← Nederland

ECLI:NL:RVS:2025:6050

BRS.25.000985 ECLI:NL:RVS:2025:6050 Datum uitspraak: 16 december 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [betrokkene 1, [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 juli 2025 in zaak nr. 25/7820 in het geding tussen: [de betrokkenen] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 28 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 5 maart 2025 heeft de minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. N.B. Swart, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld. Overwegingen

  1. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de minister niet op grond van het Genocideverdrag verplicht is om aan appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf af te geven, ook omdat artikel 1 van het Genocideverdrag geen rechtstreekse werking heeft. De in artikel 1 van het Genocideverdrag omschreven inspanningsverplichting om genocide te voorkomen, is namelijk niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te kunnen worden toegepast. Appellanten kunnen daarom geen geslaagd beroep doen op deze bepaling. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1716, onder 3.2, en het arrest van de Hoge Raad van 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1223, onder 3.7.
  2. Ook de tweede en de derde grief leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 8 en 10 van de uitspraak van de rechtbank over. 2.1 Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
  3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier. w.g. Kuijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Boon griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025 977

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.