de toelichting van het Hoogheemraadschap, de zorg ten aanzien van een mogelijke verhoging van het waterpeil niet weg. Volgens [appellant sub 4] moet compensatie plaatsvinden in het plangebied, en is de waterberging ten onrechte buiten het plangebied voorzien. [appellanten sub 2], [appellant sub 4] en [appellanten sub 3] vrezen dat door de maatregelen die in het plangebied aangaande de waterhuishouding worden genomen, er wateroverlast op hun perceel zal ontstaan, onder meer als gevolg van een stijgende grondwaterstand. In het plan is een verhoging van het polderpeil naar het boezempeil opgenomen. Er is ten onrechte niet onderzocht wat het effect hiervan is op sommige bestaande woningen, waaronder die van hen. 9.1. De raad heeft het rapport "Gebiedsontwikkeling Nieuw Boekhorst Watertoets" van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. van 9 september 2022 (hierna: de watertoets) aan het plan ten grondslag gelegd. Ook heeft de raad de memo "Diverse vragen watersysteem Nieuw Boekhorst" van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. van 20 augustus 2025 (hierna: memo watersysteem) overgelegd. In de memo watersysteem wordt geconcludeerd dat de grondwaterstand ter plaatse van de bestaande woningen aan de Boekenburglaan als gevolg van het plan niet zal verslechteren. Daarnaast kan het bodemwater van Nieuw Boekhorst niet bij de bestaande woningen aan de Boekenburglaan terecht komen vanwege de tussengelegen watergang, waardoor ook ten aanzien van het bodemwater geen negatieve effecten te verwachten zijn. Tot slot wordt geconcludeerd dat het nieuwe polderwatersysteem meer waterberging heeft dan in de huidige situatie. Het plan zal geen negatieve effecten op het waterbergend vermogen van de polder hebben. In de huidige situatie is soms sprake van wateroverlast in de kruipruimte bij woningen langs de Boekenburglaan, maar dit is een bestaand probleem, en niet gerelateerd aan de ontwikkeling Nieuw-Boekhorst. Er vindt geen verslechtering plaats door de voorziene ontwikkeling. In de watertoets staat dat de oppervlakteverdeling wijzigt omdat sprake is van verharding. Voor het dempen van watergangen en per toename verharding moet watercompensatie worden gerealiseerd. Uit de watertoets volgt dat 17% van de toename verharding in alternatieve waterberging wordt gecompenseerd en 83% van de toename verharding (24.572 m²) in oppervlaktewater. De alternatieve waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van wadi's, infiltratiekratten en laaggelegen groene zones. Ten aanzien van de compensatie in oppervlaktewater geldt dat de toename van het wateroppervlak in het plangebied 19.813 m² is. Voor de overige 4.759 m² wordt gebruik gemaakt van het overschot aan watercompensatie van de aangrenzende Noordelijke Randweg van 4.836 m². De raad heeft toegelicht dat er netto sprake is van een overcompensatie in het bestemmingsplan van 77 m². Voor de toename van verharding en alternatieve waterbergingen is een vergunning verleend door het Hoogheemraadschap van Rijnland. Verder heeft de raad toegelicht dat compensatie buiten het plangebied mocht plaatsvinden. Ten aanzien van de watercompensatie van de aangrenzende Noordelijke randweg geldt dat de dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland bij besluit van 13 april 2021 een vergunning hebben verleend voor het dempen en graven van oppervlaktewater en het verleggen van de regionale waterkering voor de aanleg van de Noordelijke Randweg in Voorhout. Uit de vergunning blijkt dat een overcompensatie aanwezig is van 993 m² in de Polder Boekhorst en een overcompensatie van 3.843 m² in de Boezem. De overcompensatie bedraagt daarmee 4.836 m². Op grond van de uitvoeringsregels Keur Rijnland 2020 mag worden gecompenseerd met water dat aantoonbaar extra gegraven is vijf jaar direct voorafgaand aan de melding van de verharding. De gemeente Teylingen heeft toestemming gegeven om de overcompensatie over te dragen aan het project Nieuw Boekhorst. Verder staat in de memo watersysteem over het waterbergend vermogen van het plangebied dat het nieuwe polderwatersysteem meer waterberging heeft dan in de huidige situatie. Gelet op de conclusies in de watertoets en de memo watersysteem heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat wateroverlast in de omgeving van het plangebied zal ontstaan ten gevolge van de voorziene ontwikkeling. De betogen slagen niet. Parkeernorm sociale huurwoningen 10. [appellant sub 1] en anderen betogen dat in de berekening van de parkeerbehoefte niet uitgegaan kon worden van 1,1 auto per appartement, omdat er maar 126 van de 329 mensen op de enquête hierover hebben gereageerd. 10.1. De raad stelt dat de parkeernorm voor sociale huurwoningen op een deugdelijke wijze tot stand is gekomen. Hierbij verwijst de raad naar de notitie "Onderbouwing parkeernorm sociale appartementen Nieuw Boekhorst" van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. van 18 juli 2023 (hierna: de parkeernotitie) die als bijlage bij de planstukken zit. Het plan gaat uit van een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per sociale huurwoning, wat lager is dan de parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per woning uit het gemeentelijk parkeerbeleid. Deze lagere norm is in de parkeernotitie gemotiveerd. Uit de parkeernotitie blijkt dat een norm van 1,1 parkeerplaats per sociale huurwoning, inclusief bezoekersparkeren, aansluit bij het gemiddelde autobezit in de regio van 0,9 auto per woning en daarmee volgens de raad passend is. De CROW-richtlijnen voor sociale huurappartementen op vergelijkbare locaties liggen tussen 0,8 en 1,6 parkeerplaatsen per woning. Dat betekent dat de parkeernormen van de gemeente Teylingen met 1,5 aan de hoge kant zitten. Bovendien maakt het gemeentelijk parkeerbeleid geen onderscheid in de parkeernormen per woningtype wat betreft huur/koop en goedkoop/duur. Gemiddeld genomen leiden lage inkomens en huurwoningen tot lager autobezit. Dat blijkt ook uit de met de enquête uitgevoerde steekproef onder 126 bewoners van de sociale woningbouwstichting Stek waaruit volgt dat in de regio bij sociale huurwoningen een gemiddeld autobezit is van 0,93 per woning. Dat is beduidend lager dan het gemiddelde autobezit binnen de gemeente Teylingen dat volgens het CBS 1,1 auto per woning bedraagt. Het plangebied heeft bovendien een gunstige ligging nabij station Voorhout, met directe verbindingen naar steden als Leiden en Den Haag, wat de afhankelijkheid van de auto verder vermindert. De combinatie van bovenstaande factoren maakt een verlaging van de parkeernorm naar 1,1 parkeerplaats per sociale huurwoning in Nieuw Boekhorst volgens de raad passend. De enkele stelling dat slechts 38% van de genodigden op de enquête heeft gereageerd, betekent volgens de raad niet dat de parkeernorm voor sociale huurwoningen niet op een deugdelijke wijze tot stand is gekomen. Verder wijst de raad erop dat voor zover [appellant sub 1] en anderen vrezen voor parkeeroverlast in hun wijk geldt dat het plan geen veranderingen aanbrengt in de bestaande situatie daar. Van bijvoorbeeld een doorkoppeling voor autoverkeer naar de bestaande wijk is namelijk geen sprake. 10.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad de gehanteerde parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per sociale huurwoning voldoende heeft onderbouwd. Het betreft een afwijking van het gemeentelijke parkeerbeleid, maar de raad heeft deze afwijking onder meer gemotiveerd onder verwijzing naar CROW-richtlijnen en heeft ook onderbouwd dat de nieuwe wijk dicht bij een OV-station ligt. De aangehaalde enquête is hierbij niet bepalend geweest. De raad heeft toegelicht dat deze hooguit ondersteunend is gebruikt. Dat maar een deel van de genodigden op de enquête heeft gereageerd maakt dan ook niet dat de raad de parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per sociale huurwoning niet kon hanteren. Het betoog slaagt niet. Akoestisch onderzoek 11. [appellant sub 1] en anderen betogen dat ten onrechte niet is onderzocht of er bij hun woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege geluid. De verkeersstructuur is niet vastgelegd in het plan, dus het zou kunnen dat er wegen op andere plekken komen dan waar het akoestisch onderzoek vanuit gaat, waardoor de geluidsbelasting bij de woningen van [appellant sub 1] en anderen hoger zal zijn. Voordat kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening moeten de wegen in het plangebied volgens [appellant sub 1] en anderen worden vastgelegd. 11.1. De raad heeft akoestisch onderzoek laten uitvoeren en stelt dat er bij bestaande woningen een aanvaardbare geluidsbelasting zal zijn. In het aanvullende akoestisch onderzoek is een (theoretische) verschuiving van de ontsluitingslus richting het zuiden in beeld gebracht. Hierbij wijst de raad erop dat autoverkeer alleen ter plaatse van de aanduiding "ontsluiting" de bestemmingen "Groen" of "Water" mag doorkruisen. Vanwege de locatie van deze bestemmingen en aanduiding, en de omstandigheid dat de ontsluitingslus is bedoeld als interne ontsluitingsstructuur voor de wijk, is het niet mogelijk dat de ontsluitingslus zuidelijker wordt gerealiseerd. Uit het aanvullend akoestisch onderzoek is gebleken dat een verschoven ligging van de ontsluitingslus niet leidt tot een andere geluidbelasting op de bestaande woonbebouwing ten opzichte van de geprojecteerde ontsluitingslus in het akoestisch onderzoek. De geluidbelasting van de ontsluitingslus blijft ruim onder de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. 11.2. De raad heeft het rapport "Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Nieuw Boekhorst" van 9 januari 2024 van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. aan het plan ten grondslag gelegd en de notitie "Oplegger akoestisch onderzoek goed woon- en leefklimaat" van 1 oktober 2025 van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. (hierna: het aanvullend akoestisch onderzoek) overgelegd. In het aanvullend akoestisch onderzoek staat onder meer: "Uit de hiervoor uiteengezette rekenresultaten blijkt dat het geluid van de nieuwe wijkontsluitingsweg (op de positie van de vastgestelde gebieds- en kwaliteitsvisie) ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ligt. Omdat in het bestemmingsplan de wijkontsluiting niet op de plankaart in een specifieke bestemming is vastgelegd, is het (in theorie) planologisch mogelijk de wijkontsluiting op een andere positie te realiseren. […] Voor de volledigheid is een meer zuidelijkere gelegen wijkontsluitingsweg gemodelleerd, om de effecten op de geluidbelasting hiervan inzichtelijk te maken. Waarbij wordt benadrukt dat het niet aannemelijk is dat de wijkontsluitingsweg op deze locatie wordt gerealiseerd". Vervolgens wordt in het aanvullend akoestisch onderzoek geconcludeerd: "Uit deze aanvullende berekeningen volgt dat ter hoogte van de woningen aan de Boekenburglaan hooguit een minimale wijziging van 1 dB optreedt. […] Daarmee kan verder gesteld worden dat voor de geluidbelasting afkomstig van alleen de wijkontsluiting sprake is van een akoestisch aanvaardbare kwaliteit, en een goede ruimtelijke ordening" en "Ter hoogte van de woningen aan de Boekenburglaan treden geen wijzigingen op in de cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer. De cumulatieve geluidbelasting op de woningen aan de Beukenrode en Meidoornrode neemt wel toe, tot ook maximaal 55 dB exclusief aftrek 110g Wgh. […] De geluidbelasting van de wegen afzonderlijk ligt op of onder de voorkeursgrenswaarde (uitgezonderd de Meidoornrode 39). Daarmee kan gesteld worden dat sprake is van een akoestisch aanvaardbare kwaliteit, en een goede ruimtelijke ordening". Gelet op de conclusies in het aanvullende akoestisch onderzoek heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat bij de woningen van [appellant sub 1] en anderen aan de Boekenburglaan ook bij een zuidelijkere ligging van de ontsluitingslus sprake zal zijn van een aanvaardbare akoestische situatie. De locaties van de voorziene wegen in het plangebied hoefden daarom niet vastgelegd te worden in het plan om met betrekking tot het aspect geluid te kunnen spreken van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt niet. Karakteristieke hooimijt 12. [appellanten sub 3] betogen dat de karakteristieke hooimijt die zich in het plangebied bevindt opmerkelijk genoeg niet positief is bestemd. Een specifieke aanduiding voor het bouwwerk ontbreekt. 12.1. De raad stelt dat de hooimijt behouden blijft voor inpassing in de toekomstige groenstructuur. De beoogde locatie wordt in de verdere uitwerking bepaald, waarbij het mogelijk is dat de hooimijt verplaatst wordt naar een locatie elders in de groenstructuur. Het plan maakt dit mogelijk. Zo zijn op grond van artikel 6.1, aanhef en onder g, van de planregels de voor de bestemming "Groen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor één hooimijt. Hoewel de exacte locatie van de Hooimijt gelet op de globale wijze van bestemmen nog niet bekend is, is van het wegbestemmen van de hooimijt in ieder geval geen sprake. 12.2. Artikel 6.1 van de planregels luidt: "De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor: […] g. één hooimijt; […]." 12.3. De Afdeling stelt vast dat één hooimijt is toegestaan op gronden met de bestemming "Groen". Het is niet zo dat de hooimijt planologisch niet meer is toegestaan. De raad heeft op zitting toegelicht dat de hooimijt uit elkaar is gehaald en opgeslagen ligt, en ergens in het plangebied zal terugkomen. Het plan staat dit ook toe. Het betoog slaagt niet. Bebouwing achter woning [appellant sub 4] 13. [appellant sub 4] betoogt dat de globale opzet van het bestemmingsplan tot rechtsonzekerheid leidt. De bestemming "Wonen" ligt op 5,5 m van het einde van zijn achtertuin, dus er ontstaat inkijk in de achtertuin. Het plan maakt niet duidelijk of er wellicht in plaats van een woning een weg komt aan deze zijde, om de woningen te ontsluiten. Volgens [appellant sub 4] is het voor huidige bewoners van belang om enige zekerheid te hebben over waar bebouwing en wegen komen. Hij wil dat in het plan bouwvlakken en voor- en achtergevelrooilijnen worden opgenomen, een bepaling over afschermende werking tussen bestaande woningen en de nieuwe wijk (een op te richten houtwal over een lengte van 27
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.